Archief

Posts Tagged ‘Islam’

Feesten zonder franje

11 april 2016 1 reactie

Hebt u ook zo genoten van uw vrije tweede Paasdag? Het zou best eens één van de laatste geweest kunnen zijn. Tenminste, als we Roelof Bisschop, Tweede-Kamerlid van de SGP, moeten geloven. Hij suggereerde het einde van de tweede christelijke feestdagen, toen hem om een reactie werd gevraagd op het besluit van minister Plasterk de zondagswet in te trekken. Op zichzelf heeft het één niets met het ander te maken. Maar Bisschop plaatste de intrekking van de zondagswet in een breder kader. Hij ziet het als onderdeel van het streven van de inmiddels seculiere meerderheid in de politiek de samenleving te ontdoen van alles wat aan haar christelijke wortels herinnert. Daarin staat hij niet alleen zoals blijkt uit enkele interviews van Gert-Jan Segers, politiek leider van de Christenunie. Frank van den Heuvel, lid van het CDA, schreef een artikel in Trouw waarin hij stelt dat liberalen alles wat naar religie riekt, willen uitbannen. Dat ze op z’n minst een gevoelige snaar raken blijkt wel uit de nogal gepikeerde reacties van vertegenwoordigers van VVD en D66.

De vrees van Bisschop lijkt me niet erg realistisch. De meeste Nederlanders hechten zeer aan hun vrije dag op tweede Paasdag en tweede Pinksterdag. Zelfs de VVD, voor wie de economie altijd op de eerste plaats komt, heeft zich er tot nu toe niet aan gewaagd deze vrije dagen ter discussie te stellen. Dat valt ook daaruit te verklaren dat die vrije dagen bepaalde sectoren van de economie veel opleveren, niet alleen de toeristenindustrie maar ook meubelboulevards en tuincentra, om maar eens wat te noemen.

Maar als die vrije dagen zouden vervallen, zou dat nu een reden voor treurnis zijn? En zouden christenen daartegen in het geweer moeten komen? In het Nieuwe Testament kunnen we geen aanwijzingen vinden dat aan de heilsfeiten bijzondere aandacht werd besteed. Daaruit valt ook te verklaren dat Calvijn een verklaard tegenstander van een aparte viering van Kerst was. Er zijn allerlei historische en religieuze oorzaken aan te wijzen waardoor in ons land Kerst, Pasen en Pinksteren en daarnaast nog enkele dagen, zoals Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag, op de kalender van de vrije dagen terecht kwamen en dat voor de drie eerstgenoemden meer dan één dag werd gereserveerd. Tot 1773 kenden we in Nederland, net als in het protestantse deel van Duitsland, zelfs drie Kerstdagen. Uiteindelijk werd in de Zondagswet van 1815 officieel vastgelegd welke dagen als vrije dagen golden*. Als aparte feestdagen voor de heilsfeiten al niet geworteld zijn in de Schrift, dan de tweede feestdagen al helemaal niet. Er is dus geen enkele reden al te dramatisch te doen over de eventuele afschaffing van deze dagen als vrije dagen. De eerste feestdagen zijn niet in gevaar. Omdat Pasen en Pinksteren op zondag vallen, heeft het overheidsbeleid daarop geen invloed. Kerst is de uitzondering, maar dat feest heeft zo’n status dat aantasting daarvan bijna als heiligschennis zal worden gezien.

Er is wel een andere tendens voorstelbaar: dat Pasen en Pinksteren uit het publieke bewustzijn gaan verdwijnen. In de Verenigde Staten zijn verwijzingen naar Kerst al lang een flink strijdpunt. Strijdbare seculieren zijn van mening dat zulke verwijzingen – bijvoorbeeld door het plaatsen van een kerstboom op publieke plaatsen of in openbare gebouwen en vooral de benaming Christmas tree – in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat. Sommige fundamentalistische christenen betreuren het wanneer traditionele verwijzingen naar Kerst, bijvoorbeeld in de reclame, gaan verdwijnen. Dat beschouwen ze als knieval voor diegenen die alles wat naar het christelijk geloof verwijst, uit de openbare samenleving willen verbannen.

Vergelijkbare conflicten kennen we bij ons niet. Zou dat ook daarmee te maken kunnen hebben dat – zoals ook uit het recente rapport God in Nederland blijkt – christenen in Nederland een slinkende minderheid zijn? Daarmee zijn verwijzingen naar christelijke feesten onschuldig en leiden ze niet tot noemenswaardige opwinding, zelfs niet bij de meest ideologisch gedreven seculieren. Het is de vraag of dat een goed teken is.

In zekere zin maken we bij ons het omgekeerde mee. In de aanloop naar Pasen kwam de Hema met een reclamefolder die repte over ‘verstopeieren’ en ‘voorjaarsfeest’. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de Hema niet langer naar Pasen wilde verwijzen. Dat werd direct uitgelegd als een knieval voor de islam. In de sociale media – de moderne variant van het aloude volksgericht – werd de Hema over de knie gelegd. Daarbij verdwenen – één van de kenmerken van sociale media – de nuances uit het zicht, zoals het feit dat elders in de gewraakte folder wel degelijk naar Pasen werd verwezen, door middel van de paashaas en paaseieren.

Uitgerekend Halbe Zijlstra van de VVD meende de Hema hierover te moeten kapittelen. Je zou juist van hem enig begrip mogen verwachten voor een bedrijf dat zijn reclame aanpast aan de maatschappelijke ontwikkelingen en probeert op die manier de verkoop te bevorderen en de winst te vergroten. Zijn reactie is een voorbeeld van het overspannen klimaat ten aanzien van de islam en zijn positie in de Nederlandse samenleving. Het zegt ook iets over de angst van de VVD voor de concurrentie van de PVV die zich uiteraard niet onbetuigd liet bij de openbare terechtstelling van het winkelbedrijf.

Nog verbazingwekkender is dat ze bijval kregen uit christelijke kring. Van die kant zou je iets meer nuance en een groter respect voor de feiten mogen verwachten dan van de PVV, die zich specialiseert in fact free politics. Maar het is vooral verbazingwekkend omdat men kritiek heeft op een mogelijke ontwikkeling, die men eerder zou moeten toejuichen. Want partijen als VVD en PVV geven er zelden of nooit blijk van dat ze enige interesse hebben in of waarde hechten aan de echte betekenis van de christelijke feesten. Ze beschouwen die als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Die voorzien ze van het etiket ‘joods-christelijk’, vooral in het kader van de strijd tegen de zogenaamde ‘islamisering’. De wens de christelijke feesten te handhaven is dus vooral een stok om de islamitische hond te slaan.

Al eeuwenlang maken de christelijke feestdagen deel uit van de ‘nationale kalender’. Dat was geen probleem zolang die kalender sterk door het christelijk geloof gestempeld werd. Inmiddels is de kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen goeddeels verdwenen. Dat komt ook tot uiting in de verwijzingen naar die feesten. De verwijzingen naar Pasen bestaan vooral uit paaseieren en de paashaas. En in de Kersttijd maakt steeds vaker de Kerstman zijn opwachting en wordt het geven van cadeautjes een steeds gangbaarder verschijnsel. Vanuit christelijk perspectief is dat niet iets om blij mee te zijn. De Kerstman en cadeautjes hebben niets met de geboorte van Christus te maken en de paashaas en paaseieren niets met zijn opstanding. Wanneer de Hema dit soort trivialiteiten uit haar reclameuitingen zou verbannen, zouden christenen het bedrijf daarmee moeten complimenteren. Kerstmannen, paaseieren en paashazen roepen vooral gêne op en leiden af van waar het echt over gaat.

Nu zou men kunnen beweren dat verwijzingen naar de christelijke feesten – hoe vervormd en overwoekerd door irrelevante onzin ook – een verbinding leggen tussen de christelijke minderheid en de seculiere meerderheid. Zou het feit dat Kerst en Pasen zich op allerlei manieren in de samenleving manifesteren – van een mediaspektakel als The Passion tot het kerstliedjesgekweel van draaiorgels tussen Sinterklaas en Kerst – geen aanknopingspunten kunnen bieden om ‘de wereld’ met de heilsfeiten en hun betekenis te confronteren? Het schijnt dat The Passion leidde tot een sterke toename van zoekopdrachten in Google naar het verhaal van Goede Vrijdag en Pasen. Maar wijst dat op echte belangstelling of is dat alleen maar nieuwsgierigheid naar iets dat even in het nieuws is? Te vrezen valt dat verreweg het meeste zaad in onvruchtbare aarde of op de stenen valt. De passietijd leidt ook, vooral in Nederland, tot een hausse aan uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion. Maar het is zeer twijfelachtig of dat resulteert in enig besef van de betekenis van wat daarin wordt beschreven. Een recente radiouitvoering van Bachs passie werd beloond met een ovationeel applaus. Dat wijst erop dat de luisteraars de ernst van het verhaal niet tot zich hebben laten doordringen en al helemaal niet in verband brachten met hun eigen leven. Ingetogen bijval of – beter nog – een bedremmeld zwijgen zouden meer op hun plaats geweest zijn.

Christenen hebben geen enkele reden treurzangen aan te heffen wanneer de christelijke feestdagen uit het publieke bewustzijn verdwijnen. Hoe minder reclamefolders naar Kerst en Pasen verwijzen hoe beter. Kerstmannen en paashazen onttrekken de echte betekenis van die feesten aan het zicht. Waar de franje verdwijnt kan die weer aan het licht komen.

