Archief

Posts Tagged ‘Jochem Douma’

Orgaandonatie: Wie zwijgt stemt toe?

Met enige regelmaat is orgaandonatie een onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie. Ook recent werd daarover weer van mening gewisseld in de Tweede Kamer en in de pers. Politiek gezien draait alles om een voorstel van D66 een ‘actief donorregistratiesysteem’ in te voeren. Het is in de Tweede Kamer niet tot een stemming gekomen. Aangezien de CDA-fractie het voorstel unaniem afwees, was op voorhand duidelijk dat er geen meerderheid voor was. Dat het nu – opnieuw – afgewezen is, wil niet zeggen dat het op termijn niet weer op tafel komt. D66 zal ongetwijfeld blijven proberen dit systeem ingevoerd te krijgen. Zoals het er nu naar uitziet zal dat alleen lukken wanneer deze partij bereid is het voorstel substantieel te wijzigen. Maar de komende verkiezingen kunnen ook roet in het eten gooien. De PVV is bijvoorbeeld een tegenstander van het D66-voorstel en wanneer die bij de komende verkiezingen een substantiële winst zou behalen, zal de steun voor het D66-plan nog verder afkalven.

De problemen rond de donorregistratie zijn niet te ontkennen. Van overheidswege wordt gestimuleerd dat mensen laten weten of ze bereid zijn na hun dood organen voor transplantatie af te staan. Ze kunnen ook specificeren welke organen ze eventueel willen afstaan. Daarnaast is het uiteraard mogelijk ervoor te kiezen geen donor te zijn. Tenslotte kan men ook aangeven dat men de beslissing aan de nabestaanden wil overlaten. Maar desondanks zijn er nog heel veel mensen die geen keuze maken. Dat is de reden dat D66 het over een andere boeg wil gooien. Haar voorstel houdt in dat iedere burger op enkele momenten wordt gevraagd te laten weten wat zijn beslissing is. Hij kan dan dezelfde keuzen maken als in het huidige ‘geen-bezwaar-systeem’. Het verschil is dat wanneer hij geen keuze maakt – opzettelijk, uit slordigheid of vergeetachtigheid – hij geacht wordt toestemming te geven zijn bruikbare organen na zijn dood voor transplantatiedoeleinden te gebruiken.

Ook in christelijke kring is het nodige over dit onderwerp geschreven. Het belangrijkste argument ten gunste van orgaandonatie is het gebod tot naastenliefde. In een recente weblog schrijft ds. Ernst Leeftink: “Volgens mij moeten christenen in deze diskussie de woorden van Jezus onze Heer uit Matteüs 7:12 en Lukas 6:31 zwaar laten wegen: Behandel anderen steeds zoals je wilt dat ze jullie behandelen (NBV) / Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo (NV’51).” Wat opvalt is dat hij hier spreekt over “zwaar laten wegen”. Dat suggereert de ruimte om ook andere elementen in de overwegingen te betrekken. Hij trekt uit dit gebod ook niet de conclusie dat iedereen bereid moet zijn zijn organen na zijn dood ter beschikking te stellen. Daarvoor lijkt me ook weinig grond, al was het maar dat in bijbelse tijd orgaantransplantatie helemaal niet bestond. Er zijn allerlei onderwerpen die in de tijd dat de Schrift ontstond nog buiten beeld waren. In zulke gevallen moeten christenen die de bijbel als richtinggevend voor hun leven beschouwen, een vertaalslag maken. In dit geval betekent het dat gekeken moet worden hoe bijvoorbeeld over het lichaam en de dood wordt gesproken en over de relatie tussen mensen.

Vanuit dit perspectief is het dan wel merkwaardig dat Leeftink in een ander verband wel de term ‘onchristelijk’ gebruikt. Dat doet hij in het kader van zijn kritiek op het standpunt van de ChristenUnie. Die wil – kort samengevat – wel dringen maar niet dwingen. Leeftink merkt op: “Op http://www.donorregister.nl kan iedereen invullen of men wel of geen orgaandonor wil zijn. Maar het heeft onvoldoende geholpen. Na tien jaar neemt bijna 60% van de Nederlanders nog steeds niet z’n verantwoordelijkheid.” Door het D66-voorstel af te wijzen “stimuleert ze laksheid en ongeïnteresseerdheid. En bevordert ze gebrek aan naastenliefde.” Eerder schreef hij: “Die laksheid vind ik onchristelijk”. Kort gezegd: niemand is, ook niet op grond van de Schrift, verplicht zijn organen na zijn dood beschikbaar te stellen, maar wel om een keuze te maken. Dat is een vreemde positiekeuze. Hoe kan vanuit de Schrift het maken van een keuze als morele plicht gekwalificeerd worden? Wie van mening is dat het ieders vrijheid is eventueel ook orgaandonatie af te wijzen, kan niet hard maken dat het maken van een keuze – welke dan ook – een christelijke plicht is.

De crux van de kwestie zit in de consequentie van het niet maken van een keuze. In het D66-voorstel betekent dit dat uitgegaan wordt van toestemming. Oftewel: wie zwijgt, stemt toe. Leeftink vindt dat een logische stap. “Maar als iemand gewoon de moeite niet neemt om na herhaalde oproepen het donorregistratieformulier in te vullen, is het een hele logische stap om te zeggen: ‘Wie zwijgt, stemt toe'”. Mij ontgaat die logica. Want we raken hier aan de vraag wat de bevoegdheid van de overheid is en hoever die reikt. In Nederland is de overheid over het algemeen erg terughoudend in te grijpen in het persoonlijk leven van mensen, vooral als hun identiteit en diepste overtuigingen in het geding zijn. Polio is een uiterst besmettelijke ziekte en de overheid stimuleert de inenting van kinderen daartegen. Maar zoals bekend zijn er kringen in Nederland die op godsdienstige gronden zo’n inenting afwijzen. Zij worden daartoe niet gedwongen. Na de laatste uitbraak van polio werd opnieuw gepleit voor dwang. Maar tot nu toe heeft de overheid die aandrang altijd weerstaan. De overheid dringt wel maar dwingt niet. Er moeten hele zwaarwegende redenen zijn om tot dwang over te gaan, bijvoorbeeld wanneer de nationale volksgezondheid of de openbare orde in gevaar zijn. Zolang daarvan geen sprake is, ontbreekt een grond voor dwang.

Het leed van degenen die dringend een orgaan nodig hebben, mogen we niet onderschatten. Maar de nationale volksgezondheid is hier niet in het geding. Hier komen we bij een essentiële vraag die nogal gevoelig ligt maar niet over het hoofd gezien mag worden. Kunnen degenen die een orgaan nodig hebben, daarop wel aanspraak maken? Uiteraard hebben zij, net als elke zieke, recht op optimale zorg en op middelen die verlichting geven of zelfs tot genezing kunnen leiden. Wanneer er bijvoorbeeld dure kunstorganen of behandelmethoden zijn, komt in principe elke patiënt daarvoor in aanmerking. Hier mag geen onderscheid gemaakt worden op grond van draagkracht of sociale status. Maar daaruit vloeit niet het recht op menselijke organen voort. Vanuit belangenorganisaties wordt de indruk gewekt dat er een morele plicht bestaat voor mensen om na hun dood organen af te staan aan hen die ze nodig hebben. Maar zo’n recht bestaat niet. Juridisch uiteraard niet maar ook ethisch niet. Wanneer zelfs christelijke ethici in dit verband niet van een morele plicht durven spreken, valt niet aan te nemen dat er andere gronden te vinden zijn die zo’n opvatting rechtvaardigen. De ethicus Jochem Douma schreef eens: “Wie in elk mens een uniek beeld van God ziet, heeft niet voldoende respect voor het uniek persoonlijke, als hij het vanzelfsprekend vindt dat het lichaam na de dood ten bate van de gemeenschap gebruikt moet worden.”

