Archief

Posts Tagged ‘Gert-Jan Segers’

Verbinding zonder fundament

Als ik me niet vergis is sinds het begin van deze eeuw een activiteit die men met een goed Nederlands woord trendwatching noemt, nogal populair. Er zijn zelfs mensen die er hun beroep van gemaakt hebben. Ze komen af en toe in de media opdraven om bepaalde ontwikkelingen te duiden en in hun glazen bol te kijken om te voorspellen hoe het de komende jaren verder zal gaan. Het kan overal over gaan: de toekomst van het winkelbedrijf, mode, duurzaamheid, noem maar op. Ze vertellen ons graag wat we zien – want dat schijnen we zelf niet te kunnen – en vertellen ons dan wat we de komende jaren ongetwijfeld nog zullen gaan zien.

Ik weet niet of er ook kerkelijke trendwatchers bestaan. Daar lijkt in elk geval wel een terrein braak te liggen, want er is het nodige aan de hand. En ook al kunnen we zien wat dat is – de christelijke kranten laten niet na er melding van te maken – kan het toch zinvol zijn dat iemand de zaken samenvat en in een perspectief zet, zeker gezien de grote variëteit in het kerkelijke landschap.

Er is bijna geen kerk waarin niet iets aan de hand is. Al die ontwikkelingen zou je geïsoleerd kunnen bekijken, maar wellicht zijn er ook bepaalde patronen te ontwaren. Nu wil ik me zelf niet de mantel van trendwatcher omhangen. Die past me niet en bij de pretenties van trendwatchers voel ik me allerminst thuis. Het zijn maar al te vaak broodetende profeten.

Niettemin wil ik dit weblog in de komende maanden toch gebruiken om wat observaties van de laatste jaren met de lezer te delen. Wie zelf de kerkelijke ontwikkelingen volgt, bijvoorbeeld via christelijke media, zowel in gedrukte als in digitale vorm, zal ongetwijfeld bekende zaken tegenkomen. Zit er wellicht een bepaald verband tussen ontwikkelingen die op het eerste gezicht niet direct iets met elkaar te maken hebben?

Kerkverlating lijkt een actueel thema. Dat was het altijd al, want kerkverlating is niet iets van gisteren of eergisteren. Toch lijkt het erop dat de manier waarop het aan de orde gesteld wordt, anders is dan vroeger – zeg een paar decennia geleden. Men maakte zich toen vooral zorgen over de jongeren, globaal genomen mensen tussen middelbare-schoolleeftijd en midden 20. Mede daaruit is het verschijnsel van de jeugdkerken voortgekomen. Vanuit de idee dat het zaad van de kerkverlating vaak al vroeger gezaaid is, werd ook in orthodoxere kerken gegrepen naar het middel van bijbelklassen voor kinderen van basisschoolleeftijd. Zoiets noemde men vroeger in de meer vrijzinnige wereld ‘nevendienst’, maar zo mocht dat uiteraard niet heten, al is het verschil in karakter minimaal.

Het lijkt me dat de laatste tijd de aandacht vooral uitgaat naar jongvolwassenen, zeg maar de generatie die op de jongeren zoals hiervoor omschreven volgt. Dan hebben we het over mensen die bezig zijn hun eigen leven vorm te geven en op te bouwen. Mensen die wellicht bezig zijn hun draai te vinden in een beroep en een gezin stichten. Kerkelijke waarnemers, maar ook kerkenraden, constateren dat ook onder die groep – of misschien zelfs juist onder die groep – de kerkverlating sterk toeneemt. Daarbij is niet altijd sprake van een formele breuk met de kerk. Veel van dit soort mensen komen gewoon nooit in de kerk. Kerkenraden raken het zicht op hen kwijt en slagen er niet in echt contact met hen te maken. Een aparte categorie vormen diegenen die het doen van openbare geloofsbelijdenis eindeloos uitstellen. Waren vroeger doopleden ouder dan 20 jaar de uitzondering, dat is nu inmiddels al vrij normaal. Het is niet zo vergezocht te vermoeden dat van uitstel maar al te vaak afstel komt.