(*) Informatie hier over vindt men in een artikel op de site van het Meertens Instituut.

Advertenties

Vluchtelingen als spiegel van de ziel

De vluchtelingenstromen die door Europa zwerven en ook ons land bereiken hebben heel wat overhoop gehaald. Ze hebben het beste in de samenleving naar boven gehaald: veel mensen hebben zich als vrijwilliger aangemeld om te helpen bij de opvang van vluchtelingen. Ze hebben ook het slechtste naar boven gehaald, dingen waarvan sommigen wellicht dachten dat die alleen in minder ontwikkelde samenlevingen voorkwamen. Daarmee is de vluchtelingencrisis ook een spiegel van de Nederlandse ziel. Het beeld dat die spiegel laat zien geeft weinig reden tot vreugde.

Volgens tegenstanders van immigratie, vooral die vanuit islamitische landen, is onze Westerse beschaving superieur aan de beschaving die immigranten uit hun geboorteland meenemen. Daar was de afgelopen maanden niet veel van te merken. De diverse bijeenkomsten in gemeenten waar de vestiging van een asielzoekerscentrum werd overwogen, leverden bepaald geen overtuigende argumenten om die bewering te ondersteunen. De Westerse beschaving bleek niet meer te zijn dan een dun laagje vernis. Er is niet veel voor nodig om die te laten afbladderen. We hebben het in Steenbergen voor onze ogen zien gebeuren.

Die beschaving wordt dan ook nog eens het etiket ‘joods-christelijk’ opgeplakt. Dat is nog minder geloofwaardig, want zoveel ‘joods-christelijks’ is er aan de Nederlandse cultuur anno 2015 niet meer te ontdekken. En degenen die het als hun taak beschouwen die cultuur te verdedigen tegen het gevaar van de ‘islamisering’ geven er blijk van het wezen van die joods-christelijke cultuur niet te begrijpen. Als hun gevraagd wordt wat nu typisch is voor die cultuur kiezen ze met feilloze zekerheid datgene uit waarvoor in het christelijke denken geen aanknopingspunten zijn te vinden. Ze kijken rond in de winkel van christelijke waarden en nemen mee wat van hun gading is. Barmhartigheid en gastvrijheid blijven in de schappen liggen.

Het conflict over het vluchtelingenvraagstuk legt maatschappelijke tegenstellingen bloot. Die lopen niet in de eerste plaats langs ideologische lijnen maar langs die van opleiding en inkomen. Degenen die in het bezit zijn van een goede opleiding en kunnen genieten van een daarmee overeenkomend inkomen worden omschreven als ‘kosmopolitisch’ en staan open voor veranderingen. Dat kunnen ze zich ook permitteren. Ze staan goed voorgesorteerd en komen daardoor zonder al te veel kleerscheuren door een crisis heen, zoals we die de afgelopen jaren hebben meegemaakt. Wanneer de economie weer wat begint op te leven, openen zich nieuwe perspectieven. Voor degenen die het met minder opleiding en inkomen moeten doen, ziet de wereld er iets anders uit. Ze hebben het tijdens de recente crisis zwaar te verduren gehad en de gevolgen van bezuinigingen aan den lijve ondervonden. Ook bij economisch herstel is er voor hen weinig perspectief, mede gezien de toenemende robotisering en automatisering die te verwachten zijn. Perspectieven op een vaste baan zijn mager en sommigen wachten al jaren op betaalbare woonruimte. Geen wonder dat ze risicomijdend gedrag vertonen en graag blijven bij wat bekend en vertrouwd is.

De problemen waarmee ze geconfronteerd worden, hebben niets uitstaande met de komst van vluchtelingen. Maar hun aanwezigheid en vooral de recente toevloed worden aangegrepen als verklaring waarom hun leven er anders uitziet dan ze graag zouden willen. Sommige politici zijn maar al te graag bereid hen in deze houding te stijven en die te gebruiken ten bate van hun eigen nationalistische agenda. Daar hebben ze ook succes mee. Wie dacht dat de tijd van nationalisme en overdreven patriottisme achter ons lag, heeft zich vergist. In het laatste decennium van de vorige eeuw was een kreet als ‘eigen volk eerst’ maatschappelijk niet aanvaardbaar, maar inmiddels is die een vast onderdeel van het publieke debat.

Dat het nationalisme weer de kop opsteekt is niet verwonderlijk. Sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw is de samenleving steeds individualistischer geworden en de zegeningen daarvan zijn van links tot rechts uitgebazuind. Naarmate het individualisme voortschreed is de gemeenschapszin aan erosie onderhevig geraakt. Juist diegenen die zich niet zo goed op eigen kracht kunnen redden, hebben behoefte aan een bepaalde vorm van gemeenschap, aan verbinding. Die werd vroeger gevonden in de kerk of in ideologisch gekleurde gemeenschappen, zoals de ‘rode familie’. Maar door de ontkerkelijking, ontzuiling en ontideologisering zijn die gemeenschappen als ‘bezielende verbanden’ weggevallen. Wat blijft er dan als alternatief over? Voor een groeiend aantal Nederlanders is dat: het (eigen) volk. Mensen zoeken de verbinding met wie op hen lijken – soort zoekt soort. Dat verklaart dat in toenemende mate gesproken wordt over de wil van ‘het volk’, die door de meeste politici genegeerd zou worden. Met nationalisme is altijd de mythe verbonden dat het volk meer is dan slechts een verzameling van mensen met dezelfde nationaliteit: dat het ook gekenmerkt wordt door een bepaalde identiteit, die zich uit in een scala van waarden en opvattingen. Het nationalisme legt niet alleen verbinding, het sluit ook uit: de ‘multiculturele samenleving’ wordt met wantrouwen bejegend of zelfs onomwonden afgewezen.

Het lijkt erop alsof de bovenbeschreven tendenzen aan de christelijke wereld voorbijgaan. Christenen spelen een niet onbelangrijke rol in de opvang van vluchtelingen en kerken zetten zich voor vluchtelingen in. Maar dat is maar een deel van de werkelijkheid. Er zijn ook kritische of zelfs negatieve geluiden te vernemen, vooral op de internetfora van christelijke nieuws- en opiniesites. Onverhuld nationalisme komt men daar niet zoveel tegen. Onder christenen speelt vooral het religieuze element een belangrijke rol. Het is met name de angst voor of afkeer van de islam en van moslims die de toon zetten. De suggestie van Geert Wilders dat Nederland bezig is te ‘islamiseren’ kan daar op nogal wat bijval rekenen. Dat wordt soms wat anders verpakt: met de vluchtelingen haalt Nederland ook de islam en daarmee een valse godsdienst binnen.

Je zou bijna denken dat er zich nogal wat SGP’ers ‘oude stijl’ op internetfora manifesteren. De SGP houdt nog altijd het ‘onverkorte’ artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in ere, dat de overheid opdraagt de ware godsdienst te bevorderen en de valse te weren. Dat heeft haar altijd veel kritiek opgeleverd, niet alleen uit seculiere hoek, maar ook in christelijke kring. Maar terwijl de SGP in de praktijk dit principe tussen haken heeft gezet en de nadruk legt op het belang van gewetens- en godsdienstvrijheid, wordt nu door tegenstanders van de komst van vluchtelingen gesuggereerd dat Nederland de grenzen moet sluiten om de toestroom van moslims te stuiten of op zijn minst op godsdienst zou moeten selecteren aan de poort. Wie die opvatting verkondigt neemt een loopje met de grondwet waarin godsdienstvrijheid is verankerd en kan dan niet meer van immigranten verlangen dat zij zich wel aan de grondwet onderwerpen.

Maar laten de met de islam dan geen valse godsdienst binnen? Zeker wel. Dat de islam een valse godsdienst is – daarover kan op grond van de Schrift geen misverstand bestaan. Maar: een valse godsdienst hebben we in Nederland al, en die is van eigen makelij. Ik doel hier op het secularisme. Die zou voor christenen wel eens heel wat bedreigender kunnen zijn dan de islam. Want laten we ons niet vergissen. Nationalistische politici schermen met de ‘joods-christelijke’ beschaving die verdedigd zou moeten worden. Maar voorzover ze het wezen daarvan al begrijpen, moeten ze van de bron van die beschaving niets hebben. Dat geldt zeker voor Geert Wilders die er geen misverstand over laat bestaan dat hij een atheïst is. Hij en zijn geestverwanten wijzen er graag op dat christenen het in islamitische landen zwaar te verduren hebben en vaak hevig vervolgd worden, ook door moslims die zich als ‘gematigd’ afficheren. Ze laten niet na de publieke opinie erop te attenderen dat christelijke vluchtelingen in asielzoekerscentra ook niet veilig zijn. Dat zijn echter krokodilletranen. Ze worden niet gemotiveerd door oprechte bezorgdheid over de godsdienstvrijheid voor christenen, want voor godsdienstvrijheid als zodanig interesseren ze zich niet. Het is vooral een stok om de islamitische hond te slaan. Van het nationalisme hebben christenen even weinig goeds te verwachten als van de islam.