Binnen de kerk mag en moet het onderwerp van de orgaandonatie aan de orde komen. Niet om daaruit dwingende conclusies te trekken. Bij een vertaalslag moet je altijd een slag om de arm houden. Maar wanneer we vanuit het bijbelse liefdegebod de bereidheid tot het afstaan van organen na het sterven als een daad van naastenliefde aanbevelen en niet meer dan dat, kan de overheid niet een stap verder gaan en dwang toepassen. Het is de verantwoordelijkheid van elke burger op grond van eigen levensbeschouwing een keuze te maken. Die kan de overheid voor niemand invullen. Het overheidsbeleid gaat altijd van een bepaalde ethiek uit, ook al wordt die zelden expliciet gemaakt. Die is dan de grond onder concrete overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld ten aanzien van sociale zekerheid of de opvang van vluchtelingen. Maar die ethiek kan niet aan de burger worden opgelegd. De overheid kan ertoe besluiten vluchtelingen op te vangen maar mag niet van individuele burgers vragen hun huis of hun tijd daarvoor ter beschikking te stellen. Na de recente aanslag in Orlando (VS) liep het storm bij de bloedbank. Het is mooi dat zoveel burgers bereid waren bloed te geven om de levens van gewonden te redden. Maar de overheid zou haar bevoegdheden ver overschrijden wanneer ze burgers zou dwingen bloed af te staan.

In onze democratische rechtsstaat staat het iedere burger vrij zich bij een organisatie aan te sluiten, zoals een politieke partij of een vakbond. Maar ieder is ook vrij dat niet te doen. Iedere stemgerechtigde burger mag bij verkiezingen zijn stem uitbrengen maar is ook vrij van dat recht geen gebruik te maken. Opkomstplicht, laat staan stemplicht, zijn in strijd met de burgerlijke vrijheden. De overheid moet met heel sterke en zwaarwegende argumenten komen om burgers te dwingen tot keuzen die hem in zijn persoonlijk leven raken. In het geval van orgaandonatie zijn die argumenten er niet.

Confrontatie met de vraag naar organen en drang om een keuze te maken is een goede zaak. Maar met dwang overschrijdt de overheid haar bevoegdheden. “Wie zwijgt stemt toe” is geen basis voor overheidsbeleid. Juist een christelijke partij moet zich tegen die dwang verzetten in het belang van een rechtsstaat die de individuele vrijheden respecteert.

Advertenties

Kerkelijke klokkenluiders

Op zaterdag 29 september j.l. was een aantal leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) bijeen in Bunschoten. Daar uitten zij hun zorg over ontwikkelingen in hun kerkelijke gemeenschap. Er werden toespraken gehouden en er werd een verklaring voorgelezen. Deze zal nog een definitieve vorm krijgen. Ik zal me daarom van inhoudelijk commentaar onthouden, ook gezien het feit dat ik de bijeenkomst niet heb bijgewoond. De hier gemaakte kanttekeningen zijn dan ook gebaseerd op de berichtgeving in de pers.

Op 27 september publiceerde het Nederlands Dagblad een vooruitblik op de bijeenkomst. Opvallend is het slot van het artikel. “Intussen gaat het gewone vrijgemaakte leven door. Wie denkt dat dat bol staat van zorg en verontrusting, vergist zich. Het tegendeel lijkt eerder waar: oeverloze discussies over de koers van de kerken en over omstreden synodebesluiten behoren tot het verleden. De onderwerpen waarover Douma en Wilschut zich zorgen maken, lijken een groot deel van de vrijgemaakt-gereformeerde kerkleden niet (meer) bezig te houden.” Over de omvang van de verontrusting valt geen zinnig woord te zeggen. De opkomst in Bunschoten – volgens het Nederlands Dagblad zo’n 500 – kan op geen enkele manier als maatstaf dienen. Juist doordat in de GKV de plaatselijke kerk een grote mate van autonomie heeft, onttrekt zich de omvang van de verontrusting aan de waarneming. Wie weet hoeveel bezwaarschriften en brieven op kerkenraadstafels terecht komen? En hoeveel gemeenteleden hebben inmiddels de hoop opgegeven dat daarmee iets wordt gedaan en hebben het hoofd in de schoot gelegd?

Het zou best eens waar kunnen zijn dat een groot deel van de vrijgemaakt-gereformeerde kerkleden zich niet meer bezighoudt met de zaken die in Bunschoten aan de orde kwamen. Maar dat zou nu wel eens precies een deel van de kwaal kunnen zijn waaraan de GKV lijden. Zaken die er volgens de Schrift en de gereformeerde belijdenis toe doen, worden als achterhaald of irrelevant ter zijde geschoven. Dat is reden te meer een appèl te doen op de kerken om die zaken weer de aandacht te geven die ze behoren te hebben. En zelfs al behoort slechts een kleine minderheid van de leden van de GKV tot de ‘verontrusten’, dat zegt niets over de vraag of ze gelijk dan wel ongelijk hebben. De waarheid wordt niet bij meerderheid van stemmen bepaald.

De hoofdredacteur van De Reformatie, ds. B. Luiten, verwijt de opstellers van het Appèl dat zich keert tegen het verzoek van de Stroomgemeente in Amsterdam toegelaten te worden tot het kerkverband, “onkerkelijk handelen” (Nederlands Dagblad, 24.9.12). Je wrijft toch wel even je ogen uit als je zoiets leest. Het is uiteraard uitstekend dat wordt aangedrongen op correct kerkelijk handelen. Maar dan wel graag consequent en niet alleen als het even goed uitkomt. Wie geen vreemde is in de GKV weet dat kerkelijke afspraken op plaatselijk niveau op grote schaal worden genegeerd.

Er vinden kerkelijke huwelijksbevestigingen plaats van bruidsparen waarvan één van de partners geen lid van een GKV is – in strijd met kerkelijke bepalingen. Er zijn gemeenten waar in de diensten op zondagmorgen de wet niet meer wordt voorgelezen of er een versie van eigen makelij wordt gebruikt – in strijd met wat daarover is afgesproken. In sommige gemeenten is de middagdienst afgeschaft of worden diensten gehouden die het etiket ‘kerkdienst’ niet verdienen. Dat zijn nog maar enkele voorbeelden. Ik heb niet de indruk dat kerkelijke vergaderingen zich erg inspannen hier corrigerend op te treden.

“Volgens Luiten “is buiten deze classis op dit moment niemand geroepen om over dit verzoek te oordelen””, schrijft het Nederlands Dagblad. Het gaat hier echter om een zaak waarover veel publiciteit is geweest. Het lijkt er niet op dat de classis Amsterdam-Leiden of de Stroomgemeente erg hun best hebben gedaan te voorkomen dat de kwestie in de openbaarheid kwam. Wanneer een predikant in zijn kerkblad of vanaf de kansel een opvatting ventileert die wordt geacht in strijd te zijn met de Schrift en de gereformeerde belijdenis, kan dat aan de classis worden voorgelegd. Dan moet de zaak daar ook blijven. Maar wanneer die predikant zijn visies door een publicatie in de openbaarheid brengt, heeft ieder kerklid – en dat sluit collega-predikanten in – het volste recht daarover een oordeel uit te spreken. En dan hebben we nog te maken met iets wat in principe tot tuchtmaatregelen zou kunnen leiden. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om de vraag of een gemeente als lid in volle rechten tot het kerkverband kan worden toegelaten, waar opvattingen en kerkelijke praktijken ruim baan krijgen waarvoor binnen het kerkverband tot dan toe geen plaats was. Niet alleen het publieke karakter van de zaak maar ook de reikwijdte van een eventueel positief besluit is een reden hierover ook publiek te discussiëren.

