Archief

Posts Tagged ‘GroenLinks’

Een roomse oplossing

Kleine politieke partijen mogen zich niet vaak in een grote belangstelling van de media verheugen, zeker partijen met een religieus karakter niet. Dat kan veranderen wanneer ze ineens een sleutelrol in de politiek gaan spelen, zoals de ChristenUnie jaren geleden en de SGP in het meer recente verleden. Die laatste heeft ook nog om een andere reden de aandacht van de media: de opvattingen van de SGP over de rol van de vrouw in de politiek en vooral de praktische consequenties die ze daaraan altijd heeft verbonden, zijn de representanten van het emancipatiestreven een doorn in het oog. De gevolgen zijn bekend: om een eventueel verbod van de partij te voorkomen, heeft het hoofdbestuur besloten vrouwen niet langer het passief kiesrecht te ontzeggen. Dat betekent dat vrouwen zich in principe mogen aanmelden voor een plaats op de kandidatenlijsten van de SGP.

In de praktijk zijn de gevolgen te verwaarlozen. De grondbeginselen van de partij, waartoe behoort dat de vrouw het regeerambt niet toekomt, veranderen immers niet. Dat betekent dat een vrouwelijke kandidaat moet verdedigen dat de vrouw geen regeerambt mag bekleden. Aangezien de SGP van mening is dat een volksvertegenwoordiger een regeerambt bekleedt, maakt dat haar positie in feite onmogelijk. Bovendien zijn het nog altijd de partijleden die beslissen wie op de kandidatenlijsten komen. Wanneer ze ervoor kiezen alleen mannen te kandideren is dat hun goed recht. Ze hebben geen verantwoordingsplicht.

Niets aan de hand dus, zou je zeggen. Toch wringt er iets. “Een typisch roomse oplossing”, las ik op de website van een krant. Ook binnen de SGP krijgt het hoofdbestuur niet alle handen op elkaar voor deze constructie. Vooral op de rechterflank van de partij wordt stevige kritiek niet geschuwd. Een scribent is van mening dat de SGP er beter aan zou doen vast te houden aan de tot nu toe gevolgde gedragslijn en de consequenties dan maar te accepteren. Hij trekt een vergelijking met de drie vrienden van Daniël, die – op straffe van verbranding in de vuuroven – weigerden te knielen voor het beeld dat de Babylonische koning Nebukadnessar had laten oprichten. Een andere scribent vindt die vergelijking misplaatst: SGP’ers die weigeren hun houding ten aanzien van de rol van de vrouw in de politiek aan te passen, worden niet met de vuuroven bedreigd. Van geloofsvervolging is in Nederland nog altijd geen sprake.

De gekozen vergelijking is inderdaad overdreven en de desbetreffende schrijver zou er wellicht beter aan hebben gedaan een ander voorbeeld te kiezen. Nu leidt het ongelukkig gekozen voorbeeld af van waar het in feite om gaat. De vraag is of de SGP er goed aan heeft gedaan zich te corformeren aan wat de overheid van haar verlangt. SGP-voorman Van der Staaij probeerde daar een mooie en principiële lading aan te geven. De SGP is een gezagsgetrouwe partij en wil “als beginselpartij” wel handelen binnen de grenzen van onze Nederlandse rechtsorde. “Dat is ook een principiële keus. Wij zijn geen oproerkraaiers.” (Nederlands Dagblad, 14.1.13).

Hoe het ook verpakt wordt, het valt niet te ontkennen dat de SGP zwicht onder seculiere druk. Van der Staaij mag zich erover beklagen dat die externe druk de zuiverheid van de discussie vertroebelt en het interne beraad bemoeilijkt, effectief blijkt die wel te zijn. En de vraag moet gesteld worden of daarmee niet de weg is gebaand voor het opvoeren van de druk op allerlei christelijke organisaties om die aspecten van hun identiteit en beleid, die bij seculier Nederland op weerstand stuiten, bij het grofvuil te zetten.

De SGP’ers die roepen dat er wel belangrijkere zaken zijn om zich druk over te maken dan over het passieve vrouwenkiesrecht, hebben wellicht gelijk, maar zijn ook wat naïef. Want voor veel SGP’ers is dit nu juist een wezenlijk onderdeel van de identiteit van de partij. Zij verdedigen de traditionele opvatting betreffende de rol van de vrouw in de politiek met principiële argumenten en tot niet zo lang geleden deed de SGP als partij dat ook. Er waren altijd al tegengestelde of in elk geval meer genuanceerde geluiden, maar die bleven in de marge. De ‘traditionalisten’ in de SGP hebben betere papieren dan de ‘nieuwlichters’.

De SGP heeft de situatie waarin ze zich nu bevindt, geheel aan zichzelf te wijten. We zien hier het resultaat van getreuzel en aarzelingen en vooral van het streven de kool en de geit te sparen. Binnen een organisatie en dus ook een politieke partij kan men best over bepaalde zaken van mening verschillen, zonder dat daar direct bloed uit vloeit. Maar wanneer het gaat over een zaak die in elk geval voor een deel van die organisatie een sterk principieel karakter draagt, kan men er niet omheen een keuze te maken. De door de SGP gekozen constructie is in feite de voortzetting van de oude lijn in een nieuwe verpakking. Wat de SGP nu doet is wat men in het Engels “window-dressing” noemt. De etalage ziet er anders uit, maar het aanbod in de winkel is als vanouds. De vraag is of dit op de lange termijn zal werken.