Op internet kwam ik een citaat uit een krant tegen waarin de verzuchting werd geslaakt dat met de komst van moslims allerlei zaken die in ons land inmiddels ‘algemeen aanvaard’ worden, ineens weer ter discussie komen te staan. Daarbij gaat het dan om zaken waartegen ook orthodoxe christenen de afgelopen decennia herhaaldelijk bezwaar hebben aangetekend en die ze actief – via de politiek en via maatschappelijke actie – hebben bestreden. Het is veelzeggend dat de komst van moslims als een gevaar voor de ‘uniformiteit’ van de opvattingen over dit soort zaken wordt gezien. Wordt het christelijke verzet niet waargenomen? Als dat het geval is, zou dat daaruit te verklaren zijn dat christenen inmiddels een onooglijke minderheid zijn geworden? Of zou het daaraan liggen dat die hun bezwaren hooguit onduidelijk mompelend naar voren brengen, uit angst niet meer serieus te worden genomen of maatschappelijk en politiek te worden uitgespuwd? Of – ik durf het haast niet te suggereren – zou het komen doordat ze zich inmiddels aan de ‘gangbare opvattingen’ hebben aangepast?

Misschien moeten ook christenen maar eens goed in de spiegel kijken. In plaats van zich druk te maken over de komst van moslims in ons land zouden ze zich eens kunnen afvragen waarom het christelijk geluid zo zwak klinkt dat het door de seculiere goegemeente niet of nauwelijks wordt waargenomen. Zouden de moslims misschien hier komen om ons als christenen een lesje te leren? Ze zijn meestal iets minder beschroomd om duidelijk te maken dat ze bepaalde zaken op grond van hun geloofsovertuiging niet kunnen goedkeuren. In allerlei ethische kwesties zijn er geen substantiële verschillen tussen orthodoxe christenen en moslims die hun geloof serieus nemen. Christenen moeten er niet bang voor zijn dat seculieren die overeenkomsten opmerken. Ze moeten zeker niet van de weeromstuit zaken gaan verdedigen die ze tien, twintig jaar geleden nog te vuur en te zwaard bestreden.

Het lijkt zinvoller met serieuze moslims in gesprek te gaan over de vraag hoe bezwaren tegen ‘de geest van de eeuw’ op een zodanige manier naar voren kunnen worden gebracht dat ze de discussie over zaken die volgens seculieren ‘algemeen aanvaard’ zijn op gang brengen in plaats van doodslaan. Die poging tot discussie begint met respect; scheldpartijen, laat staan geweld, horen daar niet bij. Dat is eerder de ‘beschaving’ van ‘Steenbergen’. Tot dat niveau moeten ze zich niet verlagen. Ze moeten laten zien dat hun beschaving er één is van een andere orde.

Die samenwerking kan er niet één zijn van de ‘warme’ soort, want ook al hebben christenen en moslims vergelijkbare bezwaren tegen bepaalde ‘moderne verworvenheden’, hun wereld- en levensbeschouwingen zijn en blijven fundamenteel verschillend. Men kan deze samenwerking beter vergelijken met die tussen christelijke en seculiere partijen in de Tweede Kamer. Denk hier aan de manier waarop Christenunie en PvdA samenwerken om misstanden in de prostitutie aan te pakken.

De confrontatie van twee levensbeschouwingen kan best spannend worden. Maar dat is geen reden ervan af te zien. Daarvoor is het belang te groot. De rust van seculier Nederland die zich koestert in ‘algemeen aanvaarde’ opvattingen, moet dringend worden verstoord. Wanneer die in het publieke debat weer ter discussie staan, zullen hun aanhangers met goede argumenten moeten komen.

Dat zal nog niet meevallen. Verder lezen…

Emigreren uit het kwaad

Ze trekken vrijwel dagelijks over het televisiescherm: vluchtende christenen die huis en haard verlaten om het vege lijf te redden voor het oorlogsgeweld en de terreur van ISIS. Ze zijn sprekende bewijzen voor het feit dat het klimaat voor christenen in de wereld van vandaag nogal guur is. Het Midden-Oosten is het meest sprekende voorbeeld. Daar hebben ze niet alleen te stellen met de vijandschap van radicale moslims. Christenen in Oost-Jeruzalem raken bekneld tussen de hamer van moslims en het aambeeld van ultra-orthodoxe Joden, die van christenen net zo weinig moeten hebben als hun islamitische tegenvoeters.

Via de vluchtelingen en de aanwezigheid van radicale moslims waait het klimaat van het Midden-Oosten over naar onze contreien. Op allerlei manieren krijgen we daarmee te maken. Soms wordt het conflict tussen christenen en moslims getransporteerd, zoals in sommige asielzoekerscentra het geval lijkt te zijn. Maar dat gure klimaat kan zich op andere wijzen manifesteren. Christenen die de islam als een valse godsdienst bestempelen en het verschil tussen christendom en islam onderstrepen, kunnen zomaar het verwijt krijgen haat te zaaien, zoals predikanten in Duitsland en Noord-Ierland moesten ervaren.

Er zijn ook andere redenen waarom christenen redenen hebben zich steeds meer unheimisch te voelen. In Nederland zien ze met lede ogen aan hoe wat nog van de christelijke cultuur rest in hoog tempo verdwijnt. Zelfs in de bible belt zijn ze niet meer veilig voor de lange armen van het secularisme. In Ede moet de zondagssluiting van de winkels eraan geloven. Dat de bevolking zich per referendum uitsprak tegen openstelling van winkels op zondag werd met een doorzichtige redenering voor irrelevant verklaard. Inmiddels worden ook pogingen ondernomen een wellicht nog sterker door het orthodoxe christendom gedomineerde gemeente als Katwijk te ontdoen van wat als ‘niet van deze tijd’ wordt beschouwd.

In de Verenigde Staten schreeuwen christenen moord en brand nadat het Hooggerechtshof bepaalde dat het homohuwelijk niet in strijd is met de grondwet. Daarmee is een streep gehaald door pogingen op het niveau van de deelstaten zulke huwelijken onmogelijk te maken. Sommige christenen wekken de indruk dat de Verenigde Staten daarmee in één klap tot het niveau van Sodom en Gomorra zijn afgedaald. Er werd zelfs gesuggereerd dat christenen maar moeten gaan emigreren, bijvoorbeeld naar Australië.

Zou dat helpen? Of zouden we misschien, met een variant op een bekend Nederlands spreekwoord, moeten zeggen: al is het goede nog zo snel, het kwade achterhaalt het wel?

In de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw zijn Nederlandse christenen naar Zuid-Afrika geëmigreerd, omdat ze de toekomst voor hen en hun kinderen somber inzagen en verwachtten daar nog een door het christelijk geloof gestempelde samenleving aan te treffen. Dat viel tegen. Sommigen kwamen teleurgesteld terug van een bezoek of een langduriger verblijf. Ze constateerden dat Zuid-Afrika niet veel christelijker was dan Nederland. Hetzelfde valt ongetwijfeld van andere samenlevingen te zeggen, ook wanneer daar meer christenen zijn die nog kerkelijk actief zijn, zoals de Verenigde Staten.

Emigreren uit het kwaad – mag dat eigenlijk wel? Soms zit er niet veel anders op, wanneer het kwaad zich dusdanig manifesteert dat blijven levensbedreigend is. Christenen in Syrië en Irak willen niet weg – ze willen blijven waar ze al eeuwenlang thuishoren. Maar veel keus hebben ze niet. In vergelijking daarmee zijn de zaken waarover christenen in onze contreien zich druk maken slechts kleinigheden. De meeste christenen uit het Midden-Oosten zouden hun problemen graag ruilen voor de onze.

Maar wij dan? Het lijkt aantrekkelijk als christenen samen te klonteren in enclaves. De tekenen zijn er: in de bible belt worden megakerken gebouwd met enkele duizenden zitplaatsen, terwijl in andere delen van het land kerken van orthodoxe snit moeten sluiten vanwege een gebrek aan leden of de onmogelijkheid de ambten te vervullen. Het leven van christenen die bij elkaar kruipen wordt er wellicht wel gemakkelijker van. Maar wordt het er ook beter van? Nederland wordt er in elk geval niet beter van. De lamp van het evangelie verdwijnt onder de korenmaat. Het zou ook wel eens contrapoductief kunnen zijn. Enclaves onttrekken zich aan het gezicht van de samenleving en daardoor zal de vervreemding tussen die samenleving en de kerk alleen maar groter worden. Zouden daardoor de tendenzen die christenen willen keren, niet juist versterkt kunnen worden?

Zoals al werd opgemerkt is ook de bible belt niet veilig voor het streven de maatschappij te ontdoen van de resten van een christelijke cultuur, zoals de winkelsluiting op zondag. En dat is maar één van de meest in het oog springende kwesties. Er zullen er in de toekomst ongetwijfeld nog meer komen. De enclaves zullen steeds kleiner worden. Vluchten kan dan niet meer.

Dan blijft dus alleen de confrontatie over. Dat klinkt eng en ruikt naar conflict. En aangezien christenen in de minderheid zijn en naar verwachting een steeds kleinere minderheid zullen worden, kunnen ze dat conflict alleen maar verliezen.

