Archief

Posts Tagged ‘Hersteld Hervormde Kerk’

Een schot naast het doel

7 januari 2019 1 reactie

De zogenaamde Nashvilleverklaring, een “gezamenlijke verklaring over Bijbelse seksualiteit”, zoals het op de website wordt samengevat, heeft heel wat stof doen opwaaien. Dat vanuit seculiere kring en door christenen die je als ‘liberaal’ zou kunnen bestempelen, in sterk afkeurende zin werd gereageerd, is uiteraard geen verrassing. Maar ook binnen min of meer ‘orthodoxe’ kring heeft de verklaring tot discussie geleid. Een aantal voorgangers, die benaderd waren om hun handtekening te zetten, hebben dat geweigerd. Twee hoogleraren van de Theologische Universiteit van Apeldoorn (CGK) hebben zich door middel van een artikel van de verklaring gedistantieerd. De kritiek valt in twee categorieën uiteen: sommige christelijke voorgangers hebben kritiek op de inhoud; in tegenstelling tot de ondertekenaars van de verklaring accepteren zij seksuele diversiteit, anders dan alleen die van man en vrouw, als onderdeel van de schepping en zien zij ruimte voor homoseksuele relaties binnen de kerk. Anderen hebben vooral kritiek op de gang van zaken en het gekozen middel, hoewel ook zij soms bedenkingen hebben bij bepaalde elementen van de inhoud.

Ik laat die inhoud op dit moment voor wat ze is. Hier concentreer ik me vooral op de vraag wat de zin en de uitwerking van deze verklaring zijn.

Wat was eigenlijk de concrete aanleiding voor deze verklaring? Er wordt in de inleiding gerept over “een historische overgangssituatie” en er wordt op gewezen dat “de westerse cultuur in toenemende mate postchristelijk is geworden”. Daar valt weinig op af te dingen. Maar vervolgens wordt dit specifiek gerelateerd aan de visie op “het zelfverstaan als mannelijk en vrouwelijk”. Waarom werd dit als voorbeeld van een postchristelijke cultuur gekozen? Dat kan waarschijnlijk niet los gezien worden van de Amerikaanse context, waarin de oorspronkelijke verklaring is ontstaan. In de Verenigde Staten staan de opvattingen vaak scherper tegenover elkaar dan bij ons. Christenen die de Schrift willen volgen, hebben vaak te maken met agressieve tegenstand, die probeert de invloed van christelijke opvattingen zoveel mogelijk in te dammen. Afgezien van de Amerikaanse neiging tot radicaliteit heeft dit ongetwijfeld ook te maken met de nog steeds prominent aanwezige invloed van het christendom in de samenleving. Dat is bij ons anders: wat christenen zeggen en vinden wordt òf niet waargenomen òf als relatief irrelevant genegeerd. Grote conflicten tussen christenen en seculieren, zoals die in de VS soms voorkomen, zijn hier grotendeels afwezig en daarom mag de vraag gesteld worden of er wel enige urgentie bestond om de verklaring in een Nederlandse variant te publiceren. Wij hebben hier christelijke scholen die een grote mate van vrijheid hebben om christelijke normen over te dragen en ook wordt christelijke ouders geen strobreed in de weg gelegd om hun kinderen een christelijke opvoeding te geven, ook ten aanzien van huwelijk en seksualiteit.

Ook onduidelijk is tot wie de verklaring precies gericht is. Wie zijn de geadresseerden? De seculiere samenleving wordt hiermee niet bereikt, want de gebruikte argumenten worden òf niet begrepen òf op voorhand afgewezen, omdat ze ontleend zijn aan de bijbel, die voor seculieren niet relevant en in elk geval niet gezaghebbend is. Dat laatste geldt ook voor ‘liberale’ christenen, voor wie de bijbel hooguit een bron van inspiratie is, maar ook niet meer dan dat. Ook zij zullen door deze verklaring niet overtuigd worden.

In het ‘voorwoord’ wordt uitgesproken dat de verklaring wordt aangeboden “in de hoop dat wij hiermee de kerk van Christus dienen en hiermee openlijk getuigenis afleggen van de goede doeleinden die God heeft met de menselijke seksualiteit en die Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard.” Gezien de argumentatie en woordkeuze richt de verklaring zich vooral op dat deel van de ‘kerk van Christus’ dat de bijbel als het gezaghebbende Woord van God aanvaardt. Wellicht wil men degenen die daartoe behoren een steuntje in de rug geven door hen ervan te verzekeren dat ze er niet alleen voor staan. Maar zou het ook niet de bedoeling kunnen zijn geweest piketpaaltjes te slaan? Wil men het orthodoxe deel van de Nederlandse christenheid ervan overtuigen dat we op dit punt niet moeten gaan schuiven?