Luiten is ook van mening dat het Appèl wantrouwen heeft gezaaid. Hier haalt hij oorzaak en gevolg door elkaar. Het Appèl geeft inderdaad blijk van wantrouwen, zoals prof. J. Douma, één van de opstellers, ook heeft toegegeven. Maar dat wantrouwen is het resultaat van de kerkelijke ontwikkelingen. Van wantrouwen tegenover de betrokken classis is alle reden, gezien de afwachtende en zelfs toegeeflijke houding die ze in het recente verleden heeft ingenomen, bijvoorbeeld toen de Stroomgemeente besloot de doop als norm te laten vallen en die in feite tot specialité de la maison te reduceren. De kerk waaruit Stroom is opgezet en de classis hebben door hun opstelling zelf wantrouwen gezaaid. Ook de manier waarop met kerkelijke regels wordt omgegaan, zoals hierboven al geschetst, draagt bij tot het ontstaan van een klimaat van wantrouwen. Van een onbekrompen binding aan de belijdenis lijkt niet altijd sprake. Wie denkt dat kerkenraden altijd doen wat hun opdracht is – het onverkort uitdragen van de gereformeerde belijdenis en alles weerleggen wat die belijdenis weerspreekt – mag het zeggen.

Zolang een belangrijk deel van de kerkelijke gemeenschap rustig slaapt in de waan dat er vrede heerst en er geen gevaar dreigt hebben we klokkenluiders hard nodig.

De kromme stok van Wim Berkelaar

De column van Wim Berkelaar waarover de vorige bijdrage in deze weblog ging, houdt de gemoederen nog steeds bezig. Sinds dat stuk werd geschreven, gaf Berkelaar een nadere verantwoording en uitleg in het Nederlands Dagblad van 1 februari. Als het zijn bedoeling was de gemoederen enigszins tot bedaren te brengen is hij daarin niet geslaagd, zoals uit de reacties op de website van de krant blijkt. Wel geeft zijn artikel een beter inzicht in de manier waarop hij naar de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kijkt. Het is een nuttige aanvulling op wat hij in zijn column schreef en wat Peter Bergwerff in zijn artikel, waaruit ik in mijn vorige bijdrage citeerde, naar voren haalde over de motieven van Berkelaar. Er valt niet aan de conclusie te ontkomen dat Berkelaar van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) niet veel begrijpt. Dat betreft niet alleen de kerken zoals ze in de jaren ’60 van de vorige eeuw waren. Zijn begrip van deze kerken zoals ze in deze tijd zijn is niet veel groter. Ik ga hier maar voorbij aan de vraag of hier sprake is van onvermogen of van onwil.

In mijn vorige artikel heb ik betoogd dat het niet de eerste taak van de historicus is een oordeel uit te spreken over de zaken of de personen waarmee hij zich bezighoudt. Hij moet in de eerste plaats feiten verzamelen, hun samenhang blootleggen en ze in hun contekst plaatsen. Als hij al een oordeel wil vellen, kan dat alleen op basis van kennis en inzicht. Waar die ontbreken, is elk oordeel een slag in de lucht.

Vervolgens is het dan noodzakelijk dat hij duidelijk maakt aan de hand van welke criteria een eventueel oordeel geveld wordt. Wordt het optreden van een persoon bijvoorbeeld gemeten aan de hand van diens eigen normen of die van het milieu waarin hij opereerde? Of legt de historicus andere criteria aan? En zo ja, welke dan? Als het zijn persoonlijke criteria zijn, wie wordt daar dan wijzer van, behalve de schrijver zelf? Zit iemand te wachten op de vraag of een persoon in zijn optreden of denken voldoet aan de persoonlijke maatstaven van de desbetreffende historicus? En als deze meent bepaalde handelingen of denkbeelden te moeten bekritiseren, zou hij die dan niet in elk geval aan het juiste adres moeten richten?

Dit soort overwegingen zijn relevant in het onderhavige geval. In zijn column schrijft Berkelaar: “Kamphuis had zich als predikant doen kennen als een geharnast verdediger van de leer dat de vrijgemaakt-gereformeerde kerk de ‘ware kerk’ was. Er liep voor hem een rechte lijn tussen de Reformatie van Maarten Luther (1517) via de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 tot aan de Vrijmaking van 1944. Dat die leer op zichzelf dwaasheid is, door en door onhistorisch denken verraadt en als hoogmoedig kan worden getypeerd (als er een ‘ware’ kerk is, dan is er immers ook een ‘valse’ kerk – en wie zal dat bepalen?) is tot daaraan toe.” Uit de laatste zin blijkt dat Berkelaar niets op heeft met de leer betreffende de kerk zoals die in de gereformeerde belijdenis wordt verwoord. Dat is zijn goed recht, maar het is nogal vreemd zijn bezwaar ten tonele te voeren als onderdeel van zijn requisitoir tegen Kamphuis. Zijn verwijt is in feite dat Kamphuis de leer van zijn kerk verdedigde. Maar als Berkelaar tegen die leer bezwaar heeft, moet hij die richten tegen de kerken die Kamphuis diende.
Ter vergelijking: gereformeerden verwerpen het primaat van de paus. Maar het is niet terecht en ook weinig zinvol bijvoorbeeld kardinaal Eijk te bekritiseren wanneer die dat leerstuk verdedigt. Als vertegenwoordiger van zijn kerk mag van hem niet anders verwacht worden. Kritiek hierop moet gericht zijn op zijn kerk, niet op hem persoonlijk.

Berkelaar vervolgt dan: “De ware misdaad van Kamphuis was dat hij gewetensdwang begon te beoefenen en anderen, die twijfelden aan de gedachte van de ‘ware kerk’ week in, week uit de maat nam in het weekblad De Reformatie.” In zijn artikel in het Nederlands Dagblad spreekt hij over pogingen censuur uit te oefenen over “vrije gedachtenvorming”. Deze taxatie van het perswerk van Kamphuis laat ik hier onbesproken. Hier gaat het om zijn typering van dat werk als “gewetensdwang” en “censuur”. Daaruit komt opnieuw een gebrek aan begrip van de Gereformeerde Kerken naar voren.

Gewetensdwang betekent dat iemand niet de vrijheid heeft te denken wat hij wil. Kamphuis was helemaal niet in de positie zulke ‘gewetensdwang’ uit te oefenen. En mogelijkheden tot ‘censuur’ had hij al helemaal niet. In het gereformeerde kerkrecht is dat de exclusieve taak van kerkenraden. Kamphuis sprak vooral ambtsdragers – in dit geval speciaal voorgangers – aan op hun gebondenheid aan de gereformeerde belijdenis. Elke ambtsdrager had zich immers door zijn handtekening onder het ondertekeningsformulier verplicht die belijdenis uit te dragen en alles wat daarmee in strijd was te weerleggen. Ook Kamphuis had – eerst als predikant en later als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool – zijn handtekening gezet. De daaruit voortvloeiende taak nam hij serieus. En hij sprak ook ambtsdragers aan op de belofte die ze met hun handtekening hadden afgelegd. Niemand was verplicht die handtekening te zetten. De consequentie was dan wel dat het ambt voor hen gesloten zou blijven. Maar dat behoort tot het wezen van gereformeerde kerken: ambtsdragers hebben geen absolute vrijheid van meningsuiting. In hun uitlatingen – mondeling via preken of schriftelijk in boeken en artikelen – behoren ze te blijven binnen de grenzen die de belijdenis trekt. Natuurlijk staat het Berkelaar vrij hierop kritiek te leveren. Maar die moet dan wel aan het juiste adres gericht zijn. In dit geval betekent dat de Gereformeerde Kerken.