Dat getuigt niet van veel zelfvertrouwen. Of, beter gezegd, van vertrouwen in de kracht van de boodschap. Christenen hebben stevige grond onder hun voeten. Die is niet van zand, dus daar zakken ze niet doorheen. Maar dan komt het er wel op aan op die grond te blijven staan en zich niet in het drijfzand van het populisme te begeven. Christenen moeten de confrontatie niet schuwen, maar dan moeten ze wel de goede wapens hanteren. Op dat punt mogen christenen en christelijke gemeenschappen wel kritisch naar zichzelf kijken.

De crisis rond Griekenland die de media de afgelopen maanden heeft gedomineerd, kan een goede les zijn. De Griekse regering had de mogelijkheid een fundamentele discussie over het dominante economische beleid van de Europese Unie op gang te brengen. Dat beleid lijkt vooral financieel-economisch en weinig sociaal-economisch van aard. Maar door te kiezen voor een ramkoers werd die mogelijkheid om zeep geholpen. Daarmee heeft de Griekse regering niet alleen zichzelf en de Griekse samenleving, maar heel Europa een slechte dienst bewezen. Een politiek van provocatie en frontale aanvaring levert zelden iets goeds op. Ook de Nederlandse politiek laat daarvan een voorbeeld zien. Een politieke beweging als de PVV heeft van zo’n handelwijze haar handelsmerk gemaakt. Haar aanhangers vinden het prachtig, maar haar politieke invloed is nihil.

Helaas laten ook christenen zich ertoe verleiden op ramkoers te gaan liggen. Wanneer een Duitse predikant verkondigt dat er een principieel verschil is tussen christendom en islam verdient hij steun. Maar hij ondermijnt zijn boodschap wanneer hij beweert dat de islam niet bij Duitsland hoort. Dat mag hij vinden, maar die opvatting valt vanuit de Schrift niet te beargumenteren. Het idee dat er een intrinsieke relatie bestaat tussen een religie en een geografisch gebied is in wezen heidens, zoals iedereen kan weten die het Oude Testament kent. Het is bovendien een redenering die zich tegen christenen kan keren. Want hoort het christelijk geloof dan wel in Afrika of in China thuis? Als een godsdienst niet bij een regio of een cultuur past, kunnen zendelingen dan niet beter thuisblijven?

Wie zich in een confrontatie met het secularisme of met andere godsdiensten staande wil houden, dient zich te onthouden van alles wat nodeloos ergernis wekt. Daar horen zeker ook scheldpartijen bij. De Noordierse predikant naar wie ik eerder verwees, sprak als zijn mening uit dat de islam “een in de hel voortgebrachte leer” is. Dat klinkt wel stoer en bij PVV-sympathisanten zal zoiets wel in goede aarde vallen. Maar het is geheel onduidelijk welk doel met zo’n bewering gediend is. Het zal er in elk geval niet toe bijdragen ook maar één aanhanger van de islam tot nadenken te bewegen, laat staan hem nieuwsgierig te maken naar het christelijk geloof.

In de Verenigde Staten zal men van dit soort uitlatingen niet opkijken. Daar zijn politieke en maatschappelijke discussies wat minder gepolijst en scheldpartijen behoren er tot het vaste ritueel. Maar daar kunnen christenen zich niet achter verschuilen. Zij zouden beter moeten weten. Ze zouden moeten laten zien dat het anders kan en – nog belangrijker – dat het op grond van de Schrift anders moet. Te vaak lijkt het in het debat er eerder om te gaan de eigen positie te markeren dan de tegenstander te overtuigen. Er is alle reden voor Amerikaanse christenen alert te zijn op pogingen van de vaak agressieve secularisten alle verwijzingen naar het christelijk geloof uit de publieke samenleving te verbannen. Maar dan moeten ze zelf wel de grenzen van de beschaving in acht nemen en de wet respecteren. Het valt moeilijk sympathie op te brengen voor een openbare school die op slinkse wijze en op een nogal dwingende manier de leerlingen met het christelijk geloof confronteert. Het openbaar karakter van het onderwijs vraagt om terughoudendheid. Wie meent het onderwijs te kunnen gebruiken om leerlingen ongevraagd het christelijk geloof in te prenten, moet niet protesteren wanneer secularisten iets vergelijkbaars doen.

Ook ten aanzien van het homohuwelijk lijken Amerikaanse christenen alle proporties uit het oog te verliezen. Men kan zich er met recht en reden tegen verzetten, maar dat moet dan wel op een principieel-zakelijke en respectvolle wijze gebeuren. Het blijft trouwens moeilijk te doorgronden waarom uitgerekend deze kwestie zoveel emoties oproept. Zijn er niet veel andere zaken waarover christenen zich druk zouden moeten maken? En als het dan over Sodom en Gomorra gaat, was het kwaad daar niet vooral dat de gastvrijheid – in het Midden-Oosten van die dagen één van de belangrijkste deugden – fundamenteel werd geschonden? Dat geeft een wellicht iets andere kijk op ontwikkelingen in de Amerikaanse samenleving, zoals een christelijke voorman die ervoor pleit geen moslims meer toe te laten, niet op grond van hun daden of ideeën maar op grond van de wandaden van geloofsgenoten. Leert de Schrift niet dat ieder verantwoordelijk is voor zijn eigen daden en dat de zoon niet gestraft wordt voor de zonden van zijn vader?

De verschijnselen die aan het begin van deze blog werden beschreven, hoeven we niet te onderschatten. Maar vormen die de grootste bedreiging voor het christelijke leven en de kerk? Het grootste gevaar zou weleens van binnenuit kunnen komen. Secularisatie vindt niet alleen in de samenleving plaats, maar ook binnen de kerk en het christelijke leven. Die innerlijke secularisatie treedt op wanneer de Schrift en de christelijke belijdenis worden ingewisseld voor door onderbuikgevoelens gedreven populisme. Ze treedt op wanneer christenen denken dat geloof en kerk los verkrijgbaar zijn en dat ieder zelf – buiten de gemeenschap van de heiligen om – wel kan bepalen wat waarheid is. Ze treedt op wanneer een Schriftuurlijke ethiek het aflegt tegen de drogredenering dat Jezus iedereen aanvaardt zoals hij is en dat de Schrift eigenlijk geen algemeen geldende regels voor het christelijke leven bevat. Bij zulke vijanden binnen de poort zinken die buiten de poort in het niet.

We moeten nog een stap verder gaan. Het kwaad van de secularisatie bevindt zich niet alleen binnen de poort. Het zit in ieder van ons.

Emigreren uit het kwaad kan niet. Want wie emigreert, neemt altijd zichzelf mee.

De utopische verleiding

In reactie op de aanslag in Parijs zijn grote woorden gesproken. Massa’s mensen zijn op de been geweest ter verdediging van de vrijheid van een blaadje dat ze wellicht nog nooit gelezen hadden. Ook politici meldden zich: ze gingen de straat op, lieten spierballentaal horen en omarmden de gebeurtenissen als het ultieme bewijs dat ze altijd al gelijk hadden met hun visie dat de islam en de moslims niet deugen. Maar al dat verbale geweld kan niet verhullen dat ze met lege handen staan.

Het antwoord wordt gezocht in dreigingen en repressie waarbij sommigen het met de normen van de rechtsstaat niet al te nauw nemen. Nu en dan klinkt een stem die tot bezinning maant en er op wijst dat daarmee het probleem waarvoor het moslimextremisme ons stelt, allerminst wordt opgelost. Natuurlijk trekken bewegingen als ISIS avonturiers met weinig of geen ideologische bagage aan. Maar de gangmakers zijn ideologisch gedrevenen; misschien moet men ze zelfs idealisten noemen. Ze vechten ergens voor, en dat is precies wat hen tegenstaat in westerse samenlevingen, waarin niet weinige van hen zijn opgegroeid. Waar staan die samenlevingen voor? Wie afgaat op de reacties op de aanslagen in Parijs moet concluderen: voor vrijwel ongelimiteerde vrijheid, waarin werkelijk niets heilig is. Is dat een ideaal waarmee je het hart van mensen wint?

Er worden allerlei analyses ten beste gegeven over de oorzaken van het moslimextremisme. Die voldoen maar ten dele, en ze vallen bij de populistische goegemeente, die van de islam per definitie een afkeer heeft, in onvruchtbare aarde. Populisten en anti-islamisten willen het verschijnsel niet begrijpen en hebben geen behoefte aan informatie; ze hebben al een mening. Zij moeten zich er dan niet over verbazen als we over zo’n vijf à tien jaar even ver zijn als nu en nog steeds geconfronteerd worden met de gruwelen waarvan nu de kranten vol staan en met de onzekerheid wanneer en waar de volgende aanslag zal plaatsvinden.

Niet-moslims voelen een grote afstand tot de idealen en methoden van ISIS en ook onder moslims groeit de afkeer. Maar hoever staan die idealen eigenlijk van ons af? Er worden allerlei factoren genoemd die aan het optreden van ISIS ten grondslag liggen, zoals afkeer van de democratie – door sommige ISIS-aanhangers expliciet verworpen – en het afwijzen van de scheiding van ‘kerk’ en staat. Daarmee wordt het een conflict tussen ‘West’ en ‘Oost’, tussen Verlichting en achterlijkheid. Het echte probleem zou wel eens ergens anders kunnen zitten.

