Archief

Posts Tagged ‘H. Messelink’

Kerkverband op de tocht

Binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) is de afgelopen jaren gewerkt aan een “werkorde”, die de bestaande kerkorde moet vervangen. De voorgestelde werkorde heeft de nodige discussie veroorzaakt, die de groeiende verdeeldheid binnen dit kerkverband blootlegt. Wat nog fundamenteler is dan de inhoud van de werkorde is de verdeeldheid over het kerkverband als zodanig. Een kerkorde en op generaal-synodaal niveau gemaakte afspraken worden steeds vaker als klemmend en beperkend ervaren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat die op plaatselijk niveau her en der genegeerd worden of naar eigen smaak worden aangepast.

Binnen de GKV bestaat een Deputaatschap voor Kerkelijke Eenheid. Volgens besluit van de Generale Synode van Harderwijk (2011) heeft die als taak “vanuit het oogpunt van zowel kerkelijke eenheid als kerkelijk contact landelijke ontwikkelingen in andere kerkgemeenschappen en groeperingen bij te houden, zo nodig nader te verkennen en daarop actief te reageren.” Concreet betekent dit bijvoorbeeld “plaatselijke kerken te stimuleren om aan het proces van kerkelijke eenheid actief bij te dragen” en ook “na te gaan hoe de door de synode vastgestelde regelingen voor plaatselijk contact en samenwerking functioneren in de praktijk en indien daarvoor reden is voorstellen tot wijziging ervan in te dienen bij de eerstkomende generale synode”. Uit deze formuleringen mag worden afgeleid dat het proces van toenadering tussen en eventueel eenwording van kerken die tot verschillende kerkgenootschappen behoren geen zuiver plaatselijke aangelegenheid is. Gemeenten en kerkenraden zijn gebonden aan afspraken die op generaal-synodaal niveau gemaakt zijn. In de praktijk wordt dit principe ondergraven, zoals uit recente persberichten blijkt.

Het Nederlands Dagblad van 19 december 2012 meldde dat de GKV van Stadskanaal “op termijn” tot kanselruil met de plaatselijke PKN wil komen, een gemeente die zich volgens haar predikant “op het snijvlak van de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging” bevindt. De GKV onderhoudt al enige tijd nauwe contacten met de CGK. Er vinden gemeenschappelijke kerkdiensten plaats en er wordt samen avondmaal gevierd. De CGK deelt de opvatting van de GKV dat er ruimte is voor kanselruil met de PKN. De classis-Groningen van de CGK heeft daarvoor ook toestemming gegeven. Op de classisvergadering van de GKV is het kort aan de orde geweest. “Er werden geen bezwaren naar voren gebracht”, weet het ND veelbetekenend te melden.

In het nummer van 20 december wordt bericht dat wat zich in Stadskanaal nog in het stadium van overwegingen bevindt, in Amsterdam al realiteit is. Daar gaan predikanten van een Gereformeerde-Bondsgemeente, de CGK en de GKV in elkaars diensten voor. Ds. Van der Graaf (PKN) deelt onomwonden mee dat kerkgrenzen en formele afspraken geen rol spelen. Ds. Vreugdenhil (GKV) valt hem bij. Volgens hem ligt de verantwoordelijkheid voor wie in een dienst voorgaat primair bij de plaatselijke kerkenraad. “Landelijke regelingen hebben wel zin, maar volgen plaatselijke ontwikkelingen. Je ziet vaak dat ze wijzigen door druk van onderaf”, zo wordt hij door het ND geciteerd.

Het is niet voor het eerst dat de verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerk(enraad) tegenover landelijke afspraken worden gesteld. Dat heeft enige logica. Het gereformeerde kerkmodel gaat uit van de zelfstandigheid van de kerken. De Generale Synode is geen hoogste vergadering, maar een meeste vergadering, waar alle kerken die tot het kerkverband behoren, vertegenwoordigd zijn. Dat betekent echter niet dat iedere kerk kan doen wat goed is in eigen ogen. Plaatselijke kerken behoren op vrijwillige basis tot een kerkverband. Het staat hun vrij zich daarvan los te maken. Zolang ze tot het kerkverband behoren dienen ze wel de consequenties te aanvaarden. Regelingen die op generaal-synodaal niveau zijn genomen, zijn voor plaatselijke kerken(raden) bindend. Wanneer ze die naast zich neerleggen, heeft het kerkverband het recht en de plicht hen daarop aan te spreken en desnoods daaruit de consequenties te trekken.