Wat te doen? Nog nooit heeft iemand het ei van Columbus gevonden en de kans dat iemand het ooit vindt, lijkt me verwaarloosbaar klein. Wat me wel opvalt is dat tegenwoordig degenen die zich met dit onderwerp bezighouden, niet zelden overlopen van begrip voor kerkverlaters. Nu is daarmee op zichzelf niets mis. Wie zichzelf kent, zal niet gemakzuchtig de staf breken over wie de kerk verlaat. Wie dat niet doet, heeft dat uiteindelijk niet aan zichzelf te danken. Maar dat begrip kan niet het einde van het verhaal zijn.

Neem nu een betoog als dat van Alain Verheij, zelfbenoemd ‘twittertheoloog’, in het Nederlands Dagblad (14.11.19). Hij noemt een aantal gevallen van jongvolwassenen die de kerk vaarwel gezegd hebben. “Marie ging weg omdat haar kerk homofoob was. Geef haar eens ongelijk. Rutger vertrok toen hij de evolutietheorie had leren kennen. Had hij in de kerk nog nooit van gehoord.” In het vervolg laat hij uitvoerig zien wat er allemaal is misgegaan en nog steeds misgaat. Dat is niet zo moeilijk. Maar een uitweg ziet hij niet. “We kunnen nu nog schakelen – mits die twintigers en dertigers zich over hun arrogante weerzin heen zetten en contact gaan leggen met de oudere traditie en medegelovigen. Mits die aloude kerkmannen van hun onaantastbare troon stappen en ruimte bieden aan de diverse toekomst. Mits die lethargische middengeneratie van veertigers en vijftigers eens een keer zelfbewust en actief de broodnodige bruggen gaat slaan.” Maar hoe moet dat dan, bruggen slaan? Heb je daarvoor niet op z’n minst twee stevige wallen nodig? Maar die lijken er niet te zijn. Aan het eind noemt hij als kern van wat op het spel staat: gemeenschapszin. Het probleem is alleen dat die gemeenschapszin ergens op gebaseerd moet zijn. Dan zul je er toch niet aan ontkomen iets als een norm of een anker te omschrijven.

En dan zitten we al direct met een ander probleem. Waar vroeger allerlei christelijke ‘opiniemakers’ precies wisten hoe het zat en niet bang waren hun opvattingen ook publiek uit te dragen (denk aan uitzendingen van de EO), heerst nu vooral bedremmeld stilzwijgen of wordt wat onduidelijk gemompeld als het bijvoorbeeld om zaken gaat die in de christelijke ethiek een belangrijke plaats innemen. De duidelijkheid heeft plaatsgemaakt voor veel enerzijds-anderzijdsredeneringen. Men neemt steeds vaker zijn toevlucht tot wat men als de kern van het evangelie beschouwt. Dat – kort gezegd – de verzoening door Christus’ lijden de kern van het evangelie is, behoeft geen betoog. Maar volgt daaruit dat al het overige dat in de Schrift naar ons toekomt, van minder belang is?

Op 14 november schreef Aad Kamsteeg een artikel in het Nederlands Dagblad waarin hij uitlegt waarom hij naar de kerk blijft gaan. Daar staan veel mooie dingen in, maar ik ben waarschijnlijk niet de enige die struikelt over deze zinsnede: “En ik zie vooral dat wat samenbindt ver uitstijgt boven het feit dat mijn kerkelijke buurman anders denkt over vrouw in het ambt, samenwonende homo’s of wat ook.” Is het erg vreemd dat, wanneer je met dankbaarheid constateert dat je buurman uit genade wil leven, je toch wel wat moeite hebt met zijn opvatting dat de Tien Geboden hun tijd gehad hebben, dat je met je geld mag doen wat je wilt, dat je best mag vinden dat mensen met een andere huidskleur, van allochtone afkomst of aanhangers van een andere religie hier niets te zoeken hebben? Zouden er echt geen dingen zijn die kerkscheidend mogen – of zelfs moeten – zijn? Het is mijn indruk dat steeds meer christenen daar ja op zeggen, zolang het om zaken gaat die ons samenleven als mensen raken. Maar als het om de persoonlijke ethiek gaat – zaken rond huwelijk en gezin of ook onze manier van kerk-zijn – verstrikken ze zich in mitsen en maren of nemen hun toevlucht tot drogredeneringen om maar niet een duidelijk standpunt te hoeven innemen.