Die vrees lijkt me niet ongerechtvaardigd. Ook in kerken die als ‘orthodox’ bekend staan, is toenemende verlegenheid met vooral homoseksualiteit te constateren. Waar nog maar een paar decennia geleden er geen twijfel over bestond dat in de kerk geen ruimte was voor homoseksuele relaties, lijkt er nu een grotere openheid daarvoor te bestaan. Deze verklaring zou bedoeld kunnen zijn om te waarschuwen de weg naar acceptatie van zulke relaties niet in te slaan. Het is echter twijfelachtig of ze daarin zal slagen.

Dat heeft alles te maken met de gekozen methode. De ondertekenaars zijn in overgrote meerderheid voorgangers van kerken en gemeenten; er zijn er ook bij die geen voorganger zijn maar in hun kerkelijke kring – en soms ook daarbuiten – enig gewicht hebben. Maar hoewel bij alle ondertekenaars vermeld staat uit welke kerk of kring ze afkomstig zijn, hebben ze alle op persoonlijke titel getekend. Dat werpt de vraag op wat precies de status van deze verklaring is. Ze is niet kerkelijk ingebed en daarom is het twijfelachtig dat ze tot kerkelijke verklaringen of besluiten zal leiden. Van de PKN is zo’n besluit sowieso niet te verwachten, gezien de principiële verdeeldheid. Bevindelijke kerken als de Gereformeerde Gemeenten en de Hersteld Hervormde Kerk hebben deze verklaring niet nodig om tot eventuele kerkelijke besluiten te komen. Daarmee is deze verklaring niet veel meer dan een hartenkreet of – iets minder vriendelijk geformuleerd – een oprisping, zonder enig concreet gevolg.

Bij de status van de ondertekenaars valt nog wel een kritische kanttekening te plaatsen. De meesten zijn voorgangers en bij de pogingen het aantal ondertekenaars uit te breiden, zouden specifiek voorgangers benaderd worden. Daarmee wordt hun een speciale status toegekend. Maar waarom eigenlijk? In reformatorische kring zouden voorgangers niet de koers van de kerk moeten bepalen. Het is wellicht veelzeggend dat de ondertekenaars vooral afkomstig zijn uit bevindelijke kerken en uit evangelische kring. In beide worden voorgangers nogal eens op een voetstuk gezet en beslissen zij in hoge mate hoe de hazen lopen. Je krijgt uit de lijst van ondertekenaars bijna de indruk dat hier een aantal ‘geestelijke leidslieden’ – mensen die weten hoe het zit – ex cathedra de “schare die de wet niet kent” toespreken. Maar alleen de paus heeft de pretentie ex cathedra te kunnen spreken en daarmee heeft de Reformatie afgerekend. ‘Geestelijke leidslieden’ kent de reformatorische wereld niet. Besluiten over de leer van de kerk en over de ethische consequenties daarvan horen principieel thuis op de tafels van kerkelijke vergaderingen.

Ik wees al op de mogelijkheid dat de ondertekenaars vooral willen waarschuwen tegen een acceptatie van homoseksuele relaties en in het algemeen een ‘liberale’ manier van omgaan met vragen rond gender, zoals dat tegenwoordig genoemd wordt. Die openheid is inderdaad te signaleren in kerken die als ‘orthodox’ bekend staan. En daarmee komen we bij de kern van de zaak, want op de achtergrond speelt de vraag of de bijbel eigenlijk nog wel eenduidig is. Kun je met de Schrift niet verschillende kanten op? Dat is wel een gedachte die in orthodox-christelijke kring veld wint. Het meest duidelijke voorbeeld daarvan is de discussie in vooral de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) over de vraag of ook vrouwen tot de ambten van predikant en ouderling kunnen worden toegelaten. De Generale Synode, die de ambten voor vrouwen openstelde, deed geen dwingende uitspraak – “zo is het en niet anders” – maar presenteerde haar argumentatie als één van de mogelijkheden. De bijbel levert, naar haar mening, geen sluitende argumenten voor één van beide standpunten.