Wat hier gebeurt zou wel eens de voorbode kunnen zijn van wat christelijk Nederland te wachten staat. De druk zich aan te passen aan seculiere ‘normen’ zal groeien, daar is niet veel fantasie voor nodig. Het ligt voor de hand zich af te vragen waar de grens ligt. Welke aanpassingen kunnen christelijke organisaties zich veroorloven zonder hun identiteit fundamenteel aan te tasten? Wanneer is de tijd gekomen dat men “nee” moet zeggen en de eventuele consequenties moet accepteren?

Ik denk dat we de spade wat dieper in de grond moet steken. Het gaat maar niet om de vraag hoeveel vrijheden christenen en christelijke organisaties nog hebben. De discussie moet – in elk geval vooralsnog – zeker niet gaan over de vraag of christelijke organisaties wellicht een beroep kunnen doen op een uitzonderingsclausule. Het moet er niet om gaan getolereerd te worden – tegen heug en meug – maar als volwaardige leden van de samenleving geaccepteerd te worden.

Nodig is vooral een principiële discussie over de reikwijdte van wetgeving en daarmee de pretenties van de overheid. Dat heeft alles te maken met de idee van de maakbaarheid van de samenleving. Die wordt traditioneel geassocieerd met ‘links’, maar vindt ook ‘rechts’ weerklank. ‘Links’ wil vooral christenen in het gareel dwingen, ‘rechts’ richt zijn pijlen op moslims. Het komt uiteindelijk op hetzelfde neer: het vastleggen van de ‘heersende’ moraal en die via wetgeving afdwingen van burgers en hun organisaties. Dat leidt in feite tot een monocultuur. Dat ideaal wordt vaak geassocieerd met de PVV, maar ook andere partijen zijn daar gevoelig voor, zoals D66 en GroenLinks met hun intolerantie ten aanzien van christenen.

Zo gezien zouden de critici van het ‘vrouwenbesluit’ van de SGP wel eens meer het gelijk aan hun kant kunnen hebben dan menigeen lief is. De vergelijking met de drie vrienden van Daniël mag overdreven zijn, zij kunnen wel als voorbeelden dienen. Soms is er geen andere mogelijkheid dan “nee” te zeggen, wat de consequenties ook mogen zijn. Met “roomse oplossingen” komen we er dan niet meer.

Advertenties

Verworvenheden op de schop

In christelijke kringen – en vooral in het ‘reformatorische’ deel daarvan – zijn de alarmbellen over de plannen van het kabinet van VVD en PvdA gaan rinkelen. De vrees voor een ‘paarse’ politieke agenda, die met name door de SGP werd uitgesproken en nog niet zo lang geleden werd gehanteerd als argument om steun te verlenen aan een coalitie die ook door de PVV werd gesteund, lijkt bewaarheid te worden. Als het gaat zoals het kabinet wil, zal voor bijzondere ambtenaren van de burgerlijke stand, die geen huwelijken tussen mensen van gelijk geslacht willen sluiten, binnenkort geen ruimte meer zijn. Er zijn serieuze plannen om het verbod op godslastering te schrappen. Een aantal kleine omroepen zonder leden, waaronder ook enkele die het christelijke volksdeel bedienen, dreigen te verdwijnen, wanneer de overheid de financiering daarvan stopzet, zoals staatssecretaris Dekker aankondigde. Het onderwijs blijft niet buiten schot: donkere wolken pakken zich samen boven christelijke scholen en ouders die hun kinderen naar zulke scholen willen sturen.

In reformatorische kring – zeg maar de achterban van het Reformatorisch Dagblad – komen allerlei activiteiten van de grond, door middel waarvan men zich tegen deze dreigende aantasting van christelijke verworvenheden wil wapenen. Zoals Bart Jan Spruyt in zijn column in het Nederlands Dagblad van 9 november 2012 opmerkte lijkt de verontrusting in die kringen groter dan die in de achterban van laatstgenoemde krant. Van vergelijkbare activiteiten in die kringen is niets vernomen. Wel heeft Jan Westert, voorzitter van de gereformeerde scholenkoepel LVGS, een stuk geschreven voor de aangesloten scholen waarmee hij het gesprek over de identiteit op gang wil brengen. Weliswaar staat dit niet direct in relatie met de politieke ontwikkelingen op onderwijsgebied, maar het heeft er zijdelings wel mee te maken. Op de inhoud ga ik hier nu verder niet in; ik kom daarop wellicht op een later moment terug.

