Archief

Posts Tagged ‘kerkelijke eenheid’

Kerkelijke eenheid – kiezen of delen

Op 1 april zag ik tweets van verschillende christelijke media voorbijkomen. Daarin werd gemeld dat vijf kerken die hun wortels in de Reformatie hebben, op weg zouden zijn naar een nauwere band. De PKN, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, de Nederlandse Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland zouden elkaars attestaties aanvaarden en elkaars leden als gastlid toelaten. Bovendien zouden ze hun kansels voor elkaars predikanten openstellen.

Aanvankelijk dacht ik aan een eenaprilgrap, hoewel ik daar niet zeker van was. Het leek me in elk geval geen geslaagde grap, want over bepaalde dingen moet je geen grappen maken. Maar al snel bleek dat van een grap geen sprake was. De volgende dag werd dat door een bericht in het Nederlands Dagblad bevestigd en toen was het geen 1 april meer. Maar misschien moeten we dit voorstel bij nadere beschouwing toch wel als een grap beschouwen, maar dan inderdaad wel als een hele slechte.

Overigens is het bericht veel te stellig. “Vijf protestantse kerken zijn van plan ‘bijzondere betrekkingen’ met elkaar aan te gaan: aanvaarding van elkaars (gast)leden en openstelling van elkaars preekstoelen.” Dat is nog maar de vraag: het gaat om voorstellen van deputaten. Vooralsnog zijn hun kerken helemaal niets van plan. De respectievelijke synodes moeten ermee akkoord gaan. Je mag aannemen dat de afgevaardigden hier nog wel iets over willen zeggen. Ik heb nog wel zoveel vertrouwen in het gezond verstand en het kritisch vermogen van op z’n minst een aantal afgevaardigden van vooral GKV en CGK dat ik me niet kan voorstellen dat deze voorstellen enthousiast omarmd zullen worden.

Laten we eens naar die voorstellen kijken.

Het eerste voorstel behelst het aanvaarden van attestaties uit de andere betrokken kerken. In christelijke kerken wordt met attestaties niet op dezelfde manier omgegaan. Als houder van het Kerkelijk Bureau van mijn gemeente krijg ik ook wel eens attestaties uit andere kerken onder ogen, bijvoorbeeld de PKN maar ook een Gereformeerde Gemeente. Daar staat soms helemaal niets op over de ‘geestelijke staat’ van de betrokken persoon. Dat is te begrijpen wanneer het in de desbetreffende gemeente niet de gewoonte is dat ambtsdragers bij hun gemeenteleden op huisbezoek gaan. Hoe kunnen ze dan weten of een broeder of zuster “gezond is in de leer en onbesproken in de wandel”, zoals het op door mijn kerkenraad afgegeven attestaties wordt geformuleerd? Daar staat dan wel altijd bij “voor zover de kerkenraad bekend is”. Maar wanneer nooit een huisbezoek plaatsvindt, reikt die kennis niet ver. Daarmee is een attestatie niet veel meer dan een bewijs van lidmaatschap. Dat maakt het des te onbegrijpelijker dat de notitie van de deputaten van de vijf genoemde kerken zegt: “Er vindt niet eerst nog een apart ‘examen’ naar leer en leven plaats”.

Maar ook al staat op de attestatie dat iemand “gezond is in de leer en onbesproken in de wandel”, dan is direct de vraag wat daaronder verstaan moet worden. Het is voor een kerkenraad van wezenlijk belang dat hij er vanuit kan gaan dat de kerkenraad die de attestatie heeft afgegeven, dezelfde normen hanteert als hij zelf aanlegt. In de kleinere reformatorische kerken is dat meestal wel het geval, hoewel zeker in de NGK duidelijke verschillen tussen gemeenten bestaan, mede als gevolg van het feit dat daar veel aan de plaatselijke gemeenten wordt overgelaten. Bij de PKN zijn de verschillen nog vele malen groter.

Het probleem betreft niet alleen de aanvaarding van attestaties uit andere kerken. Het gaat evenzeer om het afgeven van een attestatie naar een andere kerk. In de attestaties die mijn kerkenraad verstrekt beveelt hij de broeder of zuster die een attestatie meekrijgt aan in de herderlijke zorgen van de “broeders opzieners” – oftewel de ambtsdragers – van de ‘ontvangende’ gemeente. Het begrip ‘herderlijke zorg’ moet hier niet te eng worden opgevat. Dat betreft uiteraard de persoonlijke zorg, met name in de vorm van ambtelijk bezoek. Ik merkte al op dat het niet in alle gemeenten van de betrokken kerken de gewoonte is regelmatig huisbezoek af te leggen. Maar herderlijke zorg betreft in de eerste plaats de prediking en – als het om een gezin met kinderen gaat – het catechetisch onderwijs. De kerkenraad kan iemand alleen met een gerust hart in de zorg van een andere kerkenraad aanbevelen wanneer hij ervan uit kan gaan dat die op dezelfde grondslag staat.

Dat lijkt me in dit geval niet onproblematisch. Want wanneer iemand attestatie aanvraagt naar een PKN-gemeente, welke kleur heeft die gemeente dan? Wordt de Schrift daar als richtsnoer voor leer en leven gehanteerd? Heeft de wil van God, zoals die in de Schrift wordt geopenbaard, daar het eerste en het laatste woord? Daar komt nog bij dat de gemeenschap van de kerk zich niet tot de plaatselijke gemeente beperkt. Wie lid wordt van een Gereformeerde-Bondsgemeente, krijgt de vrijzinnige vleugel – ook al vergadert die aan het andere eind van het land – er gratis bij. Maar de vraag is vervolgens ook of de ambtsdragers in de nieuwe gemeente zich strikt binden aan de gereformeerde belijdenis. En dan komt ook de NGK in beeld want daar wordt met de belijdenis wat ‘lichtzinniger’ omgegaan dan in de GKV – althans officieel – het geval is. Kerkenraden van de GKV kunnen, bij wijze van spreken, met de ogen dicht een attestatie naar een andere GKV tekenen.