Dit is geen geïsoleerde kwestie. Ook op andere terreinen wordt steeds vaker ervoor gekozen het maar aan gemeenten of zelfs aan individuele gelovigen over te laten, welke conclusies ze aan de boodschap van de Schrift verbinden. Dat leidt onvermijdelijk tot een grotere pluriformiteit in zowel de leer als de ethiek. Daarmee is niet alleen in geding wat we belijden ten aanzien van de kerk, maar ook de manier waarop we de Schrift uitleggen en hoe we aankijken tegen de relevantie van bijbelse geboden en voorschriften.

Een grondige discussie daarover is van het grootste belang. Maar die wordt door deze verklaring niet gediend. Want hier wordt uit een scala van thema’s één bepaalde kwestie uitgelicht. Waarom? Zoals ik hiervoor al schreef is niet duidelijk waarom dit nu juist zoveel urgentie heeft. Maar er zijn meer bezwaren. De concentratie op een onderwerp dat seksualiteit betreft, wekt de suggestie dat het zevende gebod zo ongeveer het belangrijkste van de tien is en dat een zonde tegen dit gebod het ernstigste is van alle. Dat is niet in overeenstemming met wat de Heidelbergse Catechismus daarover zegt. In Zondag 36 wordt de lastering van Gods naam als ‘hoofdzonde’ aangewezen. En dan gaat het niet maar alleen om vloeken, maar in brede zin om het verbinden van Gods naam aan wat niet bij Hem hoort. Dat is door de hele geschiedenis heen nogal eens gebeurd. Wie denkt dan niet aan de kruistochten? En in onze tijd moet gewezen worden op de flirt van sommige christenen met nationalisme, autoritaire leiders en afkeer van vreemdelingen. Ook het welvaartschristendom en de uitbuiting van de schepping door menselijke hebzucht mogen hier niet onvermeld blijven. In dit licht zou men kunnen zeggen dat de ondertekenaars het verkeerde thema hebben uitgekozen.

Die isolatie van één specifiek thema vindt haar oorsprong in het (Amerikaanse) fundamentalisme. Eén van de kenmerken van het fundamentalisme is dat een aantal standpunten als onopgeefbaar worden aangemerkt, zonder dat die deel uitmaken van een groter geheel. Daardoor kan aan de ene kant een christelijke visie op huwelijk en seksualiteit worden verdedigd en kunnen aan de andere kant de uitwassen van de kapitalistische economie en de sociale ongelijkheid over het hoofd worden gezien of zelfs verdedigd. Juist vanuit kerken van de Reformatie zou men daarin niet mee moeten gaan. Het christelijk geloof bestaat niet uit een aantal losse issues, maar is een in de Schrift gefundeerde, samenhangende manier om naar het leven en de samenleving te kijken. Het leven is één.

De ondertekenaars hadden de kerk van Christus een grotere dienst bewezen wanneer ze een bijbels gefundeerde samenhangende visie op de samenleving hadden geformuleerd en waren opgekomen voor het recht deze in de politiek en de samenleving uit te dragen. Ze hadden ook bouwstenen kunnen aandragen voor het hoogstnoodzakelijke debat over de manier waarop de Schrift moet worden uitgelegd en over haar relevantie voor het leven in onze tijd. Die kans hebben ze laten liggen.

Daarmee is deze verklaring een schot naast het doel.

Advertenties

Minder emotie

Nauwelijks waren de golven van emotie over de huisvesting van Benno L. in Leiden tot bedaren gekomen of een nieuwe golf overspoelde de samenleving. Geert Wilders zweepte zijn aanhang op om luidkeels te roepen om vermindering van het aantal Marokkanen in Nederland. Het zal wel niet lang duren voordat een andere gebeurtenis deze overschaduwt en weer een nieuwe emotionele oprisping veroorzaakt.

We zijn er inmiddels al wat aan gewend geraakt. Nederlanders stonden altijd bekend als nogal nuchter en niet snel van hun stuk te brengen. Daarin onderscheidden ze zich van de volken uit meer zuidelijke regionen: Italianen en Spanjaarden golden als nogal heetgebakerd. Er hoefde daar maar iets te gebeuren of de vlam sloeg in de pan. Inmiddels zijn die verschillen tot minieme proporties teruggebracht. Aangenomen dat die verschillen ooit bestaan hebben. Want het is maar helemaal de vraag of emotie zo’n paar decennia geleden en vele eeuwen daarvoor echt zo’n geringe rol speelden. Als gereformeerden herinneren we ons ongetwijfeld – zij het uit de geschiedenisboekjes – de beeldenstorm. Die was niet bepaald een uiting van nuchtere bezonnenheid. En om bij de kerkgeschiedenis te blijven: in de tijd van de Contrareformatie en eeuwen later rond de Afscheiding hebben zich taferelen afgespeeld die in emotionele intensiteit niet onderdoen voor wat tegenwoordig op ons televisiescherm aan ons voorbijtrekt.

