Archief

Posts Tagged ‘Jetske van den Elsen’

Een lege huls

We leven in een tijd van economische crisis. Het woord ‘bezuinigen’ ligt op de lippen van vrijwel elke politicus bestorven. Dat er bezuinigd moet worden staat vast. De vraag is alleen: waarop? En dan beklimmen politieke partijen en hun vertegenwoordigers hun stokpaardjes. De noodzaak tot bezuinigen wordt dan al gauw een stok om de hond te slaan waaraan men toch al een hekel had. VVD en PVV lopen te hoop tegen ontwikkelingssamenwerking en ook de publieke omroep moet flink gekortwiekt worden. De inmiddels demissionaire minister Van Bijsterveld, die verantwoordelijk is voor omroepzaken, heeft de publieke omroepen tot fusies gedwongen. Dat leidt onder andere tot het samengaan van KRO en NCRV.

Er zullen wel niet veel luisteraars en kijkers zijn die het idee hebben dat hiermee iets wezenlijks verloren gaat. Er zullen wel verschillen zijn in presentatie en er is ook nog zoiets als ‘nestgeur’, maar inhoudelijke verschillen zijn nauwelijks te ontwaren. De vraag is gewettigd waarom nu uitgerekend deze omroepen gaan fuseren. Zou de NCRV, bijvoorbeeld, niet net zo goed met de AVRO een nieuwe omroep kunnen vormen? De laatste is weliswaar levensbeschouwelijk ‘neutraal’ – wat dat dan ook mag zijn – maar men mag zich afvragen of de NCRV dat in feite ook niet is.

Op 1 april van dit jaar schreef Willem Pekelder, tv-recensent van Trouw, een artikel in zijn eigen krant, waarin hij KRO en NCRV verwijt geen raad te weten met hun christelijke wortels. De titel van zijn artikel is veelzeggend: “De lege huls van KRO en NCRV”. “Hilversum weet zich geen raad met het christendom. Om het omroepbestel te redden, zouden NCRV en KRO zich juist op dat punt moeten onderscheiden. Maar die huren liever een marketingbureau in.”

De KRO zet in op ‘leefstijlgroepen’. “Voor veel geld worden elke vijf jaar nieuwe imagocampagnes gelanceerd waarin de omroepverenigingen ons vertellen wat nu weer hun nieuwe gezichten en bijbehorende slogans zijn. (…) Met deze saus overgieten de omroepen hun programma’s, zodat ze, elk op hun eigen manier, naar het pijpen van de de leefstijlgroepen kunnen dansen.” Maar: “Zodra er iets ‘echt katholieks’ kan worden verteld, haakt de KRO af.”

Volgens hem is het met de NCRV nog treuriger gesteld. “De NCRV wil, onder Haagse dwang, een fusie aangaan met de KRO, maar is Human, de Humanistische Omroep, niet veel geschikter? Het programma ‘Man bijt hond’ kan zo meeverhuizen. En het enthousiasme van de NCRV over de jaarlijkse ‘Week van de euthanasie’ zou ook heel goed bij de humanisten passen. Toen NCRV-presentatrice Jetske van den Elsen kortgeleden uitlegde hoe je je moet laten ‘ontdopen’, was er geen twijfel meer mogelijk: dit is een filiaal van de Human. De NCRV-slogan ‘Wij geloven in de mensen’ past er perfect bij.”

Het hier geschetste beeld is heel herkenbaar. Nederland had ooit veel christelijke organisaties, die op allerlei terreinen van het maatschappelijke leven actief waren, van scholen tot vakbonden. Veel van die organisaties zijn inmiddels gefuseerd. Soms waren dat fusies tussen protestantse en rooms-katholieke organisaties (denk aan het CNV en het CDA), soms ook ging een christelijke organisatie in een ‘algemene’ op. Maar ook nog bestaande christelijke organisaties hebben vaak een karakter waarin maar weinig specifiek christelijks is te ontdekken. Veel scholen zijn alleen nog door hun naam als christelijk te herkennen, maar nauwelijks of niet meer in de inhoud van het onderwijs. Veel ouders kiezen dan ook voor zulke scholen vanwege hun kwaliteit en niet vanwege hun ‘christelijke’ karakter. Het is dan geen wonder dat het bestaansrecht van zulke scholen ter discussie wordt gesteld. Naarmate er meer bezuinigd zal moeten worden, zullen ongetwijfeld ook op het vlak van het onderwijs vragen gesteld worden. Moet de overheid christelijk onderwijs subsidiëren, wanneer het zich niet principieel van het openbaar onderwijs onderscheidt?