Er komt hier nog een andere kwestie om de hoek kijken. Wie een attestatie uit een ander kerkverband zonder meer aanvaardt of zonder nader onderzoek een attestatie naar een ander kerkverband afgeeft, erkent daarmee de facto dat het een ieder vrij staat het kerkverband te verlaten, als dat hem of haar goed uitkomt. Maar dat gaat rechtstreeks in tegen wat kerken van de Reformatie altijd over de kerk hebben beleden. De Nederlandse Geloofsbelijdenis laat zich helder uit over de vraag hoe met het kerklidmaatschap moet worden omgegaan. Beslissend is of men de kerk waarin men – bijvoorbeeld door geboorte – een plaats heeft gekregen, kerk van Christus durft te noemen. Kort geformuleerd komt het hierop neer: wie deze vraag bevestigend beantwoordt, heeft niet het recht zijn kerk te verlaten. Wie daarentegen tot de conclusie komt dat zijn kerk dat etiket niet verdient, heeft de plicht die kerk te verlaten en zich bij die kerk aan te sluiten die wel kerk van Christus mag heten. Uit wat de kerk over zichzelf belijdt kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het wisselen van kerk(verband) om een andere dan een door Schrift of belijdenis gemotiveerde reden niet legitiem is. Het voorgestelde beleid ten aanzien van attestaties is daarmee duidelijk in tegenspraak. Wanneer zulk beleid werkelijkheid wordt, zou het van eerlijkheid getuigen de desbetreffende artikelen uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis te schrappen.

Dit brengt dan direct bij het tweede voorstel: de aanvaarding van elkaars leden als gastlid. Het is op zichzelf al merkwaardig dat iemand van twee gemeenten lid wil zijn. Wat zou daarvan de reden kunnen zijn? Het is lichtelijk inconsequent dat in dit geval volgens de deputaten wèl een gesprek nodig is “over de plaats van het belijden in het persoonlijk leven van de betrokkene”, zoals PKN-scriba Arjan Plaisier het formuleert. Dat is op zich te begrijpen, maar waarom hier wel en bij een definitieve overgang door middel van een attestatie niet? Kennelijk moet hier gedacht worden aan een gastlidmaatschap dat niet de consequentie is van een tijdelijk verblijf elders, bijvoorbeeld in een plaats waar in de directe omgeving geen gemeente van het eigen kerkverband te vinden is.

Wanneer iemand gastlid van een andere gemeente wordt, zal dat in vrijwel alle gevallen een gemeente zijn van een andere snit dan de eigen gemeente. Waarom zou men er anders gastlid willen worden? Hier hebben we van doen met een ander verschijnsel dat zich in gereformeerd Nederland steeds duidelijker manifesteert: de visie op de gemeente en het gemeentelijk leven. Ik krijg de indruk dat er sprake is van een toenemende ‘onthechting’, als ik dat zo mag uitdrukken. Men bezoekt heel gemakkelijk diensten in een ander kerkverband. Men spreekt dan over ‘bijwonen’. Maar een kerkdienst woon je niet bij. De gemeenschap van de heiligen wordt te vaak vooral verbonden aan de viering van het avondmaal. Bij het proces van kerkelijke toenadering of eenwording wordt het samen vieren van het avondmaal beschouwd als het sluitstuk en een stap verder dan het houden van gezamenlijke erediensten. Dat is een vergissing. Het avondmaal is door Christus ingesteld en dus van groot gewicht, maar het is vooral een zichtbare ondersteuning van de ‘bediening van de verzoening’, de verkondiging van het evangelie die in elke eredienst centraal staat. De gemeenschap van de heiligen begint in de eredienst. Een eredienst woon je niet bij, daaraan neem je deel. Wie zich schaart onder de verkondiging van het evangelie wordt daarmee het subject van de bediening van de sleutels van het hemelrijk. Dat is dus een serieuze zaak. Kerkelijk shoppen is strijdig met de ernst van de deelname aan de eredienst. Een gastlidmaatschap gaat nog een stap verder. In het licht van het bovenstaande kan er geen plaats zijn voor gastlidmaatschap van een gemeente van een ander kerkverband.

Het derde voorstel van de deputaten van de genoemde kerken is dat zij hun kansels voor predikanten uit de deelnemende kerken openstellen. Hieraan hoef ik eigenlijk niet al te veel woorden vuil te maken. Voor een belangrijk deel is de argumentatie tegen het voorgestelde attestatiebeleid mutatis mutandis ook hier van toepassing. Want ook hier is wederzijds vertrouwen essentieel. Kan een kerkenraad er zonder meer van uitgaan dat een gastpredikant zich op dezelfde grondslag stelt als predikanten van het eigen kerkverband? Gaat hij met de Schrift op dezelfde manier om? Is de desbetreffende predikant aanspreekbaar op de gereformeerde belijdenis? Ik wees al op het grote gewicht van de prediking. Hier worden de sleutels van het hemelrijk bediend. Dan moeten die wel op de juiste manier worden gehanteerd. Er staat immers wel wat op het spel.

Wanneer we de voorstellen van de deputaten overzien moeten we tot de conclusie komen dat zij er blijkbaar van uitgaan dat de vijf kerken elkaar zo dicht genaderd zijn dat de verschillen van ongeschikt belang zijn. Maar als dat zo is, waarom stellen ze dan niet voor dat deze vijf kerken zich formeel tot één kerkverband aaneensluiten? Doorredenerend vanuit hun eigen uitgangspunten zou men kunnen zeggen dat ze halverwege blijven staan. Wanneer de verschillen niet van wezenlijk belang zijn, is gescheidenheid een zonde. Ook dat is de consequentie van wat we over de kerk belijden in de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Het is kiezen of delen. Òf de verschillen zijn verwaarloosbaar klein en dan kan blijvende gescheidenheid niet als legitiem worden beschouwd. Òf de verschillen zijn te substantieel om tot kerkverbandelijke eenheid te komen. Maar dan moet men die onder ogen zien, eerlijk benoemen en daaruit de consequentie trekken en de kerkgrenzen respecteren.

Advertenties

Verlegen met kerkverlating

Er zal waarschijnlijk geen enkele gereformeerde kerk te vinden zijn die niet van tijd tot tijd geconfronteerd wordt met onttrekkingen. Dit verschijnsel is van alle tijden. Het lijkt er wel op dat er sprake is van een stijgende lijn. Dat heeft allerlei oorzaken. Daartoe behoort onder andere dat veel gemeenteleden een sociaal netwerk hebben dat wijder is dan dat van de kerkelijke gemeente of het kerkverband. Daarmee is een factor verdwenen die vroeger wellicht mensen ervan weerhield de band met de kerkelijke gemeente te verbreken. Over de oorzaken van de kerkverlating gaat het me nu hier niet. Ik wil de aandacht richten op de manier waarop kerkelijke gemeenten met het verschijnsel van onttrekkingen en met individuele kerkverlaters omgaan.