Onbegrip blijkt ook uit de opmerkingen die Berkelaar zich over Kamphuis’ collega Douma veroorlooft. “Zijn Kamper oud-collega Jochem Douma, emeritus-hoogleraar ethiek aan de Broederweg, die zich in de jaren zeventig liet kennen als het progressieve uithangbord van de vrijgemaakt-gereformeerden, toonde zich in zijn herdenking een hardliner die zich pal achter Kamphuis opstelde. Ook al zou hun toon verschillend zijn geweest, Kamphuis en Douma deelden hun ‘liefde voor de gereformeerde religie’. En ze deelden de laatste jaren ‘zorg over de koers van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt’. De ooit zo progressieve Douma bekritiseert nu degenen die in openheid hun gereformeerde geloof willen belijden – notabene in navolging van Douma zelf, die in de jaren zeventig ruimte zocht.”

Douma heeft de verschillen tussen hem en Kamphuis nooit onder het tapijt geveegd. Zelfs in zijn artikel naar aanleiding van diens overlijden heeft hij die nog eens gememoreerd. Maar de openheid die Douma altijd heeft gepropageerd – en waarop hij nooit is teruggekomen – was geen openheid waarbij de gereformeerde belijdenis ter discussie werd gesteld. Hij zocht inderdaad ruimte, maar dan wel binnen de grenzen van die belijdenis. Daarom is er geen tegenstelling tussen zijn pleidooi voor openheid en zijn bezorgdheid over de huidige ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken. En daarom is het ook logisch dat hij in zijn herdenkingsartikel de eensgezindheid tussen Kamphuis en hem in hun “liefde voor de gereformeerde religie” onderstreept. In zijn column heeft Berkelaar er blijk van dat zowel de kennis van als de liefde voor de gereformeerde religie bij hem ontbreekt.

Dat blijkt ook uit het artikel van Peter Bergwerff in het Nederlands Dagblad van 28 januari. Daarin komt naar voren dat Berkelaar een afkeer heeft van collectivisme. “Als gelovige sta je individueel coram Deo. Voor het aangezicht van God.” In zijn eigen artikel van 1 februari weerspreekt hij de typering van Bergwerff niet. We mogen dus aannemen dat deze Berkelaars denken correct heeft weergegeven.
Uiteraard staat elke gelovige als individu voor het aangezicht van God. Ieder is zelf verantwoordelijk en kan zich niet achter anderen of achter de kerk verschuilen. Dat was zelfs een kernelement in de Reformatie en daarin ligt nog steeds een fundamenteel verschil tussen de kerken die daaruit zijn voortgekomen en de rooms-katholieke kerk. Maar dat heeft met individualisme niets te maken. Individualisme is een geseculariseerde radicalisering van de persoonlijke verantwoordelijkheid die een wezenskenmerk van de gereformeerde religie is. De gereformeerde belijdenis beklemtoont dat God geen losse individuen verzamelt maar een kerk vergadert. Berkelaar maakt een simpele tegenstelling tussen individualisme en collectivisme. Dat is ongetwijfeld geïnspireerd, zoals Bergwerffs artikel ook aangeeft, door Berkelaars studie van de communistische wereld. Maar die tegenstelling kan niet zomaar overal op geprojecteerd worden. Zowel een gereformeerde kerk als christelijke politiek onttrekken zich aan dit simplistische schema.

Opnieuw: Berkelaar heeft het volste recht voor het individualisme te kiezen. Maar het is vreemd dat hij een persoonlijke aanval op Kamphuis gebruikt om daaraan lucht te geven. Zijn bezwaren tegen diens denken en optreden zijn niets anders dan bezwaren tegen de gereformeerde leer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Die moet hij dan aan de Gereformeerde Kerken adresseren.

Het lijkt erop dat Berkelaar een stok heeft gezocht om de hond te slaan. Dat blijkt een kromme stok te zijn. Daarmee kan iemand soms een rechte slag slaan, maar Berkelaar heeft misgeslagen. En je moet niet een hond slaan, wanneer je een probleem met zijn baasje hebt.

Jacob Kamphuis, oecumenicus

Over de doden niets dan goeds, zegt een van oorsprong Latijnse uitdrukking. Dat betekent dat men na iemands overlijden zijn fouten en gebreken zo veel mogelijk ongenoemd laat. Daar komt in de praktijk meestal niet veel van terecht. Want over de meeste doden valt wel iets in negatieve of in elk geval kritische zin te zeggen. Dat geldt zeker wanneer iemand een belangrijke rol in het openbare leven heeft gespeeld. Daar is op zichzelf niets tegen, zolang daarbij rekening wordt gehouden met tijd en plaats. Er is een tijd om kritiek te leveren en een tijd om zich van kritiek te onthouden. Dat geldt ook bij het overlijden van Jacob Kamphuis op 13 december j.l.

Vele jaren was hij actief als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool – zoals die toen nog heette – van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen, eerst in kerkgeschiedenis en kerkrecht en vervolgens in de dogmatiek. Lange tijd was hij ook in veel opzichten het ‘gezicht’ van zijn kerken, niet in de eerste plaats als hoogleraar, maar vooral als vruchtbaar auteur van artikelen, met name in De Reformatie. In de kerkstrijd die de Gereformeerde Kerken in de jaren ’60 van de vorige eeuw verscheurde en die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken leidde, speelde hij een centrale rol. Vooral dat laatste heeft hem de naam bezorgd de deuren van zijn kerken naar de buitenwereld gesloten te willen houden. Ten onrechte.

Niet voor niets zette ik boven dit artikel als typering oecumenicus. Want Kamphuis was een man met een brede blik. Hij had een grote en intense belangstelling voor de cultuur waarin hij en zijn kerken zich bevonden. Daarom confronteerde hij zich met filosofische en literaire uitingen van die cultuur. Maar de betiteling als oecumenicus verdient hij vooral omdat de heilige, algemene, christelijke kerk – zoals de Apostolische Geloofsbelijdenis daarover spreekt – in het middelpunt van zijn aandacht stond.

Wanneer die belijdenis in een kerkdienst wordt uitgesproken of gezongen, wordt dat vaak ingeleid met de woorden: “We belijden in gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen”. En daarnaar ging Kamphuis’ belangstelling uit. Dat kwam tot uiting in zijn werk als hoogleraar. Als kerkhistoricus met een grote dogmatische belangstelling en als dogmaticus met kerkhistorische bagage trok hij lijnen van het verleden naar het heden. Daarmee onderstreepte hij de continuïteit in het kerkvergaderend werk van Christus. Hij liet daarin ook de actualiteit van het verleden voor het heden zien. In dit aspect van zijn werk stond de kerk van alle eeuwen centraal. In zijn emeritaatsperiode gaf hij daaraan een vervolg toen hij zich via het GemeenteNproject inzette voor de kerk van de toekomst. Door middel van dit project werden jonge gelovigen gestimuleerd zich in te zetten voor de kerk.

Daarnaast had hij ook oog voor de kerk van alle plaatsen. Zijn interesse bleef niet beperkt tot de kerk zoals die zich in Nederland manifesteert. In zijn veelvuldige contacten met gelovigen en kerken over de grenzen – bijvoorbeeld in Oost-Europa – gaf hij blijk van een echte oecumenische instelling. Hoezeer hij de gereformeerde belijdenis en het gereformeerde kerkrecht in Nederland tegen aanvallen verdedigde, hij realiseerde zich – juist als kerkhistoricus – heel goed dat God met zijn kinderen in verschillende landen en culturen verschillende wegen kan gaan. Een neerlandocentrische visie was hem vreemd.