Christenen staan voor de vraag hoe ze op de plannen die gesmeed worden, moeten reageren. Het is waar, het zijn slechts plannen; het kabinet heeft geen meerderheid in de Eerste Kamer en dus staat nog bepaald niet vast dat ze ook allemaal uitgevoerd zullen worden. Voor paniekreacties is daarom geen reden. Anderzijds, we moeten ons wel realiseren dat veel van de voorgestelde maatregelen op brede steun kunnen rekenen. Ook oppositiepartijen zullen daaraan hun stem geven. Sterker nog, vooral D66 en GroenLinks zullen blij zijn dat er nu eindelijk vrij baan is voor maatregelen, die de laatste decennia door de sleutelposities van het CDA en de laatste vijf jaar ook ChristenUnie en SGP werden tegengehouden. De SGP realiseert zich dat de welwillendheid van de VVD tijdens de laatste fase van het kabinet-Rutte I slechts gebaseerd was op strategische overwegingen. Ze hoeft er niet op te rekenen dat de liberalen enkele plannen zullen torpederen om de SGP te danken voor bewezen diensten.

Ook al is de realisering van de plannen nog allerminst zeker en zal er zeker enige tijd overheen gaan voordat ze eventueel worden doorgevoerd, het kan geen kwaad zich al te gaan bezinnen op de manier waarop daarmee moet worden omgegaan. Dan is het allereerst van belang hier enige nuchterheid te betrachten. Wie sommige reacties beluistert, zou bijna de indruk kunnen krijgen dat een tijd van discriminatie of zelfs verdrukking nadert. Dat is rijkelijk overdreven. Het is goed ons te realiseren dat christenen en christelijke organisaties in Nederland al meer dan honderd jaar voorrechten genieten waarvan christenen in andere landen alleen maar kunnen dromen. Christelijk onderwijs – van basisschool tot hoger onderwijs – en dan ook nog eens door de overheid bekostigd, in hoeveel landen vind je dat? Wanneer christenen in andere landen zouden horen dat de overheid ook nog eens geld op tafel legt om ouders in de gelegenheid te stellen hun kinderen vele kilometers van huis het gewenste onderwijs te laten volgen, zouden ze hun ogen uitwrijven. Christelijke omroepen, uitzendingen van kerkdiensten van bijbelgetrouwe snit, christelijke kranten en tijdschriften – het zijn allemaal dingen die in veel landen helemaal niet vanzelfsprekend zijn. En dat zijn echt niet allemaal landen die door een andere godsdienst, zoals de islam, gedomineerd worden. Het zijn ook lang niet allemaal landen die geen of slechts een gebrekkige democratie kennen.

Dat betekent dat christenen zorgvuldig te werk moeten gaan wanneer ze zich verzetten tegen aantasting van hun verworvenheden. Ze moeten onderscheid maken tussen wat echt fundamenteel is en wat niet. Een groeiend aantal gemeenten wil niet langer de reiskosten vergoeden voor kinderen die soms ver weg het onderwijs van hun richting volgen. Dat is voor de desbetreffende ouders natuurlijk erg vervelend. In zulke situaties komt het er dan op aan dat een gemeenschap om hen heen staat. Onderwijs dat aansluit bij de christelijke opvoeding is tenslotte niet maar een zaak van de ouders alleen – dat raakt de hele kerkelijke of geloofsgemeenschap. Op die gemeenschap mogen ouders dan ook vrijmoedig een beroep doen, wanneer ze de kosten zelf niet kunnen opbrengen. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs is een ander verhaal. Natuurlijk, er is een tijd geweest dat daarvan geen sprake was. Christenen hebben geofferd voor hun eigen onderwijs, wat een bewijs was van hun sterke motivatie. Het is maar helemaal de vraag of christenen van nu die motivatie nog kunnen opbrengen. In zijn al genoemde column schrijft Bart Jan Spruyt: “Het gaat erom of bevindelijk-gereformeerden vanuit een innerlijk geloof weer resistent worden in een wereld waarin steeds meer oude ‘voorrechten’ wegvallen.” Dat geldt voor alle christenen die hechten aan christelijk onderwijs en christelijke organisaties. Dat zal vooral de vraag zijn wanneer de financiële gelijkstelling afhankelijk zou worden van een bepaalde vormgeving van het onderwijs. Niettemin, ook wanneer er een sterke motivatie bestaat desnoods met eigen middelen het christelijk onderwijs in stand te houden, de kosten daarvan zijn vrijwel niet uit particuliere middelen op te brengen.

De plannen met betrekking tot de omroep worden door zendgemachtigden als IKON, RKK en ZvK niet met gejuich ontvangen. Gesuggereerd wordt dat het kabinet ernaar zou streven uitingen van religie uit het openbare leven te verbannen. ‘Religie hoort achter de voordeur’, zou de motivatie zijn. Dat wordt door de staatssecretaris ontkend. Het is noodzakelijk hierover de discussie aan te gaan, maar daarbij moeten dan wel onbewezen motieven buiten spel worden gehouden; alleen dan is een zinvolle gedachtenwisseling mogelijk. Ook ten aanzien van deze zaak geldt dat hier sprake is van verworvenheden die in veel andere landen niet bestaan. Bovendien zijn er alternatieve methoden om de achterban te bereiken.