Die is door de jaren heen nogal veranderd. Dat stel ik vast op grond van eigen waarneming, maar ik vermoed dat mijn constatering weinig tegenspraak zal ontmoeten. Als ik me niet vergis is er meer aandacht voor de achtergrond van kerkverlating en vindt dit haar weerslag in de manier waarop een onttrekking aan de gemeente wordt meegedeeld alsmede de wijze waarop die in het gebed tijdens de kerkdienst aan de orde komt. Dat is winst. De ene onttrekking is de andere niet. Het maakt nogal verschil of kerkverlating het resultaat is van een afscheid van het christelijk geloof als zodanig dan wel een keuze voor een ander kerkgenootschap of geloofsgemeenschap. Dat mag ook in de afkondiging en het gebed tot uitdrukking komen.

Ik laat de eerste categorie hier verder buiten beschouwing. Onder ‘kerkverlater’ versta ik hier een kerklid dat zich onttrekt aan de gemeente en zich aansluit bij een andere kerkelijke gemeenschap.

Wanneer aan de gemeente moet worden meegedeeld dat een broeder of zuster – of zelfs een heel gezin – zich aan de gemeente heeft onttrokken en zich bij een andere kerkelijke gemeenschap heeft gevoegd, hoe wordt daarop dan gereageerd? Het kan zijn dat de gemeente de hand in eigen boezem steekt. Is er genoeg gedaan om de desbetreffende broeder of zuster vast te houden? Werd aan hem of haar de ruimte gegeven waarop hij of zij – ook naar de normen van de Schrift – recht mocht laten gelden? Het is terecht dat zulke vragen eerlijk onder ogen worden gezien. Wanneer geconstateerd moet worden dat er op dat punt het één en ander aan schortte, dan is schuldbelijdenis, vooral ook in het gebed, noodzakelijk.

Juist wanneer iemand de keuze voor een andere gemeente maakt, komt de realiteit van de kerkelijke verdeeldheid nadrukkelijk in beeld. In het gebed wordt die aan God voorgelegd en wordt het verlangen naar eenheid uitgesproken. Het is terecht dat dit een regelmatig terugkerend punt van gebed is. Ik heb daar eerder aandacht aan besteed. Maar moet dat ook bij een onttrekking aan de orde komen? Gebed om eenheid is nodig, maar volstaat niet. Er moet ook concreet aan kerkelijke eenheid gewerkt worden. Zeker hier moeten bidden en werken hand in hand gaan. En juist daar zit het probleem. Wanneer iemand zich onttrekt om zich te voegen bij een evangelische gemeente of een gemeente die tot het kerkverband van de PKN behoort, is het dan niet wat goedkoop te lamenteren over de kerkelijke verdeeldheid? Het staat immers bij voorbaat vast dat eenheid met de desbetreffende gemeenten er niet in zit. De kerkenraad van de gemeente van de kerkverlater zal waarschijnlijk ook geen concrete stappen zetten om met zo’n gemeente gesprekken aan te gaan met het oog op eenheid. Maar dan wordt het gebed om die eenheid onoprecht. Wanneer eenheid geen realistische optie is, moet men het gebed om die eenheid achterwege laten.

Kritische zelfbeschouwing en publieke treurnis over kerkelijke verdeeldheid zijn op zichzelf positief te waarderen. Ik vermoed echter dat ze in dit geval een uiting zijn van groeiende verlegenheid met kerkverlating. Ik kan me van enkele decennia geleden herinneren dat in zo’n geval werd gebeden om terugkeer van de kerkverlater naar de gemeente. Dat hoor je nu nog zelden. Zelfs voorgangers die er niet van verdacht kunnen worden dat ze het belang van de kerk relativeren, lijken zich op dit punt terughoudend op te stellen.

Dat is merkwaardig. Ze hebben zich immers verplicht de leer van de kerk niet alleen te verdedigen, maar die ook actief uit te dragen. Ten aanzien van de kerk is de Nederlandse Geloofsbelijdenis volstrekt duidelijk. In artikel 29 wordt uitgesproken aan welke kenmerken men de ‘ware kerk’ kan herkennen. Die fungeren dan als toetssteen voor de vraag of de kerk waarvan men lid is, als ‘kerk van Christus’ mag worden betiteld. In zijn ‘Kruimeldief’ onder de titel ‘Warme gemeente (3)’ schrijft ds. A.H. Verbree: “Ik wil elke christen oproepen de eigen gemeente trouw te blijven” (Nederlands Dagblad, 15.6.13). Dat is een juist uitgangspunt. Het lidmaatschap van een gemeente is immers geen toeval. De meeste mensen zijn in eerste instantie lid van de kerkelijke gemeenschap waarin ze geboren zijn. Daarin komt Gods leiding in hun leven tot uitdrukking. Een gemeente waarin je door God bent geplaatst, laat je niet zomaar in de steek. Daar ligt je eerste verantwoordelijkheid. Aan die gemeente mankeert ongetwijfeld van alles. Maar dat is geen reden dan maar weg te lopen en het elders te proberen. Aan elke gemeente mankeert immers wel wat. Maar aan die trouw aan de gemeente is wel een grens. Elk kerklid heeft de taak de kerkelijke gemeenschap waartoe hij behoort, steeds weer te toetsen aan de normen waaraan de kerk volgens de Schrift moet voldoen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft daarvan een samenvatting.

Ieder kerklid heeft dus de taak zich af te vragen: is mijn kerk naar de norm van de Schrift ‘kerk van Christus’? Wie die vraag bevestigend beantwoordt, mag niet weg. Wie de vraag met “nee” moet beantwoorden, mag niet blijven. Artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis maakt korte metten met elke vrijblijvendheid ten aanzien van het lidmaatschap van de kerk. Er kan geen sprake van zijn dat gelovigen de vrijheid hebben te kiezen bij welke kerk ze zich zullen aansluiten.

Wanneer men ervan overtuigd is ‘kerk van Christus’ te zijn is het volkomen normaal – dat wil zeggen: “volgens de norm” – te bidden om de terugkeer van de kerkverlater naar de kerk die hij verliet. Wie dat nalaat doet de betrokkene, de kerk en vooral de Heer van de kerk tekort.

Het is nu eenmaal zo

Er wordt nog weleens geklaagd in christelijk Nederland dat je als christen – of, in wijder verband, als kerk – zoveel moet. Je moet evangeliseren, je moet de liturgie op de schop nemen, je moet actief zijn in de buurt, je moet als broeders en zusters naar elkaar omzien, je moet over de kerkmuren heenkijken, enzovoort enzovoort. Je zou er moe van worden en sommigen worden dat ook.