Dat is ook het geval ten aanzien van het streven naar kerkelijke eenheid. Van enige correctie lijkt hier niet veel terecht te komen. Ds. Messelink, de voorzitter van het deputaatschap voor kerkelijke eenheid, deelt het ND mee dat hij op de hoogte is van de praktijk in Amsterdam, maar dat die “geheel buiten ons om gaat”. Kennelijk is dat voor hem en het deputaatschap geen reden in actie te komen. Ten aanzien van de plannen in Stadskanaal wijst hij erop dat officieel “kanselruil niet mogelijk (is) met de Protestantse Kerk. Als Stadskanaal dat wil, zullen ze zich eerst tot ons of tot de volgende synode moeten wenden.” Dat is nogal inconsequent. Waarom zou Stadskanaal de Generale Synode om toestemming moeten vragen, terwijl de kerken in Amsterdam hun gang kunnen gaan zonder dat er een haan naar kraait?

De oorzaak zou wel eens kunnen zijn dat het deputaatschap zelf op twee gedachten hinkt. Ds. Messelink verzekert de redacteur van het ND dat de gesprekken met christelijke-gereformeerden en Nederlands-gereformeerden “absolute prioriteit hebben”. Het deputaatschap gaat geen voorstel indienen officiële gesprekken aan te knopen met de PKN. Het is beter dat een kerk als die van Stadskanaal een voorstel bij de synode indient. Anderzijds opent hij de mogelijkheid van een andere manier van omgaan met deze materie. “Hij schat dat zijn kerkverband op langere termijn landelijke afspraken anders moet inkleden. De idee van bovenaf regels vast te stellen stamt uit de vorige eeuw en ‘werkt nu al niet meer. We moeten in gesprek over de vraag of we alles wel van bovenaf willen regelen.'”

Daarmee wordt de deur opengezet voor een nog verdergaande desintegratie van het kerkverband. Kerkelijke eenheid is bij uitstek een onderwerp dat het hele kerkverband raakt. Op de officiële site van de GKV wordt het kerkelijk samenleven van de Gereformeerde Kerken als volgt getypeerd. “Zij weten zich met elkaar verbonden door het geloof in God. Hij geeft zich aan ons in Jezus Christus en bezielt ons door zijn heilige Geest. Omdat we samen bij God en Jezus Christus horen, willen we ook bij elkaar horen. Die verbondenheid in geloof hebben we uitgesproken in onze belijdenissen. Verder hebben we deze verbondenheid vorm gegeven in kerkordelijke afspraken. Zij functioneert in tal van onderlinge contacten en gezamenlijke activiteiten.”

Kenmerkend voor het kerkverband is dus allereerst de verbondenheid in Christus. Die gaat hand in hand met en komt tot uiting in confessionele eensgezindheid, zoals de verwijzing naar de belijdenissen laat zien. Dat heeft belangrijke consequenties. Kerkenraden kunnen leden van hun gemeente bij verhuizing een attestatie verstrekken die geadresseerd is aan een zusterkerk, omdat ze ervan uit kunnen gaan dat deze de desbetreffende broeder of zuster op dezelfde confessionele basis ambtelijke zorg zal verlenen. En alle predikanten die binnen het kerkverband toegelaten zijn tot de dienst van het Woord hebben toegang tot alle kansels. Omgekeerd impliceert dit dat kerkenraden geen attestatie kunnen afgeven naar kerken dan wel predikanten tot de kansel kunnen toelaten die behoren tot een kerkverband waarmee zij niet één zijn in het geloof.

