Archief

Posts Tagged ‘GPV’

Niets anders dan recht doen

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer worden de verkiezingsprogramma’s nagevlooid. Ze worden vanuit allerlei verschillende invalshoeken bekeken, bijvoorbeeld de economie, het beleid ten aanzien van de pensioenen of de opvattingen over de zorg. Daar komen interessante lijstjes uit. Kortgeleden werd ook een onderzoek gepubliceerd vanuit de vraag hoe de verschillende partijen met de rechtsstaat omgaan. Worden er voorstellen gedaan die een inbreuk maken op de rechtsstaat of staan in de verkiezingsprogramma’s plannen om die rechtsstaat te versterken? Het beeld was niet verheffend. Vrijwel alle partijen doen voorstellen die de rechtsstaat in meerdere of mindere mate verzwakken. Eén partij sprong er positief uit. De Christenunie doet geen enkel voorstel dat de rechtsstaat aantast, maar komt daarentegen met verschillende voorstellen die deze juist sterker maken.

De Christenunie is trots op deze uitkomst en met recht. Het gaat hier bepaald niet om een bijzaak, al zullen veel christelijke kiezers andere onderwerpen belangrijker vinden. Mijns inziens is er alle reden de bescherming van de rechtsstaat als een kerntaak van christelijke politiek te beschouwen.

Wat is precies een rechtsstaat? Op de site van Prodemos vinden we deze definitie: “Een rechtsstaat is een staat waarin vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. Bovendien geniet de burger bescherming van zijn rechten en vrijheden, tegen medeburgers én tegen de overheid.” Verschillende elementen zijn essentieel voor de rechtsstaat. Het eerste is dat het recht het hoogste gezag heeft. “In het woordenboek wordt de rechtsstaat omschreven als een ‘staat die het recht als hoogste gezag handhaaft’. De rechter bepaalt of iemand zich aan de wet heeft gehouden of niet. Als iemand de wet heeft overtreden, dan kan de rechter een straf en/of een verbod opleggen.” Vervolgens gaat het om vrijheden en grondrechten: “In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid beperkt door wetten, regels en gewoonten. De inwoners van die staat hebben fundamentele vrijheden en grondrechten.” De burger wordt beschermd tegen machtsmisbruik: “Het doel van de rechtsstaat is om de burgers te beschermen tegen machtsmisbruik van de overheid. Ook de overheid moet zich aan de wet houden en mag dus de vrijheden en rechten van de burgers niet zomaar beperken of afpakken.”

Vervolgens worden de vier belangrijkste onderdelen van de rechtsstaat opgesomd: grondrechten, scheiding van de machten, legaliteitsbeginsel en onafhankelijke rechtspraak. Die worden vervolgens nader uitgewerkt. Wie daarover meer wil weten, kan op de desbetreffende site terecht. Mij gaat het hier nu om de vraag waarom de verdediging van de rechtsstaat voor een christelijke politieke partij een kernpunt zou moeten zijn.

Je kunt dit beargumenteren vanuit eigenbelang. Veel christenen zullen er op die manier tegenaan kijken. Juist minderheden hebben veel profijt van de rechtsstaat, omdat die hun rechten en vrijheden garandeert die het gevaar lopen aangetast te worden wanneer een anders-godsdienstige of seculiere meerderheid die maar lastig of onzinnig vindt. Het wordt al wat anders wanneer hun er op gewezen wordt dat diezelfde vrijheden dan ook aan andere (godsdienstige) minderheden toekomen. Daarvoor krijgt een christelijk politicus wat minder handen op elkaar. Toch is dit een direct uitvloeisel van wat Jezus zijn leerlingen voorhoudt: behandel anderen zo als je zelf behandeld wilt worden. Dat is dus positief geformuleerd en niet vanuit zelfbehoud, in de zin van: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook anderen niet.

Maar christelijke politiek gaat niet over belangen van een bepaalde groep burgers. Een christelijke partij is geen belangenpartij of zou dat in elk geval niet moeten zijn. Christelijke politiek streeft naar het goede voor alle mensen. Dat is in overeenstemming met de boodschap die de profeet Jeremia aan het Joodse volk in Babylonische ballingschap voorhield. Wie zich realiseert dat christenen zich in een vergelijkbare situatie bevinden – zij het in overdrachtelijke zin – kan hieraan de motivatie ontlenen om een beleid te ontwikkelen met het oog op de hele samenleving. Niet voor niets noemde het voormalige GPV – één van de partijen die opging in de Christenunie – haar politiek ‘nationaal gereformeerd’. Dat had niets met nationalisme te maken, maar daarmee wilde die partij duidelijk maken dat ze het belang van de gehele bevolking op het oog had.

De bescherming en verdediging van de rechtsstaat moet daarom uitgaan boven het eigenbelang. Er zijn goede principiële argumenten aan te voeren voor de stelling dat dit een centraal element van christelijke politiek moet zijn. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, recht doen – die begrippen vormen een rode draad door het Oude Testament. Vooral in het optreden van de profeten komt dit herhaaldelijk naar voren. Eén van de bekendste teksten is Micha 6,8: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God”. Deze tekst wordt vaak gebruikt om te pleiten voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld. De zogenaamde Micha-campagne heeft om die reden zijn naam met deze profeet gesierd. Maar het belang van deze tekst reikt verder. Je zou deze tekst als een oudtestamentische samenvatting van de Tien Geboden kunnen beschouwen.

Als we het over rechtvaardigheid hebben gaat het niet maar alleen om economische en sociale rechtvaardigheid. Micha spreekt over “recht doen”: dat heeft alles met de inrichting van de staat en de samenleving te maken. Recht doen betekent ervoor zorgen dat iedere burger letterlijk tot zijn recht kan komen, dat wil ook zeggen: zijn recht kan halen. In de zogenaamde mozaïsche wetgeving – de wetten en regels die Mozes namens God voorhoudt als kenmerken van het goede leven – vinden we allerlei concrete aanwijzingen hoe elk mens recht gedaan moet worden. Mozes vermaant het volk in de rechtspraak de rijke niet naar de ogen te zien en de arme niet voor te trekken. Dat kan worden vertaald naar één van de principes van de rechtsstaat: iedere burger is gelijk voor de wet. Dat raakt in de eerste plaats de manier waarop recht gesproken wordt, maar ook de toegang tot het recht. Heel concreet betekent dit dat geen financiële belemmeringen mogen worden opgeworpen die tot gevolg hebben dat wie over onvoldoende financiële middelen beschikt, niet dezelfde juridische mogelijkheden heeft als wie wat beter in de slappe was zit.

Er zit nog een kant aan. Rechten en vrijheden gelden in gelijke mate voor alle burgers. Grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst – inclusief de vrijheid daaraan publiek uiting te geven – en de vrijheid van onderwijs zijn niet tot bepaalde groepen in de samenleving beperkt. Wie deze vrijheden voor christenen verdedigt kan niet tegelijkertijd ervoor pleiten die aan andere minderheden, zoals moslims, te onthouden. Vanuit dit principe is er ook geen reden van immigranten die de Nederlandse nationaliteit willen ontvangen, te verlangen een participatieverklaring te ondertekenen terwijl geboren Nederlanders daarvan gevrijwaard blijven.

De zojuist genoemde aspecten betreffen vooral de grondrechten. Wie de politieke en maatschappelijke discussies van de laatste jaren heeft gevolgd, zal weten dat deze nogal onder druk staan. Maar ook een ander substantieel element van de rechtsstaat wordt bedreigd: de onafhankelijke rechtspraak. Politici reageren op hun politiek onwelgevallige rechterlijke uitspraken door de onafhankelijkheid van de rechters ter discussie te stellen. Daarmee wordt maar niet de positie van specifieke rechters ondergraven, maar het fundament van de rechtsstaat. Juist in een sterk verdeelde samenleving zou de onafhankelijke rechtspraak een bindmiddel moeten zijn. Wanneer (belangen)conflicten ontstaan, kan een beroep op de rechter gedaan worden om recht te spreken volgens de normen die de wet daarvoor aanreikt. Doordat wetten door een democratisch gekozen parlement zijn vastgesteld, bezitten ze legitimiteit. Natuurlijk valt niet uit te sluiten dat rechterlijke uitspraken door de politieke opvattingen van rechters gekleurd worden. Maar onze rechtsstaat kent allerlei mogelijkheden van beroep, waardoor eventuele eenzijdigheden kunnen worden gecorrigeerd. Het is dus van groot belang dat de mogelijkheden tot een beroep op hogere rechters niet wordt beperkt. Van even groot belang is dat de burger die zich tekort gedaan voelt, een beroep op bovennationale organen kan doen, die toetsen of wetten de rechten van individuele burgers of groepen van burgers niet aantasten. Dat is een belangrijke verdedigingslinie tegen de aantasting van bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid.