Maar er is ook iets anders. Je leest het in artikelen en hoort het in interviews en toespraken, expliciet of impliciet. “Het is nu eenmaal zo dat …” en dan volgt in de regel een verwijzing naar een moderne trend of het moderne levensgevoel. In elk geval gaat het dan om iets dat typerend is voor onze tijd en waar de kerk, wil ze zich niet irrelevant maken, rekening mee moet houden. Je kunt daar een mooie term voor verzinnen. Dat deed bijvoorbeeld ds. Wim van der Schee (GKV Amsterdam-Z/W), toen hij in 2011 een toespraak hield op een vergadering in Zwolle, waar gesproken werd over de vraag wat kerken moeten met de tweede kerkdienst. Hij sprak over “door niemand geregisseerde veranderingen”.

Het is waar dat sommige ontwikkelingen niet ‘geregisseerd’ zijn. Er kan inderdaad van een mentaliteitsverandering gesproken worden ten aanzien van het bezoeken van kerkdiensten. De vanzelfsprekendheid is verdwenen. Die mentaliteitsverandering is niet ‘geregisseerd’: er is niet een collectief besluit genomen dat het bijwonen van kerkdiensten niet meer vanzelf spreekt. Maar het zijn uiteindelijk wel mensen die besluiten al dan niet een kerkdienst te bezoeken. Daarop kunnen ze aangesproken worden. De vraag is of kerkenraden dat ook doen. Ik vermoed dat dit weinig of niet gebeurt. Kerkenraden hebben het zien gebeuren en ze hebben het laten gebeuren. Wanneer de trend zich eenmaal heeft doorgezet, is het tij nauwelijks meer te keren. Dan wordt het ook steeds moeilijker, kerkleden op hun kerkgang aan te spreken.

Hier lijkt sprake te zijn van een soort van defaitisme. Dan past men zich aan ‘gedane zaken’ aan. Dat komt dan bijvoorbeeld daarin tot uiting dat de tweede dienst wordt afgeschaft dan wel als facultatief wordt beschouwd, zoals in de gemeente van ds. Van der Schee. In de meeste gemeenten gaat men niet zover. Maar wanneer geen actie wordt ondernomen, zouden andere gemeenten dat voorbeeld kunnen gaan volgen.

Ook ten aanzien van andere onderwerpen kan defaitisme gesignaleerd worden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan een interview met ds. Peter Buijs, dat De Wekker, het officiële orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk, publiceerde. Het Nederlands Dagblad van 31 januari bericht daarover. Buijs was voorzitter van de laatste Generale Synode van zijn kerken en blikt in het interview vooruit naar de komende synode. Hij gaat speciaal in op de contacten met andere kerken, die weer op de agenda van de synode zullen staan. Het zoeken naar kerkelijke eenheid typeert hij als een achterhoedegevecht. “Mensen lijken het inderdaad steeds minder van belang te vinden tot welk kerkverband een gemeente behoort”, zo wordt hij geciteerd. Hij vreest dat het streven naar eenheid met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken zal leiden tot breuken in zijn kerken, omdat bepaalde behoudende kerken grote moeite hebben met een ‘institutionele eenheid’ met die kerken. Daarom vraagt hij zich af of zijn kerken zich daarvoor moeten blijven inzetten.

Het defaitisme druipt ervan af. Hij betreurt dat gemeenten steeds vaker “liggingsgemeenten” worden, zoals hij dat zelf uitdrukt. Maar dat is toch al heel lang zo? Dat is het resultaat van toegeeflijkheid van kerkelijke vergaderingen. Die hebben zich immers neergelegd bij het verschijnsel van de geperforeerde kerkgrenzen waardoor mensen van dezelfde ‘ligging’ elkaar opzoeken om het samen fijn eens te zijn. Er zijn predikanten die niet mogen voorgaan in naburige gemeenten van een andere ‘ligging’. Kerkelijke vergaderingen stonden erbij en keken ernaar, maar deden niets. Dan is het vreemd zich daar nu ineens over te beklagen. Dat gemeenten van een bepaalde ‘ligging’ problemen hebben met een eventuele ‘institutionele eenheid’ met GKV en NGK is het resultaat van een ontwikkeling die men op haar beloop heeft gelaten. We hebben het niet over zaken die ‘gebeuren’ en ‘niet geregisseerd’ zijn. Het gaat hier over kerkelijke vergaderingen die geen besluiten hebben genomen. Dat is ook een vorm van regie.

Ik noem nog een voorbeeld, dat zich op hetzelfde vlak bevindt. De PKN heeft de kleine reformatorische kerkgenootschappen uitgenodigd voor een gesprek. “Het doel is van gedachten te wisselen over de vraag ‘of er nog dwingende redenen zijn om in onze gescheidenheid voort te gaan’, aldus het protestantse moderamen dat ontkerkelijking en secularisatie als argumenten opvoerde”, aldus het Nederlands Dagblad van 29 januari. In hetzelfde bericht wordt gemeld dat de Christelijke Gereformeerde Kerken niet op de uitnodiging zullen ingaan. Niet alleen heeft het Deputaatschap eenheid van gereformeerde belijders daarvoor geen mandaat, zijn voorzitter, ds. Willem van ’t Spijker, deelt ook mee dat contacten met de Protestantse Kerk nogal gevoelig liggen. “De breedheid van het kerkgenootschap en de manier waarop met tucht wordt omgegaan zijn binnen onze kerk moeilijke punten”.

Op 1 februari schreef ds. Bert Loonstra, predikant van de CGK in Gouda, in dezelfde krant een artikel, waarin hij de deputaten oproept de uitnodiging te aanvaarden. In zijn artikel bestrijdt hij de typering van de PKN die zijn collega Van ’t Spijker geeft, niet. Hij beweert niet dat de PKN een belijdende kerk is en erkent dat ze niet voldoet aan de kenmerken van de ware kerk, zoals die door de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden geformuleerd. Maar dan maakt hij een draai om de door hem bepleite deelname aan het gesprek te rechtvaardigen.

“In onze beoordelingen beschouwen wij onszelf als de maat van alle dingen. Als we het ergens niet mee eens zijn en er wordt niet naar ons geluisterd, zoeken we onze eigen weg. Dat wij overgeleverd zijn aan het vrijmachtige, genadige goeddunken van de Allerhoogste, is ver weggezakt.” Hij gaat vervolgens specifiek in op de tucht. Die wordt, zo is het verwijt van de kleine gereformeerde kerken, in de PKN niet toegepast. Loonstra bestrijdt het niet, maar zet vervolgens kritische kanttekeningen bij de toepassing van de tucht in zijn kerk. Hij meent dat die niet ontkomt aan willekeur: ongehuwd samenwonenden worden er wel door getroffen, maar ten aanzien van echtscheiding en hertrouwen is de kerk aanzienlijk toegeeflijker. Hij gaat nog een stap verder. “En, belangrijkste vraag: heeft de tucht geen averechts effect als ze wordt toegepast op de mondige mensen uit de 21e eeuw?”