Daaruit mag de conclusie worden getrokken dat op het vlak van de christelijke ethiek een verschuiving heeft plaatsgevonden van de personele ethiek naar de publieke moraal. Dat is een onderwerp waarover wel meer te zeggen valt en dat ik daarom op dit moment verder laat rusten. Ik hoop later daarop afzonderlijk terug te komen.

Een belangrijk motief in het streven van de Christenunie is het zoeken naar verbinding in een maatschappij waarin mensen maar al te vaak tegenover elkaar staan. Vooral de politiek leider, Gert-Jan Segers, profileert zich op dat thema. Op zichzelf is dat een mooi streven, maar er past ook enige scepsis. Want wat moet dan de gemeenschappelijke grond zijn die de bodem kan vormen waarop mensen tot elkaar kunnen komen? Dat is lastig in een samenleving die zo verschilt in opvattingen en manier van leven. Datzelfde geldt van de kerk. Verheij heeft helemaal gelijk wanneer hij het belang van gemeenschapszin onderstreept. Maar wat is dan dat gemeenschappelijke? Hoe kun je over problemen rond kerkverlating spreken zonder de bijbel open te slaan?

Eén van de artikelen van de Apostolische Geloofsbelijdenis spreekt over de ‘gemeenschap van de heiligen’. Deze belijdenis wordt tot de oecumenische belijdenisgeschriften gerekend. Dat wil zeggen dat ze wereldwijd, door kerken van allerlei snit, wordt aanvaard. Maar dat betekent niet dat die belijdenis overal dezelfde status heeft en door elke kerk op dezelfde manier wordt uitgelegd. ‘The devil is in the detail’, zegt een Engels spreekwoord. Met andere woorden: het is niet voldoende wanneer men dezelfde woorden onderschrijft. De geschiedenis leert dat het nodig is die woorden nader uit te leggen. Dan komen de verschillen al snel aan de oppervlakte.

Eenheid kan zomaar schijneenheid zijn. Wie uit de genade van Christus wil leven, zal daaraan ook de consequentie moeten verbinden dat hij zich in heel zijn leven laat leiden door de wil van God, zoals die in de Schrift naar voren komt. Niet om op die manier iets te verdienen, maar omdat de wet – in de meest brede zin van het woord – de ‘regel van de dankbaarheid’ is. Het maakt dus echt wel wat uit, wat mensen in de kerk van allerlei zaken vinden die kennelijk voor steeds meer christenen van weinig gewicht zijn. Wie het christelijk geloof wil beperken tot ‘verzoening door voldoening’ en al het andere van relatief ondergeschikt belang acht, heeft daarbij de apostelen in elk geval niet aan zijn kant. Ze sporen de gemeenten steeds weer aan ook bijvoorbeeld op het vlak van de ethiek ernst te maken met de navolging van Christus. En hun prediking heeft wel als kern de verzoening door Christus’ lijden, maar beperkt zich daartoe niet. We moeten wel rekenen met verschillen in soortelijk gewicht binnen het ene evangelie. Maar wanneer zaken van minder gewicht zijn, betekent dat niet dat ze middelmatig zijn en dat je daarvan mag vinden wat je wilt. De Schrift is een eenheid en daarin kun je niet gaan winkelen. De verleiding is groot mee te nemen wat je lekker vindt en in de schappen te laten liggen wat je minder goed uitkomt. Dat is de manier waarop de zelfbenoemde ‘cultuurchristenen’ met het christelijk geloof omgaan. Maar juist de belijdenissen – de oecumenische en daarnaast ook de gereformeerde belijdenissen die deze op verschillende manieren uitwerken – laten zien dat de boodschap van de Schrift een eenheid is.