Het is ook geen typisch Nederlands verschijnsel dat we meemaken. Toen in 1997 de Britse prinses Diana verongelukte leidde dat in Groot-Brittannië tot emotionele ontladingen die velen voor onmogelijk hadden gehouden. Waar was de beroemde Britse stiff upper lip gebleven? Maar ook dat was gedeeltelijk gezichtsbedrog. De ouderen herinneren zich ongetwijfeld het verzet tegen het bewind van de Conservatieve minister-president Margaret Thatcher: het felle optreden van de Engelse vakbonden onder leiding van de beruchte Arthur Scargill. Het verschil was dat het daarbij vooral om emotionele uitbarstingen ging van wat de Engelsen als de lower classes beschouwden.

In noordelijke landen geldt emotionaliteit in de publieke ruimte als een kenmerk van lager-opgeleiden en minder-verdienenden. Tegenwoordig worden die geassocieerd met partijen als de SP en de PVV. Emotionaliteit is daarmee een kenmerk geworden van het populisme. Dat klopt ten dele wel: argumenten die gebaseerd zijn op feiten en een rationele analyse daarvan vinden in die kringen meestal geen gunstig onthaal. De internetfora van de kranten bewijzen het: een auteur komt op grond van feiten en langs logische weg tot een conclusie die een deel van de lezers niet zint, en de fiolen van toorn worden over hem of haar uitgegoten. Daarbij wordt geheel afgezien van enige inhoudelijke weerlegging van de aangevoerde feiten of de gevolgde redenering.

Maar het verschijnsel is breder. Op alle niveaus is sprake van een emotionalisering van de samenleving en de manier waarop meningsverschillen worden uitgedragen. De oproep om vermindering van het aantal Marokkanen werd gevolgd door een regen aan aanklachten tegen Wilders – vaak geregisseerd – waarbij weinigen zich afvroegen in welke mate dit ertoe zou bijdragen dat hij daadwerkelijk vervolgd zou worden. Die aanklachten functioneerden vooral als uitlaatklep voor de emoties die Wilders met zijn actie had opgeroepen.

Het is gemakkelijk hierover de staf te breken. Maar waar sterke emoties leven is het nuttig dat daaraan uiting kan worden gegeven. In vroeger tijden waren het – in elk geval in Nederland – vaak politieke of maatschappelijke leidslieden die zulke emoties in de achterban van hun ‘zuil’ kanaliseerden en probeerden die concreet te maken in politiek handelen. Maar de zuilen zijn teloor gegaan en hooguit in de links- of rechts-populistische hoek bevinden zich politici die zich de rol van spreekbuis toeëigenen. Alleen de omzetting in een concreet politiek programma dat een kans van slagen heeft wil wat minder lukken.

De emotionalisering van de samenleving heeft veel schaduwkanten. Generalisaties – zoals het over één kam scheren van alle Nederlanders met Marokkaanse wortels – en gemakzuchtige conclusies over oorzaak en gevolg – criminaliteit van Marokkaanse jongeren is een direct uitvloeisel van hun cultuur – worden gretig verspreid en vinden even gretig aftrek. Daardoor wordt de bestrijding van de gesignaleerde – werkelijke of vermeende – problemen niet bevorderd.

Ook in de kerkelijke samenleving spelen emoties een grote rol. Ik wees al op de beeldenstorm. Zover hoeven we niet terug te gaan. Wanneer zich in kerken meningsverschillen voordoen, komen emoties al gauw bovendrijven. Een recent voorbeeld is het proces waaruit de Hersteld Hervormde Kerk is voortgekomen. Medestrijders, vooral binnen de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk, werden verbitterde tegenstanders en bij de discussies over de toekomst van de kerk is menig hard woord gevallen. Oudere leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zal dat niet onbekend voorkomen, want in de jaren ’60, toen de kerkelijke conflicten uiteindelijk leidden tot een splitsing die resulteerde in het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken, stonden broeders vaak lijnrecht tegenover elkaar en werden de meningsverschillen bepaald niet alleen met zakelijke argumenten uitgevochten.