Ieder mens is een schepsel van God. Daarin ligt de uiteindelijke motivatie om aan hem of haar recht te doen. Recht is meer dan politiek; het is ook ethiek. In het recht doen aan alle mensen komt tot uiting of we nederig de weg van onze God willen gaan.

Advertenties

Politiek zonder fundament

Op haar partijcongres van 13 juni j.l. heeft de Christenunie haar grondslag gewijzigd. Dat gebeurde vrij geruisloos, zonder noemenswaardige tegenstand. Weliswaar werd in de aanloop naar het congres enige discussie gevoerd, onder andere door middel van opiniebijdragen in het Nederlands Dagblad, maar uiteindelijk leidde dat niet tot substantieel verzet. Destijds zorgde het voorstel RPF en GPV tot de Christenunie om te vormen voor heel wat meer onenigheid. Wat zegt het dat van grote onenigheid nu geen sprake is?

Wellicht moeten we concluderen dat de wijziging van de grondslag niet echt een fundamentele verandering is, maar in feite de bezegeling van een al bestaande en in de loop van de tijd gegroeide situatie. Hoewel de RPF de gereformeerde belijdenisgeschriften in haar grondslag had staan – zij het dat de binding daaraan losser was dan bij het GPV -, voegden nogal wat evangelische christenen zich bij die partij. Die maakten dan soms wel een voorbehoud ten aanzien van dat element van de grondslag. Door daarvoor ruimte te bieden werd het belang daarvan wel gerelativeerd. Deze RPF-leden zijn bij de vorming van de Christenunie gewoon meegegaan. Sindsdien is hun aandeel groter geworden, vooral ook omdat onder evangelische christenen het politiek bewustzijn is gegroeid.

Het is te begrijpen dat de meeste evangelischen zich niet verbonden voelen met belijdenisgeschriften die uit een andere traditie stammen. Toch kunnen sommigen van hen zich goed vinden in veel dat daarin naar voren wordt gebracht. Er is, voorzover ik weet, nooit een serieuze poging gedaan de belijdenissen uit de grondslag te verwijderen. Dat dit nu wel gebeurd is, heeft vooral te maken met het streven behoudende rooms-katholieken aan de partij te binden. Een aantal van hen stemt weliswaar op de Christenunie, maar ziet in de gereformeerde belijdenissen een reden zich van lidmaatschap te onthouden. Daaruit is het streven ontstaan een grondslag te formuleren die zulke belemmeringen wegneemt zonder dat daarmee het christelijk karakter van de partij verwatert. De vraag mag gesteld worden of dat zoden aan de dijk zet. Want – zoals George Harinck terecht zegt in een interview met het ND (13.6.15) – door de grondslag te veranderen wordt de Christenunie niet gelijk een andere partij. De gereformeerde belijdenis behoort tot haar geboortepapieren en heeft in hoge mate haar karakter gevormd. De gereformeerde belijdenis zit de partij als het ware in de genen. Harinck verwacht, waarschijnlijk terecht, geen grote toeloop van rooms-katholieken.

Moeten we dus het belang van de wijziging van de grondslagformule sterk relativeren en is het allemaal om het even hoe de grondslag is geformuleerd? Dat gaat mijns inziens te ver. Want een grondslag is bedoeld voor het heden en de toekomst. Wat nu nog stevig verankerd zit in degenen die de politieke koers van de partij bepalen en in vertegenwoordigende organen uitdragen, kan na verloop van tijd ook verdwijnen. Het gedachtegoed dat aan de basis ligt van concrete politieke stellingnames moet onderhouden worden. Een wijziging van de grondslag kan op termijn wel degelijk tot een verandering van het karakter van de partij leiden, wanneer jongere generaties, die andere tradities vertegenwoordigen, het stokje overnemen.

In het al genoemde interview snijdt Harinck een interessant punt aan. Hij wijst erop dat het formuleren van een grondslag als zodanig op zijn retour is. “Beginseldenken is uit”, vat hij deze tendens bondig samen. “Het gaat nu vooral om je houding, om de persoonlijke intentie van een christen”. Dat laatste is natuurlijk heel belangrijk; dat was het altijd al, ook in de tijd waarin een beginsel nog wel als een wezenlijk onderdeel van een organisatie werd beschouwd. Maar wanneer het één los komt te staan van het ander wordt het wel problematisch. Want ‘houding’ en ‘intentie’ zijn geen op zichzelf staande grootheden. Die worden ontleend aan een bron. Maar welke dan? En hoe bepalen we welke intentie en welke houding juist zijn? Een christenpoliticus heeft niet per definitie de juiste houding. Daar komt nog iets bij. Wanneer de houding van individuen zozeer in het middelpunt van de aandacht komt te staan en in feite tot ijkpunt wordt verheven, wordt een politieke partij ook heel kwetsbaar. Want ook christenpolitici kunnen een scheve schaats rijden, zowel in hun opvattingen als in hun gedragingen. Hoe sterker het individu in de schijnwerpers komt te staan, hoe groter het (negatieve) effect zal zijn wanneer dat individu van de rails raakt. Daarmee wordt de partij – en de christelijke politiek in het algemeen – nog sterker in diskrediet gebracht dan anders het geval zou zijn.

Harinck brengt één en ander in verband met het toegenomen individualisme. Dat lijkt me een ter zake doende observatie. Een grondslagformule perkt de individuele vrijheid in de meningsvorming in. Daar hebben mensen van nu problemen mee. Ieder wil zijn eigen mening vormen en zich daarbij niet conformeren aan wat als ‘groepsnorm’ wordt ervaren. Die ontwikkeling gaat aan de christelijke wereld niet voorbij. Ieder die enigszins thuis is op het kerkelijke erf zal het herkennen. Ook in reformatorische kerken waarin de gereformeerde belijdenissen op papier hoog gehouden worden blijken die in de praktijk nogal eens hooguit in de marge te functioneren. Kerkleden die minder regelmatig kerkdiensten bezoeken, beweren dat hun geloof daardoor niet is verzwakt. Maar dat geloof zou er wel eens één van de heel individuele soort kunnen zijn, dat zich niet laat corrigeren door de kerkelijke gemeenschap, laat staan door zoiets als een belijdenis.

Nu heeft de Christenunie geen afscheid genomen van elke grondslagformule. In plaats van de gereformeerde belijdenisgeschriften is de Geloofsbelijdenis van Nicea als grondslag aanvaard. Daarmee wil ze waarborgen dat de partij in elk geval trouw blijft aan Schriftuurlijke uitgangspunten. Dat lijkt me te optimistisch. De gereformeerde belijdenissen – samengevat als Drie Formulieren van Eenheid – zijn niet voor niets ontstaan. De kerkgeschiedenis leert dat op allerlei onderdelen nadere toespitsing noodzakelijk was, bijvoorbeeld ten aanzien van de kerk, de sacramenten en de manier waarop de Schrift moet worden gelezen. Dat laatste lijkt me voor een christelijke politieke partij van groot belang. Het is veelzeggend dat juist daarover in christelijke kring recent de degens worden gekruist. Eén van de principes van de reformatorische omgang met de Schrift, bekend als sola scriptura, wordt bekritiseerd en door sommigen als ondeugdelijk bij het grofvuil gezet. Wanneer ook de consensus ten aanzien daarvan teloor gaat, wordt het fundament van de kerk wel erg wankel. Tegen het voortschrijdende individualisme helpt de Geloofsbelijdenis van Nicea niet.