Zonder dat fundament is elke poging tot verbinding gedoemd te mislukken.

Feestdagen onder vuur?

De christelijke feestdagen liggen onder vuur. Tenminste, als je kranten als De Telegraaf en het AD moet geloven, die graag de spreekbuis willen zijn van iedereen die zich zorgen maakt over de Nederlandse identiteit. In de aanloop naar Kerst was het eerstgenoemde, die suggereerde dat op allerlei niveaus verwijzingen naar Kerst moesten plaatsmaken voor algemene aanduidingen voor de tijd van het jaar, zoals feestmaand (en, naar analogie daarvan, feeststol). In de week voor Pasen kwam het AD met een artikel waarin beweerd werd dat op christelijke scholen het Paasverhaal werd aangepast of zelfs verzwegen om islamitische leerlingen en hun ouders niet te mishagen. In beide gevallen waren het vooral VVD en PVV die daaruit politieke munt probeerden te slaan.

Zowel ten aanzien van Kerst als van Pasen werd al snel duidelijk dat de alarmistische verhalen grotelijks overdreven waren of ten dele uit de duim gezogen. Zelfs hoofdredacteur Nijenhuis van het AD leek zich van de berichtgeving in zijn eigen krant te distantiëren door in een commentaar de onrust “geroeptoeter over een vermeende aanval op Pasen” te noemen. Het is ook eigenaardig dat seculiere media zich zo druk maken om de vraag of en zo ja, op welke manier scholen aandacht besteden aan Pasen. Let wel, het gaat hier om christelijke scholen, dus om bijzonder onderwijs, waarvoor media als De Telegraaf en AD zich nooit bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat Tweede-Kamerleden van de VVD over het Paasverhaal van het AD schriftelijke vragen meenden te moeten stellen, geeft ook te denken. Zij zouden toch moeten weten dat de overheid en de politiek in het algemeen geen zeggenschap hebben over het al dan niet vieren van religieuze feesten op bijzondere scholen. Het gaat hier om intern beleid; alleen ouders van leerlingen hebben het recht te klagen.

Merkwaardig is ook dat mensen zich sterk lijken te maken voor een feest waarvan ze zelf meestal afstand nemen. Dat blijkt al daaruit dat ze als symbolen van de christelijke feesten uitgerekend die dingen noemen, die met de betekenis van die feesten niets van doen hebben, zoals in het geval van Pasen de paashaas en paaseieren. Terecht reageerde iemand op Twitter: “Bij secularisatie gaat in NL de vlag uit. Behalve als je er de mohammedaan mee om z’n kop kan slaan. Hypocriet.” Ook Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, reageerde to the point in zijn column in het Nederlands Dagblad van 15 april j.l.: “[De] verwatering van het paasfeest is al decennia gaande. Enthousiast aangemoedigd door het bedrijfsleven dat zulke tierelantijnen beter vermarkten kon dan een kruis en een leeg graf, en de ontkerkelijkte goegemeente die stellig meende dat het maar eens gedaan moest zijn met die verderfelijke christelijke invloed op onze samenleving. Maar nu hijst diezelfde goegemeente zich collectief in het driedelige maatkostuum van de heilige verontwaardiging, en gaat parmantig rondrijden op een fiets die ouder is dan zij zelf zijn, kort door alle bochten, op de racefiets van de christelijke waarden. (…) Als christenen hun geloofstaal afzwakken om autochtone seculieren te behagen, kraait er geen haan naar. Als ze hetzelfde doen om allochtone moslims te behagen, is het land (en vooral ook Twitter) te klein.”

