Archief

Posts Tagged ‘individualisme’

Tien Geboden voor Twintigers

Is Nederland anno 2016 nog wel een echte samenleving? Het lijkt er steeds minder op. Recent zijn allerlei rapporten verschenen die wijzen op de groeiende kloof tussen vooral hoger en lager opgeleiden en mensen met een hoog inkomen en hen die het met veel minder moeten doen. Er is in toenemende mate sprake van langs elkaar heen leven in plaats van samen leven.

De christelijke kerk is één van de weinige plekken waar mensen met verschillende achtergronden elkaar tegenkomen. Of ze nu veel of weinig opleiding hebben genoten en veel of weinig verdienen, ze vormen samen een gemeenschap. Misschien komen ze elkaar door de week nooit tegen. Maar zondags zitten ze in dezelfde kerk; daar klopt het hart van de gemeenschap van de heiligen.

Dat wil niet zeggen dat alle categorieën mensen die men wellicht kan onderscheiden, daar in gelijke mate vertegenwoordigd zijn. Recent bracht het tijdschrift Onderweg een themanummer uit, gewijd aan de twintigers. In zijn inleiding schrijft hoofdredacteur Ad de Boer dat hem opgevallen was dat in zijn groeiende (NGK-)gemeente deze categorie slecht vertegenwoordigd is. Nu kan zoiets toeval zijn. In mijn gemeente zijn de twintigers ruimschoots vertegenwoordigd maar die bevindt zich dan ook in een studentenstad en studenten behoren meestal tot deze leeftijdsgroep. In het inleidende artikel staat een statistiek van zes – niet nader genoemde – GKV-gemeenten die een ander beeld laat zien. Niettemin komt uit de verschillende artikelen naar voren dat De Boer niet alleen staat in zijn observaties. Twintigers haken vaak af of houden op z’n minst de kerk op een afstand.

Door middel van o.a. een aantal vraaggesprekken wordt de problematiek van allerlei kanten belicht. Een samenvattende analyse ontbreekt. Dat is jammer omdat het beeld dat van de twintigers geschetst wordt, nogal diffuus is. De ene twintiger is de andere niet. Om te beginnen wordt de groep in twee subgroepen opgedeeld die sterk van elkaar verschillen. De eerste omvat ‘jongvolwassenen’ (18 tot 23), de tweede ‘starters’ (vanaf 23). Maar ook binnen die subgroepen zijn de verschillen substantieel. Neem nu de opvattingen over liturgie. Sommigen houden van vrijheid en experimenten, anderen geven de voorkeur aan een prikkelarme dienst die volgens een vrij vast stramien verloopt. Dat is nog niet alles. Want in de borst van menige twintiger huizen twee zielen. De twintiger wordt getypeerd als ‘hyperindividualistisch’. “Het draait bij twintigers vooral om het ik (…). Niet een god, maar zijzelf zijn het centrum van het leven”. Tegelijkertijd zoeken twintigers verbinding. Dat lijkt me zoiets als het zoeken naar een vierkante cirkel.

Maar wellicht is het juist die grote differentiatie die verklaart dat een samenvattende analyse ontbreekt. Twintigers lijken weinig meer met elkaar gemeen te hebben dan dat ze tot dezelfde leeftijdscategorie behoren. Dat reduceert dan ook de waarde van de ‘tien geboden’ voor de omgang met twintigers die aan het eind van het themanummer worden gegeven. Die kunnen in sommige gevallen wellicht van pas komen maar kunnen even zo goed het doel helemaal missen. Zou men hieruit niet de conclusie moeten trekken dat het effectiever is iedere twintiger die problemen heeft met de kerk, individueel te benaderen?

Maar dan moet je wel iets in handen hebben. Een duidelijk principieel kader is wel gewenst om de problematiek te analyseren en op grond daarvan een gedragslijn te ontwikkelen. Helaas ontbreekt zo’n kader in dit themanummer, ook al worden hier en daar kritische noten gekraakt. Het lijkt erop dat de denk- en leefwereld van de twintigers als oriëntatiepunt wordt genomen. Je zou wellicht kunnen spreken van een subcultuur. Tot de kenmerken daarvan behoren dat bidden, bijbellezen en kerkgang niet vanzelfsprekend zijn. Twintigers hechten veel waarde aan duidelijke preken waarin hun handvatten worden aangereikt voor het leven van elke dag. Maar tegelijkertijd wordt het niet op prijs gesteld wanneer een bepaalde opvatting of gedragslijn wordt voorgeschreven. “Iedereen mag zijn eigen geloof, mening en leefstijl hebben”. Ook hier zien we weer de dubbelzinnigheid en het gebrek aan consistentie die kenmerkend zijn voor deze leeftijdsgroep.