Voor de kwestie die hier onze aandacht heeft, is dat laatste speciaal van belang. Het kerkverband is een uiting is van verbondenheid in Christus. Daarom kan kanselruil pas dan plaatsvinden wanneer kerken na samensprekingen tot de conclusie zijn gekomen dat ze elkaar kunnen – en dus moeten – erkennen als “kerk van Christus”. Maar daar zit nu precies het probleem van een kanselruil met predikanten van PKN-gemeenten. Binnen dat kerkverband is van geloofsverbondenheid immers geen sprake. Er gaapt een kloof tussen bijvoorbeeld gemeenten die zich tot de Gereformeerde Bond rekenen en gemeenten die zich in de vrijzinnige hoek bevinden. Desondanks kunnen en willen de eersten zich niet van de laatstgenoemden losmaken. Daaruit komt een visie op de kerk naar voren, die zich niet verdraagt met wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis daarover uitspreekt. Zou dat geen belemmering voor kanselruil moeten zijn?

We moeten nog een stap verder gaan. Kerken binnen een kerkverband zijn hoe dan ook met elkaar verbonden en voor elkaar verantwoordelijk. Zolang ze zich binnen één kerkverband bevinden kunnen ze zich niet van elkaar distantiëren. Zoals ik al heb vastgesteld ligt ook aan kanselruil geestelijke verbondenheid ten grondslag. Wanneer dus een GKV een predikant uit een ander kerkverband op haar kansel toelaat, spreekt ze daarmee uit verbonden te zijn met zijn gemeente en daarmee ook logischerwijze met het kerkverband waartoe die gemeente behoort. En dat is maar niet een plaatselijke aangelegenheid. Door haar verbondenheid met kerken binnen haar eigen kerkverband raakt ook dat – tegen wil en dank – verbonden met die kerkgemeenschap. Toegepast op het onderhavige geval: wanneer een GKV in Amsterdam door een Gereformeerde-Bondspredikant op haar kansel toe te laten haar verbondenheid met diens PKN-gemeente tot uitdrukking brengt, geldt die verbondenheid indirect voor het hele GKV-kerkverband. Dat zou voldoende reden moeten zijn deze ontwikkeling niet op haar beloop te laten.

Volgens ds. Messelink is er “best veel rechtzinnigheid (…) in de Protestantse Kerk”. Dat is geen schokkende mededeling. Binnen de GKV is dat nooit ontkend. Maar het is ook nooit een argument geweest voor kanselruil of verregaande gemeenschappelijke activiteiten, zoals erediensten en avondmaalsvieringen. Niet alleen binnen de PKN bestaat rechtzinnigheid. Dat is ook het geval met andere kerken. De Nederlandse Geloofsbelijdenis maakt niet voor niets onderscheid tussen de kenmerken van de kerk en de kenmerken van de christen. Tot de kerk behoren niet alleen gelovigen en niet alle gelovigen behoren tot de kerk. Maar als het gaat om samensprekingen, gemeenschappelijke erediensten en avondmaalsviering of kanselruil is het niet de vraag of er in een kerk gelovigen zijn, maar of een kerk als “kerk van Christus” kan worden getypeerd. Tot de kenmerken daarvan behoort dat alles wordt geweerd wat in strijd is met de Schrift en de daarop gegronde belijdenis. Daarvan is in de PKN geen sprake.

Hoe kan een kerkgemeenschap die gekenmerkt wordt door verbondenheid in Christus gemeenschap onderhouden met gemeenten in een kerkverband waarin Christus het niet alleen voor het zeggen heeft? Daardoor komt niet maar het kerkverband op de tocht te staan, maar wordt de verbondenheid in Christus ondermijnd.

Advertenties

Een schijn van eenheid

(N.B. Ik onderbreek mijn serie over “Kudde zonder herders” met een commentaar op activiteiten ten behoeve van kerkelijke eenheid.)

Veel gelovigen ergeren zich aan de kerkelijke verdeeldheid. Dat is terecht. Er worden dan ook heel wat activiteiten ontplooid om tot kerkelijke eenheid te komen. Ook dat is terecht. Het is bepaald geen ‘reclame’ voor het christelijk geloof – om het even in markttermen uit te drukken – wanneer christenen onderling zo verdeeld zijn dat ’s zondags gescheiden samenkomen en elkaar soms ook door de week niet weten te vinden.