Door de geschiedenis heen hebben mensen verlangd en gestreefd naar een paradijs op aarde. Vrijwel niemand kan zich onttrekken aan – bijbels geformuleerd – de vloek die na de zondeval over de schepping is gekomen. Maar het ligt in de aard van de mens zich daarbij niet neer te leggen. Hij probeert de gevolgen van die vloek tegen te gaan, te verzachten of zelfs op te heffen. Daar is op zichzelf niets mis mee. God heeft aan de mensen grote mogelijkheden gegeven om uitvindingen te doen waarmee ziekten kunnen worden bestreden en veel werkzaamheden zonder al te veel ‘zweet des aanschijns’ kunnen worden verricht. Psalm 8 zegt zelfs dat Hij de mens bijna goddelijk heeft gemaakt. Bijna – en dat dreigt de mens te vergeten. Hij trekt een te grote broek aan en denkt dat niets onmogelijk is. In plaats van de pijn te verzachten matigt hij zich aan dat hij de pijn kan uitbannen. De werkelijkheid is dat vrijwel altijd de oplossing van één probleem nieuwe problemen schept.

Het streven naar een paradijs is onschuldig zolang het mensen aandrijft zich optimaal in te zetten. Het wordt anders wanneer men zijn eigen beperkingen niet onder ogen wil zien. Het gevaar is groot dat men zoekt naar factoren die het ideaal in de weg staan. Daarbij is men dan niet zelden geneigd die uit de weg te ruimen, desnoods met harde hand. Dat kunnen eventueel ook mensen zijn – diegenen, die bepaalde idealen niet delen of zich niet kunnen verenigen met de manier waarop die worden nagestreefd. In de loop van de geschiedenis hebben utopieën en bewegingen die zulke utopieën omhelsden, de nodige schade aangericht. De grootste massamoordenaars van de 20e eeuw – Hitler, Stalin, Mao Zedong, Pol Pot – lieten zich alle door een utopie leiden en alle brandmerkten bepaalde groepen mensen als de factoren die het bereiken van het ideaal verhinderden. Wie verder in de geschiedenis teruggaat kan niet om de Franse Revolutie heen – de concrete uitwerking van de Verlichting waarop velen in het Westen prat gaan en die aan andere culturen ten voorbeeld wordt gesteld. Daarbij zijn heel wat koppen gerold, vooral tijdens de Grote Terreur onder Robespierre waarvan mensen het slachtoffer werden die niet helemaal ‘recht in de leer’ waren. Komt dat iemand wellicht bekend voor? Een maatschappij die gebaseerd moet zijn op vrijheid, gelijkheid en broederschap is niet veel meer dan de seculiere variant van het islamitische kalifaat.

Wie denkt dat het christendom immuun is voor de utopische verleiding kent de geschiedenis van het Europese christendom niet. De van oorsprong lutherse lekenprediker Melchior Hofmann verkondigde dat in 1533 het Duizendjarig rijk zou beginnen en in dat jaar riep Jan van Leiden Münster als het Nieuwe Jeruzalem uit. Twee jaar lang voerde hij een schrikbewind. Na de val van het Nieuwe Jeruzalem gingen de wederdopers over tot het plegen van aanslagen. De utopie is een universele verleiding waarvoor niemand immuun is.

Wie zich daarvan rekenschap geeft, moet onder ogen zien dat wat ISIS drijft, niet zover van ons af staat als we wellicht graag willen geloven. Het heeft ook niets met religie te maken, zoals zij ons graag willen wijsmaken die elke vorm van religie als een gevaar voor de samenleving beschouwen. Ik wees al op de utopieën die de 20e eeuw tot één van de bloedigste in de geschiedenis hebben gemaakt. Geen van de drijvende krachten, die ik hierboven noemde, liet zich door een religieuze overtuiging leiden. Eén van de bekendste utopische ideologieën is die van het marxisme. De uitschakeling van de bezittende klasse zou het arbeidersparadijs dichterbij brengen. In het nationaal-socialisme waren het de joden en andere minderheden die als sta-in-de-weg werden beschouwd.

In onze tijd zijn utopieën nog steeds springlevend. Enkele decennia geleden werd de samenleving bijkans verstikt door de deken die de overheid daarover had uitgespreid. Ook al nam de sociaal-democratie grotendeels afstand van haar marxistische wortels, de utopische verleiding is niet bezworen. Voor haar is de overheid nog steeds een essentieel instrument om een rechtvaardige samenleving tot stand te brengen. We leven nu in de tijd van de ideologie van de markt. Daarin manifesteert zich de (neo)liberale utopie: wanneer men maar de markt zijn gang laat gaan, is welvaart en geluk binnen bereik. Niet de overheid, maar de markt is de geluksmachine. De gevolgen zijn allerwegen zichtbaar.

In onze tijd steekt ook het nationalisme de kop op, in de gedaante van het rechtsradicale populisme. Nu zijn het de moslims en in het algemeen mensen uit niet-westerse culturen die het maatschappelijk geluk verstoren. Hier is de monocultuur het ideaal: de cultuur van ‘echte’ Nederlanders. Wie dat zijn, is voor sommigen glashelder: blank, blond, blauwe ogen.

Mogen mensen dan geen idealisten zijn? Ooit sprak een minister de gevleugelde woorden: “als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan”. Zo’n benadering kan in bepaalde omstandigheden van wijsheid getuigen, maar als levenshouding voldoet ze niet. Het is geen boodschap voor zoekende zielen. Tegen het verlangen naar het paradijs is als zodanig niets in te brengen. Sterker nog, de bijbel gaat daarin voor. Ze schetst weidse perspectieven voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarbij alle menselijke voorstellingen van een ‘paradijs’ verbleken. Die nieuwe hemel en aarde zijn een utopie – volgens de Grote Van Dale een “niet te verwezenlijken ideaal”. Dat wil zeggen: niet door menselijke inspanning te verwezenlijken. Ze komen niet van beneden, maar van boven, en worden niet door menselijke inspanning tot stand gebracht.

Het probleem is dat de mens zichzelf niet kent. Wanneer het paradijs op aarde maar niet wil aanbreken, ligt dat inderdaad aan mensen – niet aan andere mensen, maar aan onszelf. Wat steeds weer opvalt in de bijbel is dat mensen die als oprecht en vroom worden gekarakteriseerd, zichzelf niet overslaan wanneer ze zich beklagen over de zonden van het volk of de mensheid in het algemeen. Of het nu Daniël of Nehemia is, ze spreken uit dat “wij” gezondigd hebben. En Elia, die als geen ander in zijn tijd ijverde voor de eer van God, zegt dat hij niet beter is dan zijn voorouders (I Kon 19,4). Alle mensen, zonder uitzondering, dragen de vloek van zonde en onvolkomenheid in zich mee.

Ook christenen die beter zouden moeten weten, bezwijken niet zelden voor de utopische verleiding. Ideeën zoals “overnieuw beginnen” met de kerk of het planten van gemeenten met de pretentie de fouten van de traditie vermijden, geven daarvan blijk. De kerk is dan wel de werkplaats van de Geest, maar hij moet het – en wil het – doen met gebrekkige en zondige mensen. Nogal wat gelovigen zijn voortdurend op zoek naar een kerk die “bij hen past”. Daarmee bedoelen ze dan een kerk waar ze zich niet hoeven ergeren aan wat er misgaat of ontbreekt. Maar dat is vergelijkbaar met het zoeken naar de vierkante cirkel. “De perfecte kerk bestaat niet. En al zou die bestaan, dan zou dat acuut over zijn op het moment dat ik lid zou worden.” Dat was een uiterst verstandige uitspraak van CU-politica Carola Schouten als reactie op de campagne die bekend werd als 7keer7. Helaas is dat inzicht niet ieder gegeven.

Het is niet zozeer het verlangen naar het paradijs of zelfs het nastreven van een utopie als zodanig die de maatschappelijke vrede in gevaar brengen, maar vooral de menselijke overmoed. De kerk beijvert zich om het goede nieuws van de verlossing door Christus uit te dragen. Maar ze moet vooral niet vergeten ook het weinig opwekkende, maar realistische verhaal van het menselijk tekort te vertellen. Dat besef kan mensen wapenen tegen de utopische verleiding en dient de maatschappelijke vrede.

De waarschuwing van Sanherib

7 augustus 2012 3 reacties

De burgeroorlog in Syrië duurt nu al maanden voort en vooralsnog lijkt er geen oplossing in zicht. Het zou overdreven zijn te beweren dat dit conflict de gemoederen in Nederland hevig bezighoudt. De Nederlandse publieke opinie is nogal in zichzelf gekeerd geworden en de wereld buiten de eigen grenzen lijkt alleen binnen de horizon te komen wanneer die de eigen portemonnee raakt. Er is nog wel een andere reden voor die terughoudendheid. Mensen kiezen graag partij en dat valt hier niet mee. Wat zich precies binnen de Syrische grenzen afspeelt is nogal moeilijk te doorgronden en, zoals de geschiedenis leert, bij een gewapend conflict is de waarheid het eerste slachtoffer.

Dat in Syrië gruweldaden worden gepleegd staat vast. Maar wie precies verantwoordelijk is voor wat, dat is veel lastiger vast te stellen. Dat hier geen sprake is van wit tegenover zwart is wel duidelijk. In Nederland wordt het conflict, wanneer er al over wordt gediscussieerd, vooral gehanteerd als een factor in de binnenlandse politieke strijd. Degenen die ten strijde trekken tegen wat zij de ‘islamisering’ van het Westen noemen, zijn geneigd wandaden zoveel mogelijk op het conto van de oppositie te schrijven, die ze in het kamp van de radicale islam plaatsen. Daarmee wekken ze in elk geval de suggestie de kant van Assad te kiezen.