Die subcultuur lijkt te worden beschouwd als iets dat onveranderlijk is. Daaraan moet de kerk zich dan kennelijk aanpassen; ze moet naar een manier van kerk-zijn zoeken die daarbij aansluit. Dat wordt ook gesuggereerd door de formulering van het thema op de omslag: “Hoe betrekken we de kerk bij twintigers?” Het getuigt van een nogal defaitistische instelling. Het is waar dat culturen diep geworteld zijn en dat het tijd, energie en veel overredingskunst kost om cultureel bepaalde gewoonten en opvattingen te veranderen. Zendelingen kunnen daarover meepraten. Maar dat is geen reden die cultuur dan maar als een gegeven te aanvaarden. Eén van de kernwaarden van het christelijk geloof is dat de Schrift het eerste en het laatste woord heeft. Culturen en subculturen – of die zich nu tot individuen of groepen beperken dan wel een ‘nationale’ eigenaardigheid zijn – staan onder de kritiek van de Schrift.

Misschien denken de samenstellers van het themanummer in de lijn van de uitspraak van een voormalig minister: als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Maar hij ging dan in elk geval er nog van uit dat er iets is dat moet. Dat is tegenwoordig geen populaire boodschap meer. Er wordt veel nadruk gelegd op de vrijheid waarin christenen mogen leven. Dat is terecht maar misschien niet de meest urgente boodschap voor onze tijd. Vooral veel jongeren interpreteren dit als vrijheid van – vul maar in. Dat het vooral een vrijheid tot is blijft onderbelicht. Goed is wat goed voelt. Als men zich al aan een bepaalde kerk wil binden, moet dat een kerk zijn die bij iemand past. In feite gaat Onderweg daarin mee.

Wanneer een tijdschrift dat kerkelijke opbouw tot doel heeft een analyse geeft van wat kenmerkend is voor twintigers, zou je toch mogen verwachten dat de beschreven denk- en leefwereld ook aan een kritische beschouwing wordt onderworpen. ‘Tien geboden’ voor de omgang met twintigers kunnen heel nuttig zijn. Veel belangrijker is de vraag hoe de kerk omgaat met die elementen van hun subcultuur die zich niet laten verenigen met de manier waarop God gediend wil worden. ‘Hyperindividualisme’ past niet bij iemand die bij Christus wil horen. De hyperindividualist denkt dat hij het centrum van het universum is. Dan moet de kerk zeggen: dat ben jij niet. Het individualisme staat haaks op de mens als beeld van God die immers uit is op relaties met mensen. Hij verzamelt ook geen individuen maar een kerk – een gemeenschap van heiligen. Elke gelovige is verplicht zich daar in te voegen, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt (art 28). Dat geldt voor jongeren niet minder dan voor ouderen.

Het gaat twintigers vooral om de band die je met God hebt, lees ik in Onderweg. Ze hebben gelijk. Maar die band kan niet zonder bijbellezen, bidden en kerkgang. Daarom zijn dat dingen die moeten. God wil een relatie met de gelovigen onderhouden. Dat doet hij via de Schrift, die dan ook regelmatig gelezen wil worden. Wanneer regelmatige lezing van de bijbel niet tot het leefpatroon van twintigers behoort is het de taak van de kerk hen daarin te corrigeren en te stimuleren. Kerkgang is een onopgeefbaar element van het christelijke leven. De schrijver van de brief aan de Hebreeën vermaant zijn lezers dan ook de onderlinge bijeenkomsten niet te verzuimen. Die bijeenkomsten staan in de eeuwenoude traditie van tempel en synagoge. De verkondiging van het evangelie die centraal staat in die bijeenkomsten, wordt wel omschreven als ‘bediening van de verzoening’. Die hebben twintigers even hard nodig als andere generaties. Niels de Jong slaat de plank mis wanneer hij zijn ‘tweede gebod’ (“Gij zult ruimte geven”), zo invult: “Een helder geluid vanaf de kansel is (…) gewenst. Dat betekent niet dat precies voorgeschreven moet worden wat wel en niet mag. En als dat al gebeurt, dan moet er ruimte zijn om er anders over te denken of andere keuzes te maken”. Zolang vanaf de kansel de boodschap van de Schrift klinkt – en niet de persoonlijke mening van de voorganger – mag en moet gezegd worden: “Dit is het woord van God”. En dat is niet vrijblijvend.