Zijn inzet in de kerkstrijd van de jaren ’60 is daarmee niet in tegenspraak. Integendeel. Het begrip ‘oecumene’ is in de loop van de 20e eeuw in de greep gekomen van degenen die het gezag van de Schrift ter discussie stelden en vraagtekens plaatsten bij haar eenduidigheid en blijvende geldigheid. Belijdenissen konden hooguit als specifieke interpretaties van de Schrift worden beschouwd, die op gelijke hoogte staan met andere, soms geheel tegengestelde interpretaties. Met echte oecumene, die de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen handhaaft en bevordert, heeft dat niets te maken. In die zin is Kamphuis’ verdediging van de ‘gereformeerde religie’ – zoals prof. J. Douma in het Nederlands Dagblad van 15 december j.l. het noemde – bij uitstek een blijk van oecumenische gezindheid. Wie de gereformeerde religie – wat niets anders is dan de leer van apostelen en profeten – tegen aanvallen verdedigt, komt daarmee ook op voor de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen. Die eenheid wordt verbroken wanneer ieder de vrijheid gelaten wordt in de Schrift te lezen wat hem uitkomt. Een binding aan de gereformeerde leer is geen benepenheid en geen vorm van kerkisme, maar een daad van oecumenische betekenis.

Vooral in zijn oecumenische gezindheid en werk ligt de blijvende betekenis van Jacob Kamphuis.

Een kudde zonder herders? (4)

Na een onderbreking sluit ik met deze vierde aflevering de serie onder de titel “Een kudde zonder herders?” af. Waar ging het ook al weer over? Prof. Douma wees er op zijn website op dat veel lezers van gereformeerde persorganen het gevoel hebben dat zij geen begeleiding meer krijgen. Uit zijn verdere betoog valt op te maken dat hij doelt op leiding. In het vervolg neemt hij dan De Reformatie en het Nederlands Dagblad op de korrel.

In het eerste artikel wees ik erop dat de leiding die in het verleden werd gegeven door bladen als De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad – voorganger van het Nederlands Dagblad – niet berustte op enig ambtelijk gezag, maar op de brede aanvaarding van de leiding die de scribenten in de genoemde bladen gaven. In het tweede artikel betoogde ik dat de taak leiding te geven berust bij de ambtsdragers in de kerkelijke gemeenten, die daartoe door God zelf geroepen zijn. In het derde artikel ging het vervolgens over de manier waarop de gemeente daarmee moet omgaan en vooral hoe ze moet reageren wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven.

Het is nu tijd terug te keren naar het betoog van Douma. Hij noemt enkele voorbeelden van bijdragen in De Reformatie en het Nederlands Dagblad waarin – naar zijn mening – geen leiding wordt gegeven of een verkeerde weg wordt gewezen. Doet hij de desbetreffende bladen en de betrokken scribenten recht?

Douma noemt allereerst enkele voorbeelden van artikelen in De Reformatie waarin naar zijn mening verhullend gesproken wordt, bijvoorbeeld over de zonde van het ongehuwd samenwonen en de manier waarop daarmee in de tuchtoefening moet worden omgegaan. Uit een reactie van de schrijver van het artikel over het genoemde onderwerp en het antwoord van Douma daarop blijkt dat het verschil uiteindelijk minder groot is dan aanvankelijk het geval leek. Dat is ook bij een ander door hem genoemd artikel het geval. In beide gevallen moet wel geconstateerd worden dat sommige auteurs blijkbaar niet in staat zijn een duidelijke visie te formuleren die geen aanleiding is voor misverstanden. Of zou de oorzaak zijn dat de auteurs een beetje bang zijn al te scherp uit de hoek te komen? Natuurlijk, wie iets aan papier toevertrouwt, moet voorzichtig zijn. Het geschrevene kan zomaar z’n doel missen. Maar wanneer het geschrevene onduidelijkheid tot gevolg heeft of misverstanden veroorzaakt, mist het zijn doel evenzeer.

Naar aanleiding van de opmerkingen van Douma over enkele artikelen in De Reformatie maak ik nog twee algemene opmerkingen. In de eerste plaats: wanneer een predikant een artikel schrijft, is hij niet minder gebonden aan de Schrift en de belijdenis dan wanneer hij op de kansel staat. Dat betekent dat ook hier de kerkenraad de taak heeft toezicht te houden op wat hij naar voren brengt. Wanneer een gemeentelid meent dat zijn predikant in bijvoorbeeld De Reformatie een artikel heeft geschreven dat niet in overeenstemming is met de Schrift, is hij gerechtigd hem – en eventueel zijn kerkenraad – daarop aan te spreken.
Het tweede is dat in het aanvankelijk door Douma bekritiseerde artikel de hedendaagse cultuur een belangrijke rol speelt. De neiging zich aan te sluiten bij de ‘post-christelijke’ cultuur is vooral op het terrein van de kerkplanting nogal sterk. Het is een onderwerp dat belangrijk genoeg is om er nog eens apart op terug te komen.

In zijn beschouwing over de koers van het Nederlands Dagblad schetst Douma eerst hoe de krant zich van een exclusief op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gericht blad heeft ontwikkeld tot een blad dat als ondertitel “christelijk betrokken” draagt. Als journalisten werden ook leden van andere kerken aangetrokken. Douma schrijft: “Toch leek het er voor een korte tijd op dat het gereformeerde karakter een stempel op de krant zou blijven drukken. Helaas is daar weinig van terecht gekomen. Juister lijkt het mij daarom de krant maar gewoon ‘christelijk betrokken’ te noemen, wat ook op de voorpagina staat. En wat ‘christelijk betrokken’ betekent, is zeer rekbaar, zoals uit menig artikel en ook uit de sfeer van de krant blijkt.”

Douma specificeert dan zijn kritiek op de koers van de krant. Hij gaat allereerst in op de manier waarop ‘religieus nieuws’ wordt ingevuld. Daaronder vallen allerlei nieuwsberichten en artikelen die niets met ‘gereformeerd’ te maken hebben. Daar heeft hij op zich gelijk in; zijn voorbeelden zijn welsprekend genoeg. Maar: moet ‘religie’ worden ingevuld als ‘gereformeerd’? De genoemde artikelen hebben zeker wat met ‘religie’ te maken, zoals dat begrip in de maatschappij gehanteerd wordt. Ik kan me best voorstellen dat Douma aan de genoemde bijdragen geen behoefte heeft. Maar dat is geen criterium. Het feit dat ik economisch nieuws oversla, is voor mij geen reden te zeggen dat het er niet in zou moeten staan.

Ik haal twee door Douma genoemde voorbeelden aan. “In een rubriek ‘Religie overal en nergens’ krijgen soms bekende Nederlanders aandacht, zoals Brigitte Kaandorp. We lezen van haar dat ze wel eens naar de kerk gaat (16-10-2009). Val je er fris in, aldus Brigitte, dan is het een leuk, informatief uur op de zondagochtend. Je hoort nog eens wat! In een andere rubriek lezen we van twee glamourfiguren dat ze in hun boekenkast de Bijbel, de koran en andere heilige boeken naast elkaar hebben staan (16-07-2010). Hun oudste zoon is buddhist, en de moeder wil ook nog graag een christelijk en een islamitisch kind, Voor haar hoeft er overigens geen God te zijn.”
Is dat informatief? In zekere zin wel. Ondanks het feit dat in de toonaangevende kranten en tijdschriften vooral negatief over religie en geloof wordt geschreven, praten allerlei figuren die een publieke rol vervullen, onbekommerd over hun eigen religieuze overtuiging. Dat zou de gedachte kunnen doen postvatten dat het met de antireligieuze gezindheid van deze ‘post-christelijke’ tijd nogal meevalt. Je hoort het ook beweren in kringen waar men zich met evangelisatie en kerkplanting bezighoudt: de moderne mens staat weer open voor geloof. Maar is dat waar? Ik denk dat juist zulke artikelen als hier aangehaald nuttig zijn om die bewering te relativeren. Mijns inziens behoort het juist tot de taak van een christelijke krant alles wat zich als ‘religieus’ of ‘gelovig’ aandient, nader te onderzoeken. En dan blijkt al gauw dat niet alles wat zich als ‘religieus’ aandient die naam verdient en dat het meestal zeer ver afstaat van het christelijk geloof. Het komt meestal neer op een soort ‘geloof’ waarin de mens centraal staat en zijn behoeften bevredigd worden. Staan de aanhangers van zo’n geloof ook open voor een geloof dat van de mens afwijst en dat verplichtingen meebrengt? Artikelen als die waarnaar Douma verwijst kunnen dienen om al te veel optimisme op dat punt te temperen.

