Archief

Posts Tagged ‘Johan van der Hoeven’

De doop als keuze?

24 november 2010 4 reacties

Wie gedacht mocht hebben dat de doop – en speciaal de kinderdoop – geen onderwerp van discussie meer is voor christenen van de 21e eeuw heeft de afgelopen weken gemerkt dat hij zich heeft vergist. Zoals bekend was dit ook één van de centrale kwesties ten tijde van de Vrijmaking. Die mag dan inmiddels meer dan zestig jaar achter ons liggen, ze is nog bepaald geen geschiedenis, ook al is de discussie over de doop van destijds niet zomaar met die van nu te vergelijken.

Mijn vorige bijdrage schreef ik naar aanleiding van een artikel in het Nederlands Dagblad van 12 november, waarin naar voren kwam dat leden van reformatorische kerken er soms van afzien hun kind te laten dopen vanwege hun moeite met de kinderdoop. Ook bleek uit dat artikel dat er nogal wat verschil bestaat in de manier waarop kerken met zulke leden omgaan.

Op dat artikel zijn nogal wat reacties gekomen, zowel in de krant zelf als ook op het lezersforum. Sommigen keren zich rechtstreeks tegen de kinderdoop. Gezien het feit dat het Nederlands Dagblad ook lezers uit evangelische en baptistische kring heeft, is dat niet verbazingwekkend. Niet uit te sluiten valt overigens dat sommige schrijvers ook tot een gereformeerde kerk – in brede zin – behoren. Die positie heeft in elk geval het voordeel van de duidelijkheid. Je weet waar je aan toe bent.

Problematischer is de halfslachtige houding van sommige voorgangers uit reformatorische kerken. In het artikel kwam al zo iemand aan het woord. Ds. René de Reuver (PKN) zegt: “Zelf kies ik toch voor de kinderdoop, omdat ik hierin meer collectief dan individueel denk: in het geloof van de gemeente en van de ouders zijn de kinderen opgenomen.” In een artikel in het ND van 20 november schrijft ds. Johan van der Hoeven, voorganger van de samenwerkingsgemeente van GKV en CGK in Harlingen: “Zeker, ook ik heb m’n handtekening gezet onder de Drie Formulieren van Eenheid. Ook ik ga mee in de theologische keuze voor de kinderdoop.”

Dat zal wel als geruststelling bedoeld zijn. Maar geruststellend is het allerminst. Beide wekken de indruk dat de kinderdoop een kwestie van persoonlijke keuze op grond van een persoonlijke overtuiging is. Dat die overtuiging van het label ‘theologisch’ wordt voorzien doet er niets aan af dat hier de kinderdoop facultatief wordt verklaard. Ds. Van der Hoeven keert zich expliciet tegen de wat hij noemt “exclusivistische” benadering van de kinderdoop. “Ik kan leven met een uitspraak en een benadering tegenovergesteld aan de exclusivistische, namelijk: de Bijbel gebiedt noch verbiedt de kinderdoop of de volwassendoop.” Deze uitspraak is direct in strijd met wat de Gereformeerde Kerken in zowel hun belijdenis als hun doopsformulieren als de leer van de Schrift formuleren.

Ds. Van der Hoeven wil christenen die voor de geloofsdoop kiezen niet veroordelen. Hij wil ook niet dat de aanhangers van de geloofsdoop de voorstanders van de kinderdoop veroordelen. Maar hij zelf spreekt impliciet wel degelijk een veroordeling uit, namelijk van degenen die ervan overtuigd zijn dat de Schrift de kinderdoop gebiedt.

Nu is er niets tegen wanneer de leer van de kerk, zoals verwoord in de belijdenis en de liturgische formulieren, tegen het licht gehouden wordt. Maar, zoals ik in de vorige bijdrage al schreef, dat moet dan wel het licht van de Schrift zijn. En dan moet het toch opvallen dat elke Schriftuurlijke argumentatie in het artikel van Van der Hoeven ontbreekt. In een ingezonden in het Nederlands Dagblad van 24 november legt ds. Adrian Verbree de vinger op de zere plek. “Draagt hij voor deze verandering van opstelling exegetische argumenten of hermeneutische inzichten aan? Nee. Heeft hij een bezwaarschrift tegen de ‘exclusivistische visie’ van zijn kerkverband ingediend? Hij vermeldt het niet. Vanwaar dan dit independentisme?”

Hij wijst ook op het motief dat aan de opstelling van Van der Hoeven ten grondslag ligt. “Het zit zo: Van der Hoeven heeft te veel andersdenkende medechristenen ontmoet die hem dierbaar zijn op Bijbelse gronden. (…) Hier komt een van de lekken in zijn verhaal boven: sinds wanneer kunnen ‘andersdenkende medechristenen’ niet dwalen? Ik hoop dat, bijvoorbeeld, mijn baptistische broeders en zusters mij niet op de manier Van der Hoeven zullen behandelen. Als ik iets fout zie, zeg het me dan.”