Daarmee zijn we midden in de problematiek die de inzet was van deze bijdrage: hoe kan de tucht nog functioneren in het kader van ‘door niemand geregisseerde veranderingen’? “Het bedoelde effect is de persoon in kwestie terug te brengen tot Christus en de gemeente. Maar het toepassen van tucht staat haaks op het moderne levensbesef en leidt dus tot onbegrip. Daar gaat nog een probleem aan vooraf: dat moderne levensbesef maakt het moeilijk voor de ambtsdragers die daarmee ook behept zijn, de tucht zuiver in te zetten.”

De opmerking dat “wij” onszelf als de maat van alle dingen beschouwen kan niet anders worden opgevat dan als een relativering van de belijdenis die hij zelf heeft beloofd te zullen hooghouden. Want zijn kerken passen bij hun taxatie van de PKN geen particuliere normen toe, maar de normen van een belijdenis die formeel nog steeds tot de grondslag van de PKN behoort. Dat de tucht niet altijd consequent wordt toegepast en dat tuchtoefening niet altijd zuiver is – wie zal het ontkennen? Maar is dat een reden er minder gewicht aan toe te kennen?

Ik laat dat verder rusten. Het gaat me nu vooral om het fatalisme dat uit de opmerkingen over de tucht spreekt. In feite wordt het belang daarvan sterk gerelativeerd met een beroep op de cultuur waarin we leven en de daarbij behorende mentaliteit. Loonstra pleit er niet met zoveel woorden voor de tucht maar bij het grofvuil te zetten. Maar hij relativeert impliciet wel het gebrek aan tuchtoefening in de PKN.

We zijn daarmee in feite terug bij het begin. Want de tucht is geen op zichzelf staan verschijnsel. Het probleem dat velen met de tucht hebben, wordt daardoor veroorzaakt dat daarbij vooral of zelfs uitsluitend gedacht wordt aan maatregelen, zoals afhouding van het avondmaal en uiteindelijk uitsluiting aan de gemeente. Maar dat is de slotfase. De tucht begint met de verkondiging van het evangelie. Dat is, volgens Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus, de eerste sleutel van het hemelrijk. Daarmee wordt ook direct duidelijk hoe essentieel het voor kerkenraden is toe te zien op de kerkgang van de gemeente. De kerkenraad die op dat punt zijn taak verwaarloost, ondermijnt de werking van de prediking als middel voor de tucht, die, zoals ds. Loonstra terecht schrijft, bedoeld is om iemand terug te brengen tot Christus en de gemeente. Daarom moeten gereformeerde kerken elk defaitisme van zich afschudden en weer pro-actief worden, zeker als het om de kerkgang gaat.

Maar die ‘door niemand geregisseerde veranderingen’ dan? Bestaan die niet of moet de kerk die negeren?

Er valt weinig af te dingen op de vaststelling dat kerkelijke normen botsen op de mentaliteit die in onze samenleving domineert en ook de kerk niet voorbijgaat. Dat geldt voor het artikel van ds. Loonstra niet minder dan voor de uitlatingen van ds. Van der Schee en ds. Buijs. Maar is dat nieuw? Staan de normen van de christelijke kerk – en die zijn uiteindelijk niets anders dan de normen van de Schrift – niet altijd haaks op de cultuur? Ze stonden haaks op de Griekse cultuur zoals Paulus die tegenkwam tijdens zijn discussies op de Areopagus in Athene. Ze stonden recht tegenover de heidense cultuur van het Romeinse rijk. Maar toen het christendom aan invloed won, veranderde ook die cultuur. Dat is de kracht van het evangelie: het kan mensen en culturen veranderen. Dat zien we in de zendingsgebieden. Wanneer het christelijk geloof de cultuur van een heidens Afrikaans land kan veranderen, waarom dan niet de in veel opzichten even heidense cultuur van het Westen, of die nu ‘modern’ of ‘postmodern’ is?

Dat kan alleen wanneer de boodschap van de Schrift onversneden en onaangepast wordt uitgedragen. Wanneer de kerk het hoofd in de schoot legt en zich willoos en klakkeloos aanpast aan ‘door niemand geregisseerde’ veranderingen, wordt de boodschap krachteloos en zal ze haar uitwerking missen.

Kerken en hun vertegenwoordigers zouden eens wat minder vaak moeten zeggen dat “het nu eenmaal zo is”. Er zijn maar heel weinig dingen “nu eenmaal zo”.

Gereformeerd Appèl

In 1992 werd een beweging opgericht die zich Gereformeerd Appèl noemde. Ze bestaat uit leden van drie kleine reformatorische kerken: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Ze doet regelmatig van zich spreken, vooral aan het begin van een nieuw seizoen, in augustus/september, wanneer een openbare bijeenkomst plaatsvindt, waar leden van de diverse kerken het woord voeren. Daar wordt ook gebeden om eenheid, met name van de drie genoemde kerken.

Het streven naar kerkelijke eenheid is een nobel streven. Sterker nog, het is voluit bijbels. Want Christus wil dat allen die in Hem geloven één zijn. Dat komt nergens zo duidelijk en indringend tot uiting als in het zogenaamde ‘hogepriesterlijk gebed’, dat is opgetekend in Johannes 17. “Ik bid niet alleen voor hen [de leerlingen], maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden”. Eenheid van allen die in Christus geloven is dus een belangrijk instrument voor evangelisatie. Dan moet die eenheid wel zichtbaar zijn. De ‘oecumene van het hart’ is dat niet. En evangelisatieactiviteiten waarbij de kerkelijke verdeeldheid onder het tapijt wordt geveegd zijn tot onvruchtbaarheid gedoemd.

Op het streven van het Gereformeerd Appèl is dus niets aan te merken. Integendeel, het verdient krachtige steun. Het is wel belangrijk dat daarbij de juiste toon wordt aangeslagen. Dat lijkt niet altijd het geval te zijn. Ik heb weleens de indruk gekregen dat het Gereformeerd Appèl zich soms gedroeg als een actiegroep die de kerken onder druk wilde zetten om toch vooral haast te maken.
Er is uiteraard niets op tegen wanneer leden van de desbetreffende kerken laten merken hoezeer de kerkelijke verdeeldheid hen aan het hart gaat. Maar daarbij moet vermeden worden dat men zich gaat afzetten tegen wat al gauw als ‘kerkelijke elite’ wordt aangeduid. De suggestie wordt gewekt dat die het proces van kerkelijke eenwording eerder vertraagt dan versnelt. De vergelijking met het politieke populisme, dat ‘het volk’ opzet tegen ‘de elite’, dringt zich bijna onvermijdelijk op.