“Het Nederlands Dagblad is, zeker op pag. 2, gewoon een doorgeefluik geworden van allerlei nieuws uit oude en nieuwe dozen, zonder nog enige functie te hebben voor de opbouw van het gereformeerde geloof.” Dat is in directe zin misschien waar. Maar moet nieuws worden gebruikt om het gereformeerde geloof op te bouwen? Zijn daar niet in de eerste plaats de opiniërende artikelen voor bedoeld? En zou de opbouw van het gereformeerde leven niet eerder de taak van ambtsdragers zijn en van kerkelijke bladen?

Douma noemt vervolgens voorbeelden van een zijns inziens onrechtvaardige beoordeling van historische gebeurtenissen. Daarbij constateert hij een zekere – en soms grote mate van – afstandelijkheid tegenover het eigen verleden. De door hem aangehaalde voorbeelden betreffen vrijwel uitsluitend bijdragen van columnisten. Mijns inziens is het niet terecht die de redactie van het Nederlands Dagblad aan te wrijven. Er zijn wel vragen te stellen over het beleid ten aanzien van columnisten. Deze genieten terecht de nodige vrijheid, en één van de taken van de columnist is, de lezer te prikkelen. Maar daar zijn wel grenzen aan. Douma noemt in elk geval één voorbeeld waarbij de columnist ver over de schreef ging van wat in een christelijke krant aanvaardbaar is. De redactie had hier behoren in te grijpen.
Er bestaat binnen gereformeerde kring een wat men wel eens ‘weg-met-ons-mentaliteit’ noemt, waarbij men nauwelijks anders dan in negatief-kritische zin over het eigen verleden kan spreken. Die neiging kom je in het Nederlands Dagblad zeker ook tegen. Maar ik zou dat niet als typerend voor de krant willen bestempelen. De door mij al eerder genoemde biografie van Pieter Jongeling van ND-journalist Herman Veenhof is wel kritisch, maar zeker niet negatief.

Zijn er dan geen kritische noten te kraken? Zeker wel. Het is goed dat de redactie op de opiniepagina vogels van verschillende pluimage aan het woord laat. Maar ze zou wel eens wat kritischer mogen zijn ten aanzien van de plaatsing van artikelen. Er staan nogal eens stukken in die haaks staan op de gereformeerde belijdenis – die nog altijd tot de grondslag van de krant behoort – en die geen weerwoord krijgen. Wanneer geen scribent van buiten zich daarvoor meldt, dan zou de redactie die taak zelf op zich moeten nemen. Ook in de hoofdartikelen zou, zeker als het om kerkelijke zaken gaat, weleens duidelijker en confessioneler positie kunnen worden gekozen.

Dat de verbreding van de krant invloed heeft op de inhoud is onvermijdelijk. Maar was er een alternatief? Aan het eind van zijn beschouwing over het Nederlands Dagblad laat Douma merken wel degelijk oog te hebben voor de situatie waarin de krant zich bevindt. Hij wijst erop dat jongeren in de kerk niet meer warm te krijgen zijn voor een abonnement. Men kan natuurlijk betreuren dat het Nederlands Dagblad medewerkers aantrekt van buiten de GKV. Maar wanneer de verbreding van de krant niet was doorgevoerd, zou het ND nu wellicht niet meer bestaan of zich hebben moeten omvormen tot een weekblad.

Het is duidelijk dat die verbreding impliceert dat men zijn verwachtingen moet bijstellen. Wie gewend was aan een krant die geestelijk leiding gaf, zal het moeilijk vinden te wennen aan het huidige redactionele beleid. Maar zoals in de eerste aflevering werd opgemerkt is er geen sprake van dat de redactie van een krant de taak zou hebben leiding te geven in een kerkelijke gemeenschap. De herders van de kudde zijn niet gevestigd aan de Hermesweg in Barneveld, maar in de kerkelijke gemeente.

P.S. Ik was van plan ook nog in te gaan op de kritische opmerkingen van Douma over de ChristenUnie. Daar zie ik op dit moment van af. Ik kom er hopelijk binnenkort op terug in het kader van een beschouwing over de rol van de belijdenis in de ChristenUnie en de consequenties daarvan voor het lidmaatschap en het passieve kiesrecht.

Een schijn van eenheid

(N.B. Ik onderbreek mijn serie over “Kudde zonder herders” met een commentaar op activiteiten ten behoeve van kerkelijke eenheid.)

Veel gelovigen ergeren zich aan de kerkelijke verdeeldheid. Dat is terecht. Er worden dan ook heel wat activiteiten ontplooid om tot kerkelijke eenheid te komen. Ook dat is terecht. Het is bepaald geen ‘reclame’ voor het christelijk geloof – om het even in markttermen uit te drukken – wanneer christenen onderling zo verdeeld zijn dat ’s zondags gescheiden samenkomen en elkaar soms ook door de week niet weten te vinden.

Dat zoiets in de evangelisatie een handicap is, zal duidelijk zijn. Daarom moet er hard aan gewerkt worden dat christenen elkaar vinden. Belangrijker nog: het is een bijbelse opdracht. Jezus wil dat zijn volgelingen één zijn, zoals Hij in het ‘hogepriesterlijk gebed’ (Joh. 17) tot uitdrukking heeft gebracht. Dus wanneer gelovigen zich op allerlei manieren en op allerlei niveaus inspannen voor eenheid tussen christenen, doen ze een goed werk.

Maar wie schriftuurlijk-kritisch de diverse activiteiten op dit gebied in ogenschouw neemt, ontdekt dat er nogal wat kaf tussen het koren zit. De afgelopen week trokken twee berichten de aandacht die dat bevestigen.

Later dit jaar wordt een zogeheten Nationale Synode gehouden. Daaraan doen kerken van allerlei snit mee, die nogal verschillen in geloofsleer. Het is de bedoeling dat ze elkaar toch vinden op basis van een document dat door leden van verschillende kerken is voorbereid en onder de titel ‘Credo’ is gepresenteerd. Vorige week deelde het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) mee dat het bij deze Nationale Synode aanwezig zal zijn.

Het tweede bericht betreft een symposium van christelijke studenten dat vrijdag 8 oktober in Utrecht plaatsvond. In een artikel in het Nederlands Dagblad van 7 oktober zetten twee bestuursleden van de christelijke studentenvereniging CSFR zich nogal af tegen de kerkelijke leiders. Die zouden niet in staat zijn effectief aan eenheid te werken. Maar ze hebben meer gemeen met de kerkelijke organisatoren van de Nationale Synode dan ze misschien zelf in de gaten hebben, zoals nog zal blijken.