Van der Hoeven formuleert zijn overweging zo: “[G]eef ruimte om genuanceerd te kunnen discussiëren. En sta de eenheid van oprechte christenen niet onnodig in de weg. Zeker niet in deze tijd. We zijn ‘de luxe’ echt voorbij!” Het is een argument dat vaker wordt gehanteerd: in een tijd waarin christenen een slinkende minderheid zijn, kunnen we ons geen verdeeldheid veroorloven. En dan worden allerlei zaken waarover christenen met elkaar van mening verschillen, tot ‘middelmatige zaken’ verklaard.

Het is waar dat christenen zich geen verdeeldheid kunnen veroorloven. Maar dat konden ze in het verleden ook niet – dat kunnen ze nooit. Want de Schrift gebiedt eenheid tussen gelovigen. In die zin verschilt onze tijd helemaal niet van welke andere tijd ook. Zeker, christenen worden soms gescheiden door kwesties die als ‘middelmatig’ moeten worden bestempeld. Maar zaken als de doop of de vraag of het ambt wel of niet openstaat voor de vrouw – iets wat Van der Hoeven ook noemt – behoren daar niet toe.

Van der Hoevens benadering van kwesties die christenen verdeeld houden, onthult een biblicistisch Schriftgebruik. “[Z]olang niet ergens in een grot een Bijbelboek wordt teruggevonden dat ons gebiedt de ene doop toe te passen en de ander uit te sluiten, zolang pleit ik voor het bestaansrecht van beide.” Deze manier van omgaan met de Schrift is fundamenteel anders dan die waarop de gereformeerde belijdenis is gebaseerd.

Maar met dit Schriftgebruik wordt het fundamentele verschil tussen gereformeerden en baptisten ten aanzien van de doop onder het kleed geveegd. Ds. Verbree legt het in zijn ingezonden nog eens glashelder uit. “Voor gereformeerden is het afwijzen van de kinderdoop een dwaling. Om nog maar eens duidelijk te maken hoe groot en onoverbrugbaar de kloof is die hier gaapt tussen baptisten en gereformeerden, citeer ik prominent baptistisch predikant Orlando Bottenbley (het citaat is door hem zelf als correct weergegeven aangemerkt): ‘Het gebaar van het besnijden van een kind, het gebaar van het dopen van een kind, het gebaar van het opdragen van een kind is eigenlijk in alle drie de situaties dat de ouders tegen God zeggen: God, mag mijn kind er bij horen?’
Besnijdenis en kinderdoop een gebaar van ouders… En voor het bestaansrecht van zo’n visie moeten wij ruimte geven? We zijn hier in een totaal andere wereld dan die van het gereformeerde belijden dat de kinderdoop een sacrament is dat in opdracht van God moet worden bediend aan de gelovigen en hun kinderen.” Daaraan valt niets toe te voegen.

Verbree stelt niet alleen het gebrek aan Schriftuurlijke argumentatie van Van der Hoeven aan de kaak. Hij laat ook de term independentisme vallen. En dat is terecht. Binnen de Gereformeerde Kerken zijn duidelijke afspraken gemaakt over de manier waarop bezwaren tegen de leer van de kerk aan de orde moeten worden gesteld. Die afspraken zijn vooral gemaakt om te voorkomen dat iedere ambtsdrager gaat schrijven of roepen wat hem goeddunkt en daarmee de gemeente die aan zijn zorgen is toevertrouwd, in verwarring brengt.

De opstelling van Van der Hoeven is een treffende illustratie van wat ik in het vorige artikel schreef. Ik wees op de gevoelscultuur, en die komt in de argumentatie van Van der Hoeven duidelijk tot uiting: het gevoel van verbondenheid met andere christenen brengt hem ertoe het belang van verschillen van inzicht te bagatelliseren. Daarnaast wordt de moderne cultuur gekenmerkt door individualisme en dat wordt geïllustreerd door wat Verbree als independentisme karakteriseert. Iedereen meent het recht te hebben er zijn eigen opvattingen op na te houden en die ook desgewenst uit te dragen, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan de gemeenschap waarin hij functioneert.

“Ik wens de kerkenraad van ds. Van der Hoeven veel wijsheid”, schrijft Verbree aan het slot van zijn ingezonden. Dat kan alleen maar onderstreept worden. Zijn kerkenraad heeft immers de taak de gereformeerde belijdenis uit te dragen en te verdedigen en erop toe te zien dat hij wat hij door zijn handtekening onder het ondertekeningsformulier heeft beloofd, ook nakomt.

Advertenties