Nu zou men kunnen beweren dat emoties een uiting zijn van een sterke betrokkenheid. Daar zit wat in. Wanneer het om zaken gaat waaraan mensen groot belang hechten, is het niet te verwachten dat men daarmee op een afstandelijke manier omgaat. In die zin is het geen slechte zaak wanneer emotie een rol speelt. Maar het is wel te betreuren dat dit vaak een echte inhoudelijke uitwisseling van meningen, waarbij de deelnemers ook elkaar recht doen en geen karikaturen scheppen, ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. De manier waarop in de politiek en de samenleving wordt omgegaan met wat ik maar kortheidshalve de ‘Marokkanenproblematiek’ noem, is daar een treffend voorbeeld van. De tegenstellingen zijn aangescherpt en de opponenten hebben zich zo diep ingegraven dat elke dialoog onmogelijk is dan wel niet verder komt dan een dialoog tussen doven. Dat kan ook bij kerkelijke conflicten gebeuren.

De ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn daar bepaald niet vrij van. Critici van de richting die deze kerken lijken te zijn ingeslagen, geven op soms emotionele wijze uiting aan hun bezorgdheid. De buitenlandse kerken die voortgekomen zijn uit emigratie naar met name Canada en Australië zijn daarvan een welsprekend voorbeeld. Zij laten er weinig twijfel over bestaan dat een eventueel besluit van de Generale Synode van de GKV, de ambten van predikant en ouderling open te stellen voor vrouwen, een breekpunt is en tot het einde van de zusterkerkrelatie zal leiden. Vertegenwoordigers van de GKV ervaren dat als “oecumene met het mes op tafel”, zoals ds. J.M. van Leeuwen, één van de Deputaten Buitenlandse Kerken, het formuleert (Nederlands Dagblad, 8.4.14). Wanneer betrokkenen de dialoog als zodanig ervaren, wordt een zakelijke – dat wil zeggen: op feiten gebaseerde – analyse van de meningsverschillen niet gemakkelijker.

Vergelijkbare processen spelen zich op het niveau van plaatselijke gemeenten af. Gemeenteleden wenden zich tot hun kerkenraad met brieven waarin zij hun bezwaren tot uitdrukking brengen. Daar wordt in hun beleving op een manier mee omgegaan waaruit onbegrip ten aanzien van de ernst van de bezwaren spreekt of zelfs onwil om die bezwaren serieus te nemen. Het resultaat is soms dat de bezwaarden gefrusteerd afhaken en zich van het gemeentelijk leven isoleren of zelfs de kerk de rug toekeren.

Kan het anders? Vooropgesteld moet worden dat alle ‘partijen’ de oprechte wil moeten hebben elkaar te vinden. Daarmee bedoel ik niet een soort waterig compromis in het midden of aanvaarding van het feit dat we over bepaalde zaken nu eenmaal verschillend denken (Nederlands Dagblad, 9.4.14). Daarmee wordt geen enkel probleem opgelost. Het gaat erom dat alle betrokkenen duidelijk uitspreken dat ze ervan overtuigd zijn dat ze bij elkaar horen en dat ze elkaar niet kwijt willen. Daarmee wordt voorkomen dat de betrokken ‘partijen’ het gevoel krijgen door de andere te worden afgeschreven als ‘nieuwlichters’ die de weg kwijt zijn dan wel als eeuwige criticasters die ‘niet van deze tijd’ zijn.

Het is best te begrijpen dat leden van een kerk emotioneel reageren op (onderdelen van) het beleid van hun kerkenraad of de opvattingen die vanaf de kansel worden verkondigd. Maar het is zelden effectief wanneer die emoties schriftelijk op die kerkenraad of op voorgangers worden afgereageerd. Brieven aan de kerkenraad zouden geen vergaarbak van frustraties moeten zijn. Het is veel nuttiger en uiteindelijk voor de geadresseerde veel onaangenamer en lastiger, wanneer de scribent zich beperkt tot het opsommen van voor iedereen natrekbare feiten en een logisch samenhangende presentatie daarvan.

Het probleem met emoties is dat ze elke discussie doodslaan. Een gevoel kan immers wel goed of fout zijn, maar nooit waar of onwaar. Wat ‘goed’ of ‘fout’ is, hangt uiteindelijk af van het vertrekpunt dat men kiest. Een gevoel kun je niet weerleggen. Juist in de kerk is nuchterheid gevraagd en een zorgvuldige omgang met feiten en argumenten. Alleen op die manier kan de communicatie tussen opponenten openblijven en daarmee de mogelijkheid tot toenadering. En wanneer het daar niet van komt, kunnen alle betrokkenen in elk geval een goed geweten hebben dat ze zich daarvoor hebben ingespannen en dat ze elkaar recht gedaan hebben.