In het Nederlands Dagblad van 8 oktober deelt de voorzitter van het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid van de GKV mee dat men unaniem besloten heeft aan de Nationale Synode deel te nemen. Dat is opvallend, want vanuit de GKV zijn nogal wat kritische geluiden te vernemen tegen deze Nationale Synode. In een artikel in het Nederlands Dagblad d.d. 23.12.09 heeft prof. J. van Bruggen het ‘Credo’ van de ‘nationale synode’ kritisch onder de loep genomen. Daarbij heeft hij een aantal verschillen tussen dit document en de Apostolische Geloofsbelijdenis geconstateerd. Daaruit heeft hij de conclusie getrokken dat het ‘Credo’ geen ‘groeibelijdenis’ is, zoals de opstellers beweren, maar een ‘afbraakbelijdenis’, waarin elementen van de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar ook van de Geloofsbelijdenis van Nicea ontbreken.

Je zou mogen verwachten dat het Deputaatschap zich met zulke kritiek confronteert en argumenten geeft waarom men meent dat deelname aan de Nationale Synode verantwoord is. Dat is, voorzover mij bekend, niet gebeurd. Er is niet alleen kritiek geleverd op de inhoud van het ‘Credo’. Er is ook op gewezen dat de beslissing tot deelname een breuk betekent met de oecumenische opstelling die de GKV tot nu toe hebben gekozen. “Als we bereid zijn met vrijzinnige kerken om de tafel gaan zitten om onze eenheid te betuigen, dan betekent dit een overduidelijke streep door ons vrijgemaakt-gereformeerde verleden”, schrijft prof. J. Douma op zijn website.

Wil het Deputaatschap zich daarmee niet confronteren? Is er opnieuw sprake van een koerswijziging binnen de GKV die ingrijpend is maar zich vooral in stilzwijgen voltrekt? Dat zou wel gemakkelijk zijn: men hoeft zich niet in te spannen om uit te leggen waarom zonder vorm van proces terzijde wordt geschoven wat ooit met principiële argumenten is verdedigd. Bij zulke gewichtige zaken zou een grondige discussie gewenst zijn, en wel daar waar zulke discussies thuishoren, namelijk in kerkelijke vergaderingen.
Het Deputaatschap maakt zich wel erg gemakkelijk van de geleverde kritiek af. De voorzitter, ds. H. Messelink, beperkt zich ertoe op te merken dat er tegenover de kritiek ook enthousiaste reacties staan, die minder in de openbaarheid zijn gekomen. Wordt ook in de kerk het beleid door de vox populi bepaald?

Om eenheid tussen christenen te bereiken – of zelfs af te dwingen – gaan sommigen vrij ver. Dat laat de tweede activiteit zien, het al genoemde symposium van studenten. Het artikel in het Nederlands Dagblad waarnaar ik al verwees, is in veel opzichten onthullend. Het laat zien wat de de studenten(verenigingen) verstaan onder de eenheid die ze nastreven.

De term kerkelijke eenheid is in het artikel opvallend afwezig. De schrijvers beschouwen kerkelijke organisaties dan ook vooral als hinderpalen voor de eenheid tussen christenen. Tegenover het “institutionele van de kerk” stellen ze de netwerksamenleving waarvan studenten deel uitmaken. “Dat er diverse kerkelijke structuren naast elkaar bestaan, zegt niet zoveel, omdat onderling de relaties gewoon aangegaan kunnen worden. De identiteit halen we veel meer uit wat bindt, dan uit de zaken waarin we verschillen.”
Ze laten geen onduidelijkheid bestaan over de basis waarop eenheid moet worden gebouwd. “Naast de netwerksamenleving speelt ook de belevingscultuur een rol. De beleving van de concrete relaties op basis van een gedeeld geloof en ervaren eenheid, is veel belangrijker dan dat alles rationeel theoretisch op orde is. Ofwel, relaties en verbondenheid door gedeelde beleving van het geloof staan meer centraal dan de kerkelijke leer en structuur.”

Zonder enige argumentatie wordt de leer van de kerk bij het grofvuil gezet en ingeruild voor de beleving van de gelovigen. Die maakt uiteindelijk uit wat bij elkaar hoort. De zeer oude kreet “niet de leer, maar de Heer” blijkt ineens verrassend actueel te zijn. De studenten-scribenten zouden die zomaar kunnen onderschrijven. Deze leus en de consequenties die daaruit zijn getrokken hebben in de kerkgeschiedenis een spoor van verwoesting getrokken. De gevolgen zijn in het huidige kerkelijke en maatschappelijke landschap aan te wijzen.

Het is een valse tegenstelling. Want de Heer en de leer hebben alles met elkaar te maken. Leerde Jezus niet tijdens zijn rondwandeling op aarde, tot verbazing en ergernis van zijn toehoorders? En waar lezen we dat Hij het belangrijker vond dat je gelooft dan wat je gelooft? Hij verkondigde niets anders dan wat in de Schriften stond. De leer van Jezus is geen andere dan de leer van de Schrift, de leer van apostelen en profeten. Die leer hebben de Gereformeerde Kerken samengevat en in de drie Formulieren van Eenheid opgeschreven.
Die gereformeerde leer, dat is de leer van de Schrift, moet het ijkpunt voor het streven naar kerkelijke eenheid zijn. Niet een door particulieren samengesteld ‘Credo’, dat geen weergave van de leer van de hele Schrift is en waarin angstvallig wordt verzwegen wat verdeeldheid zou kunnen zaaien. Het gevoel kan al evenmin als ijkpunt gelden. Het menselijk gevoel is een onbetrouwbaar kompas en is veranderlijk als het weer. Gevoel is ook persoonlijk en niet geschikt tot het stichten van gemeenschap.

De organisatoren van de Nationale Synode en de dames en heren studenten streven naar een eenheid boven geloofsverdeeldheid. Met alle onderlinge verschillen trekken ze in wezen aan hetzelfde touw. Natuurlijk maakt het geen goede indruk op ‘de wereld’ wanneer christenen verdeeld zijn. Maar zou een schijn van eenheid tussen christenen, die met dezelfde bijbel in de hand allemaal een andere kant opgaan, wel een goede indruk maken?

In het hogepriesterlijk gebed legt Jezus een verbinding tussen de eensgezindheid van zijn volgelingen en de eensgezindheid tussen Vader en Zoon. Dat betekent: één van zin en één van streven. Met deze Nationale Synode en dit studentikoze activisme komt dit hoge ideaal geen stap dichterbij.

Een kudde zonder herders?

Het is een klacht die in gereformeerde kring nogal eens te horen is: er wordt geen leiding meer gegeven. Niet zelden gaat dit gepaard met een verwijzing naar de tijd toen dat heel anders was. Ook prof. J. Douma doet dat op zijn website, waar hij op 28 augustus j.l. een uitvoerige bijdrage publiceerde (in de rubriek ‘Het christelijk leven’, par. 4.15 – 4.24) waarin hij vooral de ontwikkelingen in de gereformeerde pers onder de loep neemt.

De teneur van zijn betoog wordt direct duidelijk in de openingszinnen van par. 4.16, die handelt over De Reformatie. “Veel lezers hebben het gevoel dat zij geen begeleiding in hun kerkelijk leven meer krijgen. Het ontbreken van mensen die als leider en gids in de pers hun broeders en zusters een duidelijke weg wijzen, is niet toevallig. De overtuigingskracht om in allerlei kwesties een duidelijk en beslist antwoord te geven, is verzwakt.” Hoewel hij aanvankelijk spreekt over begeleiding, wordt in de tweede zin al duidelijk dat hij doelt op leiding. En dat is toch wat anders dan begeleiding.