Dat zoiets in de evangelisatie een handicap is, zal duidelijk zijn. Daarom moet er hard aan gewerkt worden dat christenen elkaar vinden. Belangrijker nog: het is een bijbelse opdracht. Jezus wil dat zijn volgelingen één zijn, zoals Hij in het ‘hogepriesterlijk gebed’ (Joh. 17) tot uitdrukking heeft gebracht. Dus wanneer gelovigen zich op allerlei manieren en op allerlei niveaus inspannen voor eenheid tussen christenen, doen ze een goed werk.

Maar wie schriftuurlijk-kritisch de diverse activiteiten op dit gebied in ogenschouw neemt, ontdekt dat er nogal wat kaf tussen het koren zit. De afgelopen week trokken twee berichten de aandacht die dat bevestigen.

Later dit jaar wordt een zogeheten Nationale Synode gehouden. Daaraan doen kerken van allerlei snit mee, die nogal verschillen in geloofsleer. Het is de bedoeling dat ze elkaar toch vinden op basis van een document dat door leden van verschillende kerken is voorbereid en onder de titel ‘Credo’ is gepresenteerd. Vorige week deelde het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) mee dat het bij deze Nationale Synode aanwezig zal zijn.

Het tweede bericht betreft een symposium van christelijke studenten dat vrijdag 8 oktober in Utrecht plaatsvond. In een artikel in het Nederlands Dagblad van 7 oktober zetten twee bestuursleden van de christelijke studentenvereniging CSFR zich nogal af tegen de kerkelijke leiders. Die zouden niet in staat zijn effectief aan eenheid te werken. Maar ze hebben meer gemeen met de kerkelijke organisatoren van de Nationale Synode dan ze misschien zelf in de gaten hebben, zoals nog zal blijken.

In het Nederlands Dagblad van 8 oktober deelt de voorzitter van het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid van de GKV mee dat men unaniem besloten heeft aan de Nationale Synode deel te nemen. Dat is opvallend, want vanuit de GKV zijn nogal wat kritische geluiden te vernemen tegen deze Nationale Synode. In een artikel in het Nederlands Dagblad d.d. 23.12.09 heeft prof. J. van Bruggen het ‘Credo’ van de ‘nationale synode’ kritisch onder de loep genomen. Daarbij heeft hij een aantal verschillen tussen dit document en de Apostolische Geloofsbelijdenis geconstateerd. Daaruit heeft hij de conclusie getrokken dat het ‘Credo’ geen ‘groeibelijdenis’ is, zoals de opstellers beweren, maar een ‘afbraakbelijdenis’, waarin elementen van de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar ook van de Geloofsbelijdenis van Nicea ontbreken.

Je zou mogen verwachten dat het Deputaatschap zich met zulke kritiek confronteert en argumenten geeft waarom men meent dat deelname aan de Nationale Synode verantwoord is. Dat is, voorzover mij bekend, niet gebeurd. Er is niet alleen kritiek geleverd op de inhoud van het ‘Credo’. Er is ook op gewezen dat de beslissing tot deelname een breuk betekent met de oecumenische opstelling die de GKV tot nu toe hebben gekozen. “Als we bereid zijn met vrijzinnige kerken om de tafel gaan zitten om onze eenheid te betuigen, dan betekent dit een overduidelijke streep door ons vrijgemaakt-gereformeerde verleden”, schrijft prof. J. Douma op zijn website.

Wil het Deputaatschap zich daarmee niet confronteren? Is er opnieuw sprake van een koerswijziging binnen de GKV die ingrijpend is maar zich vooral in stilzwijgen voltrekt? Dat zou wel gemakkelijk zijn: men hoeft zich niet in te spannen om uit te leggen waarom zonder vorm van proces terzijde wordt geschoven wat ooit met principiële argumenten is verdedigd. Bij zulke gewichtige zaken zou een grondige discussie gewenst zijn, en wel daar waar zulke discussies thuishoren, namelijk in kerkelijke vergaderingen.
Het Deputaatschap maakt zich wel erg gemakkelijk van de geleverde kritiek af. De voorzitter, ds. H. Messelink, beperkt zich ertoe op te merken dat er tegenover de kritiek ook enthousiaste reacties staan, die minder in de openbaarheid zijn gekomen. Wordt ook in de kerk het beleid door de vox populi bepaald?