Dat het gebed een centrale plaats in het leven van christenen inneemt hoeft geen betoog. Het Nieuwe Testament staat er vol van en het gebed is één van de dingen die Jezus zijn leerlingen – en ons – heeft geleerd. De tweede bede van dat gebed, het Onze Vader, is hier speciaal van belang. Wanneer de Heidelbergse Catechismus het Onze Vader behandelt wordt die bede – Laat Uw koninkrijk komen – zo uitgelegd: “Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen”. Er wordt vaak op gewezen dat het woord islam ‘onderwerping’ betekent en dat wordt als bezwaar tegen deze religie aangevoerd. Maar dat is het probleem niet. Het gaat om de vraag aan wie of wat men zich moet onderwerpen. De Catechismus maakt duidelijk dat menselijke neigingen en verlangens ondergeschikt zijn aan de wil van God die in de Schrift wordt geopenbaard. Die wil komt pregnant naar voren in de Tien Geboden. Die hebben hun tijd niet gehad: nergens in de Schrift worden ze tussen haken geplaatst en als achterhaald aangemerkt. Integendeel: in de Bergrede scherpt Jezus ze aan. De apostel Paulus verwijst herhaaldelijk naar de geboden en past die in de situatie van zijn tijd toe. Er is geen tegenstelling tussen de vrijheid die kenmerkend is voor het christelijke leven en de onderwerping aan wat God in de Tien Geboden vraagt. Dat is juist de echte vrijheid.

Tien geboden voor de omgang van de kerk met twintigers kunnen nuttig zijn. Maar belangrijker zijn de Tien Geboden, door God zelf opgeschreven, door Mozes verkondigd en door Christus geconcretiseerd, voor twintigers en voor iedereen die Hem wil volgen, in leer en leven.

Politiek zonder fundament

Op haar partijcongres van 13 juni j.l. heeft de Christenunie haar grondslag gewijzigd. Dat gebeurde vrij geruisloos, zonder noemenswaardige tegenstand. Weliswaar werd in de aanloop naar het congres enige discussie gevoerd, onder andere door middel van opiniebijdragen in het Nederlands Dagblad, maar uiteindelijk leidde dat niet tot substantieel verzet. Destijds zorgde het voorstel RPF en GPV tot de Christenunie om te vormen voor heel wat meer onenigheid. Wat zegt het dat van grote onenigheid nu geen sprake is?

Wellicht moeten we concluderen dat de wijziging van de grondslag niet echt een fundamentele verandering is, maar in feite de bezegeling van een al bestaande en in de loop van de tijd gegroeide situatie. Hoewel de RPF de gereformeerde belijdenisgeschriften in haar grondslag had staan – zij het dat de binding daaraan losser was dan bij het GPV -, voegden nogal wat evangelische christenen zich bij die partij. Die maakten dan soms wel een voorbehoud ten aanzien van dat element van de grondslag. Door daarvoor ruimte te bieden werd het belang daarvan wel gerelativeerd. Deze RPF-leden zijn bij de vorming van de Christenunie gewoon meegegaan. Sindsdien is hun aandeel groter geworden, vooral ook omdat onder evangelische christenen het politiek bewustzijn is gegroeid.