Moet een christelijke politieke partij daarin meegaan of zou ze zich daartegen juist moeten wapenen? Dat laatste klinkt aantrekkelijk en wie het individualisme in geloofszaken afwijst, zal wellicht die vraag bevestigend beantwoorden. Maar is dat wel de taak van een partij? En ligt dat wel binnen haar mogelijkheden? Een politieke of maatschappelijke organisatie kan niet verder springen dan haar polsstok lang is. En de lengte van de polsstok wordt bepaald door de kerken en gemeenschappen waaruit zij haar leden betrekt.

Ik heb al eerder in één van mijn weblogs opgemerkt dat de problemen waarmee zulke organisaties geconfronteerd worden hun oorsprong vinden in de kerk. Daar grijpt het individualisme om zich heen en neemt de pluriformiteit in de leer toe. Als gevolg daarvan gaan ook de ethische opvattingen steeds verder uiteen lopen. Wanneer de gereformeerde belijdenissen in kerken gemarginaliseerd worden, is het niet realistisch te verwachten dat ze in een christelijke politieke partij een substantiële rol spelen. Wie de terzijdestelling van de gereformeerde belijdenisgeschriften als grondslag van de Christenunie betreurt – en daar lijkt me alle reden toe – moet niet in de eerste plaats naar de partij wijzen, maar naar de kerken en gemeenschappen waaruit ze haar leden betrekt. In kringen van de Christenunie distantieert men zich van het CDA en wordt onderstreept dat de grondslagwijziging er niet toe zal leiden dat de partij op het CDA zal gaan lijken. Of dat waar is, zal de tijd leren. Maar men dient zich wel te realiseren dat de ontwikkeling van het CDA zijn oorsprong vond in de kerken.

Wanneer daar het fundament aan erosie onderhevig raakt, hoeft men zich over de ontwikkeling naar een christelijke politiek zonder hecht fundament niet te verbazen.

Het gif van het nationalisme

Wie heeft het gedaan? Dat is de vraag die politici, pers en publieke opinie bezighoudt na de ramp met MH17 boven Oost-Oekraïne op donderdag 17 juli j.l. Dat hier sprake is van een daad van terrorisme wordt niet serieus betwijfeld. Of ooit kan worden vastgesteld wie de schuldigen zijn is de grote vraag. De omstandigheden waarin het onderzoek moet plaatsvinden geven weinig reden tot optimisme. Vooral in Nederland bestaat grote woede en verontwaardiging. Het verreweg grootste aantal slachtoffers was in het bezit van een Nederlands paspoort en dat maakt het begrijpelijk dat juist hier met argusogen en met ongeduld gekeken wordt naar de afwikkeling van deze ramp.

Het is waarschijnlijk niet realistisch te verwachten dat de achtergronden anders dan vanuit een – begrijpelijk – vooringenomen standpunt worden geanalyseerd. Toch zal het uiteindelijk er wel van moeten komen dat hier van wat meer afstand naar gekeken wordt. Dan mogen we niet de ogen sluiten voor de mogelijkheid dat de verschijnselen die tot deze ramp leidden niet zover van ons vandaan staan als we wellicht denken of graag zouden willen.

De ontwikkelingen in Oekraïne maken deel uit van een groter geheel. Uiteraard zijn er specifieke omstandigheden die met het land, de cultuur en de geschiedenis van Rusland en Oekraïne te maken hebben. Maar het zou van naïviteit getuigen te denken dat wat zich daar afspeelt elders niet zou kunnen voorkomen. We moeten onder ogen zien dat we ons in een tijdperk bevinden waarin het nationalisme herleeft. We dachten misschien dat die ideologie na de Tweede Wereldoorlog voorgoed ten grave gedragen was, maar de ontwikkelingen sinds de eeuwwisseling laten een tegenovergesteld beeld zien.

Na de val van het IJzeren Gordijn aan het eind van de jaren 1980 stonden landen, die lange tijd formeel zelfstandig waren maar in feite naar het pijpen van Moskou dansten, voor de taak hun eigen identiteit te hervinden. Dat ging niet altijd even gemakkelijk en de ontwikkelingen in Oost-Europa laten een zeer gavarieerd beeld zien. Enkele landen ontwikkelden zich tot redelijk stabiele democratieën, maar in andere kregen allerlei krachten de overhand die met de democratie niet veel op hadden. In enkele heeft zich een vorm van nationaal besef ontwikkeld dat gekenmerkt wordt door het verheerlijken van één specifieke culturele identiteit die gepaard gaat met een zich afzetten tegen wat daarvan afwijkt. De positie van de Roma in verschillende landen van het voormalig Oostblok is bepaald niet rooskleurig. Ook de Hongaarse minderheid in Roemenië wordt niet voor vol aangezien. En, zoals altijd wanneer het nationalisme zich laat gelden, groeit in verschillende landen ook het antisemitisme.

Dat het nationalisme ook gewelddadige vormen kan aannemen werd niet alleen in de beide wereldoorlogen van de 20e eeuw gedemonstreerd, maar nog recenter in de oorlog op de Balkan. Wat voor beschaving doorging bleek niet meer dan een dun laagje vernis dat afbladderde toen het gif van het nationalisme er vat op kreeg. Die oorlog liet zien waartoe nationalisme kan leiden, en de huidige ontwikkelingen in met name het oostelijke, door pro-Russische krachten beheerste deel van Oekraïne bevestigen dat beeld. Mensen die met elkaar in vrede leefden, komen ineens onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Ze zijn zelfs bereid elkaar het leven onmogelijk te maken, desnoods letterlijk, met wapengeweld. Het adagium “right or wrong, my country” wordt tot in het extreme doorgevoerd. De compromisloze vaderlandsliefde smoort elke vorm van kritiek op het eigen denken en handelen. Nationalisme is per definitie ondemocratisch en autoritair: wie vraagtekens zet bij de heersende ideologie en de wijze waarop deze wordt toegepast, krijgt al snel het label ‘landverrader’ opgeplakt. Nationalisme tast het vermogen tot empathie aan: mensen worden gereduceerd tot pionnen op een schaakbord. De ontmenselijking waartoe het nationalisme leidt werd recent wel heel schrijnend gedemonstreerd in de weinig piëteitvolle omgang van Oekraïnse separatisten met de slachtoffers van de vliegtuigramp en hun bezittingen.

Wij in het beschaafde Westen wenden ons vol walging hiervan af en spreken met een mengeling van verontwaardiging en minachting over deze praktijken. Wij zouden ons nooit tot zo’n niveau verlagen, zijn we wellicht geneigd te denken. Maar dan kennen we de geschiedenis niet. De Tweede Wereldoorlog begon in wat wij nu als West-Europa beschouwen. Er zijn nog maar weinig mensen die de gruwelen van die oorlog bewust hebben meegemaakt. Maar er wordt op allerlei, vaak indringende, manieren aandacht aan besteed. Voor een gebrek aan kennis van wat zich toen heeft afgespeeld is geen excuus. Wie zich daarvan rekenschap geeft zal niet zo hoog van de toren blazen over onze ‘beschaving’.

Nu zou men wellicht kunnen denken dat we sindsdien wijzer en wellicht zelfs beschaafder geworden zijn. We hebben toch van de oorlog geleerd? Dat is wel te hopen, maar het is de vraag of de lessen van de oorlog beklijven. Nee, bij ons worden geen etnische groepen of andere minderheden vervolgd en er lopen geen gewapende milities door de straten. Maar dat zijn slechts uiterlijke tekenen van een mentaliteit. De neiging de eigen groep superieur te achten en zich af te zetten tegen wie daartoe niet behoort is wellicht de mens eigen en dus van alle tijden. Dat neemt niet weg dat deze neiging zich soms als een sluipend gif door de aderen van de maatschappij verbreidt en na verloop van tijd het politieke en maatschappelijke klimaat gaat beïnvloeden. Dat is sinds het begin van deze eeuw het geval in verschillende Westeuropese landen en niet het minst in Nederland.