Ook door christelijke politici werd kritisch gereageerd op de bezorgdheid van hun seculiere collega’s. Kees van der Staaij, fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, twitterde: “Uit betrouwbare bron vernomen dat maar weinig PVV- en VVD-kamerleden van plan zijn met Pasen naar de kerk te gaan. Ik overweeg kamervragen..” De ironie van deze tweet ontging de meesten die hierop reageerden. Kennelijk associeert men zoveel frivoliteit niet met een SGP-politicus. Zijn ChristenUnie-collega Gert Jan Segers reageerde iets serieuzer: “Als iedereen die dit erg vindt voortaan wekelijks naar de kerk gaat, dan zal Pasen echt gewoon Pasen blijven. It’s up to us, mensen..” Hieraan kan nog worden toegevoegd dat al gauw bleek dat nogal wat lieden die zich zo boos maken over de teloorgang van de christelijke feesten, zelf nauwelijks weten waarover die precies gaan. Hier wreekt zich dat die feesten niet meer exclusief christelijk zijn, maar tot nationale feestdagen zijn geworden – of verworden, wat in deze context een betere term lijkt. Ik heb daarover hier al eens uitvoeriger geschreven.

Diverse media controleerden de beweringen in het AD. De conclusie: er was geen reden aan te nemen dat christelijke scholen het paasverhaal helemaal verzwegen. Wel pasten sommigen het verhaal enigszins aan de leerlingenpopulatie aan of probeerden een link te leggen naar de islam, want in de regel gaat het om scholen met een substantieel aantal moslimleerlingen. Daarbij noteerde de Volkskrant (12.4.17) wel enkele uitlatingen die te denken geven. “Het is niet meer zoals vroeger, waarbij kinderen gesloten werden opgevoed tot christenen”, zegt Kees Terdu, voorzitter van de stichting Protestants-Christelijk Basis- en Orthopedagogisch Onderwijs (PCBO) in Rotterdam-Zuid. “Wat wij doen, is vanuit christelijke waarden een betere samenleving proberen vorm te geven. Juist Pasen is een feest dat een brug kan slaan naar iedereen in de samenleving.” Op traditionele christelijke scholen zal meer nadruk liggen op het eigen geloof, zegt Terdu, “maar de betekenis van de christelijke feesten is universeel”. Aan de hand van het thema ‘opstaan’ behandelen zijn scholen dit jaar Pasen. “We praten over opstaan uit de dood, maar ook opstaan tegen onderdrukking en onrecht”, zegt de stichtingvoorzitter. “Kinderen met een islamitische achtergrond herkenning zich hier net zo goed in als christelijke kinderen.” Hiermee wordt Pasen wel van zijn unieke betekenis ontdaan. Maar laten we vooral niet denken dat dit specifiek gerelateerd is aan de aanwezigheid van moslimkinderen. In feite is dit niet veel anders dan de manier waarop niet-gelovigen naar de Matthäus-Passion van Bach luisteren. Vertolkers die zelf ook niet gelovig zijn geven er niet zelden een zodanige draai aan dat het lijkt alsof dit werk iets anders – iets minder specifiek christelijks – tot uitdrukking brengt dan Bach voor ogen stond. Maar daar valt niemand over.

Mag uit het bovenstaande geconcludeerd worden dat er wel reden is tot zorg? Ik zou eerder zeggen: reden voor bezinning. Maar dan wel in een heel andere zin en in een andere richting dan door seculiere politici en media wordt bepleit. De vraag is niet of het christelijk onderwijs ‘nationale waarden’ uitdraagt, maar: hoe christelijk is het christelijk onderwijs nog?

Dat heeft in eerste instantie niets met de islam te maken. Uit de berichten wordt niet duidelijk of de ouders van moslimkinderen bezwaar maken tegen het vertellen van het paasverhaal. Wanneer ze daartegen bezwaar zouden maken, zou de eerste vraag moeten zijn: waarom stuurt u uw kind naar een christelijke school? Hadden ze niet verwacht dat die school zijn christelijk karakter serieus zou nemen? Misschien hebben ze dan niet goed opgelet bij hun oriëntatie op het karakter van de school, maar het is ook mogelijk dat de school zelf daarover niet voldoende duidelijk is geweest. Dat moet die school zich dan aantrekken.