Het is te begrijpen dat de meeste evangelischen zich niet verbonden voelen met belijdenisgeschriften die uit een andere traditie stammen. Toch kunnen sommigen van hen zich goed vinden in veel dat daarin naar voren wordt gebracht. Er is, voorzover ik weet, nooit een serieuze poging gedaan de belijdenissen uit de grondslag te verwijderen. Dat dit nu wel gebeurd is, heeft vooral te maken met het streven behoudende rooms-katholieken aan de partij te binden. Een aantal van hen stemt weliswaar op de Christenunie, maar ziet in de gereformeerde belijdenissen een reden zich van lidmaatschap te onthouden. Daaruit is het streven ontstaan een grondslag te formuleren die zulke belemmeringen wegneemt zonder dat daarmee het christelijk karakter van de partij verwatert. De vraag mag gesteld worden of dat zoden aan de dijk zet. Want – zoals George Harinck terecht zegt in een interview met het ND (13.6.15) – door de grondslag te veranderen wordt de Christenunie niet gelijk een andere partij. De gereformeerde belijdenis behoort tot haar geboortepapieren en heeft in hoge mate haar karakter gevormd. De gereformeerde belijdenis zit de partij als het ware in de genen. Harinck verwacht, waarschijnlijk terecht, geen grote toeloop van rooms-katholieken.

Moeten we dus het belang van de wijziging van de grondslagformule sterk relativeren en is het allemaal om het even hoe de grondslag is geformuleerd? Dat gaat mijns inziens te ver. Want een grondslag is bedoeld voor het heden en de toekomst. Wat nu nog stevig verankerd zit in degenen die de politieke koers van de partij bepalen en in vertegenwoordigende organen uitdragen, kan na verloop van tijd ook verdwijnen. Het gedachtegoed dat aan de basis ligt van concrete politieke stellingnames moet onderhouden worden. Een wijziging van de grondslag kan op termijn wel degelijk tot een verandering van het karakter van de partij leiden, wanneer jongere generaties, die andere tradities vertegenwoordigen, het stokje overnemen.

In het al genoemde interview snijdt Harinck een interessant punt aan. Hij wijst erop dat het formuleren van een grondslag als zodanig op zijn retour is. “Beginseldenken is uit”, vat hij deze tendens bondig samen. “Het gaat nu vooral om je houding, om de persoonlijke intentie van een christen”. Dat laatste is natuurlijk heel belangrijk; dat was het altijd al, ook in de tijd waarin een beginsel nog wel als een wezenlijk onderdeel van een organisatie werd beschouwd. Maar wanneer het één los komt te staan van het ander wordt het wel problematisch. Want ‘houding’ en ‘intentie’ zijn geen op zichzelf staande grootheden. Die worden ontleend aan een bron. Maar welke dan? En hoe bepalen we welke intentie en welke houding juist zijn? Een christenpoliticus heeft niet per definitie de juiste houding. Daar komt nog iets bij. Wanneer de houding van individuen zozeer in het middelpunt van de aandacht komt te staan en in feite tot ijkpunt wordt verheven, wordt een politieke partij ook heel kwetsbaar. Want ook christenpolitici kunnen een scheve schaats rijden, zowel in hun opvattingen als in hun gedragingen. Hoe sterker het individu in de schijnwerpers komt te staan, hoe groter het (negatieve) effect zal zijn wanneer dat individu van de rails raakt. Daarmee wordt de partij – en de christelijke politiek in het algemeen – nog sterker in diskrediet gebracht dan anders het geval zou zijn.

Harinck brengt één en ander in verband met het toegenomen individualisme. Dat lijkt me een ter zake doende observatie. Een grondslagformule perkt de individuele vrijheid in de meningsvorming in. Daar hebben mensen van nu problemen mee. Ieder wil zijn eigen mening vormen en zich daarbij niet conformeren aan wat als ‘groepsnorm’ wordt ervaren. Die ontwikkeling gaat aan de christelijke wereld niet voorbij. Ieder die enigszins thuis is op het kerkelijke erf zal het herkennen. Ook in reformatorische kerken waarin de gereformeerde belijdenissen op papier hoog gehouden worden blijken die in de praktijk nogal eens hooguit in de marge te functioneren. Kerkleden die minder regelmatig kerkdiensten bezoeken, beweren dat hun geloof daardoor niet is verzwakt. Maar dat geloof zou er wel eens één van de heel individuele soort kunnen zijn, dat zich niet laat corrigeren door de kerkelijke gemeenschap, laat staan door zoiets als een belijdenis.