In deze kwesties – en er zijn er nog meer te noemen – moet de indruk vermeden worden dat christenen vooral hun eigen belang verdedigen. Het is de taak van met name christelijke politici de desbetreffende kwesties in een breder verband te plaatsen. Niet alleen christenen zitten in de hoek waar de slagen vallen, maar ook moslims, joden, hindoes en aanhangers van andere godsdiensten, in het geval van de omroep zelfs ook humanisten. Dat laatste is vooral interessant voor de opstelling van partijen die daarmee nauw verbonden zijn, zoals D66.

In het geding is in feite de vraag hoe pluriform de Nederlandse samenleving nog mag zijn. Dat is uiteindelijk van groter belang voor de toekomstige rol van christenen in de maatschapij dan de vraag of er nog kerkdiensten op het publieke net mogen worden uitgezonden en of christenen hun kinderen nog naar een christelijke school ver van huis kunnen sturen. Christenen moeten zich niet blindstaren op verworvenheden maar vooral de strijd aanbinden tegen de neiging de cultuur gelijk te schakelen. Er zijn christenen die zich aangetrokken voelen – of voelden – tot de PVV vanwege haar strijd tegen de islam. Maar die partij staat voor een monocultuur die niet alleen de positie van moslims bedreigt, maar ook die van joden en christenen. Hoewel andere partijen zich tegen de PVV afzetten, staan ze op dit punt niet zo ver van haar af. Dat een Tweede-Kamerlid van D66 ervoor pleit dat de overheid intolerant is voor intolerante burgers (ND, 9.11.12) is veelzeggend. Uiteraard is het seculier Nederland dat bepaalt wie tolerant en wie intolerant is. De monocultuur van de 21e eeuw zal een seculiere zijn, waarin voor afwijkende opvattingen op ethisch vlak – in de breedste zin van het woord – geen ruimte is.

Dat christelijke verworvenheden op de schop gaan is betreurenswaardig. Veel ernstiger is het wanneer de geestelijke en culturele pluriformiteit van samenleving op de schop gaat. Dan moeten echt alle alarmbellen gaan rinkelen.

Christelijke kruistocht of de vrede van de stad

Vrijdag 22 juli 2011 werd de wereld opgeschrikt door twee terreurdaden die – volgens de toen bekende cijfers – bijna 100 dodelijke slachtoffers opleverden. Nadat aanvankelijk algemeen werd aangenomen dat de daders in de islamitische wereld gezocht moesten worden, werd na de arrestatie van de vermoedelijke dader duidelijk dat het om een autochtone Noor ging. Opvallend was een toevoeging die in de media rondzong: hij zou zich als een conservatief christen beschouwen. Hadden we het nu eens niet met een fundamentalistische moslim, maar met een fundamentalistische christen te doen?

Inmiddels is dat beeld nogal gecorrigeerd en hoor je die verwijzingen vrijwel niet meer. Dat is vooral te danken aan de publicaties die de dader op het internet heeft gezet en gedeeltelijk ook verspreid. Daarin komt niet bepaald een beeld naar voren dat doet denken aan fundamentalistische christenen, zoals we die uit andere landen – vooral de Verenigde Staten – kennen. Duidelijk is inmiddels dat Breiviks christendom vooral van culturele aard is. Daarin lijkt hij op Geert Wilders. Die schermt wel met de christelijk-joodse cultuur, die beschermd moet worden tegen de ‘islamisering’, maar hij noemt zichzelf een atheïst. Breivik zegt van zichzelf dat hij niet bijzonder religieus is. En wie kijkt door wie hij zich heeft laten inspireren komt geen opvallende figuren uit de christelijke wereld tegen. Hij heeft scherpe kritiek geuit op de (staats)kerk van Noorwegen, maar dan vooral vanwege haar zijns inziens slappe houding ten aanzien van de islam. Over de theologische koers van die kerk – het toelaten van vrijzinnigheid bijvoorbeeld – hoor je hem niet.

Dat is een hele opluchting. Nu hoeven we ons als christenen tenminste niet voor de wandaden van Breivik te verantwoorden. Of dachten sommigen wellicht dat alleen moslims zich moeten verantwoorden wanneer één van hen zich aan terrorisme schuldig maakt?
Maar zo gemakkelijk komen we er niet vanaf. Breivik grijpt vooral terug op de middeleeuwen. Dat is de tijd van de kruistochten, van de ridders zonder vrees of blaam, die een goed werk voor God dachten te doen toen ze talloze ‘ongelovigen’ over de kling joegen in hun strijd voor de ‘bevrijding’ van het ‘Heilige Land’. Daarvan kunnen christenen zich niet zomaar distantiëren alsof het niet tot hun eigen geschiedenis behoort. De kruistochten vonden plaats met toestemming van en zelfs gestimuleerd door de nog ongedeelde christelijke kerk. De kruisvaarders gingen op weg met de zegen van de ambtsdragers van de kerk. En hun kreet “God wil het” werd door de kerk niet weersproken. Integendeel.

En dan zijn er nog de moderne kruisvaarders. Dan kan gedacht worden aan degenen die aanslagen plegen op abortusklinieken in de Verenigde Staten of abortusartsen vermoorden. Ook zij zijn ervan overtuigd een godvruchtig werk te verrichten. En ook daar zijn geestelijken te vinden die hen eerder in deze overtuiging sterken dan die weerspreken. Ver van ons bed? Dat valt te bezien. In Nederland loopt iemand rond die zich ‘joods-christelijk pastor’ noemt en geen traan laat om de doden van Oslo en Utøya.