Wanneer de school uit eigen beweging het paasverhaal verzwijgt of substantieel wijzigt zodat het christelijk karakter grotendeels verloren gaat, dringt de vraag zich op of die school nog wel gemotiveerd is om echt christelijke school te zijn. Wanneer de school en/of zijn leerkrachten zelf geen waarde aan het christelijk geloof hechten, kun je van leerlingen en hun ouders niet verwachten dat zij dat wel doen. Wanneer van het christelijk karakter van de school nooit iets blijkt, is het niet vreemd, wanneer geprotesteerd wordt, als ineens het paasverhaal wordt verteld. Dat is dan een vlag op een modderschuit.

Dat er gerede twijfel kan bestaan aan het christelijk karakter van sommige scholen vindt zijn oorsprong niet in de eerste plaats in de aanpassing van het paasverhaal. De oorzaak ligt bij het gebrek aan overtuiging van de school en de leerkrachten. Dat is het logische gevolg van een beleid waarin van leerkrachten niet verlangd wordt dat ze zelf gelovige christenen zijn en dat ze de kerk vaker van binnen zien dan alleen één keer per jaar met Kerken Kijken. Als leerkrachten zelf niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloven, kunnen ze de paasviering beter achterwege laten. Maar dat is niet de kern van de zaak. Het christelijk karakter van een school komt niet in de eerste plaats tot uiting in de aandacht voor christelijke feesten, een paar keer per jaar. Het moet het totale onderwijs en het klimaat op school doortrekken.

Wie zich zorgen maakt om het verval van de christelijke feesten, moet niet met de beschuldigende vinger naar moslims wijzen, maar aan zelfonderzoek doen. De grootste bedreiging van de christelijke feesten is niet een groeiende invloed van de islam, maar de interne secularisatie van het christendom. Het slechtste wat christenen in deze situatie kunnen doen is gemene zaak maken met politici van PVV en VVD, die de christelijke feesten – maar dan in geseculariseerde vorm – misbruiken voor hun nationalistische agenda. Met zulke ‘vrienden’ hebben christenen geen vijanden meer nodig.

Feesten zonder franje

11 april 2016 1 reactie

Hebt u ook zo genoten van uw vrije tweede Paasdag? Het zou best eens één van de laatste geweest kunnen zijn. Tenminste, als we Roelof Bisschop, Tweede-Kamerlid van de SGP, moeten geloven. Hij suggereerde het einde van de tweede christelijke feestdagen, toen hem om een reactie werd gevraagd op het besluit van minister Plasterk de zondagswet in te trekken. Op zichzelf heeft het één niets met het ander te maken. Maar Bisschop plaatste de intrekking van de zondagswet in een breder kader. Hij ziet het als onderdeel van het streven van de inmiddels seculiere meerderheid in de politiek de samenleving te ontdoen van alles wat aan haar christelijke wortels herinnert. Daarin staat hij niet alleen zoals blijkt uit enkele interviews van Gert-Jan Segers, politiek leider van de Christenunie. Frank van den Heuvel, lid van het CDA, schreef een artikel in Trouw waarin hij stelt dat liberalen alles wat naar religie riekt, willen uitbannen. Dat ze op z’n minst een gevoelige snaar raken blijkt wel uit de nogal gepikeerde reacties van vertegenwoordigers van VVD en D66.

De vrees van Bisschop lijkt me niet erg realistisch. De meeste Nederlanders hechten zeer aan hun vrije dag op tweede Paasdag en tweede Pinksterdag. Zelfs de VVD, voor wie de economie altijd op de eerste plaats komt, heeft zich er tot nu toe niet aan gewaagd deze vrije dagen ter discussie te stellen. Dat valt ook daaruit te verklaren dat die vrije dagen bepaalde sectoren van de economie veel opleveren, niet alleen de toeristenindustrie maar ook meubelboulevards en tuincentra, om maar eens wat te noemen.