Douma’s observatie valt moeilijk te weerleggen, of men zijn mening betreffende de oorzaak nu deelt of niet. De gereformeerde wereld is sterk veranderd en dat geldt zeker ook voor de media die Douma met name noemt: De Reformatie en het Nederlands Dagblad. Hij is van mening dat van deze organen geen leiding meer uitgaat. Ik kan me voorstellen dat zijn vaststelling door de redacties van de desbetreffende bladen niet eens weersproken wordt.

Hoewel ik veel van zijn kritiek op de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken kan onderschrijven, vraag ik me toch af of Douma hier zijn pijlen wel op het juiste doel richt. Zijn de genoemde media wel in de positie om leiding te geven? Ze hebben dat in het verleden inderdaad gedaan. Maar op grond waarvan? En moeten we naar de tijd terugverlangen dat De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad – zoals het Nederlands Dagblad vroeger heette – leiding gaven aan het gereformeerde volksdeel?

Ik wil in enkele bijdragen hierover wat schrijven. In deze eerste bijdrage ga ik in op het onderwerp leiding geven.

Het is een niet te loochenen feit dat na de Vrijmaking verschillende personen en instanties een leidinggevende rol speelden in het gereformeerde leven. Douma noemt als voorbeeld De Reformatie en met name de bijdragen die de hoogleraren aan de (toen nog) Theologische Hogeschool daaraan leverden. Op grond waarvan gaven ze leiding?

In elk geval niet op grond van enige ambtelijke bevoegdheid. Hoogleraren werden en worden bij hun benoeming geëmeriteerd als predikant. Dat betekent dat ze van hun verantwoordelijkheid voor een kerkelijke gemeente worden ontslagen. In plaats daarvan krijgen ze de taak studenten toe te rusten voor hun taak als voorganger van een kerkelijke gemeente. Er is geen sprake van dat aan het ambt van hoogleraar de verantwoordelijkheid verbonden is leiding te geven in het kerkverband.

Hoogleraren in Kampen hebben dus niet de taak, maar ook zelfs niet de bevoegdheid leiding te geven aan het kerkelijk leven. Ze hebben dat in het verleden wel gedaan. Of ze daar bewust naar gestreefd hebben of zelfs gedacht hebben dat dat hun taak was, doet niet ter zake. Feit is dat ze leiding gaven. Ze deden dat echter niet op grond van enige ambtelijke bevoegdheid, maar omdat hun leiding door veel kerkleden werd aanvaard. Door hun positie en door het gewicht van wat ze zeiden en schreven hebben de professoren – en niet alleen zij overigens – een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van het gereformeerde leven. Er is geen enkele reden daarover de staf te breken. In veel gevallen is hun leiding de Gereformeerde Kerken tot zegen geweest, zoals in het kerkelijke conflict van de jaren ’60 van de vorige eeuw. Maar het is goed zich te realiseren dat de leiding die zij gaven, verbonden was aan gezag dat hun werd toegekend, niet aan gezag dat ze op grond van hun ambt konden opeisen.

Dat relativeert ook de klachten over het gebrek aan leiding vanuit Kampen. Ik laat voor dit moment de vraag liggen of die klachten terecht zijn. Ik beperk me nu tot twee opmerkingen. Ik weet niet of de hoogleraren die nu aan de Theologische Universiteit verbonden zijn, zich bewust zijn van het feit dat zij geen ambtelijke bevoegdheid bezitten om leiding te geven aan het kerkelijk leven. Wanneer dat wel het geval is en zij zich om die reden terughoudend opstellen in de discussies die binnen de Gereformeerde Kerken gevoerd worden, lijkt me dat winst.

De tweede opmerking heeft betrekking op de aanvaarding van de leiding van – bijvoorbeeld – de hoogleraren in Kampen. Ik merkte al op dat in vroeger tijden de hoogleraren leiding gaven omdat die door kerkleden werd aanvaard. Daarvan is nu geen sprake meer. Veel kerkleden hebben moeite leiding van wie ook te aanvaarden, inclusief de eigen kerkenraad. Dan mag iemand die zich niet op enige ambtelijke bevoegdheid om leiding te geven kan beroepen, zeker niet verwachten dat zijn leiding aanvaard wordt.

Ik trek dit door naar De Reformatie, die vele jaren het belangrijkste orgaan was dat de hoogleraren in Kampen gebruikten om leiding te geven. Het is in verband met dit onderwerp relevant zich te realiseren dat De Reformatie – in tegenstelling tot bijvoorbeeld De Wekker in de Christelijke Gereformeerde Kerken – nooit een officieel kerkelijk orgaan was en ook nu niet is. De uitgever en de redactie waren (en zijn) geen verantwoording verschuldigd aan enige kerkelijke vergadering. Net zoals de hoogleraren leiding konden geven doordat hun gezag door kerkleden aanvaard werd, zo was de positie van De Reformatie in de Gereformeerde Kerken gebaseerd op het gewicht dat de kerkleden eraan toekenden. Daardoor en dankzij het feit dat het blad in elk geval door meelevende kerkleden veel gelezen werd kon het een belangrijke rol in het kerkelijk leven spelen.

En daarmee kom ik bij de laatste factor die hier aandacht moet krijgen. Zelfs wanneer De Reformatie ernaar zou streven leiding te geven aan het gereformeerde leven zoals dat enkele decennia geleden nog gebeurde, zal dat weinig concreet effect hebben. Het maatschappelijke verschijnsel van de ‘ontlezing’ gaat ook de kerk niet voorbij. Wanneer een blad nauwelijks gelezen wordt, is alleen al om die reden het geven van leiding een vrijwel onbegonnen karwei.

Wat hier over De Reformatie is opgemerkt, geldt mutatis mutandis ook voor het Nederlands Dagblad. Pieter Jongeling heeft in zijn functie als hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad, later omgedoopt tot Nederlands Dagblad, ongetwijfeld grote invloed uitgeoefend in de gereformeerde wereld. Uit de biografie van ND-journalist Herman Veenhof, waarnaar ik in een eerdere bijdrage al eens verwees, komt naar voren dat die rol hem min of meer is overkomen. Maar toen hij die positie eenmaal had, heeft hij niet geaarzeld ook leiding te geven. Of hij dat als een goddelijke opdracht zag of niet doet verder niet terzake. Feit is dat ook hij leiding gaf zonder daartoe op grond van een ambt geroepen te zijn. Zijn leiding werd aanvaard, door zijn positie, door het gewicht van wat hij schreef en door de positie die zijn krant in de gereformeerde wereld innam.

Van die leiding heeft de gereformeerde wereld geprofiteerd en daarvoor mag men dankbaar zijn. Maar de wereld is veranderd. In gereformeerde kring is een abonnement op het Nederlands Dagblad niet meer vanzelfsprekend. Wat voor De Reformatie geldt, is ook van toepassing op het Nederlands Dagblad: minder lezers betekent ook minder invloed. En wat de hoofdredacteur schrijft, wordt hooguit als één van de vele meningen beschouwd. Wanneer men al leiding zoekt in allerlei actuele maatschappelijke en ethische kwesties, zijn er veel opiniemakers – ook in christelijke kring – bij wie men te rade kan gaan. Voor weinigen heeft daarbij de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad nog per definitie een streepje voor.

De vraag is dus of Douma met zijn kritiek wel voldoende rekening houdt met de geschetste omstandigheden, en of hij in het licht daarvan de door hem bekritiseerde persorganen wel recht doet.

Voordat ik daarop inga, moet eerst iets anders aan de orde komen. Wanneer de gereformeerde pers geen leiding meer geeft, zijn de gereformeerden dan een kudde zonder herders geworden? Of moeten we de herders toch ergens anders zoeken dan aan de Broederweg in Kampen of aan de Hermesweg in Barneveld?