Zowel het verleden als het heden leveren voldoende redenen voor christenen om niet al te hoog van de toren te blazen als het om de bezinning over de aanslagen in Noorwegen gaat. Want ook zij blijken tot wandaden in staat te zijn.

Terroristen die zich door een religieus of ideologisch ideaal laten leiden hebben vaak één ding gemeen: ze hebben zich overgegeven aan een utopie. Die bestaat vooral daarin dat men meent een bepaald veelomvattend ideaal – soms zelfs geproclameerd als ‘heilstaat’ – te kunnen realiseren. Wanneer dat niet lijkt te lukken, laten ze zich niet ontmoedigen. Ze komen al helemaal niet tot het inzicht dat de realisering misschien helemaal niet binnen de menselijke mogelijkheden ligt. Ze zijn er zo diep van overtuigd dat het door menselijke inspanning tot stand gebracht kan worden dat ze gaan zoeken naar factoren die obstakels vormen. En dat blijken dan niet zelden mensen of groepen van mensen te zijn. De zondebok is geboren.

Na de Russische revolutie waren het de boeren, in het nationaal-socialisme de joden, in het Cambodja van Pol Pot de intellectuelen – ze stonden de realisering van het nagestreefde ideaal in de weg. Breivik streeft naar een Europa dat vrij is van de islam. Zijn agressie richt zich echter niet in de eerste plaats tegen moslims; zij waren niet het doelwit van zijn aanslagen. Hèt obstakel voor het ontstaan van een islam-vrij Europa is de politieke en maatschappelijke elite, en die bestaat in Noorwegen voor een groot deel uit de sociaal-democraten. Daarom waren die het doelwit van zijn terreur.

Dat lijkt allemaal ver van christenen af te staan. Die geloven immers niet in een utopie. De heilstaat – in christelijke termen: het koninkrijk van God – wordt niet door mensen tot stand gebracht. Het komt van God en daalt vanuit de hemel neer. Het krijgt pas volledig gestalte na de terugkomst van Jezus Christus en de vernieuwing van de hemel en de aarde. Maar christenen geloven ook dat het koninkrijk al tijdens de geschiedenis zich begint af te tekenen en dat ze zelf een rol mogen spelen in de komst van dat koninkrijk. En daar zit een gevaar. Sommige christenen lijken wel erg goed te weten hoe dat koninkrijk er uit zal zien. En ze kunnen zomaar in de verleiding komen daar een tastbare bijdrage aan te leveren die zich niet verdraagt met de bijbelse notie dat het koninkrijk van God niet door geweld tot stand komt. De middeleeuwse kruisvaarder kan zomaar opnieuw tot leven komen.

Ik denk dat in deze tijd een ander gevaar christenen meer bedreigt. Ze zijn in de westerse wereld in toenemende mate een minderheid geworden, waarmee in het maatschappelijk leven steeds minder rekening wordt gehouden. Ook politiek worden ze steeds minder relevant. De deelname van de Christenunie aan het vorige kabinet en de spilpositie van de SGP in de huidige politieke constellatie veranderen daar niets aan. Veel Nederlanders voelen zich vreemden in eigen land en zien hun positie bedreigd door de islam of door Europa of door de globalisering. Ze vrezen dat hun de regie over hun leven uit handen wordt genomen en keren zich steeds feller tegen wat ze als de veroorzakers daarvan beschouwen.

Veel christenen zullen dat gevoel herkennen. Ze belijden wel dat ze vreemdelingen zijn op aarde, maar in de praktijk viel dat vaak nog wel mee. Er waren christelijke organisaties die ertoe deden en niet weinig sleutelposities in de maatschappij werden door mensen bekleed die in elk geval geworteld waren in de christelijke wereld. Die tijden zijn voorbij. Christenen ervaren de vreemdelingschap steeds meer aan den lijve. En dan is het gevaar niet denkbeeldig dat ze zich gaan afkeren van de maatschappij en meegaan in de wereldse trend naar zondebokken te zoeken.

Voor Breivik en voor Wilders zijn dat wat zij als de politieke en maatschappelijke elite beschouwen. En die associëren zij vooral met ‘links’, vertegenwoordigd door partijen als D66, GroenLinks en de PvdA. Deze zijn de belangrijkste obstakels op de weg naar hun ideaal, een Europa zonder moslims. Het valt te vrezen dat ook christenen dat tot hun ideaal maken. Ook onder hen voelen velen de islam als een bedreiging voor hun positie. Daarbij wordt verwezen naar de weinig benijdenswaardige situatie van christenen in islamitische landen. De dreiging van een toenemende marginalisering komt nog uit een andere hoek: de in toenemende mate als agressief ervaren ‘seculieren’. Die vinden ze grotendeels bij dezelfde partijen die Geert Wilders en zijn PVV bestrijden. En dat verklaart waarom een toenemend aantal christenen zich in het kamp van Wilders schaart.