Voorzover ik kan vaststellen neigen de meeste christelijke media ertoe voorzichtig positie te kiezen tegen Assad. Daarmee kiezen ze niet per definitie positie voor de oppositie. Dat heeft niet alleen te maken met het optreden van de oppositionele strijdgroepen, maar ook met de opstelling van de christenen in Syrië. Die genoten relatief veel vrijheden onder Assad en zij vrezen dat ze in de hoek zitten waar straks de slagen vallen, wanneer Assad het veld zou moeten ruimen. Daarom zijn ze geneigd hem te blijven steunen.

De steun voor iemand die zich zo duidelijk misdraagt en zich schuldig maakt aan misdaden tegen de menselijkheid is moeilijk te vatten. Gedurende de 20e eeuw hebben de westerse grote mogendheden zich van tijd tot tijd verbonden met weinig frisse regimes om de dreiging van andere grote mogendheden het hoofd te bieden. Zonder de alliantie met de Sovjetunie van Josef Stalin hadden de Verenigde Staten en Groot-Brittannië het Derde Rijk niet op de knieën gekregen. In de tijd van de Koude Oorlog moest men het kleinere kwaad door de vingers zien om het grotere kwaad te kunnen beteugelen. Soms sneden ze zich daarbij in de vingers. Maar dat is een risico dat zich niet altijd laat vermijden. Een politiek van schone handen maakt de wereld meestal niet veiliger.

Maar kunnen burgers van een land die houding – de vijand van mijn vijand is mijn vriend – zomaar overnemen? Het is gemakkelijk vanuit de luie stoel in het veilige Nederland de staf te breken over de opstelling van christenen in Syrië. Je zult maar christen zijn in het door conflicten verscheurde Midden-Oosten, waar de dreiging van de radicale islam een dagelijkse realiteit is. Er zijn bovendien genoeg redenen sceptisch te zijn over de gevolgen van de ‘Arabische lente’ voor christenen, zoals ook in Egypte blijkt. Toch mag dat geen reden zijn elke kritiek dan maar achterwege te laten. Als je over een bepaald onderwerp alleen maar iets mag zeggen wanneer je er persoonlijke ervaring mee hebt, dan kunnen predikanten voortaan beter hun mond houden. In hun verkondiging komen immers voortdurend dingen naar voren, waarmee ze – mag je hopen – geen persoonlijke ervaring hebben. Het zou wel wat vreemd zijn wanneer een voorganger niet zou mogen waarschuwen tegen bijvoorbeeld verslaving, wanneer hij die niet aan den lijve heeft ervaren.

Dan dringen zich in het geval van Syrië toch wel een paar vragen op. De christenen hebben onder Assad een relatief grote mate van vrijheid genoten. Assad hield de radicale islam in toom en aangezien hij zelf tot een religieuze minderheid behoort, kon hij de steun van een andere minderheid wel gebruiken. Zijn welwillende opstelling tegenover de christelijke minderheid is door haar beloond door steun in het conflict dat Syrië nu verscheurt. Op zichzelf is er niets tegen dat christenen in zo’n situatie zich mede door tactische overwegingen laten leiden. Het lijkt er echter op dat de Syrische christenen zich hier hebben verrekend. Volgens een bericht in het Reformatorisch Dagblad van 6 augustus werden de christenen uit het stadje Quseir verdreven “omdat de christenen het regime steunen”. De kritiekloze steun aan Assad heeft hun positie onder een eventueel toekomstig regime ook niet bepaald verbeterd. Het is van buitenaf moeilijk te doorgronden welke krachten binnen de oppositie actief zijn, wat de krachtsverhoudingen zijn en wie aan de touwtjes trekken. Het is heel goed mogelijk dat de radicale islam een flinke vinger in de pap heeft. Maar wanneer de christelijke gemeenschap zich bij de oppositie had aangesloten of in elk geval afstand had genomen van Assad, zou ze haar in elk geval één reden hebben ontnomen om straks met hun vrijheden – en wellicht zelfs met henzelf – af te rekenen.

Tactische overwegingen mogen wel een rol spelen, maar kunnen nooit doorslaggevend zijn. De vraag mag wel gesteld worden of de christenen zich onder het regime van Assad niet wat al te comfortabel hebben gevoeld. Het is natuurlijk fijn wanneer je de vrijheid hebt je eigen geloof te belijden, zeker in een wereld waar dat eerder uitzondering dan regel is, maar is dat een reden de ogen te sluiten voor het onrecht dat Assad andere burgers van zijn land aandeed? Zelfs wanneer we ervan uitgaan dat de Syrische christenen slechts beperkte kennis van de praktijken van hun president hadden – ook velen in het Westen hebben zich door Assad in de luren laten leggen -, kan het hun toch nauwelijks zijn ontgaan dat zijn regime de burgers van Syrië wel erg ongelijk behandelde en dat de mensenrechten van in elk geval een deel van de burgers in ernstige mate werden geschonden. Christenen zouden toch wel de laatsten moeten zijn om dit met de mantel van de liefde te bedekken. Op deze manier wordt op z’n minst de schijn gewekt dat de eigen vrijheid belangrijker is dan de vrijheden van anderen.

Het zijn uiteindelijk ethische overwegingen die de doorslag zouden moeten geven. In dit verband is de opstelling van de Druzen, zoals het Nederlands Dagblad daarover op 2 augustus j.l. berichtte, opvallend. De meesten van hen – die op de Golan hoogvlakte wonen – steunen Assad door dik en dun. Ook hun steun is vooral ingegeven door eigenbelang en de angst het slachtoffer te worden van de wraakzucht van de oppositie, wanneer die eenmaal aan de macht zou zijn gekomen. Maar vooral onder jongeren groeit het verzet. De manier waarop het leger van Assad zich gedraagt, speelt daarbij een belangrijke rol. Je zou hopen dat ook onder christenen in Syrië het inzicht doorbreekt dat de vijand van je vijanden nog niet automatisch je vriend is.

Door zich te laten leiden door tactische overwegingen kan men zich lelijk in de vingers snijden en dat kan ernstige gevolgen hebben. Maar dat is niet het belangrijkste. Christenen zouden zich bij hun politieke stellingnames moeten afvragen welk signaal van hun positiekeuzes uitgaat. Wat zeggen die keuzes over het christelijk geloof? Gaat het om het eigenbelang van de groep of gaat het om gerechtigheid voor de hele samenleving?

Dat is niet maar een vraag voor christenen in een land als Syrië, maar evengoed voor christenen in Nederland. Er zijn christenen die menen dat Nederland het gevaar loopt ‘geïslamiseerd’ te worden en daarom gemene zaak maken met de PVV. Kan een christen het ethisch verantwoorden te stemmen op een partij die groepen in de samenleving vanwege hun geloof wil discrimineren en die er een manier van politiek bedrijven op nahoudt die haaks staat op – bijvoorbeeld – het vijfde en het negende gebod? De SGP heeft zich een tijdlang gekoesterd in de welwillende belangstelling van de VVD. De suggestie van premier Rutte dat liberalen en staatkundig-gereformeerden veel gemeenschappelijk hebben is door de SGP bepaald niet weersproken. Is het haar vertegenwoordigers ontgaan dat de VVD een materialistische partij is die vooral de godsdienst van de mammon belijdt? En hoe is de onder liberalen overheersende mentaliteit van ‘ieder voor zich’ verenigbaar met het door de bijbel geproclameerde recht van de armen?

Wanneer christenen vriendschap sluiten met de vijanden van hun vijanden compromitteren ze de christelijke religie. Bovendien snijden ze zichzelf in de vingers. Wie vandaag een vriend lijkt, kan morgen een vijand blijken te zijn. De PVV is niet alleen anti-islamitisch, ze is ook anti-christelijk. En de VVD zal de SGP in de kwestie van het passief vrouwenkiesrecht echt niet de hand boven het hoofd houden.

De Assyrische generaal Sanherib – nota bene een heiden – waarschuwde koning Hizkia van Juda ervoor steun te zoeken bij Egypte (2 Kon. 18,21), die hij vergeleek met een rietstengel, die de hand doorboort als men erop leunt. Ezechiël gebruikt hetzelfde beeld in zijn profetie tegen Egypte (Ez. 29,6-7). De waarschuwing van Sahherib is nog steeds actueel. De vijand van je vijanden is niet je vriend. Het is een rietstengel waaraan je je ernstig kunt verwonden.

Godsdienstvrijheid: ruimte voor de Geest

Vrijheid van godsdienst als onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie is terug van weggeweest. Een paar decennia geleden werd er nauwelijks over gesproken. Het was één van de burgerlijke vrijheden die in de grondwet waren vastgelegd. Het kwam hoogstens ter sprake als zich ergens een incident voordeed dat de vraag deed rijzen of dit nog wel binnen de grenzen van de godsdienstvrijheid viel. Dat het geen aandacht kreeg weerspiegelde vooral de verminderde rol van de godsdienst in het openbare leven.