Minder emotie – dat zou een zegen zijn, niet alleen voor de samenleving, maar ook voor de kerk.

Gereformeerd Appèl

In 1992 werd een beweging opgericht die zich Gereformeerd Appèl noemde. Ze bestaat uit leden van drie kleine reformatorische kerken: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Ze doet regelmatig van zich spreken, vooral aan het begin van een nieuw seizoen, in augustus/september, wanneer een openbare bijeenkomst plaatsvindt, waar leden van de diverse kerken het woord voeren. Daar wordt ook gebeden om eenheid, met name van de drie genoemde kerken.

Het streven naar kerkelijke eenheid is een nobel streven. Sterker nog, het is voluit bijbels. Want Christus wil dat allen die in Hem geloven één zijn. Dat komt nergens zo duidelijk en indringend tot uiting als in het zogenaamde ‘hogepriesterlijk gebed’, dat is opgetekend in Johannes 17. “Ik bid niet alleen voor hen [de leerlingen], maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden”. Eenheid van allen die in Christus geloven is dus een belangrijk instrument voor evangelisatie. Dan moet die eenheid wel zichtbaar zijn. De ‘oecumene van het hart’ is dat niet. En evangelisatieactiviteiten waarbij de kerkelijke verdeeldheid onder het tapijt wordt geveegd zijn tot onvruchtbaarheid gedoemd.

Op het streven van het Gereformeerd Appèl is dus niets aan te merken. Integendeel, het verdient krachtige steun. Het is wel belangrijk dat daarbij de juiste toon wordt aangeslagen. Dat lijkt niet altijd het geval te zijn. Ik heb weleens de indruk gekregen dat het Gereformeerd Appèl zich soms gedroeg als een actiegroep die de kerken onder druk wilde zetten om toch vooral haast te maken.
Er is uiteraard niets op tegen wanneer leden van de desbetreffende kerken laten merken hoezeer de kerkelijke verdeeldheid hen aan het hart gaat. Maar daarbij moet vermeden worden dat men zich gaat afzetten tegen wat al gauw als ‘kerkelijke elite’ wordt aangeduid. De suggestie wordt gewekt dat die het proces van kerkelijke eenwording eerder vertraagt dan versnelt. De vergelijking met het politieke populisme, dat ‘het volk’ opzet tegen ‘de elite’, dringt zich bijna onvermijdelijk op.

Op 23 augustus meldde het Reformatorisch Dagblad dat het Gereformeerd Appèl zich wil verbreden. Ook leden van andere kerken zouden hierbij betrokken moeten worden. Klaas van Breugel, voorzitter van de werkgroep van het Gereformeerd Appèl, denkt aan “een brede gebedsbeweging, waarin broeders en zusters hun verdriet en pijn over de verdeeldheid delen, waar de schuld die wij tegenover elkaar en tegenover de Heere hebben belijden, waar wordt gebeden voor leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Welke andere kerken hij op het oog heeft, wordt duidelijk uit een bericht in het Nederlands Dagblad van 24 augustus: gedacht wordt aan de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Bond in de PKN.

Dat roept vragen op.

Van Breugel wil dat de leden van die kerken de pijn en het verdriet over de verdeeldheid delen. Wordt die ook altijd gevoeld? Daar ben ik niet zo zeker van. Er moet schuld beleden worden. Waarover dan? Kerkelijke verdeeldheid kan inderdaad zonde zijn en dan is schuldbelijdenis op haar plaats. Maar is àlle kerkelijke verdeeldheid zonde waarvoor schuld beleden moet worden?

Er is ook verdeeldheid die het gevolg is van principiële verschillen. In de NGK doen zich allerlei ontwikkelingen voor die bij de GKV en de CGK op ernstige bezwaren stuiten. Daarbij kan gedacht worden aan de toelating van de vrouw tot het bijzondere ambt, de visie op homosexualiteit, de hier en daar bestaande praktijk om kinderen tot het avondmaal toe te laten en de vrijheden ten aanzien van kerkverbandelijke regels en afspraken die sommige gemeenten zich permitteren.
Vrijgemaakt-gereformeerden en christelijke gereformeerden nemen daar terecht afstand van. Wanneer daardoor kerkelijke eenheid niet van de grond komt is dat bepaald geen reden voor schuldbelijdenis. Die zou eerder op haar plaats zijn wanneer zulke zaken terwille van de kerkelijke eenheid met de mantel van de liefde zouden worden bedekt.