Op 23 augustus meldde het Reformatorisch Dagblad dat het Gereformeerd Appèl zich wil verbreden. Ook leden van andere kerken zouden hierbij betrokken moeten worden. Klaas van Breugel, voorzitter van de werkgroep van het Gereformeerd Appèl, denkt aan “een brede gebedsbeweging, waarin broeders en zusters hun verdriet en pijn over de verdeeldheid delen, waar de schuld die wij tegenover elkaar en tegenover de Heere hebben belijden, waar wordt gebeden voor leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Welke andere kerken hij op het oog heeft, wordt duidelijk uit een bericht in het Nederlands Dagblad van 24 augustus: gedacht wordt aan de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Bond in de PKN.

Dat roept vragen op.

Van Breugel wil dat de leden van die kerken de pijn en het verdriet over de verdeeldheid delen. Wordt die ook altijd gevoeld? Daar ben ik niet zo zeker van. Er moet schuld beleden worden. Waarover dan? Kerkelijke verdeeldheid kan inderdaad zonde zijn en dan is schuldbelijdenis op haar plaats. Maar is àlle kerkelijke verdeeldheid zonde waarvoor schuld beleden moet worden?

Er is ook verdeeldheid die het gevolg is van principiële verschillen. In de NGK doen zich allerlei ontwikkelingen voor die bij de GKV en de CGK op ernstige bezwaren stuiten. Daarbij kan gedacht worden aan de toelating van de vrouw tot het bijzondere ambt, de visie op homosexualiteit, de hier en daar bestaande praktijk om kinderen tot het avondmaal toe te laten en de vrijheden ten aanzien van kerkverbandelijke regels en afspraken die sommige gemeenten zich permitteren.
Vrijgemaakt-gereformeerden en christelijke gereformeerden nemen daar terecht afstand van. Wanneer daardoor kerkelijke eenheid niet van de grond komt is dat bepaald geen reden voor schuldbelijdenis. Die zou eerder op haar plaats zijn wanneer zulke zaken terwille van de kerkelijke eenheid met de mantel van de liefde zouden worden bedekt.

Het is natuurlijk prachtig samen te bidden om kerkelijke eenheid. Maar daarbij moeten we de zin voor de realiteit niet verliezen. Als we samen met leden van de Gereformeerde Bond bidden om kerkelijke eenheid, waar bidden we dan om? Iedereen onder het dak van de PKN, waar in de praktijk volledige leervrijheid bestaat? Iets anders zit er niet in, aangezien de Gereformeerde Bond herhaaldelijk duidelijk heeft gemaakt dat afscheiding van de PKN geen optie is.
Er lijkt ook weinig reden aan te nemen dat leden van de Gereformeerde Gemeenten warmlopen voor kerkelijke eenheid met GKV, CGK en NGK. Hun geestverwanten binnen de CGK verzetten zich met kracht tegen de ‘kleine oecumene’. Van leden van de Gereformeerde Gemeenten kan nauwelijks een positievere houding verwacht worden. En dan laat ik hier nog de principiële verschillen tussen de Gereformeerde Gemeenten en de drie reformatorische kerken buiten beschouwing.

De verbreding van het Gereformeerd Appèl leidt onvermijdelijk tot verwatering. Dat blijkt ook uit de persberichten. Volgens Van Breugel moet gebeden worden voor “leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Hoe waardevol dat op zich ook is, dat is toch iets anders dan kerkelijke eenheid. In het ND lezen we: “De verbreding is in deze tijd gemakkelijker omdat kerkelijke eenheid niet alleen draait om het samenvoegen van instituten. ‘Het voeren van het geloofsgesprek is belangrijk geworden. Daarom willen wij ons niet langer beperken tot bepaalde kerken.'”

Kerkelijke eenheid is een Schriftuurlijke eis, christelijke samenwerking over kerkgrenzen heen is dat niet. Door voor het laatste te kiezen beperkt het Gereformeerd Appèl zich tot pijnbestrijding, maar laat hij de kwaal onbehandeld. Met Christus’ bede “Laat hen allen één zijn” heeft dat niet veel te maken.

Avondmaal en kerklidmaatschap

Het is tijd mijn verhaal over de sacramenten en het kerklidmaatschap voort te zetten. In de vorige bijdrage ging het over de doop. Aan het slot kwam de kwestie ter sprake die de uiteindelijke aanleiding vormde voor deze serie: de positie van kerkleden die zich in een andere kerkelijke gemeenschap laten ‘overdopen’. Heeft een ‘overdoop’ gevolgen voor het kerklidmaatschap of kan iemand die zich laat ‘overdopen’ gewoon lid van de gemeente blijven? Ik heb die vraag toen nog opengelaten. Er is een goede reden eerst de relatie tussen avondmaal en kerklidmaatschap te behandelen. Want degenen die zich laten ‘overdopen’ zijn meestal volwassenen, die ook al vaak belijdenis hebben gedaan en dus het recht hebben aan de viering van het avondmaal deel te nemen.

In de vorige bijdrage liet ik zien dat het feit dat de doop binnen de gemeente plaatsvindt, impliceert dat er sprake is van geloofseenheid tussen de doopouders en de gemeente. Die wordt op allerlei manieren bij de bediening van de doop onderstreept. Bovendien wordt de dopeling door de doop formeel in de gemeente opgenomen. Ook tussen avondmaal en kerklidmaatschap bestaat een nauwe band.

Het avondmaal is allereerst een uitdrukking van de band tussen Christus en de gemeente. Christus zelf heeft die bij de instelling van het avondmaal geproclameerd. Paulus onderstreept deze in zijn eerste brief aan de Corinthiërs. “Maakt de beker waarvoor wij God loven en danken ons niet één met het bloed van Christus? Maakt het brood dat wij breken ons niet één met het lichaam van Christus?” (1 Cor. 10,16). Hij laat daar direct op volgen dat het avondmaal ook een gemeenschap met elkaar is. “Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.” (1 Cor. 10,17). In de christelijke gemeente die met Pinksteren in Jeruzalem ontstaat, is het “breken van het brood” een teken dat de leerlingen met elkaar een gemeenschap vormden (Hand. 2,42). Omdat de viering van het avondmaal een uitdrukking is van de eenheid van de gemeente, gaat Paulus in zijn eerste brief aan de Corinthiërs ook zo uitvoerig in op de misbruiken rond het avondmaal. Die zijn een aanwijzing dat het in de gemeente aan eensgezindheid ontbreekt. Dat had Paulus in de voorgaande hoofdstukken al gesignaleerd toen hij wees op de vele partijschappen.