In christelijke kring is het altijd een belangrijk onderwerp geweest. Daarbij ging het dan vooral over de vraag hoeveel vrijheid andere godsdiensten dan de christelijke mocht worden toegestaan. In die discussie speelde artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een cruciale rol. Daarin wordt omschreven wat de taak van de overheid is. Die strekt zich ook uit tot het terrein van de godsdienst. Dat de overheid de christelijke religie moet bevorderen stond niet ter discussie, wel hoever ze daarbij moest of mocht gaan. In 1905 schrapte de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken een zinsnede in dit artikel, waarin de overheid wordt opgedragen “alle afgoderij en valse godsdienst” “te weren en uit te roeien”. Dit besluit is door kerken van bevindelijk-gereformeerde snit niet gevolgd. Politiek gezien behoort het “onverkorte artikel 36”, zoals het in de wandeling genoemd wordt, nog steeds tot de grondslag van de SGP.
In de praktijk lijkt het nauwelijks te functioneren. Althans, dat was de indruk van de laatste decennia. Het feit dat de SGP op grond van dit artikel godsdienstvrijheid afwijst was voor de Christenunie geen belemmering voor nauwe samenwerking op allerlei niveaus, tot en met gemeenschappelijke kandidatenlijsten. Onder jongeren binnen de SGP neemt de steun voor dit standpunt ook af. Meer dan oudere generaties zien zij in dat dit het politiek functioneren van de partij belemmert en ook weinig realistisch is.

Dat de vrijheid van godsdienst weer onderwerp van publiek debat is vindt zijn oorzaak vooral in de opkomst van de islam. De toename van het aantal moslims in Nederland en de onvrede met bepaalde uitingsvormen van de islam hebben ertoe geleid dat sommige opiniemakers en politici het beginsel dat de overheid alle godsdiensten gelijk moet behandelen, verwerpen. Volgens hen moet de overheid de ‘joods-christelijke cultuur’ verdedigen en dat impliceert het inperken van de toestroom van moslims en het beperken van hun rechten. Anderen verdedigen de gelijke behandeling van alle godsdiensten. Sommigen gaan zover dat ze ervoor pleiten dat wanneer moslims bepaalde rechten worden ontzegd, deze ook aan aanhangers van andere religies moeten worden ontnomen.

Dit maakt al direct duidelijk dat de discussie over godsdienstvrijheid een andere dimensie heeft gekregen. Vroeger ging de discussie in christelijke kring vooral over de vraag hoeveel vrijheid aan niet-christenen kan worden toegestaan. Toen de maatschappelijke discussie over dit onderwerp zich aanvankelijk vooral op de islam concentreerde, leek er nog geen vuiltje aan de lucht. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat de kritische geluiden ten aanzien van de islam in kringen van de SGP een positief onthaal vonden. De daar heersende opvattingen over de taak van de overheid de valse godsdienst te weren passen heel goed bij het streven de vrijheden van moslims te beperken. Maar inmiddels is wel duidelijk geworden dat de groeiende afkeer van de islam en van moslims in de publieke opinie ook zijn weerslag heeft op de houding tegenover andere godsdiensten, zoals het christendom.

Een aantal recente politieke ontwikkelingen laat zien dat er sprake is van een groeiende afkeer van alles dat naar godsdienst riekt. Daartoe kunnen gerekend worden de door de Tweede Kamer aangenomen wet tegen het onverdoofd slachten, de pogingen de vrijheid van onderwijs te beperken – zowel ten aanzien van de toelating van leerlingen als het personeelsbeleid – en de uitspraak van de Tweede Kamer dat er voor (bijzondere) ambtenaren van de burgerlijke stand die om geloofsredenen geen huwelijken van partners van hetzelfde geslacht willen sluiten – zogenaamde ‘weigerambtenaren’-, geen ruimte meer mag zijn. De vraag waarvoor christenen zich gesteld zien is dus niet meer alleen: hoeveel vrijheid is er voor anderen dan wij, maar: hoeveel vrijheid hebben wij zelf nog?

Christenen moeten zich niet alleen vanuit hun eigen belang op dit onderwerp bezinnen. Als ze aan de publieke discussie willen deelnemen, zullen ze ook een duidelijk standpunt moeten bepalen ten aanzien van de vrijheden van andere godsdiensten. Voor de Christenunie is dit niet echt een probleem. Zij heeft altijd op het standpunt gestaan dat godsdienstvrijheid voor iedereen geldt. Wanneer christenen voor zichzelf het recht claimen scholen op te richten en in stand te houden waar onderwijs wordt gegeven in overeenstemming met hun eigen overtuiging, kan dat recht aan anderen – bijvoorbeeld moslims – niet worden ontzegd. Voor de SGP ligt dat anders. Ze zal haar overtuiging dat godsdienstvrijheid alleen voor christenen geldt officieel niet zomaar opgeven. Maar ze ontkomt er niet aan zich te bezinnen op de vraag of ze door steun te geven aan beperkende maatregelen tegen de islam niet bezig is zich in eigen vlees te snijden. Daarop gerichte wetgeving kan als een boemerang op het hoofd van haar eigen achterban terugkeren.

Angst is, zoals bekend, een slechte raadgever. Dat geldt ook hier. Een wijziging van opvattingen ten aanzien van de godsdienstvrijheid die uitsluitend gebaseerd is op de verdediging van de eigen belangen mist elke overtuigingskracht. Terecht zei ds. Marten de Vries op een enige tijd geleden gehouden bijeenkomst dat christenen de godsdienstvrijheid niet moeten verdedigen vanuit angst voor hun eigen positie, maar met principiële argumenten.

Welke zou men daarvoor kunnen gebruiken? Biedt de gereformeerde belijdenis daarvoor aanknopingspunten?

Laten we eens kijken naar het al genoemde artikel 36. Daar wordt uitvoerig gesproken over de taak van de overheid. De geschrapte zinsnede gaat erg ver in de formulering van die taak. Voor godsdienstvrijheid lijkt ze geen enkele ruimte te laten. Maar ook na schrapping van die formulering blijft er nog genoeg over dat op z’n minst een ongemakkelijk gevoel veroorzaakt. De taak van de overheid “is niet alleen zorg te dragen voor de openbare orde en daarover te waken, maar ook de heilige dienst van de kerk te beschermen, en te bevorderen dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt, zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt”. Kunnen degenen die van mening zijn dat de overheid de christelijke religie een voorkeursbehandeling moet geven, zich op dit artikel beroepen?

Dat is zeer de vraag. Duidelijk is dat de overheid de uitoefening van de christelijke religie moet beschermen. Ook de zorg voor de openbare orde kan daarmee in verband gebracht worden. Daartoe behoort niet alleen dat kerken gevrijwaard blijven van aanvallen van anders- en ongelovigen, maar ook dat kerkdiensten ongestoord kunnen plaatsvinden. De overheid moet ook bevorderen “dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt”. Er wordt niet concreet aangegeven hoe ze dat zou moeten doen. Het wordt duidelijker wanneer we deze zinsnede als één geheel nemen: de komst van het koninkrijk wordt vooral bevorderd door de prediking van het evangelie. Die kan ongehinderd plaatsvinden door de zorg voor de openbare orde – in de zin zoals hiervoor aangegeven – en de bescherming van de “heilige dienst van de kerk”. En dan noemt het artikel vervolgens wat het uiteindelijke doel is: “zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt”.

En daarmee zijn we bij de kern van de zaak. De komst van Gods koninkrijk wordt vooral door de prediking bevorderd. Dat is het middel bij uitstek dat de heilige Geest gebruikt om mensen tot geloof te brengen. Hij is het die het Woord laat verkondigen en die mensen roept tot de verkondiging van het evangelie. Hij houdt ook de kerk in stand, waaraan het Woord is toevertrouwd. Wanneer de overheid de vrijheid van de kerk beschermt, maakt ze daarmee ruim baan voor het werk van de Geest. Wie de vrijheid van de kerk inperkt, staat het werk van de Geest tegen. Daarin ligt de belangrijkste motivatie voor christenen en in het bijzonder christelijke politici voor de strijd tegen elke poging de vrijheid van de uitoefening van de christelijke godsdienst te beperken.

Maar ook de beperking van de godsdienstvrijheid van andersgelovigen frustreert het werk van de Geest. In de hele geschiedenis is nog nooit een geloof van de aardbodem verdwenen door de onderdrukking van zijn aanhangers of de inperking van hun vrijheden. Gewoonlijk gebeurt het tegenovergestelde: hoe meer een religieuze gemeenschap in de verdrukking raakt, hoe meer ze zich afschermt van de buitenwereld en hoe minder ze openstaat voor andere inzichten. Bovendien leidt zulke repressie tot een grotere druk op elke individuele aanhanger zich aan de eigen geloofsgemeenschap te conformeren.

Het optreden van de apostel Paulus op de Areopagus is veelzeggend en maatgevend. Hij was verontwaardigd over de vele afgodsbeelden die hij in Athene aantrof. Hij ging de confrontatie aan door met de inwoners van de stad in gesprek te gaan. Hij greep de gelegenheid aan de Atheense intellectuele elite met het evangelie van de gekruisigde Christus te confronteren. Zijn verontwaardiging weerhield hem er niet van zijn gesprekspartners met respect tegemoet te treden. Zonder dat respect zouden sommigen van hen niet bereid zijn geweest hem nog eens aan te horen.