Dat seculieren de zin van christelijke organisaties ter discussie stellen is logisch. Zij zien meestal de zin van religie helemaal niet en begrijpen niet wat daarvan de betekenis is. Daarover hoeven we ons niet te verbazen of op te winden. Ernstiger is – en dat is de strekking van Pekelders artikel – dat de christelijke organisaties zelf met hun ‘christelijkheid’ in de knoop zitten. De bovengenoemde omroepen zijn niet de enige. Het Nederlands Dagblad kopte op 2 juni: “CDA formuleert ‘christelijke’ standpunten wollig”. De partij presenteerde het verkiezingsprogramma onder de titel ‘Iedereen’. Dat is niet zo verschillend van de slogans die KRO en NCRV gebruiken: ‘Samen op de wereld’ en ‘Goed leven’. De partij richt zich niet meer alleen op christenen. Dat hoeft helemaal geen probleem te zijn: veel christelijke idealen kunnen ook weerklank vinden bij niet-christenen, zij het vanuit andere motieven. Maar dat is nog geen reden de eigen motivatie te verzwijgen en de eigen idealen zo te formuleren dat de christelijke oorsprong ervan onder het kleed verdwijnt. Christelijke organisaties lijken bevangen door de angst expliciet te verwijzen naar de bron waaruit ze zijn voortgekomen. Nu past het christenen zeker bescheiden te zijn, vooral wanneer men regelmatig wordt geconfronteerd met situaties in eigen kring die zich maar moeilijk met het christelijk geloof laten rijmen. Maar dat is geen reden dan maar helemaal in je schulp te kruipen en het belang van het christelijk geloof zodanig te relativeren dat er niets van overblijft.

Met de titel ‘Iedereen’ wil het CDA tot uitdrukking brengen dat iedereen meetelt. Dat is een uitstekend uitgangspunt voor een politieke partij, zeker in een tijd waarin mensen of groepen mensen door bepaalde partijen achteruitgesteld worden. Dezelfde motivatie drijft ook KRO en NCRV, en ook daartegen is niets in te brengen. Het is zelfs de taak van een christelijke omroep te proberen iedereen te bereiken. Het uitgangspunt dat iedereen meetelt mag er echter niet toe leiden dat dan alle opvattingen en leefstijlen gelijkgesteld worden en alle principiële verschillen worden uitgewist. Het valt te vrezen dat veel ‘christelijke’ organisaties zich hebben laten wijsmaken dat het niet gepast is de eigen overtuiging als de waarheid te presenteren. Die opvatting werd in een artikel in Trouw van 25 mei j.l. verwoord in een artikel van Herman van Koetsveld, theoloog en predikant, en Enis Odaci, voorzitter van de stichting Humanislam. Volgens hen worden jodendom, islam en christendom verbonden door één centraal begrip: liefde. “De liefde voor God is de liefde voor ieder mens naast je, als fundament voor een samenleving van recht, welzijn, vrede en compassie. De tijd is rijp om vanuit dit ‘gemeenschappelijke woord’ de godsdiensten grondig te hervormen. (…) Allereerst zullen wij moeten leren de religieuze claim op de waarheid los te laten. Het is eenvoudig vast te stellen dat er talloze manieren zijn om God, of het goddelijke, te zoeken. Niet alleen als een fenomeen, maar ook als een geestelijke werkelijkheid.”

Je hoeft geen overtuigd christen te zijn om in te zien dat deze redenering innerlijk tegenstrijdig is. De liefde wordt in feite geproclameerd als een nieuw dogma dat de typisch christelijke, islamitische en joodse dogma’s vervangt. De drie genoemde godsdiensten moeten hun claim op de waarheid laten vallen, maar de auteurs stellen daar een nieuwe claim tegenover, namelijk de liefde als “fundament voor een samenleving van recht, welzijn en compassie”. Het probleem is dat iedereen onder liefde iets anders verstaat. Zolang het begrip niet concreet wordt ingevuld, is het als fundament voor de samenleving ondeugdelijk.