De belijdenis van het geloof, voorafgaand aan de viering van het avondmaal, onderstreept dat hierin de geestelijke eenheid van de gemeente tot uiting komt. Maar die is niet pas in de avondmaalsviering zichtbaar. Die komt in de eerste plaats tot uitdrukking in de wekelijkse samenkomsten waarin het Woord wordt verkondigd. Woord en sacrament mogen ook in die zin niet van elkaar worden losgemaakt dat het ene vrijblijvend zou zijn en het andere geestelijke verbondenheid veronderstelt.

Wanneer Woord en sacrament onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn heeft dat consequenties.

Wie elke week het Evangelie hoort verkondigen kan zich niet onthouden van de viering van het avondmaal. Omgekeerd kan wie zich aan de wekelijkse evangelieverkondiging onttrekt, geen recht op deelname aan het avondmaal laten gelden. In beide gevallen worden Woord en sacrament van elkaar losgemaakt.

De eenheid tussen Woord en sacrament moet ook dan in stand gehouden worden wanneer gemeenten van verschillende kerkverbanden samen avondmaal vieren. Tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en soms ook de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) is in toenemende mate toenadering te constateren. Steeds meer gemeenten erkennen elkaar als gemeente van Christus. Dat is een verheugende ontwikkeling, wanneer deze erkenning gebaseerd is op de normen die de Schrift en de gereformeerde belijdenis hiervoor aanreiken. Ze leidt gewoonlijk tot kanselruil, gemeenschappelijke erediensten en gezamenlijke avondmaalsvieringen. Die drie elementen mogen niet van elkaar gescheiden worden. Wanneer bijvoorbeeld een CGK van tijd tot tijd met de GKV avondmaal viert, maar op andere momenten erediensten belegt met de NGK, terwijl deze door de GKV niet als kerk van Christus wordt erkend, worden Woord en sacrament losgeknipt.

Dat gebeurt ook wanneer gelovigen van buiten de kerkelijke gemeenschap wel het avondmaal willen meevieren, maar voor de wekelijkse Woordverkondiging hun heil in hun eigen gemeente zoeken. Het avondmaal is alleen opengesteld voor wie de geestelijke eenheid van de gemeente wil onderhouden. Daar hoort de Woordverkondiging bij.

Het onderhouden van de eenheid van de gemeente verdraagt zich ook niet met het vieren van het avondmaal in gemeenten waarmee geen geestelijke eenheid bestaat. Gereformeerden kunnen geen avondmaal vieren in een PKN- of evangelische gemeente. Daarmee zetten ze de toegang tot het avondmaal in hun eigen gemeente op het spel.

Ik keer terug tot de vraag die de aanleiding vormde tot deze serie: kan iemand die zich laat ‘overdopen’ lid van de gemeente blijven? Op grond van wat is opgemerkt ten aanzien van de relatie tussen sacrament en kerklidmaatschap moet deze vraag met “nee” beantwoord worden. Wie zich in een gemeente laat ‘overdopen’ belijdt geestelijk één te zijn met die gemeente en verbreekt daarmee de eenheid met de gemeente waarvan hij lid is. Dat moet in elk geval als consequentie hebben dat hij niet meer tot de viering van het avondmaal wordt toegelaten. Er is immers geen sprake van “één lichaam en één geest, (…) één geloof, één doop”, kenmerken van de eenheid van de Geest (Ef. 4). Wanneer er geen formele basis bestaat om in een dergelijk geval te concluderen dat van een “feitelijke onttrekking” sprake is, wordt het tijd dat de kerken door middel van een synodaal besluit uitspreken dat ‘overdoop’ een onttrekking aan de gemeente impliceert. Dat zou ook de uitspraak van de Generale Synode van Harderwijk van de GKV dat een tweede doop “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden” onderstrepen.

Een schijn van eenheid

(N.B. Ik onderbreek mijn serie over “Kudde zonder herders” met een commentaar op activiteiten ten behoeve van kerkelijke eenheid.)

Veel gelovigen ergeren zich aan de kerkelijke verdeeldheid. Dat is terecht. Er worden dan ook heel wat activiteiten ontplooid om tot kerkelijke eenheid te komen. Ook dat is terecht. Het is bepaald geen ‘reclame’ voor het christelijk geloof – om het even in markttermen uit te drukken – wanneer christenen onderling zo verdeeld zijn dat ’s zondags gescheiden samenkomen en elkaar soms ook door de week niet weten te vinden.

Dat zoiets in de evangelisatie een handicap is, zal duidelijk zijn. Daarom moet er hard aan gewerkt worden dat christenen elkaar vinden. Belangrijker nog: het is een bijbelse opdracht. Jezus wil dat zijn volgelingen één zijn, zoals Hij in het ‘hogepriesterlijk gebed’ (Joh. 17) tot uitdrukking heeft gebracht. Dus wanneer gelovigen zich op allerlei manieren en op allerlei niveaus inspannen voor eenheid tussen christenen, doen ze een goed werk.

Maar wie schriftuurlijk-kritisch de diverse activiteiten op dit gebied in ogenschouw neemt, ontdekt dat er nogal wat kaf tussen het koren zit. De afgelopen week trokken twee berichten de aandacht die dat bevestigen.

Later dit jaar wordt een zogeheten Nationale Synode gehouden. Daaraan doen kerken van allerlei snit mee, die nogal verschillen in geloofsleer. Het is de bedoeling dat ze elkaar toch vinden op basis van een document dat door leden van verschillende kerken is voorbereid en onder de titel ‘Credo’ is gepresenteerd. Vorige week deelde het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) mee dat het bij deze Nationale Synode aanwezig zal zijn.

Het tweede bericht betreft een symposium van christelijke studenten dat vrijdag 8 oktober in Utrecht plaatsvond. In een artikel in het Nederlands Dagblad van 7 oktober zetten twee bestuursleden van de christelijke studentenvereniging CSFR zich nogal af tegen de kerkelijke leiders. Die zouden niet in staat zijn effectief aan eenheid te werken. Maar ze hebben meer gemeen met de kerkelijke organisatoren van de Nationale Synode dan ze misschien zelf in de gaten hebben, zoals nog zal blijken.