In mijn politieke weblog Dingen van de Dag heb ik betoogd dat de terreurdaden van Breivik aanleiding zouden moeten zijn tot bezinning op het politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland. Christenen zouden hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Maar dat kan alleen wanneer ze eerst enig zelfonderzoek doen.

Wat is de taak van christenen in de maatschappij? De brief van de profeet Jeremia aan de Joodse ballingen in Babylonië is in dit verband bijzonder relevant. Zou je hun positie in de Babylonische samenleving niet met die van christenen in de westerse, grotendeels ontkerstende maatschappij kunnen vergelijken? En lijkt hun ballingschap niet op de vreemdelingschap van de westerse christenen? Dit is wat Jeremia schrijft: “Bid tot de Heer voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei” (Jer. 29,7). De ballingen worden opgeroepen deel te nemen aan het economische en maatschappelijke leven, ook al worden ze publiek vernederd (Psalm 137). En uit het boek Daniël kunnen we concluderen dat ook het nemen van verantwoordelijkheid op het politieke vlak bepaald geen taboe was.

Christenen moeten zich dus niet laten meeslepen in de populistische afkeer van de samenleving en de daarin functionerende instituties. Net als in de dagen van Daniël nemen die beslissingen die strijdig zijn met de wil van God. Maar dat is geen reden zich daarvan af te keren en die instituties zelf in de beklaagdenbank te zetten. En dat is precies wat de PVV doet, of het nu ‘de politiek’, ‘de rechterlijke macht’ of ‘de cultuur’ is. Het is juist de voortdurende voeding van de publieke afkeer van het ‘establishment’ die bijdraagt aan het ontstaan van een maatschappelijk klimaat waarin mensen naar geweld kunnen grijpen omdat ze het geloof in de politiek hebben verloren. Flirten met de anti-establishmentretoriek van Wilders is bepaald geen onschuldige bezigheid, zoals de terreur van Breivik laat zien.

Het maatschappelijke en politieke klimaat zou er mee gebaat zijn wanneer juist christenen, die zich steeds vaker vreemden in eigen huis voelen, desondanks volop blijven deelnemen aan de samenleving. Juist zij zouden ervoor moeten waken dat bepaalde instellingen of groepen mensen als zondebokken worden weggezet, of dat nu ‘de seculieren’ of ‘de moslims’ zijn. In andere vertalingen van het geciteerde vers uit Jeremia 29 wordt gesproken over de “vrede van de stad”. Die vrede ligt niet in de uitsluiting van groepen mensen op grond van hun religieuze of politieke overtuiging, maar in het zoeken naar wat verbindt en het bouwen van bruggen die de samenleving – bij alle blijvende verschillen – leefbaar houden.

Het leven is één

De uitslag van de verkiezingen van 9 juni j.l. heeft een schokgolf binnen christelijk Nederland veroorzaakt. Nooit eerder werd de aanhang van de christelijke politieke partijen zo gereduceerd. Nauwelijks een zesde deel van de bankjes in de Tweede Kamer zal de komende jaren door vertegenwoordigers van het CDA, de ChristenUnie en de SGP worden bezet. Sommigen voorspellen dat dit nog maar het begin is, en dat de rol van de christelijke politieke partijen voor lange tijd zal zijn uitgespeeld.

Dat lijkt allemaal wat overdreven. Het kiezersvolk is op drift en wanneer er over zes maanden weer verkiezingen zouden plaatsvinden, kunnen de bordjes zomaar weer verhangen worden. Zo ooit dan geldt nu de waarschuwing: vandaag hosanna, morgen ‘kruisigt hem’.

Een tweede kanttekening is dat nu ineens het CDA wel erg gemakkelijk bij de christelijke partijen wordt ingelijfd. Van dat christelijk karakter is de afgelopen decennia meestal niet veel gebleken. Ook de ChristenUnie heeft tijdens het laatste kabinet-Balkenende van het CDA niet veel steun ervaren, wanneer zaken aan de orde kwamen die voor de christelijke politiek veel gewicht behoren te hebben. Wel is waar dat binnen het CDA althans nog enig begrip bestaat voor politici en partijen voor wie niet de mens de maat van alle dingen is, maar die de normen voor goed en kwaad buiten zichzelf zoeken. Bij de grote meerderheid van de Nederlandse politici is het begrip daarvoor geheel verdwenen.

Nu gaat deze weblog niet over politiek. Dat komt in mijn weblog ‘Dingen van de Dag’ aan bod. Dat ik er hier toch over schrijf, heeft een reden. Ook de ChristenUnie heeft een flinke veer moeten laten. Zetelverlies was wel te verwachten, vooral aangezien een flink hogere opkomst werd verwacht, met name gezien de deelname van de PVV. In feite viel de opkomst flink lager uit. Toch verloor de ChristenUnie een zetel en meer dan 80.000 stemmen. Daarmee staan we voor de vraag waardoor dit verlies veroorzaakt is.