Het is natuurlijk prachtig samen te bidden om kerkelijke eenheid. Maar daarbij moeten we de zin voor de realiteit niet verliezen. Als we samen met leden van de Gereformeerde Bond bidden om kerkelijke eenheid, waar bidden we dan om? Iedereen onder het dak van de PKN, waar in de praktijk volledige leervrijheid bestaat? Iets anders zit er niet in, aangezien de Gereformeerde Bond herhaaldelijk duidelijk heeft gemaakt dat afscheiding van de PKN geen optie is.
Er lijkt ook weinig reden aan te nemen dat leden van de Gereformeerde Gemeenten warmlopen voor kerkelijke eenheid met GKV, CGK en NGK. Hun geestverwanten binnen de CGK verzetten zich met kracht tegen de ‘kleine oecumene’. Van leden van de Gereformeerde Gemeenten kan nauwelijks een positievere houding verwacht worden. En dan laat ik hier nog de principiële verschillen tussen de Gereformeerde Gemeenten en de drie reformatorische kerken buiten beschouwing.

De verbreding van het Gereformeerd Appèl leidt onvermijdelijk tot verwatering. Dat blijkt ook uit de persberichten. Volgens Van Breugel moet gebeden worden voor “leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Hoe waardevol dat op zich ook is, dat is toch iets anders dan kerkelijke eenheid. In het ND lezen we: “De verbreding is in deze tijd gemakkelijker omdat kerkelijke eenheid niet alleen draait om het samenvoegen van instituten. ‘Het voeren van het geloofsgesprek is belangrijk geworden. Daarom willen wij ons niet langer beperken tot bepaalde kerken.'”

Kerkelijke eenheid is een Schriftuurlijke eis, christelijke samenwerking over kerkgrenzen heen is dat niet. Door voor het laatste te kiezen beperkt het Gereformeerd Appèl zich tot pijnbestrijding, maar laat hij de kwaal onbehandeld. Met Christus’ bede “Laat hen allen één zijn” heeft dat niet veel te maken.

Geloven doe je samen (3)

In het tweede artikel in deze serie werd betoogd dat de kerk als gemeenschap van de heiligen zich in eerste instantie op plaatselijk vlak manifesteert maar daartoe niet beperkt blijft. De kerk is, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat in artikel 27 formuleert, “niet gevestigd in, gebonden aan of beperkt tot een bepaalde plaats”. Daarmee komt dus in de eerste plaats het kerkverband in beeld: een verband van plaatselijke kerken die elkaar als kerk van Christus erkennen en zich daarom iets aan elkaar gelegen willen laten liggen. Ze willen elkaar steunen, van advies dienen en, waar nodig, corrigeren. Maar de kerk van Christus is niet alleen niet aan een plaats gebonden, ze beperkt zich ook niet tot een specifiek land. De kerk manifesteert zich wereldwijd. Dat betekent dat kerken die op hetzelfde fundament staan, ook over nationale grenzen op elkaar betrokken zijn.

Uiteraard heeft het contact tussen kerken in verschillende landen een ander karakter dan dat tussen kerken binnen één – nationaal – kerkverband. In de regel is van meerdere vergaderingen geen sprake. Er worden van tijd tot tijd weliswaar internationale conferenties gehouden, maar die hebben geen formele status en daardoor ook geen enkel gezag. Ze doen dan ook geen uitspraken waaraan nationale kerken gebonden zijn. De reden daarvan is niet zozeer een principiële – er is geen enkele reden waarom kerken zich volgens nationale grenzen zouden moeten organiseren – maar eerder een praktische. De afstanden zijn vaak te groot voor regelmatige bijeenkomsten, verschillen in taal en cultuur spelen een rol en ook de maatschappelijke context is verschillend. Dat betekent dat niet elke kerk zich voor precies dezelfde vragen gesteld ziet.

Desalniettemin zijn er allerlei onderwerpen waarover kerken uit verschillende landen en zelfs continenten heel goed van gedachten kunnen wisselen. Ook al resulteren contacten niet in bindende uitspraken, dat mag er niet toe leiden dat nationale kerken de uitkomsten van overleg zonder meer naast zich neerleggen. Tenslotte staan die kerken op hetzelfde fundament van apostelen en profeten en niet zelden delen ze ook dezelfde belijdenis. Het is daarom goed wanneer – bijvoorbeeld op generale synodes – de afgevaardigden van buitenlandse kerken aan het woord komen. Het is heel goed mogelijk dat ze die gelegenheid benutten enkele kritische noten te kraken over de kerk waarbij ze op bezoek zijn.