Om eenheid tussen christenen te bereiken – of zelfs af te dwingen – gaan sommigen vrij ver. Dat laat de tweede activiteit zien, het al genoemde symposium van studenten. Het artikel in het Nederlands Dagblad waarnaar ik al verwees, is in veel opzichten onthullend. Het laat zien wat de de studenten(verenigingen) verstaan onder de eenheid die ze nastreven.

De term kerkelijke eenheid is in het artikel opvallend afwezig. De schrijvers beschouwen kerkelijke organisaties dan ook vooral als hinderpalen voor de eenheid tussen christenen. Tegenover het “institutionele van de kerk” stellen ze de netwerksamenleving waarvan studenten deel uitmaken. “Dat er diverse kerkelijke structuren naast elkaar bestaan, zegt niet zoveel, omdat onderling de relaties gewoon aangegaan kunnen worden. De identiteit halen we veel meer uit wat bindt, dan uit de zaken waarin we verschillen.”
Ze laten geen onduidelijkheid bestaan over de basis waarop eenheid moet worden gebouwd. “Naast de netwerksamenleving speelt ook de belevingscultuur een rol. De beleving van de concrete relaties op basis van een gedeeld geloof en ervaren eenheid, is veel belangrijker dan dat alles rationeel theoretisch op orde is. Ofwel, relaties en verbondenheid door gedeelde beleving van het geloof staan meer centraal dan de kerkelijke leer en structuur.”

Zonder enige argumentatie wordt de leer van de kerk bij het grofvuil gezet en ingeruild voor de beleving van de gelovigen. Die maakt uiteindelijk uit wat bij elkaar hoort. De zeer oude kreet “niet de leer, maar de Heer” blijkt ineens verrassend actueel te zijn. De studenten-scribenten zouden die zomaar kunnen onderschrijven. Deze leus en de consequenties die daaruit zijn getrokken hebben in de kerkgeschiedenis een spoor van verwoesting getrokken. De gevolgen zijn in het huidige kerkelijke en maatschappelijke landschap aan te wijzen.

Het is een valse tegenstelling. Want de Heer en de leer hebben alles met elkaar te maken. Leerde Jezus niet tijdens zijn rondwandeling op aarde, tot verbazing en ergernis van zijn toehoorders? En waar lezen we dat Hij het belangrijker vond dat je gelooft dan wat je gelooft? Hij verkondigde niets anders dan wat in de Schriften stond. De leer van Jezus is geen andere dan de leer van de Schrift, de leer van apostelen en profeten. Die leer hebben de Gereformeerde Kerken samengevat en in de drie Formulieren van Eenheid opgeschreven.
Die gereformeerde leer, dat is de leer van de Schrift, moet het ijkpunt voor het streven naar kerkelijke eenheid zijn. Niet een door particulieren samengesteld ‘Credo’, dat geen weergave van de leer van de hele Schrift is en waarin angstvallig wordt verzwegen wat verdeeldheid zou kunnen zaaien. Het gevoel kan al evenmin als ijkpunt gelden. Het menselijk gevoel is een onbetrouwbaar kompas en is veranderlijk als het weer. Gevoel is ook persoonlijk en niet geschikt tot het stichten van gemeenschap.

De organisatoren van de Nationale Synode en de dames en heren studenten streven naar een eenheid boven geloofsverdeeldheid. Met alle onderlinge verschillen trekken ze in wezen aan hetzelfde touw. Natuurlijk maakt het geen goede indruk op ‘de wereld’ wanneer christenen verdeeld zijn. Maar zou een schijn van eenheid tussen christenen, die met dezelfde bijbel in de hand allemaal een andere kant opgaan, wel een goede indruk maken?

In het hogepriesterlijk gebed legt Jezus een verbinding tussen de eensgezindheid van zijn volgelingen en de eensgezindheid tussen Vader en Zoon. Dat betekent: één van zin en één van streven. Met deze Nationale Synode en dit studentikoze activisme komt dit hoge ideaal geen stap dichterbij.