De ChristenUnie en de SGP konden altijd op een trouwe achterban rekenen. Maar ook die tijd lijkt voorbij te zijn. Bij de laatste Europese verkiezingen liep een deel van de SGP-achterban over naar Wilders. De ChristenUnie leek haar aanhang beter te kunnen vasthouden. Maar waarschijnlijk is dat slechts schijn. Het is voorstelbaar dat een deel van de natuurlijke aanhang van de ChristenUnie al eerder afgehaakt is, maar dat dit werd gecompenseerd door nieuwe kiezers – bijvoorbeeld onder christen-immigranten – en door mensen die weliswaar de principiële uitgangspunten van de ChristenUnie niet delen, maar zich wel aangetrokken voelen door vele onderdelen van haar politieke programma.

Juist het laatstgenoemde soort kiezers staat bij Kamerverkiezingen aan de verleiding bloot strategisch te gaan stemmen om zo de vorming van een kabinet te kunnen beïnvloeden. En het is zeker mogelijk dat de kort voor de verkiezingen opgelaaide discussie over de eventuele kandidatuur van homosexuelen met een relatie hen gestimuleerd heeft hun heil dit keer bij een andere partij te zoeken.

Dit laat zien dat de ChristenUnie zich niet rijk moet rekenen, zoals de laatste jaren weleens is gebeurd. Kiezers die geen band met het christelijk geloof hebben, zullen nooit tot de vaste aanhang van de ChristenUnie gaan behoren. De partij doet er daarom goed aan zich nadrukkelijker te richten op de christelijke kiezer. Want ook hier is iets aan de hand.

Uit de eerste analyses blijkt dat voor christenen het stemmen op een christelijke partij geen vanzelfsprekendheid meer is. Ook onder hen wordt strategisch gestemd. Een stem op Cohen zou een kabinet van VVD en PVV misschien kunnen voorkomen. En daarnaast zijn ook christenen niet immuun voor de neiging van de moderne kiezer de politiek op te delen in losse thema’s, zonder een duidelijke ideologische samenhang. Christenen die zich sterk maken voor een goed milieubeleid kunnen dan zomaar bij GroenLinks terecht komen, daarmee de antichristelijke intolerantie van deze partij negerend.

Gaat dit alles de kerken voorbij? Ik dacht het niet. De tijd dat predikanten vanaf de kansel meer of minder openlijk de gelovigen opriepen op een bepaalde partij te stemmen, is voorbij. Dat is maar goed ook, want daarvoor is de kansel niet bedoeld. Maar daarmee is de kous niet af. De achtergrond van de desertie van de christelijke kiezers is een onderwerp dat de kerk wel degelijk aangaat. Een versterking van de macht van de antichristelijke partijen is bepaald niet in het belang van de christelijke kerken.

Belangrijker is dat de kerken zich bezinnen op de signalen die van de recente verkiezingsuitslag uitgaan. Het lijkt erop dat steeds meer christenen er moeite mee hebben of er geen heil in zien, hun geloof met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen te verbinden. Ze leven in toenemende mate in twee werelden, die steeds meer van elkaar gescheiden lijken te zijn. En als dan ook de samenhang tussen op het eerste gezicht afzonderlijke politieke en maatschappelijke verschijnselen steeds meer uit het zicht verdwijnt, is het niet verwonderlijk dat steeds meer christenen de noodzaak van een voluit christelijke politiek niet meer inzien.

Daar ligt een taak voor de kerk. Predikanten en kerkenraden zijn zich zeer wel bewust van het feit dat het geloof vaak niet doorwerkt in het dagelijks leven. Daaraan wordt in preken en anderszins dan ook wel aandacht besteed. Maar waarom zouden politieke keuzen dan buiten schot moeten blijven? Wanneer predikanten in hun preken erop wijzen dat het christelijk geloof consequenties heeft voor de moraal in het dagelijks leven, bijvoorbeeld ten aanzien van huwelijk en sexualiteit, waarom zou dan ook geen aandacht gevraagd kunnen worden voor politieke en maatschappelijke keuzen? Eén van de kandidaten van de PVV voor de verkiezingen is lid van een gereformeerd-vrijgemaakte kerk in Kampen. En in Bunschoten-Spakenburg is een partij in de gemeenteraad gekomen die op de lijn van de PVV zit en geleid wordt door een lid van een gereformeerd-vrijgemaakte gemeente.

Moeten we dit als een normaal en aanvaardbaar verschijnsel beschouwen? Dat lijkt me niet. Zulke dingen zijn symptomen van een verzwakking of zelfs het verdwijnen van de overtuiging dat het leven één is. Die term is decennia geleden gebruikt om de oprichting van gereformeerde organisaties te rechtvaardigen. Hoe men daarover ook mag denken, de idee dat het leven één is en dat het christelijk geloof consequenties heeft, ook op politiek en maatschappelijk vlak, en dus ook in het stemhokje, is voluit schriftuurlijk. Het zou goed zijn wanneer dat in de komende jaren ook vanaf de kansel en in pastorale gesprekken aandacht zou krijgen.