De opkomst van populistische partijen is daarvan een duidelijke manifestatie. Zulke partijen zijn er in soorten en maten. Zonder nu te willen beweren dat linkse partijen als de SP van alle nationalistische smetten vrij zijn, moet het gevaar in dit verband toch vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum gezocht worden. Juist degenen die zich daar bevinden zijn gevoelig voor de nationalistische verleiding. De afkeer van en het verzet tegen de aanwezigheid en invloed van andere culturen wordt hier bepaald niet onder stoelen of banken gestoken. Het is geen wonder dat juist hier een onmiskenbare bewondering voor de Russische president Putin valt te constateren. Men leze het internetforum van Elsevier of een site als De Dagelijkse Standaard. Dat heeft alles te maken met zijn door nationalisme gedreven binnen- en buitenlandse beleid. Daarbij speelt ook een rol dat hij het opneemt tegen Europa, voor veel nationalistisch-rechtse Nederlanders het symbool van het kwaad. Dat is immers per definitie multicultureel. Dat Putin geen democraat is, wordt eerder als een pluspunt dan als een negatieve factor beschouwd.

Het is waar dat in Nederland aan de afkeer van andere culturen niet op gewapende manier uiting wordt gegeven, ook al zijn er nu en dan incidenten die bepaald niet vreedzaam te noemen zijn. Maar verbaal geweld is ook een vorm van geweld en kan mede de voedingsbodem vormen voor fysiek geweld. Hier kan gewezen worden op de manier waarop de PVV gewend is politiek te bedrijven en haar aanhangers tegen burgers van andere culturen opzet. Even bedenkelijk is de pretentie namens ‘het volk’ te spreken, daarmee suggererend dat ‘het volk’ een mening heeft. Het gevaar ligt op de loer dat wie een andere mening heeft dan wordt gezien als niet behorend tot ‘het volk’. Dan is het maar een kleine stap naar de kwalificatie van zo iemand als een ‘landverrader’. Overdreven? Toch niet. Die term werd al jaren geleden in internetfora gebruikt ter kwalificatie van wie een voorstander was van de multiculturele samenleving.

‘Europa’ is lange tijd beschouwd als hèt middel om het nationalisme te beteugelen. Vooralsnog lijkt het daar niet op – het wakkert het nationalisme eerder aan. Dat is dus het medicijn niet. ‘Europa’ kan zelfs in zijn tegendeel verkeren. Het project Europa kan gemakkelijk ontaarden in een nieuwe vorm van nationalisme dat het continent omvormt tot een ‘fort Europa’ dat door ophaalbruggen en hoge muren ‘buitenstaanders’ buiten de deur houdt. Daarmee komen we dan van de regen in de drup.

Eén van de redenen dat het nationalisme zijn kop weer opsteekt is het verval van ideologieën die boven het nationale belang uitstijgen. In het verleden werd Nederland gekenmerkt door de verzuiling. Langs ideologische of religieuze lijnen was de maatschappij verdeeld in een aantal segmenten binnen welke een grote mate van homogeniteit bestond, die gepaard ging met een sterk saamhorigheidsgevoel. Daarvan is nog nauwelijks sprake. Als gevolg van de toegenomen mobiliteit is ook de locale of regionale samenbinding grotendeels verdwenen. Hoewel de zegeningen van het individualisme van de daken gepredikt worden, zijn de meeste mensen nog altijd op zoek naar een vorm van binding met anderen. In onze tijd blijft voor velen alleen nog het eigen volk en de eigen cultuur over. Daarmee gaat gepaard het beklemtonen van wat karakteristiek wordt geacht voor de nationale identiteit. De recente discussie over ‘Zwarte Piet’ laat zien dat dit gemakkelijk nogal ridicule vormen kan aannemen.

In veel christelijke kerken is in de afgelopen weken aandacht besteed aan de vliegtuigramp en de gevolgen. Dat is logisch en volkomen terecht. In zo’n situatie volstaat het niet kracht in onszelf of in de samenleving te zoeken. Maar hopelijk zullen de kerken – op een gepast tijdstip – ook aandacht besteden aan de context zoals die hierboven is geschetst. Ze hebben het beste medicijn tegen nationalisme in de aanbieding. Maar daarbij past dan wel een kanttekening. Want net zoals ideologieën als het socialisme niet altijd vrij geweest zijn van nationalistische smetten – zie de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog – hebben ook christelijke kerken niet altijd weerstand geboden aan de sirenenzang van de nationale zelfverheerlijking. Hier kan gewezen worden op de rol van Orthodoxe kerken in Rusland en Oekraïne en ook die van de Orthodoxe Kerk in Servië ten tijde van de Balkanoorlog. Kerken in de Verenigde Staten hebben zich niet zelden verregaand geïdentificeerd met de politieke doelen van de regering, bijvoorbeeld ten tijde van verschillende militaire conflicten in het Midden-Oosten. Het wordt voor een kerk al helemaal moeilijk een gepaste afstand te bewaren wanneer ze de positie van staatskerk heeft.

Daar is in ons land geen sprake van. Nederland heeft – ook in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – nooit zoiets als een ‘staatskerk’ gekend en ook de Nederlandse Hervormde Kerk had die positie niet, ook al was de koninklijke familie daar lid van. Maar dat wil niet zeggen dat kerken immuun zijn geweest voor de nationalistische verleiding. In de jaren ’30 zijn nogal wat predikanten daarvoor bezweken en van een sterke kerkelijke oppositie tegen het opkomende nationalisme, onder andere in de vorm van de NSB, is niet bepaald sprake geweest.

Na de oorlog werd in GPV-kring onbekommerd gesproken over ‘nationaal-gereformeerde politiek’. Daarbij was zeker geen sprake van nationalisme, zoals dat voor de oorlog bij de NSB werd aangetroffen of zoals dat nu in bepaalde rechtse kringen ingang heeft gevonden. Desondanks mogen daarbij wel kritische kanttekeningen worden gemaakt. In onze tijd zou zo’n term in ieder geval geheel ongepast zijn. Niet alleen zou die ongewenste associaties oproepen, er is ook geen enkele aanleiding het christelijk geloof specifiek met de ‘nationale’ cultuur te verbinden. In de eerste decennia na de oorlog had die cultuur nog in aanzienlijke mate een christelijke kleur. Die is inmiddels goeddeels verbleekt. Er is voor christenen weinig reden de Nederlandse cultuur op grond van hun religieuze overtuiging te verdedigen. Het is ironisch dat culturen die hun wortels buiten Nederland en zelfs voor een belangrijk deel buiten Europa hebben in een aantal opzichten die waarden hooghouden, die ooit kenmerkend waren voor de ‘Nederlands-christelijke’ cultuur. Er is daarom voor christenen bepaald geen reden zich tegen hun aanwezigheid in de Nederlandse samenleving te verzetten.

Moet de christelijke kerk dan met haar rug naar de samenleving gaan staan? Bepaald niet. Van de culturele verwantschap mag dan weinig zijn overgebleven, er is nog wel steeds een historische verbondenheid. Die brengt verantwoordelijkheid mee. De kerk moet de samenleving aanspreken op haar christelijk-historische wortels zoals die bijvoorbeeld in het Wilhelmus tot uitdrukking komen. Juist hier vinden we het tegengif tegen elke vorm van nationalisme. Het lied is ontstaan in een tijd dat het begrip ‘natie’ nog nauwelijks bestond. De wortel van het nationalisme ligt in de 19e eeuw en toen zijn ook veel volksliederen ontstaan. In Nederland hebben we het enige tijd met ‘Wien Neerlands bloed’ moeten doen. Als dat nog steeds ons volkslied was, zouden we allang hebben moeten weigeren dat aan te heffen. Door de aderen van dat lied vloeit vooral het gif van het nationalisme.

Twee jaar geleden schreef ik in dit weblog een stuk over het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Ik schreef toen: “Het [Wilhelmus] is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).”

Laten we bij gepaste gelegenheden het Wilhelmus ook in de kerk met overtuiging zingen. Laten we dan het zesde en vooral het veertiende couplet niet vergeten. Dat laatste eindigt zo: “Tot God wilt u begeven, Zijn heilzaam Woord neemt aan. Als vrome christen leven, ’t zal hier haast zijn gedaan”. We hebben hier immers geen blijvende stad en ons vaderland heeft geen geografische grenzen, hoge muren of ophaalbruggen. Ons vaderland is elders.

CU + SGP = ?