Nu heeft de Christenunie geen afscheid genomen van elke grondslagformule. In plaats van de gereformeerde belijdenisgeschriften is de Geloofsbelijdenis van Nicea als grondslag aanvaard. Daarmee wil ze waarborgen dat de partij in elk geval trouw blijft aan Schriftuurlijke uitgangspunten. Dat lijkt me te optimistisch. De gereformeerde belijdenissen – samengevat als Drie Formulieren van Eenheid – zijn niet voor niets ontstaan. De kerkgeschiedenis leert dat op allerlei onderdelen nadere toespitsing noodzakelijk was, bijvoorbeeld ten aanzien van de kerk, de sacramenten en de manier waarop de Schrift moet worden gelezen. Dat laatste lijkt me voor een christelijke politieke partij van groot belang. Het is veelzeggend dat juist daarover in christelijke kring recent de degens worden gekruist. Eén van de principes van de reformatorische omgang met de Schrift, bekend als sola scriptura, wordt bekritiseerd en door sommigen als ondeugdelijk bij het grofvuil gezet. Wanneer ook de consensus ten aanzien daarvan teloor gaat, wordt het fundament van de kerk wel erg wankel. Tegen het voortschrijdende individualisme helpt de Geloofsbelijdenis van Nicea niet.

Moet een christelijke politieke partij daarin meegaan of zou ze zich daartegen juist moeten wapenen? Dat laatste klinkt aantrekkelijk en wie het individualisme in geloofszaken afwijst, zal wellicht die vraag bevestigend beantwoorden. Maar is dat wel de taak van een partij? En ligt dat wel binnen haar mogelijkheden? Een politieke of maatschappelijke organisatie kan niet verder springen dan haar polsstok lang is. En de lengte van de polsstok wordt bepaald door de kerken en gemeenschappen waaruit zij haar leden betrekt.

Ik heb al eerder in één van mijn weblogs opgemerkt dat de problemen waarmee zulke organisaties geconfronteerd worden hun oorsprong vinden in de kerk. Daar grijpt het individualisme om zich heen en neemt de pluriformiteit in de leer toe. Als gevolg daarvan gaan ook de ethische opvattingen steeds verder uiteen lopen. Wanneer de gereformeerde belijdenissen in kerken gemarginaliseerd worden, is het niet realistisch te verwachten dat ze in een christelijke politieke partij een substantiële rol spelen. Wie de terzijdestelling van de gereformeerde belijdenisgeschriften als grondslag van de Christenunie betreurt – en daar lijkt me alle reden toe – moet niet in de eerste plaats naar de partij wijzen, maar naar de kerken en gemeenschappen waaruit ze haar leden betrekt. In kringen van de Christenunie distantieert men zich van het CDA en wordt onderstreept dat de grondslagwijziging er niet toe zal leiden dat de partij op het CDA zal gaan lijken. Of dat waar is, zal de tijd leren. Maar men dient zich wel te realiseren dat de ontwikkeling van het CDA zijn oorsprong vond in de kerken.

Wanneer daar het fundament aan erosie onderhevig raakt, hoeft men zich over de ontwikkeling naar een christelijke politiek zonder hecht fundament niet te verbazen.

De doop onder vuur

12 november 2010 1 reactie

Eén van de meest significante verschillen tussen kerken van gereformeerde signatuur en zogenaamde ‘evangelische’ gemeenten is de kinderdoop. Gereformeerden en evangelischen mogen elkaar op allerlei punten waarderen en in allerlei zaken dezelfde lijnen trekken, hierover zijn en blijven ze het fundamenteel oneens. Maar ook binnen de kerken van de Reformatie is het altijd een strijdpunt geweest. Er zijn altijd mensen geweest die moeite hadden met de kinderdoop. Daarom hoeft het niet te verbazen dat volgens het Nederlands Dagblad van 12 november binnen die kerken sommige ouders hun kinderen niet laten dopen. Met dat soort situaties wordt verschillend omgegaan, zo blijkt uit het artikel.

In sommige gevallen is hier evident sprake van invloed van het evangelische denken. Daarnaast ziet ds. Hans Schaeffer, predikant van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt van Wageningen, nog een ander motief: het willen beleven van rituelen, zoals de sacramenten doop en avondmaal. Hij omschrijft dat zo: “Dopen hoort bij gelóven. Daar zit een subjectieve kant aan. En dat vraagt om een uiterlijk ritueel”. Het is zinvol onderscheid te maken tussen een principiële keuze voor de volwassendoop en de moeite met de kinderdoop vanuit het verlangen naar beleving. Maar tegelijk moet vastgesteld worden dat het tweede motief evenzeer als het eerste door de evangelische beweging gevoed wordt. De persoon van de gelovige en zijn beleving zijn daarin van groot en niet zelden doorslaggevend gewicht.