Ruimte voor geloof

Onder bovenstaande titel schreef Tijs van den Brink een column in Visie, het programmablad van de EO (22-28.5.10). Hij begint zijn column met de vraag: “Is de vrijheid van godsdienst in ons land serieus in gevaar?” Aanleiding voor die vraag zijn de reacties van gesprekspartners in zijn programma ‘Moraalridders’ als hij en Andries Knevel de vrijheid van gelovigen aan de orde stelden. Hij meldt dat Femke Halsema van GroenLinks vindt dat religieuze organisaties sollicitanten die geen christen of moslim zijn niet mogen weigeren. En Alexander Pechtold van D66 vindt dat orthodoxe scholen vrijzinnige docenten niet mogen weigeren alleen omdat ze vrijzinnig zijn. Ervan uitgaande dat Van den Brink de opvattingen van beide politici correct weergeeft, laat dat zien dat met de mond beleden vrijheden – met name vrijheid van godsdienst en vrijheid van vereniging en vergadering – in de praktijk zeker niet onbedreigd zijn. Maar sinds de uitspraak van de Hoge Raad over het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP wisten we dat al.

Van den Brink denkt dat het niet zo’n vaart loopt. “Maar een typisch Nederlandse verworvenheid, zoals de vrijheid van onderwijs, zou in haar huidige vorm wel eens zijn langste tijd gehad kunnen hebben”, schrijft hij aan het eind van zijn column. Het gevaar moet inderdaad niet overdreven worden. De opvattingen van mensen als Halsema en Pechtold zijn nog lang geen beleid. En uit de nasleep van de ‘SGP-uitspraak’ blijkt dat niet alleen christenen van mening zijn dat de staat daarmee de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden, en dat dit vèrgaande en ernstige consequenties kan hebben, en zeker niet alleen voor christenen.

Maar de waarschuwing dat vooral de vrijheid van onderwijs onder vuur zal komen te liggen, lijkt me eveneens terecht. Het aangekondigde wetsvoorstel van D66 dat bijzondere scholen het recht ontneemt een leraar te ontslaan dan wel niet aan te nemen omdat hij een homosexuele relatie heeft, wijst al in die richting. Het is geen wonder dat een bij uitstek anti-christelijke partij als D66 haar pijlen vooral op het onderwijs richt. Juist daar vindt immers voor een belangrijk deel de overdracht van normen en waarden plaats. En een partij als D66 – en dat geldt niet minder voor partijen als GroenLinks en de VVD – ziet heel goed in dat juist de inperking van de vrijheid van onderwijs een middel is om de geloofsoverdracht tegen te gaan.

Ook wanneer er geen reden is al te alarmistisch te reageren op zulke ontwikkelingen, het christelijk onderwijs doet er goed aan zich erop voor te bereiden dat haar vrijheid sterk wordt ingeperkt. Voor het gereformeerd onderwijs is er geen reden achterover te leunen, alsof haar niets kan gebeuren. Natuurlijk staat ze in zekere zin sterker. Gereformeerde scholen hebben immers een grondslag, die iemand die een homosexuele relatie heeft, in eerlijkheid niet kan onderschrijven. Het komt er dan wel op aan die grondslag serieus te nemen, ook bij sollicitatieprocedures.

Het verruimen van het personeelsbeleid is in dit licht nogal riskant. Gereformeerde scholen zijn ertoe overgegaan ook leerkrachten uit andere dan de vrijgemaakt-gereformeerde kerken aan te nemen, vooral de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Aangezien geloof en kerk niet van elkaar losgemaakt kunnen worden, verdient dit beleid geen bijval. De toenemende bedreiging van de vrijheid van onderwijs is een reden te meer hier nog eens kritisch naar te kijken.

De kans dat een sollicitant uit één van deze kerken zich als ‘vrijzinnig’ ontpopt, lijkt me niet erg groot. Veel waarschijnlijker is het dat een sollicitant ongehuwd samenwoont of een homosexuele relatie blijkt te hebben. Christelijke organisaties worden geconfronteerd met het feit dat juist hierover ook binnen orthodoxe christelijke kerken uiteenlopende opvattingen bestaan. Als gevolg daarvan loopt ook het beleid van kerkenraden, bijvoorbeeld in de toepassing van censuur, sterk uiteen. Dat geldt in het bijzonder voor de NGK. Binnen dat kerkverband zijn er bijvoorbeeld kerkenraden die geen bezwaar hebben tegen homosexuele ambtsdragers die een relatie hebben. En een kind van lesbische ouders kan daar gedoopt worden.

Het gereformeerd onderwijs moet zich niet in allerlei bochten gaan wringen of allerlei trucs uit gaan halen om een confrontatie met de overheid te voorkomen. Het moet juist zelfbewust de confrontatie aangaan. Op deze manier kan ze ook duidelijk maken waar ze voor staat en waarom. Maar anderzijds, ze moet zich niet nodeloos kwetsbaar maken wanneer de overheid het bijzonder onderwijs de duimschroeven aandraait. Dat betekent dat niet alleen de grondslag voluit moet functioneren, maar dat ook de exclusieve binding met de Gereformeerde Kerken moet worden gehandhaafd en waar nodig hersteld. Die kerken moeten dan wel hun eigen grondslag – de Schrift en de gereformeerde belijdenis – handhaven en ernaar handelen, ook wanneer dat bij deze en gene weerstand oproept. In het verlengde daarvan ligt de consequente toepassing van censuur. Dat is ook in het belang van het gereformeerd onderwijs.