De christelijke politiek in Nederland staat er niet zo florissant bij. Althans, wanneer je kijkt naar de resultaten bij de verkiezingen van de laatste jaren. De SGP groeit misschien wel in ledenaantal en kiezers, maar dat is niet voldoende voor zetelwinst. De groei komt voor een belangrijk deel door het overlopen van stemmers van de ChristenUnie. Leuk voor de SGP, maar voor de invloed van de christelijke politiek levert het verder niets op. De ChristenUnie leek enkele jaren geleden flink in de lift te zitten. Er werd zelfs gespeculeerd dat ze het CDA als dè partij van het midden zou kunnen gaan vervangen, zeker toen laatstgenoemde steeds meer naar ‘rechts’ ging opschuiven. Maar degenen die bezwaar hadden tegen die koers weken – àls ze het CDA al ontrouw werden – eerder uit naar partijen als D66 of GroenLinks dan naar de ChristenUnie. Inmiddels hoor je niemand meer beweren dat de partij een serieuze bedreiging zou kunnen zijn voor het CDA. En de huidige score bij de verkiezingen is niet hoger dan die van de partijen waaruit ze is voortgekomen – RPF en GPV – samen. In feite is de ChristenUnie terug bij af.

Daaruit mag de conclusie getrokken worden dat een fusie politieke partijen niet per definitie voordeel oplevert. Dat is ook de les die uit de geschiedenis van het CDA kan worden getrokken. De fusie van KVP, CHU en ARP heeft – zeker op de langere termijn – niet tot een versterking van de christendemocratische invloed geleid. Zeker de laatste jaren is de partij ernstig in de versukkeling geraakt. Het is iets te eenvoudig dat geheel op het conto van de secularisatie te schrijven. Dat zou plausibeler zijn wanneer het CDA zich als christelijke partij zou profileren. Maar dat doet ze niet. Ze richt zich niet op kerkelijk meelevende christenen. Iedereen is in principe welkom. Agnosten kunnen zelfs meeschrijven aan het verkiezingsprogramma. Moslims kunnen niet alleen lid worden, maar ook de partij in politieke organen vertegenwoordigen. Het lijkt erop dat vooral de onduidelijkheid over de koers van de partij het CDA stemmen kost. Binnen de partij bestaat geen eensgezindheid over een aantal fundamentele maatschappelijke kwesties. De onduidelijkheid die daarvan het gevolg is draagt niet bepaald bij aan haar aantrekkelijkheid voor die kiezers die geen principiële band met het CDA hebben.

De ChristenUnie en de SGP zouden die les ter harte moeten nemen. Niet iedereen doet dat, zoals uit een interview van het Nederlands Dagblad met de – inmiddels voormalige – voorzitter van de ChristenUnie, Peter Blokhuis, blijkt (21 april 2012). Hij laat daarin weten dat hij zich niet kan voorstellen dat de ChristenUnie en de SGP op lange termijn zelfstandig naast elkaar blijven bestaan. Hij gebruikt een argument dat je ook hoort wanneer het over de kerkelijke verdeeldheid gaat: de secularisatie grijpt zo snel om zich heen dat we ons niet de luxe kunnen permitteren, gescheiden op te trekken. Bovendien wijst Blokhuis op de verdergaande ontzuiling van de achterbannen van de twee partijen. Daarbij blijft onduidelijk hoe een fusie van die twee daaraan een halt zou kunnen toeroepen. Blokhuis wijst er terecht op dat zich allerlei zaken voordoen die een duidelijk en eensgezind antwoord van christelijke politici noodzakelijk maken. Maar is een fusie daarvoor het meest geschikte of zelfs het aangewezen middel? Politieke partijen zijn in zekere zin te vergelijken met merknamen. Fusies in het bedrijfsleven zijn aan de orde van de dag. Maar desondanks houdt men vaak aan bestaande merknamen vast, vooral wanneer die een speciaal gevoel oproepen of met een specifieke doelgroep verbonden zijn.

Ook de politiek laat zien dat het eigen karakter van een ‘merk’ niet straffeloos kan worden genegeerd. We kunnen opnieuw het CDA als voorbeeld gebruiken. Het is al in 1980 opgericht en een tijdlang leken de ‘bloedgroepen’ geen rol van betekenis meer te spelen. Maar de laatste jaren is gebleken dat dit grotendeels schijn is. In de zuidelijke provincies – het vroegere kerngebied van de KVP – had de PVV een veel grotere aantrekkingskracht op CDA-stemmers dan in gebieden waar vroeger de ARP sterke aanhang had. Ook de steun voor de gedoogconstructie was het sterkste in vroegere KVP-regio’s. Dat is geen toeval. De oude scheidslijnen zijn echt niet helemaal verdwenen.

Blijkbaar is het samenvoegen van partijen die op het eerste gezicht veel op elkaar lijken, niet altijd verstandig. Dat geldt eens te meer wanneer bij nadere beschouwing blijkt dat die partijen toch meer van elkaar verschillen dan je zou denken. Dat is ook het geval bij de ChristenUnie en de SGP. Sinds enkele decennia wordt op allerlei terrein nauw samengewerkt, vooral in gemeenteraden en in het Europees Parlement. Wanneer er geen sprake is van een gemeenschappelijke kandidatenlijst, dan toch in ieder geval van lijstverbindingen, zodat reststemmen van de ene partij aan de andere ten goede komen. Er zijn onmiskenbaar veel raakvlakken: over een aantal thema’s die traditioneel een belangrijk onderdeel zijn van het profiel van christelijke politieke partijen zijn ze het in hoge mate eens. Maar is dat voldoende basis voor de vorming van één partij?

Ik wees er al op dat bij dit onderwerp hetzelfde argument wordt gebruikt als in de discussie over kerkelijke verdeeldheid: we kunnen het ons niet veroorloven gescheiden op te trekken. Wanneer daartegen dan wordt aangevoerd dat er toch duidelijke verschillen zijn, worden die tot de middelmatige zaken gerekend: niet te onbelangrijk om erover te praten, maar niet belangrijk genoeg als rechtvaardiging voor gescheidenheid. Datzelfde verschijnsel doet zich ook hier voor. “Blokhuis, van huis uit filosoof, erkent dat de twee partijen een verschillende politieke profilering hebben. ‘Maar als we het hebben over de echt belangrijke thema’s, zoals de onderwijsvrijheid, dan gaat het er niet om of je wat linkser of wat rechtser bent’.” Door de onderwijsvrijheid te typeren als ‘echt belangrijk’ worden andere zaken, waarover de twee partijen nogal verschillend denken, als weinig relevant terzijde geschoven.

Niemand zal ontkennen dat de onderwijsvrijheid een belangrijk thema is. Het is dus terecht dat beide partijen zich op dat vlak profileren en het is ook gewenst dat ze daarbij zoveel mogelijk samen optrekken. Maar daarmee zijn andere onderwerpen niet ineens van hooguit marginale betekenis geworden. Juist voor een christelijke politieke partij is het van wezenlijk belang te laten zien dat ze niet voor de belangen van de achterban opkomt, maar die van de hele maatschappij voor ogen heeft. De onderwijsvrijheid is niet in het belang zijn van christenen alleen, maar aangezien in de praktijk vooral het bijzonder onderwijs onder druk staat, wordt dat wel als vooral christelijk eigenbelang ervaren. Bovendien moeten christelijke partijen zoveel mogelijk de indruk vermijden dat ze zich alleen voor een beperkt aantal thema’s interesseren – de thema’s die vaak als ‘medisch-ethisch’ worden aangeduid. Die moeten niet onder het kleed verdwijnen, maar christelijke politiek gaat over meer dan het bekende rijtje: abortus, euthanasie, homohuwelijk. Ethiek heeft niet alleen met die onderwerpen te maken, maar evenzeer met zaken als natuur en milieu, immigratie en integratie, sociale rechtvaardigheid, gezonde overheidsfinanciën, ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten in de internationale politiek. Juist op dit soort thema’s lopen de visies van de ChristenUnie en de SGP nogal eens uiteen.