De gereformeerde belijdenis is volstrekt duidelijk als het om de kinderdoop gaat. De kinderen van de gelovigen behoren gedoopt te zijn, volgens het doopsformulier dat in reformatorische kerken gebruikt wordt. Zo wordt kort en bondig samengevat wat de belijdenis op grond van de Schrift over de doop aan kinderen van gelovige ouders leert. Op dit punt kan de kerk geen compromis sluiten. Dat moet ook tot uiting komen in de manier waarop ze ouders tegemoet treedt die weigeren hun kind te laten dopen.

Zoals te verwachten is loopt de praktijk op dat punt binnen de gereformeerde wereld nogal uiteen. In het artikel komt een geval ter sprake van ouders in een hervormde gemeente. Hun eerste kind werd gezegend in een huisbijeenkomst waarbij de predikant aanwezig was. Hun tweede willen ze in het midden van de gemeente laten zegenen, maar voor de kerkenraad is een huissamenkomst het hoogst haalbare. Ds. René de Reuver (PKN) komt aan het woord. Hij schreef een proefschrift over het omgaan met kerkelijke diversiteit. Hij kiest zelf voor de kinderdoop, maar zegt tegelijkertijd dat doop en geloof bij elkaar horen, “meer nog dan doop en verbond”. Hij vindt onenigheid over het tijdstip van de doop “een beetje overdreven. Het beslissende is dat je gedoopt bent of wordt”.

Met de hier beschreven handelswijzen wordt de zaak van de kinderdoop niet echt een dienst bewezen. Formeel wordt de belijdenis van de kerk ten aanzien van de doop gehandhaafd, maar in de praktijk in feite uitgehold. Dat is evenzeer het geval wanneer in nieuw gestichte gemeenten de kinderdoop tussen haken wordt geplaatst. Als voorbeeld van een ‘kerkplantingsproject’ waar de kinderdoop wordt aangemerkt als een onderwerp waarover verschillend mag worden gedacht, wordt ‘Hoop voor Noord’ in Amsterdam genoemd, dat uitgaat van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Naast ‘dopen’ staan ook onderwerpen als het duizendjarig rijk, de visie op Israel en het Joodse volk en de gaven van de Geest op de lijst van zaken waarover men verschillend mag denken, “maar elkaar niet op veroordeelt”. De vraag is: waar blijft hier de belijdenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken? Hoe geloofwaardig is een kerk die bereid is een deel van haar identiteitspapieren thuis te laten wanneer ze een nieuwe gemeente sticht?

Het is begrijpelijk dat een nieuw geplante kerk een eigen aanpak vraagt. Het valt niet te verwachten dat iedereen die zich bij zo’n gemeente aansluit, zich direct volledig kan vinden in de leer van die kerk. Dat vraagt geduld en verdraagzaamheid. In die zin is de situatie in een kerkplantingsgemeente te vergelijken met die in zendingsgebieden. Het kost soms vele jaren van onderwijs voordat de leer van de Schrift, zoals die door de kerk wordt beleden, ook echt wortel schiet. Dat onderwijs moet dan wel volhardend gegeven worden. Maar wat mag op dat punt verwacht worden, wanneer de aan het genoemde project verbonden gemeentestichter beweert dat “van de doop toch echt een te groot issue gemaakt” is? Dan is verschil van mening over de kinderdoop geen tijdelijk probleem meer dat moet worden overwonnen, maar een aanvaard verschijnsel.

Hetzelfde probleem doet zich voor in het vrijgemaakt-gereformeerde project ‘Stroom’, eveneens in Amsterdam. Daar heeft men – na discussie binnen het kerkverband – besloten alle kinderen te zegenen en daarnaast degenen die gedoopt worden “het complete ritueel” te laten ondergaan. “Voor deze lijn is gekozen om te voorkomen dat het zegenen in praktijk als alternatief voor de doop gaat gelden”. Deze optie lijkt beter dan wat bij ‘Hoop voor Noord’ wordt gepractiseerd. Maar dat is weinig meer dan schijn. De zegening is hier regel, de doop uitzondering. Op deze manier wordt de kinderdoop gereduceerd tot een spécialité de la maison voor wie daarop prijs stelt. Een Schriftuurlijke basis ontbreekt daarvoor geheel, evenals voor de praktijk van het zegenen van pasgeboren kinderen. Kerkelijke afspraken daarover bestaan ook niet. Hoe je het ook wendt of keert, ook hier wordt de kinderdoop als wezenlijk element van de leer van de Schrift ondermijnd.