Zulke afgevaardigden doen er goed aan zich te realiseren dat ze vanaf een zekere afstand oordelen. Enige terughoudendheid mag dan wel gevraagd worden. Dat geldt dan natuurlijk wel naar twee kanten. Voor de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – om me daartoe nu te beperken – mag het niet plezierig zijn wanneer buitenlandse afgevaardigden zich openlijk afvragen of deze kerken de naam gereformeerd nog wel verdienen, zij zouden ook hun eigen neiging buitenlandse kerken als star en conservatief te brandmerken moeten bedwingen. Juist hier bestaat de neiging kritiek van vertegenwoordigers van bijvoorbeeld de gereformeerde kerken uit Canada en Australië met een schouderophalen naast zich neer te leggen. Dat is onverstandig. Kritiek die op basis van het gemeenschappelijk fundament geleverd wordt, verdient het eerlijk gewogen te worden. Ook bij de besluitvorming op de Generale Synode zou de inbreng vanuit buitenlandse zusterkerken serieus genomen moeten worden.

Als de kerk zich niet tot één land beperkt, dan is het een bijbelse opdracht internationale contacten te onderhouden. Maar een kerk die internationaal zoekt naar kerken waarmee zij op hetzelfde fundament staat, zou haar plicht verzaken wanneer ze niet tegelijkertijd in eigen land zou streven naar contact met geestverwanten, met als doel dat één wordt wat bijeen hoort. Dat is een moeizaam en langdurig proces, zoals de ‘kleine oecumene’ laat zien. De weg naar eenheid ligt bezaaid met voetangels en klemmen. Daartoe behoren cultuurverschillen, klimaat en traditie en niet het minst ook de realiteit van verschillende stromingen binnen kerken van de Reformatie. Daarbij kan gedacht worden aan de Christelijke Gereformeerde Kerken binnen welke sommige kerken zich eerder tot bevindelijke kerkgenootschappen dan tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) aangetrokken voelen. En terwijl binnen de laatstgenoemde kerken niet weinigen van mening zijn dat ook eenheid met de Nederlands Gereformeerde Kerken mogelijk is, laten deze een dermate grote verscheidenheid aan opvattingen en kerkelijke praktijken zien dat die eenheid weleens een wensdroom zou kunnen blijven.

De eenheid tussen kerken van de Reformatie is er niet mee gediend wanneer ze alle hun eigen gang gaan zonder zich van de andere iets aan te trekken. In dit verband moet het betreurd worden dat de Generale Synode van de GKV niet bereid was onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en eventuele vrijgave voor kerkelijk gebruik van de Herziene Statenvertaling. Binnen de CGK is deze vrijgegeven voor kerkelijk gebruik en een grotere openheid van de GKV ten aanzien van het eventuele gebruik van deze vertaling in de eredienst zou het toenaderingsproces tussen beide kerken ten goede zijn gekomen. Het zou ook een middel kunnen zijn om de toenadering tot de Hersteld Hervormde Kerk te stimuleren. Eenheid met dat kerkverband zit er voorlopig niet in, maar contacten met de HHK zouden weleens meer perspectieven kunnen bieden dan die met de NGK.

Geloven doe je samen: dat betekent dat gelovigen zich samen bezinnen op actuele vragen waarvoor ze zich gesteld zien. Dat heeft alleen zin wanneer er een gemeenschappelijk fundament is. Dat geldt zowel voor individuele gelovigen als voor kerken en kerkverbanden. Er mag vanuit gereformeerd perspectief het één en ander aan te merken zijn op de Hersteld Hervormde Kerk – zaken die deze kerk uit haar ‘moederkerk’ heeft meegenomen – maar daarmee heeft ze zich niet gediskwalificeerd als een gesprekspartner bij de bezinning over actuele vragen. Gezien de daar te constateren trouw aan de Schrift en het streven die – ook in zaken van het dagelijks leven – het laatste woord te laten hebben, zouden vanuit deze kerk weleens zinvollere bijdragen aan die bezinning kunnen worden geleverd dan vanuit de Nederlands Gereformeerde Kerken. Net zoals vrijgemaakt-gereformeerden rekening zouden moeten houden met de opvattingen van hun christelijke gereformeerde broeders, zouden de broeders uit de Hersteld Hervormde Kerk eveneens nadrukkelijk in beeld moeten komen, ook in het proces van bezinning en besluitvorming op het niveau van kerkelijke vergaderingen.