“Als ik kijk naar de partijrede van Kees van der Staaij op de afgelopen SGP-jaarvergadering, dan was dat een behoorlijk christelijk-sociaal verhaal”, zegt Blokhuis in het Nederlands Dagblad. Dat kan wel zo zijn, maar in de praktijk komt dat niet erg uit de verf. Het is niet zonder reden dat de SGP in de publieke opinie en ook bij politieke analisten als ‘rechts’ geldt, terwijl men de ChristenUnie eerder in het midden of zelfs ‘links’ daarvan situeert. Wie kijkt naar de houding van de SGP in de recente debatten over bezuiningen en hervormingen moet constateren dat haar visie zich in veel opzichten niet fundamenteel van die van de VVD onderscheidt. De SGP kan het met de liberalen uitstekend vinden in het streven naar een kleine overheid. De egards waarmee minister-president Rutte kortgeleden op een jongerenbijeenkomst van de SGP werd ontvangen wijst ook op een sterke mate van verwantschap.

De ChristenUnie heeft een andere visie op de overheid en kent haar een belangrijkere rol toe. Evenals de SGP hecht ze veel belang aan wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Maar ze houdt meer rekening met de realiteit. Veel zaken zijn veel te ingewikkeld om te worden waargenomen door wat in CDA-kringen graag als het maatschappelijk middenveld wordt aangeduid. Bovendien is het individualisme in de maatschappij zover doorgedrongen dat veel mensen niet tot enige gemeenschap behoren waarop ze kunnen terugvallen. Voeg daarbij dat volgens berekeningen van het Leger des Heils honderdduizenden Nederlanders als eenzaam moeten worden aangemerkt – wat betekent dat ze geen familie, vrienden of kennissen hebben op wie ze een beroep kunnen doen – en de conclusie is onvermijdelijk dat zonder de zorg van de overheid velen het niet redden.

Het gaat hier echter niet maar alleen om een analyse van de maatschappelijke werkelijkheid. De verschillen liggen veel dieper en hebben alles te maken met de vraag wat vanuit de Schrift over de rol van de overheid kan worden gezegd. Daarbij doet zich bij de SGP een opvallende paradox voor. Aan de ene kant wil men een kleine overheid, aan de andere kant verwerpt men de idee dat de overheid neutraal zou moeten zijn. De SGP belijdt immers met het ‘onverkorte’ artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat de overheid de taak heeft de ware religie te bevorderen en de valse religie te bestrijden. Het streven naar een ‘kleine’ overheid beperkt zich dus tot het sociaal-economische terrein. In andere maatschappelijke kwesties kiest de SGP voor een sterke en bemoeizuchtige overheid.

De ChristenUnie brengt daarentegen een duidelijke scheiding aan tussen kerk en wereldlijke overheid. Beide staan onder de soevereiniteit van God, maar hebben een verschillend werkterrein. De kerk dient zich bezig te houden met de verkondiging van het evangelie, terwijl het de taak van de overheid is de normen voor de samenleving die aan de Schrift kunnen worden ontleend in de praktijk gestalte te geven. Ten aanzien van het sociaal-economisch beleid betekent dat bijvoorbeeld dat de overheid moet bijspringen wanneer mensen niet in staat zijn zichzelf te voorzien van wat nodig wordt geacht om volwaardig aan de samenleving deel te nemen.

Welke visie men er in dit opzicht ook op nahoudt, het zal duidelijk zijn dat dit vanuit principieel gezichtspunt niet als een middelmatige zaak kan worden afgedaan. Deze tegenovergestelde visies hebben zodanige consequenties voor het politieke handelen dat het voor de kiezer wel degelijk iets uitmaakt of hij zijn stem aan de ChristenUnie dan wel aan de SGP geeft.

De visie op de overheid heeft ook consequenties voor zaken als de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. In een tijd waarin veel kiezers geneigd zijn aan bepaalde inwoners van ons land die vrijheden te ontzeggen die zij voor zichzelf opeisen, is een duidelijke standpuntbepaling onontkoombaar. De opvattingen van de ChristenUnie en de SGP op dit vlak zijn onverzoenlijk. Uiteraard heeft ook de visie op de rol van vrouwen in de politiek nog niets aan actualiteit ingeboet. Hier stuiten we opnieuw op een verschil van inzicht op de relatie tussen kerk en staat. Omdat de SGP geen scheiding tussen kerk en staat erkent, wordt de norm van de kerk dat een vrouw het ambt niet toekomt zonder meer toegepast op de staat: ook het regeerambt in de staat komt de vrouw niet toe.

Wanneer twee ondernemingen worden samengevoegd is het de bedoeling dat een nieuw sterk merk ontstaat. De hier gegeven analyse van de verschillen in karakter en standpunten van de ChristenUnie en de SGP geeft geen reden aan te nemen dat met een nieuw merk de kracht van de christelijke politiek wordt vergroot. CU + SGP = onduidelijkheid. Zoals het CDA laat zien is een partij zonder helder profiel gedoemd aan invloed in te boeten.

Kerk en politieke partij (2)

11 oktober 2011 1 reactie

We hebben de vorige keer gezien dat het ontbreken van een binding van een politieke partij aan één kerk haar niet vrijwaart van de gevolgen van kerkelijke onenigheid. Ik gebruikte in de eerste plaats de SGP als voorbeeld, die zich niet aan één bepaalde kerk bindt, maar wel de effecten van de ontwikkelingen op het erf van de ‘bevindelijke’ kerken en stromingen ervaart. En ik wees op het probleem rond de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie, die de – kerkelijke – achterban van de partij verdeelt.

Nu zou men in het laatste geval erop kunnen wijzen dat die verdeeldheid het logische gevolg is van de veelkleurigheid van de kerken waaruit de Christenunie haar leden betrekt. En daaraan zou dan de vraag gekoppeld kunnen worden: zou de Christenunie dat probleem ook gehad hebben, wanneer ze zich aan één bepaalde kerk of eventueel enkele kerken zou hebben gebonden? Het lijdt geen twijfel dat een probleem als dat van de Christenunie zich zo’n 40 jaar geleden binnen het GPV niet zou hebben voorgedaan. En dat kan inderdaad op het conto van de kerkgebondenheid geschreven worden. Iemand als Monique Heger zou, als ze van een vrijgemaakt Gereformeerde Kerk lid geweest was, door haar kerkenraad onder censuur zijn gesteld. Dat zou, bij volharding in haar levenswijze, uiteindelijk tot afsnijding hebben geleid dan wel tot haar onttrekking aan de kerk. Daardoor zou ze niet meer hebben voldaan aan één van de voorwaarden voor een plaats op de kandidatenlijst: het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV).

Maar dan hebben we het wel over de GKV van 40 jaar geleden. Dat is niet meer de GKV anno 2011. Monique Heger mag dan lid zijn van de Nederlands Gereformeerde Kerken, het zou onjuist zijn met de beschuldigende vinger naar dat kerkgenootschap te wijzen alsof de daar kennelijk legitieme opvattingen rond homosexuele relaties het probleem zouden hebben veroorzaakt. De reacties op het recente ontslag van een onderwijzer aan de gereformeerde basisschool in Oegstgeest, nadat hij een homosexuele relatie was aangegaan, laten zien dat ook binnen de GKV niet weinigen van mening zijn dat zo’n relatie aanvaardbaar is. Daaruit mag niet zonder meer de conclusie getrokken worden dat kerkenraden die mening delen en daarom censuurmaatregelen achterwege laten. Maar het is duidelijk dat slagvaardigheid op dit punt wordt ondermijnd wanneer het grondvlak hiervoor geen enkel begrip meer kan opbrengen. Ten aanzien van andere zaken is de relatie tussen wat nog aanvaardbaar wordt geacht en het beleid van kerkenraden niet te ontkennen.

Dat betekent dus dat de Christenunie het uiteindelijk dan zelf maar moet uitzoeken. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan. Zoals in de eerste aflevering al opgemerkt heeft de Christenunie een grondslag die identiek is aan die van veel christelijke kerken. Om het toe te spitsen op het onderhavige probleem: de Nederlands Gereformeerde Kerken verschillen in grondslag niet van de Christenunie. Stel dat het bestuur van een locale afdeling van deze partij tot de conclusie komt dat voor een partijlid dat een homosexuele relatie heeft, geen plaats op de kandidatenlijst is. Wat betekent dat dan voor de kerk waaruit de betrokkene afkomstig is en vooral voor andere leden van die gemeente? Wanneer dit standpunt wordt beargumenteerd vanuit de opvatting dat een homosexuele relatie onverenigbaar is met de grondslag, moet dan de conclusie niet zijn dat de betrokkene ook in strijd handelt met de grondslag van zijn eigen kerk? Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat hier sprake is van een omgekeerd ethisch conflict.