Dat moet ook de houding van christenen ten aanzien van andere godsdiensten en hun aanhangers bepalen. De groei van de islam wordt niet tegengewerkt door moslims in hun religieuze vrijheden te beperken. Het is waarschijnlijker dat daardoor de groei van de islam wordt bevorderd en moslims-op-wieltjes zich meer met hun religie verbonden gaan voelen. Door op te komen voor hun godsdienstvrijheid kunnen christenen een klimaat van respect scheppen waarin gesprekken tussen moslims en christenen kunnen plaatsvinden. Het geeft christenen de gelegenheid het evangelie te verkondigen. Daarmee geven ze de Geest de ruimte zijn werk te doen.

De kerk en het verval van de christelijke politiek

6 maart 2011 1 reactie

Ook al is dit weblog vooral aan kerkelijke zaken gewijd, de kerk staat midden in de wereld. Dus er is alle reden eens naar de uitkomst van de verkiezingen voor de provinciale staten te kijken. Daar valt vanuit politiek en maatschappelijk oogpunt van alles over te zeggen. Ik beperk me hier tot één belangrijk aspect dat ik ook al aan de orde stelde na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van vorig jaar.

Toen was één van de opvallendste aspecten van de uitslag het enorme stemmenverlies van de christelijke partijen waardoor hun aantal zetels in de Tweede Kamer fors werd gereduceerd. Vooral bij het CDA was het verlies enorm. Naar verhouding wisten de Christenunie en de SGP zich redelijk te handhaven. Ook al moest eerstgenoemde een zetel afstaan, echt dramatisch was het verlies niet. De uitslag van de verkiezingen van vorige week woensdag laat een op het eerste gezicht vergelijkbaar, maar bij nadere beschouwing toch ander beeld zien. Het CDA heeft zich weliswaar kunnen handhaven, maar van enig herstel was geen sprake. De SGP wist wat stemmen te winnen, maar er waren toch ook heel wat plaatsen waar ze veren moest laten. Deze keer viel de klap vooral bij de Christenunie. Een deel van het verlies is te wijten aan de substantieel hogere opkomst, die altijd in het nadeel van partijen met een trouwe achterban werkt. En omdat een deel van de aanhang bij de kamerverkiezingen al had afgehaakt, kan het niet verbazen dat het verlies van toen bij deze verkiezingen doorwerkte.

Maar er was toch iets opvallends. Het waren vooral christelijke bolwerken waar de Christenunie stemmen verloor. Daartoe behoren plaatsen als Bunschoten en Urk en dorpen op de Veluwe. Juist daar waar de Christenunie altijd zeker kon zijn van een omvangrijke en trouwe achterban raakte ze vele stemmen kwijt. Waar zijn die stemmen naartoe gegaan? Het lijkt erop dat de SGP hiervan een deel heeft gekregen. Maar de bescheiden stemmenwinst van de SGP kan het soms grote verlies van de Christenunie niet helemaal verklaren. In de genoemde plaatsen kreeg ook de PVV flink wat stemmen. Dat bracht Trouw ertoe te schrijven dat nu ook aanhangers van de Christenunie naar de PVV zijn overgelopen.

Zonder verder onderzoek is die conclusie wat voorbarig. Wanneer partij A 10 procent van de stemmen verliest en partij B 10 procent wint, is het verleidelijk aan te nemen dat die 10 procent van de ene naar de andere partij is gegaan. Maar zo eenvoudig is het meestal niet. Desalniettemin is er wel reden aan te nemen dat inderdaad van een overloop van de Christenunie naar de PVV sprake is. Na de kamerverkiezingen van vorig jaar is door een commissie uit de Christenunie een onderzoek gehouden. Daaruit kwam geen substantieel stemmenverlies aan de PVV naar voren. Er was eerder sprake van verlies aan linkse partijen, deels – maar niet uitsluitend – van kiezers die van nature niet tot de achterban van de partij behoren maar bij eerdere verkiezingen Christenunie gestemd hadden vanwege een aansprekend programma. Het is niet uitgesloten dat ook bij deze verkiezingen sommige kiezers die eerder Christenunie hebben gestemd, nu één van de linkse partijen hebben gekozen. Maar of dat ook voor de genoemde gemeenten geldt is maar zeer de vraag. Het sterk conservatieve karakter van deze plaatsen lijkt er eerder op te wijzen dat kiezers uit de natuurlijke achterban van de Christenunie dit keer hun stem aan de PVV hebben gegeven.

Wellicht liggen hier ook strategische overwegingen aan ten grondslag. Men wilde door een stem op de PVV – en misschien ook de SGP – bereiken dat dit kabinet, dat door de Christenunie nogal kritisch bejegend wordt, in de Eerste Kamer een meerderheid zou krijgen. Er kunnen ook meer inhoudelijke redenen zijn. Welke dat precies zijn is niet zonder nader onderzoek vast te stellen. Maar het zou naïef zijn te denken dat de achterban van de Christenunie immuun zou zijn voor de mantra’s die door PVV-politici worden aangeheven. U kent ze wel: de klachten over niet-westerse allochtonen – lees: moslims -, de gevaren van ‘islamisering’ en de teloorgang van de ‘christelijk-joodse cultuur’.

Die aantrekkingskracht bestond waarschijnlijk al wel eerder. Maar de drempel om naar de PVV over te stappen was groot. Tegen de PVV bestaat in christelijke kring veel weerstand. Het kost dus moeite om de overstap te maken. Het lijkt erop dat de rem om PVV te stemmen, begint de verdwijnen. En dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de PVV nu bij het regeringsbeleid is betrokken. Weliswaar is ze geen volwaardig coalitiepartner, maar haar wordt wel invloed op het regeringsbeleid gegund. Het ligt voor de hand te concluderen dat dit de drempel om PVV te stemmen, heeft verlaagd. Kortom, de gedoogsteun van de PVV aan het kabinet-Rutte heeft haar salonfähig gemaakt.

“Er is werk aan de winkel”, zei André Rouvoet als reactie op de teleurstellende verkiezingsuitslag. Dat geldt niet alleen voor de Christenunie, maar ook voor de christelijke kerken. Want daar is de traditionele achterban van de Christenunie te vinden. En dat betekent dat ook kerken voor de vraag staan hoe ze met dit verschijnsel omgaan. Dat leden van christelijke kerken op niet-christelijke partijen stemmen is geen nieuw verschijnsel. In kerken die een grote verscheidenheid aan dogmatische opvattingen kennen, zoals de PKN en de kerken waaruit ze is voortgekomen, is dat al decennia lang de gewoonste zaak van de wereld. Maar inmiddels is dit verschijnsel ook in kerken van een meer orthodoxe signatuur doorgedrongen. Er zijn gereformeerden die op GroenLinks of de SP stemmen, of zelfs op D66 – van de genoemde partijen waarschijnlijk wel het meest uitgesproken antichristelijk. Tot op heden geven kerken niet de indruk dit als een groot probleem te zien dat een antwoord vraagt.

Het lijkt erop dat steeds meer leden van christelijke kerken de PVV hun stem geven. Zal dat de kerken wakker schudden? De kerk heeft geen politieke taak. Vroeger namen de rooms-katholieke bisschoppen de vrijheid de gelovigen voor te schrijven op welke politieke partij ze moesten stemmen. Die tijden zijn voorbij, gelukkig. Met zulke voorschriften zou de kerk haar boekje te buiten gaan. Het zou ook onjuist zijn in de kerk verkiezingsmateriaal van de Christenunie of de SGP neer te leggen. Maar dat betekent niet dat het de kerk om het even mag zijn welke keuze haar leden in het stemhokje maken. Die keuze heeft immers alles te maken met het leven naar Gods wet.

In kerkdiensten wordt de lezing van de Tien Geboden vaak gevolgd door de samenvatting die Jezus ervan heeft gegeven. Het tweede deel daarvan luidt: heb uw naaste lief als uzelf. Kan wie dat ’s zondags hoort, de woensdag daarop het hokje rood maken bij een partij die naastenliefde niet in haar woordenboek heeft staan? Is Jezus’ voorschrift in de Bergrede dat we zelfs onze vijanden moeten liefhebben te verenigen met de keuze voor een partij die mensen vanwege hun geloof wil discrimineren, in de hoop dat ze hun biezen pakken?

Maar de kerk moet de spade nog wat dieper in de grond steken. Waarom nemen gelovigen hun toevlucht tot de PVV? Die speelt vooral in op de angst voor een machtsgreep van de islam. Met de vraag of die angst reëel is moet de kerk zich niet bezighouden. Dat is iets voor het maatschappelijke en politieke debat. De vraag die de kerk moet stellen is: hoe is de angst voor islamisering te verenigen met de belijdenis van Gods voorzienigheid? En stel nu eens dat er inderdaad een tijd aanbreekt dat christenen in hun vrijheid beperkt worden door moslims – of door wie dan ook. Drs. C.J. Haak, docent missiologie aan de TU te Kampen, zei kortgeleden: als de kerk wordt platgebrand, wat dan nog? Dan bouwen we toch een nieuwe? Dat klinkt wat erg simpel, maar hij treft daarmee wel de kern van de zaak: zijn we als christenen bereid te lijden? Of verdedigen we onze comfortabele maatschappelijke positie vooral om dat gevaar uit te bannen? Zo ja, wat zegt dat dan over ons geloof? Is ons dat nog wat waard?

Ook voor de kerk is er werk aan de winkel.