In het Nederlands Dagblad van 8 oktober deelt de voorzitter van het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid van de GKV mee dat men unaniem besloten heeft aan de Nationale Synode deel te nemen. Dat is opvallend, want vanuit de GKV zijn nogal wat kritische geluiden te vernemen tegen deze Nationale Synode. In een artikel in het Nederlands Dagblad d.d. 23.12.09 heeft prof. J. van Bruggen het ‘Credo’ van de ‘nationale synode’ kritisch onder de loep genomen. Daarbij heeft hij een aantal verschillen tussen dit document en de Apostolische Geloofsbelijdenis geconstateerd. Daaruit heeft hij de conclusie getrokken dat het ‘Credo’ geen ‘groeibelijdenis’ is, zoals de opstellers beweren, maar een ‘afbraakbelijdenis’, waarin elementen van de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar ook van de Geloofsbelijdenis van Nicea ontbreken.

Je zou mogen verwachten dat het Deputaatschap zich met zulke kritiek confronteert en argumenten geeft waarom men meent dat deelname aan de Nationale Synode verantwoord is. Dat is, voorzover mij bekend, niet gebeurd. Er is niet alleen kritiek geleverd op de inhoud van het ‘Credo’. Er is ook op gewezen dat de beslissing tot deelname een breuk betekent met de oecumenische opstelling die de GKV tot nu toe hebben gekozen. “Als we bereid zijn met vrijzinnige kerken om de tafel gaan zitten om onze eenheid te betuigen, dan betekent dit een overduidelijke streep door ons vrijgemaakt-gereformeerde verleden”, schrijft prof. J. Douma op zijn website.

Wil het Deputaatschap zich daarmee niet confronteren? Is er opnieuw sprake van een koerswijziging binnen de GKV die ingrijpend is maar zich vooral in stilzwijgen voltrekt? Dat zou wel gemakkelijk zijn: men hoeft zich niet in te spannen om uit te leggen waarom zonder vorm van proces terzijde wordt geschoven wat ooit met principiële argumenten is verdedigd. Bij zulke gewichtige zaken zou een grondige discussie gewenst zijn, en wel daar waar zulke discussies thuishoren, namelijk in kerkelijke vergaderingen.
Het Deputaatschap maakt zich wel erg gemakkelijk van de geleverde kritiek af. De voorzitter, ds. H. Messelink, beperkt zich ertoe op te merken dat er tegenover de kritiek ook enthousiaste reacties staan, die minder in de openbaarheid zijn gekomen. Wordt ook in de kerk het beleid door de vox populi bepaald?

Om eenheid tussen christenen te bereiken – of zelfs af te dwingen – gaan sommigen vrij ver. Dat laat de tweede activiteit zien, het al genoemde symposium van studenten. Het artikel in het Nederlands Dagblad waarnaar ik al verwees, is in veel opzichten onthullend. Het laat zien wat de de studenten(verenigingen) verstaan onder de eenheid die ze nastreven.

De term kerkelijke eenheid is in het artikel opvallend afwezig. De schrijvers beschouwen kerkelijke organisaties dan ook vooral als hinderpalen voor de eenheid tussen christenen. Tegenover het “institutionele van de kerk” stellen ze de netwerksamenleving waarvan studenten deel uitmaken. “Dat er diverse kerkelijke structuren naast elkaar bestaan, zegt niet zoveel, omdat onderling de relaties gewoon aangegaan kunnen worden. De identiteit halen we veel meer uit wat bindt, dan uit de zaken waarin we verschillen.”
Ze laten geen onduidelijkheid bestaan over de basis waarop eenheid moet worden gebouwd. “Naast de netwerksamenleving speelt ook de belevingscultuur een rol. De beleving van de concrete relaties op basis van een gedeeld geloof en ervaren eenheid, is veel belangrijker dan dat alles rationeel theoretisch op orde is. Ofwel, relaties en verbondenheid door gedeelde beleving van het geloof staan meer centraal dan de kerkelijke leer en structuur.”

Zonder enige argumentatie wordt de leer van de kerk bij het grofvuil gezet en ingeruild voor de beleving van de gelovigen. Die maakt uiteindelijk uit wat bij elkaar hoort. De zeer oude kreet “niet de leer, maar de Heer” blijkt ineens verrassend actueel te zijn. De studenten-scribenten zouden die zomaar kunnen onderschrijven. Deze leus en de consequenties die daaruit zijn getrokken hebben in de kerkgeschiedenis een spoor van verwoesting getrokken. De gevolgen zijn in het huidige kerkelijke en maatschappelijke landschap aan te wijzen.

Het is een valse tegenstelling. Want de Heer en de leer hebben alles met elkaar te maken. Leerde Jezus niet tijdens zijn rondwandeling op aarde, tot verbazing en ergernis van zijn toehoorders? En waar lezen we dat Hij het belangrijker vond dat je gelooft dan wat je gelooft? Hij verkondigde niets anders dan wat in de Schriften stond. De leer van Jezus is geen andere dan de leer van de Schrift, de leer van apostelen en profeten. Die leer hebben de Gereformeerde Kerken samengevat en in de drie Formulieren van Eenheid opgeschreven.
Die gereformeerde leer, dat is de leer van de Schrift, moet het ijkpunt voor het streven naar kerkelijke eenheid zijn. Niet een door particulieren samengesteld ‘Credo’, dat geen weergave van de leer van de hele Schrift is en waarin angstvallig wordt verzwegen wat verdeeldheid zou kunnen zaaien. Het gevoel kan al evenmin als ijkpunt gelden. Het menselijk gevoel is een onbetrouwbaar kompas en is veranderlijk als het weer. Gevoel is ook persoonlijk en niet geschikt tot het stichten van gemeenschap.

De organisatoren van de Nationale Synode en de dames en heren studenten streven naar een eenheid boven geloofsverdeeldheid. Met alle onderlinge verschillen trekken ze in wezen aan hetzelfde touw. Natuurlijk maakt het geen goede indruk op ‘de wereld’ wanneer christenen verdeeld zijn. Maar zou een schijn van eenheid tussen christenen, die met dezelfde bijbel in de hand allemaal een andere kant opgaan, wel een goede indruk maken?

In het hogepriesterlijk gebed legt Jezus een verbinding tussen de eensgezindheid van zijn volgelingen en de eensgezindheid tussen Vader en Zoon. Dat betekent: één van zin en één van streven. Met deze Nationale Synode en dit studentikoze activisme komt dit hoge ideaal geen stap dichterbij.