Om even de geschiedenis op te halen: met ‘ethisch conflict’ werd in de jaren na de Vrijmaking bedoeld dat degenen die waren geschorst, niet in één partij (de Anti-Revolutionaire Partij) konden samenwerken met degenen die hen geschorst hadden of in elk geval hun schorsing hadden gebillijkt of zelfs gesteund. Het leven is immers één. Datzelfde probleem zou zich nu in omgekeerde zin kunnen voordoen. Kunnen twee leden van de Christenunie in de kerk samen aan de avondmaalstafel zitten, wanneer het bestuur van de partij over één van hen heeft uitgesproken dat hij handelt in strijd met de grondslag van de partij – en daarmee ook van zijn kerk?

Men zou kunnen denken dat deze situatie een ondersteuning is van de opvatting van iemand als prof. Douma, dat een politieke partij niet dezelfde grondslag moet hebben als de kerk. Hoezeer hij de gereformeerde confessie verdedigt en op haar waarde voor het kerkelijk leven niet wil afdingen – een politieke partij zou deze niet in haar grondslag moeten opnemen. Veel aspecten van die confessie spelen in de politiek immers nauwelijks een rol. In het vorige artikel gaf ik al een citaat van hem dienaangaande. En ook voor rooms-katholieken ziet hij plaats in de Christenunie, en die kunnen met de gereformeerde confessie natuurlijk helemaal niet uit de voeten. Maar zou daarmee het probleem waarmee de Christenunie worstelt, zijn opgelost?

Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk. Ik ben geneigd te denken dat een oplossing dan helemaal achter de horizon verdwijnt. De Schrift is voldoende, hoor je mensen vaak zeggen. Dat zijn vooral degenen die niet veel van belijdenissen moeten hebben. Maar de belijdenisgeschriften zijn niet uit de lucht komen vallen. Ze zijn de resultante van ontwikkelingen die om een reactie vroegen. Wanneer de waarheid van de Schrift wordt aangetast, is het de taak van de kerk hiertegen in het geweer te komen. En dan kan een belijdenisgeschrift een goed middel zijn om samen te vatten wat de kerk van alle eeuwen in de Schrift heeft gelezen. De opvatting dat de Schrift voldoende is – op zichzelf een waarheid als een koe – komt meestal van hen die belijdenisgeschriften te beperkt vinden en meer vrijheid voor hun eigen opvattingen verlangen.

Juist de gereformeerde belijdenis is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat een christelijke politieke partij bij de Schriftuurlijke les blijft. Dat geldt zeker ook ten aanzien van homosexuele relaties. Als iets duidelijk wordt uit de discussies over dit onderwerp is dat de Schrift eenzijdig gelezen wordt: bepaalde teksten worden tot niet relevant verklaard en uitgespeeld tegen andere teksten. Juist dan is de gereformeerde belijdenis van essentieel belang. Daarin worden expliciete uitspraken gedaan over de aard van de Schrift en haar gezag. En de manier waarop de kerk in die belijdenis de Schrift hanteert om tot geloofsuitspraken te komen kan als voorbeeld dienen voor de manier waarop moderne vragen vanuit de Schrift kunnen worden benaderd. Een tweede punt is dat in deze discussie het beeld van God in geding is. Christenen die van mening zijn dat een homosexuele relatie niet strijdig is met de wil van God hebben een beeld van Hem dat op z’n minst eenzijdig is. Hun beeld van God gaat fungeren als een mal: wat de Schrift over sexualiteit zegt wordt daarin geperst. Ook dat heeft alles te maken met de manier waarop de Schrift wordt gelezen.

De gereformeerde belijdenis is geen criterium voor het lidmaatschap van de Christenunie. Ze kan dat ook niet zijn en hoeft dat niet te zijn. Zelfs binnen de Gereformeerde Kerken hebben kerkleden altijd vrijheid gehad op allerlei punten die in de belijdenis aan de orde komen afwijkende opvattingen te koesteren. Wie de kinderdoop afwijst komt niet onder censuur te staan. Het probleem ontstaat wanneer hij zijn kind niet ten doop wil houden. En uiteraard kan hij geen ambt vervullen, want van een ambtsdrager mag worden verlangd dat hij de gereformeerde leer in al haar onderdelen onderschrijft en die uitdraagt en verdedigt. Maar binnen de Christenunie moet de belijdenis wel de maat zijn waaraan de politieke opvattingen worden gemeten en waaraan ook de argumentatie in het politieke debat moet worden getoetst.

Dat betekent bijvoorbeeld dat, wanneer rooms-katholieken al een rol in de Christenunie gaan spelen, zij zich voor een standpunt niet mogen beroepen op uitspraken van de paus of van concilies (vgl. artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Het betekent ook dat men in zijn argumentatie niet het Nieuwe Testament tegen het Oude mag uitspelen, wat zowel in rooms-katholieke als in evangelische kringen voorkomt. En ook voorkomt de gereformeerde belijdenis dat naast de Schrift persoonlijke openbaringen en ingevingen komen te staan – wat zeker onder evangelischen geen zeldzaamheid is.

Zónder belijdenis zal de Christenunie, zo valt te vrezen, overgeleverd zijn aan de neiging de Schrift in de mal van de emotiecultuur te persen. Mét belijdenis in haar grondslag is ze nog niet van haar probleem af. Het blijft dubieus wanneer een politieke partij een oordeel velt over de levenswijze van een potentiële kandidaat, zeker wanneer die levenswijze op zichzelf het uitdragen van het programma van de partij niet noodzakelijkerwijs onmogelijk maakt. Uiteindelijk kan de Christenunie niet verder springen dan haar kerkelijke polsstok lang is. De bal ligt daarom in het speelveld van de kerken. Die zullen toch eens kleur moeten bekennen – desnoods door middel van een belijdenisuitspraak – en moeten ophouden met pappen en nathouden. Maar dat kan alleen als ze eerst de emotiecultuur buiten de deur zetten.

Kerk en politieke partij (1)

De relatie tussen kerk en politieke partij was vroeger een heet hangijzer onder gereformeerden. Dat had alles te maken met het feit dat het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zijn leden vrijwel exclusief betrok uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Alleen bij hoge uitzondering werden leden van andere kerken toegelaten, met name uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Die nauwe binding is altijd omstreden geweest, al vormden de tegenstanders waarschijnlijk een minderheid. Met de tijd nam de weerstand toe, niet alleen van de kant van hen, die aan de kerk niet al te veel gewicht toekenden. Ook iemand als prof. J. Douma begon zich steeds kritischer uit te laten en ventileerde uiteindelijk de opvatting dat het GPV zijn ‘kerkgebondenheid’ moest loslaten. Waarschijnlijk vertegenwoordigde hij inmiddels de hoofdstroom binnen de GKV. De kerkelijke binding van het GPV werd al in 1996 losgelaten, ruim voordat de partij opging in de Christenunie. Daartegen werd wel bezwaar aangetekend, maar erg krachtig was het niet.

Inmiddels is het verschijnsel van de kerkgebondenheid vrijwel verleden tijd. Er zijn nauwelijks nog organisaties overgebleven die hun leden exclusief uit de GKV betrekken. Toch duikt het begrip nu en dan op. Recent was dat bijvoorbeeld het geval toen de historicus Ewout Klei promoveerde op de geschiedenis van het GPV. In zijn beschrijving komt de kerkgebondenheid van het GPV uiteraard uitvoerig aan de orde. En ook recensenten besteden er aandacht aan. In het nummer van juli/augustus van het tijdschrift Nader Bekeken wordt dit proefschrift gerecenseerd door prof. Douma, die deze gelegenheid te baat neemt nog eens afstand te nemen van de kerkgebondenheid. In het boek van Klei ziet hij een bevestiging van zijn overtuiging dat het geen goede greep is geweest dat het GPV besloot zich uitsluitend op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te richten.