Maar als die vrije dagen zouden vervallen, zou dat nu een reden voor treurnis zijn? En zouden christenen daartegen in het geweer moeten komen? In het Nieuwe Testament kunnen we geen aanwijzingen vinden dat aan de heilsfeiten bijzondere aandacht werd besteed. Daaruit valt ook te verklaren dat Calvijn een verklaard tegenstander van een aparte viering van Kerst was. Er zijn allerlei historische en religieuze oorzaken aan te wijzen waardoor in ons land Kerst, Pasen en Pinksteren en daarnaast nog enkele dagen, zoals Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag, op de kalender van de vrije dagen terecht kwamen en dat voor de drie eerstgenoemden meer dan één dag werd gereserveerd. Tot 1773 kenden we in Nederland, net als in het protestantse deel van Duitsland, zelfs drie Kerstdagen. Uiteindelijk werd in de Zondagswet van 1815 officieel vastgelegd welke dagen als vrije dagen golden*. Als aparte feestdagen voor de heilsfeiten al niet geworteld zijn in de Schrift, dan de tweede feestdagen al helemaal niet. Er is dus geen enkele reden al te dramatisch te doen over de eventuele afschaffing van deze dagen als vrije dagen. De eerste feestdagen zijn niet in gevaar. Omdat Pasen en Pinksteren op zondag vallen, heeft het overheidsbeleid daarop geen invloed. Kerst is de uitzondering, maar dat feest heeft zo’n status dat aantasting daarvan bijna als heiligschennis zal worden gezien.

Er is wel een andere tendens voorstelbaar: dat Pasen en Pinksteren uit het publieke bewustzijn gaan verdwijnen. In de Verenigde Staten zijn verwijzingen naar Kerst al lang een flink strijdpunt. Strijdbare seculieren zijn van mening dat zulke verwijzingen – bijvoorbeeld door het plaatsen van een kerstboom op publieke plaatsen of in openbare gebouwen en vooral de benaming Christmas tree – in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat. Sommige fundamentalistische christenen betreuren het wanneer traditionele verwijzingen naar Kerst, bijvoorbeeld in de reclame, gaan verdwijnen. Dat beschouwen ze als knieval voor diegenen die alles wat naar het christelijk geloof verwijst, uit de openbare samenleving willen verbannen.

Vergelijkbare conflicten kennen we bij ons niet. Zou dat ook daarmee te maken kunnen hebben dat – zoals ook uit het recente rapport God in Nederland blijkt – christenen in Nederland een slinkende minderheid zijn? Daarmee zijn verwijzingen naar christelijke feesten onschuldig en leiden ze niet tot noemenswaardige opwinding, zelfs niet bij de meest ideologisch gedreven seculieren. Het is de vraag of dat een goed teken is.

In zekere zin maken we bij ons het omgekeerde mee. In de aanloop naar Pasen kwam de Hema met een reclamefolder die repte over ‘verstopeieren’ en ‘voorjaarsfeest’. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de Hema niet langer naar Pasen wilde verwijzen. Dat werd direct uitgelegd als een knieval voor de islam. In de sociale media – de moderne variant van het aloude volksgericht – werd de Hema over de knie gelegd. Daarbij verdwenen – één van de kenmerken van sociale media – de nuances uit het zicht, zoals het feit dat elders in de gewraakte folder wel degelijk naar Pasen werd verwezen, door middel van de paashaas en paaseieren.

Uitgerekend Halbe Zijlstra van de VVD meende de Hema hierover te moeten kapittelen. Je zou juist van hem enig begrip mogen verwachten voor een bedrijf dat zijn reclame aanpast aan de maatschappelijke ontwikkelingen en probeert op die manier de verkoop te bevorderen en de winst te vergroten. Zijn reactie is een voorbeeld van het overspannen klimaat ten aanzien van de islam en zijn positie in de Nederlandse samenleving. Het zegt ook iets over de angst van de VVD voor de concurrentie van de PVV die zich uiteraard niet onbetuigd liet bij de openbare terechtstelling van het winkelbedrijf.