De uitwerking die ze er zelf aan geven, is een hoogst persoonlijke toepassing die met veel aplomb naar voren wordt gebracht als iets waarover iedereen het vanzelfsprekend eens is en die daarom geen nadere argumentatie behoeft. Zo’n argumentatie ontbreekt dan ook in het artikel. In feite is maar weinig van wat ze beweren zonneklaar en onomstreden.

Vraag aan een zaal vol mensen wie er tegen ‘de liefde’ is en er zal geen enkele hand omhoog gaan. Maar daarmee is nog niet gezegd dat die ook daadwerkelijk in het samenleven van mensen functioneert. Veel mensen zijn best bereid tot naastenliefde. Maar die moet dan wel wederkerig zijn. Wanneer ze niet beantwoord wordt, is het met de naastenliefde meestal snel gedaan. Wanneer het aan de mens zelf wordt overgelaten het begrip liefde in te vullen, wordt het een speelbal van persoonlijke, hoogst subjectieve gevoelens.

De liefde kan ook zo worden ingevuld dat geen grenzen worden gesteld en bijna alles met de mantel van de liefde wordt bedekt. Dat is logisch, wanneer in de liefde de mens en zijn behoeften en verlangens in het middelpunt staan, ook wanneer die helemaal niet zo gezond zijn, voor de betrokkene zelf of voor de samenleving. De opvoeding draagt daar de sporen van. Er wordt de laatste tijd nogal eens geklaagd over ‘betutteling’ door de overheid, bijvoorbeeld als het gaat om drankgebruik of eetgewoonten, met name van jongeren. Die ‘betutteling’ is het gevolg van het feit dat ouders geen grenzen (durven) stellen. Liefde is vaak de motivatie voor vrijwel onbeperkte vrijheid en tolerantie, met alle gevolgen van dien.

Liefde, in het bijzonder naastenliefde, is een uitstekend uitgangspunt voor christelijke organisaties, of dat nu politieke partijen, maatschappelijke instellingen, scholen of omroepen betreft. Het betekent dat men het goede voor alle mensen zoekt, en dat is niets anders dan een bijbelse opdracht. Maar dat betekent dan ook dat die naastenliefde vanuit de bron, de Schrift, moet worden ingevuld. Jezus vat de Tien Geboden van het Oude Testament samen in de bekende tweeslag: het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste. Het tweede heeft haar wortel in en wordt ingevuld vanuit het eerste. Daarmee staat de naastenliefde altijd in het kader van de geboden van God, die het welzijn van de mens op het oog hebben.

De naastenliefde wist de grenzen tussen goed en kwaad niet uit, integendeel. Het lijkt heel menslievend iedereen te laten doen wat hem goeddunkt. Die ‘liefde’ is vaak een schaamlap voor wat in feite ongeïnteresseerdheid is. Echte naastenliefde laat mensen niet hun gang gaan in wat volgens de Schrift tot hun ondergang leidt. De mogelijkheden corrigerend op te treden in de samenleving zijn beperkt en maatschappelijke organisaties en politieke partijen kunnen vaak niet meer dan zaken aan de orde stellen en proberen anderen van de juistheid van hun inzichten te overtuigen. Maar dat kan alleen wanneer ze zelf ervan overtuigd zijn dat de bron waaruit ze putten, niet zomaar een mening is maar een geopenbaarde waarheid.

Wanneer naastenliefde wordt losgemaakt van haar bron wordt ze tot een lege huls. Ze kan niet dienen als fundament voor de samenleving, want ze is op zand gebouwd: het zand van het ‘geloof in de mens’. Om als fundament te kunnen functioneren dient ze gebouwd te zijn op de rots. En die rots is Christus (1 Cor. 10,4). Hij presenteert zichzelf als “de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14,6). Wanneer christenen de waarheid claimen, doen ze dat niet uit eigen beweging, maar in navolging van hem. Daarover valt geen compromis te sluiten. Dat is ook in het belang van de samenleving. Van Koetsveld en Odaci hopen dat godsdienst de “voedingsbodem (kan) worden voor een toekomst die gegrondvest is op de beginselen van de humaniteit”. Echte humaniteit ligt in de navolging van Christus. Dat is de boodschap die christelijke organisaties niet mogen verzwijgen.

Advertenties