Klei beschrijft in zijn boek – dat ik overigens nog niet gelezen heb – hoe de ontwikkeling van het GPV tot een echte politieke partij werd belemmerd door allerlei conflicten die binnen de GKV plaatsvonden. En toen het GPV eenmaal een zetel in de Tweede Kamer had bemachtigd, was dat zeker niet het einde van de onenigheden. In de jaren ’70 had de scheuring binnen de GKV, die tot het ontstaan van de Nederlands-Gereformeerde Kerken leidde, directe gevolgen voor het GPV.

Het kan niet ontkend worden dat de troebelen die het GPV gedurende zijn geschiedenis parten speelden, nauw samenhingen met de binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Door die binding was het niet meer dan logisch dat kerkelijke conflicten directe gevolgen hadden voor de partij. Daarnaast gaf het ook theologen de gelegenheid hun stempel op allerlei discussies te drukken, en het effect daarvan was zeker niet altijd positief. Daarbij moet met name gedacht worden aan het verzet tegen de formulering van een politiek programma. Sommigen beschouwden het GPV toch vooral als de politieke arm van de kerk, die als hoofdtaak had te laten zien wat de ware kerk in Nederland was.

Maar kunnen de genoemde verschijnselen uitsluitend op het conto van de kerkgebondenheid van het GPV worden geschreven? Zouden de gesignaleerde problemen aan het GPV voorbij zijn gegaan, wanneer al veel eerder dan in 1996 besloten was de partij open te stellen voor leden van andere kerken?

Laten we eerst eens naar een andere partij kijken, de SGP. Die betrekt haar leden vrijwel uitsluitend uit de zogenaamde ‘bevindelijke’ kerkgenootschappen en uit de ‘bevindelijke’ vleugels van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederlands Hervormde Kerk (later de PKN). Van een binding aan één kerk is nooit sprake geweest. Dat heeft haar echter niet gevrijwaard van kerkelijke invloed.
De historicus Henk Post heeft beschreven hoe de breuk die in 1953 binnen de Gereformeerde Gemeenten plaatsvond, ook binnen de SGP voor grote spanningen zorgde. Het feit dat binnen het ‘bevindelijke’ kerkelijke landschap over diverse zaken verschillend visies leven – bijvoorbeeld ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij – heeft ook binnen de SGP zijn sporen nagelaten. Tot op de dag van vandaag kijken bepaalde groepen binnen de SGP de Tweede-Kamerfractie kritisch over de schouder.
In dit verband moet er ook op gewezen worden dat de SGP bij de samenstelling van kandidatenlijsten kijkt naar de kerkelijke kleur van kandidaten. Weliswaar bestaat er, voorzover mij bekend, geen formele regel die voorziet in een evenwichtige verdeling van de beschikbare plaatsen over vertegenwoordigers van verschillende kerken. Maar een kandidatenlijst waarop bijvoorbeeld de nummers 1 tot 8 alle tot de Gereformeerde Gemeenten behoren is absoluut ondenkbaar.
In het GPV mogen theologen zich vroeger duidelijk hebben laten horen, de invloed van predikanten binnen de SGP is altijd veel groter en duidelijker zichtbaar geweest dan in het GPV. Het is nog niet zo lang geleden dat de SGP in de Tweede Kamer werd vertegenwoordigd door predikanten. En nog altijd zijn hier en daar predikanten voorzitter van de plaatselijke SGP-afdelingen of zelfs gemeenteraadslid. Dat binnen de Christenunie theologen geen opvallende rol spelen heeft niet zozeer te maken met de lossere band tussen de partij en de verschillende kerken, maar met veranderingen in de visie op de positie van theologen en vooral dienstdoende predikanten. Ook in discussies over maatschappelijke vraagstukken binnen de achterban van de Christenunie spelen ze een geringere rol dan in de jaren ’50 en ’60 binnen de Gereformeerde Kerken.

Zo duidelijk is het verband tussen de troebelen binnen het GPV en zijn binding aan de Gereformeerde Kerken dus niet. Het lijkt me dat elke christelijke partij, wat haar relatie met één kerk dan wel verschillende kerken ook is, de invloed van kerkelijke conflicten ondergaat. En dan maakt het niet zoveel uit of die conflicten zich binnen één kerk afspelen dan wel de kerkelijke grenzen overschrijden. Met dat laatste heeft de Christenunie te maken. Dat blijkt met name uit de discussie over de vraag of leden van de partij die een homosexuele relatie hebben, de partij in politieke organen kunnen vertegenwoordigen. Kandidaten moeten de standpunten van de partij op een geloofwaardige en overtuigende manier uitdragen. Kunnen zij dat? In zijn bovengenoemde recensie gaat Douma daarop in.

Aan zijn proefschrift heeft Ewout Klei onder andere een stelling toegevoegd over dit onderwerp. De positie van homoseksuelen in de Christenunie lijkt op die van de niet-vrijgemaakten in het GPV: officieel is er een beetje ruimte voor ze, feitelijk is die ruimte er niet! (Douma gebruikt geen aanhalingstekens; ik weet dus niet of hij hier letterlijk citeert.) Douma wijst de parallel af. “Als ik (evenals Klei) vind dat de deuren van het GPV voor andere christenen dan vrijgemaakten al veel eerder dan in 1996 geopend hadden moeten worden, is er nog geen grond hetzelfde te zeggen als het over homoseksueel levende christenen gaat in de Christenunie. De Christenunie wil voor het gezin opkomen en keurt het homohuwelijk af. Wie kan een christelijke partij verbieden intern geen kandidaten voor te dragen voor publieke politieke functies als het over (homoseksueel) samenwonende kandidaten gaat?”

Hier maakt Douma zich er mijns inziens iets te gemakkelijk van af. De aanvaarding van kandidaten met een homosexuele relatie maakt het opkomen voor het gezin niet per definitie ongeloofwaardig. In zijn functie als minister van Jeugd en Gezin hanteerde André Rouvoet een definitie van het gezin waaronder ook een gezin met homosexuele partners viel. Zijn programmaministerie kende aan de zorg voor kinderen een centrale plaats toe. Het was voor hem een uitgemaakte zaak dat de overheid kinderen geen aandacht en zorg mag onthouden omdat die in een gezinsverband leven dat niet in overeenstemming is met wat christenen op grond van de Schrift onder ‘gezin’ verstaan.
De afwijzing van het homohuwelijk is ook geen sterk argument. Recent publiceerde het Nederlands Dagblad een interview met Monique Heger, die ooit als gemeenteraadslid voor de Christenunie moest opstappen vanwege het aangaan van een lesbische relatie en die sindsdien tevergeefs probeert weer een plek op een kandidatenlijst te krijgen. Ondanks haar relatie wijst ze het homohuwelijk resoluut van de hand. Dit is ook in overeenstemming met de argumentatie van de Christenunie tegen het homohuwelijk. Daaraan ligt niet de afwijzing van homosexuelen of van homosexuele relaties ten grondslag, maar de overtuiging dat het huwelijk exclusief bestemd is voor één man en één vrouw.

Het is niet zo eenvoudig een uitweg uit dit dilemma te vinden. Douma ziet als één van de grondfouten van het GPV dat de grondslag van de partij identiek was met die van de kerk. Hij wijst erop dat veel onderdelen van de confessie in de politieke praktijk helemaal niet aan de orde komen. “Als het onderwerp kinderdoop nooit aan de orde komt in de politiek, waarom kan een baptist dan niet meewerken aan een politiek program van actie, dat wel christelijk, maar daarom nog niet kerkelijk gekleurd is.” Eerder heeft hij ervan blijk gegeven dat hij ook ruimte ziet voor rooms-katholieken in de Christenunie. Dat kan uiteraard alleen wanneer de gereformeerde belijdenis uit de grondslag van de partij wordt geschrapt. Ik heb het vermoeden dat zonder de confessie de discussie over de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie alleen maar gecompliceerder wordt en wellicht geheel zal vastlopen. Daarover ga ik een volgende keer verder doordenken.