Hoe moet gehandeld worden met gemeenteleden die hun kinderen niet willen laten dopen? Dit is niet de plaats hierop een gedetailleerd antwoord te geven. Dat is de verantwoordelijkheid van een kerkenraad die alle achtergronden en specifieke omstandigheden moet meewegen. Het is opvallend dat zelfs de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken van 1914 niet uitspreekt dat censuur toegepast moet worden. In het Nederlands Dagblad wordt naar een besluit van die synode verwezen. Daarin staat dat een gereformeerde die de kinderdoop afwijst, “dwaalt te goeder trouw”. Dat vraagt tolerantie, maar wel onder voorwaarden: het desbetreffende gemeentelid moet bereid zijn zich te laten onderwijzen en hij mag geen propaganda maken voor zijn opvattingen. Ook de verkiezing tot een kerkelijk ambt is onmogelijk. Ik denk dat hier – in het algemeen gesproken – een goede lijn is uitgezet. De belijdenis van de kinderdoop wordt ten volle gehandhaafd en wie daarmee moeite heeft, dient zich te laten onderwijzen. Daarmee wordt elke suggestie dat de kinderdoop facultatief of slechts één van de mogelijkheden is, de pas afgesneden.

Een dergelijke situatie zorgt overigens wel voor allerlei praktische problemen. Er zijn kinderen in de gemeente die niet gedoopt zijn. Horen die erbij? Hoe ga je daarmee om? En welke gevolgen heeft dat voor het catechetisch onderwijs? De verplichting zijn kinderen naar de catechisatie te sturen berust op de doopbelofte. Maar wanneer ouders die belofte niet hebben afgelegd, kan van zo’n verplichting geen sprake zijn.

Er is niet veel fantasie voor nodig om te voorspellen dat gereformeerde kerken in de komende jaren vaker geconfronteerd zullen worden met kerkleden die het recht opeisen over allerlei zaken er hun eigen opvattingen op na te houden. Dat heeft niet alleen te maken met invloeden van andere kerken en stromingen. Het is ook de uitdrukking van de cultuur waarin we leven.

Enerzijds is die cultuur een gevoelscultuur, waarin de eigen beleving wordt verheven tot maatstaf voor wat wel en niet waar is en wat wel en niet aanvaardbaar is. Dat raakt niet alleen de kinderdoop, maar het wezen van de kerk. De vraag is: wie heeft het eerste en het laatste woord? Het antwoord op die vraag onderscheidt niet alleen de kerk van de wereld, maar brengt in toenemende mate ook scheiding binnen de kerk.

De cultuur van nu is ook die van het individualisme. Dat beïnvloedt de kerk in die zin dat individuele kerkleden hun eigen opvattingen niet ondergeschikt willen maken aan wat de kerk als haar belijdenis heeft geformuleerd. Het is toe te juichen wanneer gelovigen nadenken over de leer van de kerk en die steeds kritisch tegen het licht houden. Maar dat moet dan wel het licht van de Schrift zijn. Dat moet ook bij voorkeur gebeuren binnen de context van de gemeente. In Handelingen 17 wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Let wel, ze deden dat samen. De leer van de kerk wordt niet door individuele gelovigen vastgesteld, maar in gemeenschap met gelovigen van alle tijden en plaatsen.

De kerk zal een antwoord moeten vinden op de verbreiding van een cultuur van gevoel en individualisme. Dat moet een Schriftuurlijk antwoord zijn. Een compromis met die cultuur is dat niet. De Schrift laat er geen misverstand over bestaan dat het criterium voor de waarheid niet in het gevoel maar in Gods openbaring ligt. En ze is ook duidelijk over het feit dat die waarheid niet aan individuele mensen maar aan de gemeente is toevertrouwd.

Een ander antwoord op de cultuur is er niet.