Nog verbazingwekkender is dat ze bijval kregen uit christelijke kring. Van die kant zou je iets meer nuance en een groter respect voor de feiten mogen verwachten dan van de PVV, die zich specialiseert in fact free politics. Maar het is vooral verbazingwekkend omdat men kritiek heeft op een mogelijke ontwikkeling, die men eerder zou moeten toejuichen. Want partijen als VVD en PVV geven er zelden of nooit blijk van dat ze enige interesse hebben in of waarde hechten aan de echte betekenis van de christelijke feesten. Ze beschouwen die als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Die voorzien ze van het etiket ‘joods-christelijk’, vooral in het kader van de strijd tegen de zogenaamde ‘islamisering’. De wens de christelijke feesten te handhaven is dus vooral een stok om de islamitische hond te slaan.

Al eeuwenlang maken de christelijke feestdagen deel uit van de ‘nationale kalender’. Dat was geen probleem zolang die kalender sterk door het christelijk geloof gestempeld werd. Inmiddels is de kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen goeddeels verdwenen. Dat komt ook tot uiting in de verwijzingen naar die feesten. De verwijzingen naar Pasen bestaan vooral uit paaseieren en de paashaas. En in de Kersttijd maakt steeds vaker de Kerstman zijn opwachting en wordt het geven van cadeautjes een steeds gangbaarder verschijnsel. Vanuit christelijk perspectief is dat niet iets om blij mee te zijn. De Kerstman en cadeautjes hebben niets met de geboorte van Christus te maken en de paashaas en paaseieren niets met zijn opstanding. Wanneer de Hema dit soort trivialiteiten uit haar reclameuitingen zou verbannen, zouden christenen het bedrijf daarmee moeten complimenteren. Kerstmannen, paaseieren en paashazen roepen vooral gêne op en leiden af van waar het echt over gaat.

Nu zou men kunnen beweren dat verwijzingen naar de christelijke feesten – hoe vervormd en overwoekerd door irrelevante onzin ook – een verbinding leggen tussen de christelijke minderheid en de seculiere meerderheid. Zou het feit dat Kerst en Pasen zich op allerlei manieren in de samenleving manifesteren – van een mediaspektakel als The Passion tot het kerstliedjesgekweel van draaiorgels tussen Sinterklaas en Kerst – geen aanknopingspunten kunnen bieden om ‘de wereld’ met de heilsfeiten en hun betekenis te confronteren? Het schijnt dat The Passion leidde tot een sterke toename van zoekopdrachten in Google naar het verhaal van Goede Vrijdag en Pasen. Maar wijst dat op echte belangstelling of is dat alleen maar nieuwsgierigheid naar iets dat even in het nieuws is? Te vrezen valt dat verreweg het meeste zaad in onvruchtbare aarde of op de stenen valt. De passietijd leidt ook, vooral in Nederland, tot een hausse aan uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion. Maar het is zeer twijfelachtig of dat resulteert in enig besef van de betekenis van wat daarin wordt beschreven. Een recente radiouitvoering van Bachs passie werd beloond met een ovationeel applaus. Dat wijst erop dat de luisteraars de ernst van het verhaal niet tot zich hebben laten doordringen en al helemaal niet in verband brachten met hun eigen leven. Ingetogen bijval of – beter nog – een bedremmeld zwijgen zouden meer op hun plaats geweest zijn.

Christenen hebben geen enkele reden treurzangen aan te heffen wanneer de christelijke feestdagen uit het publieke bewustzijn verdwijnen. Hoe minder reclamefolders naar Kerst en Pasen verwijzen hoe beter. Kerstmannen en paashazen onttrekken de echte betekenis van die feesten aan het zicht. Waar de franje verdwijnt kan die weer aan het licht komen.

(*) Informatie hier over vindt men in een artikel op de site van het Meertens Instituut.