Archief

Posts Tagged ‘kerkorde’

GKV waarheen? (1)

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) zijn een kerkverband in verwarring. Sinds de perikelen van de jaren ’70 van de vorige eeuw, die tot het ontstaan van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) leidden, bevond het kerkverband zich in relatief rustig vaarwater. Natuurlijk kwamen op kerkelijke vergaderingen, zoals Generale Synodes, wel zaken aan de orde die aanleiding gaven tot verschil in opvatting, maar die waren zelden van fundamentele aard. Sinds de eeuwwisseling is het vaarwater nogal troebel geworden. Er begon van alles te schuiven, vaak eerst in plaatselijke kerken en daardoor van een beperkte reikwijdte. Eén van de kenmerken van de veranderingen was dat ze vaak stilzwijgend plaatsvonden. Men confronteerde zich niet met de gangbare opvattingen en praktijken en voelde zich daarom ook niet geroepen nieuwe opvattingen en vormen te beargumenteren.

Die fase hebben de GKV achter zich gelaten. De meningsverschillen zijn de laatste jaren aan de oppervlakte gekomen en niemand kan meer doen alsof ze er niet zijn. Dat heeft drie oorzaken. De eerste is het besluit van de laatste Generale Synode (aan te duiden als GS-Meppel) de ambten van predikant, ouderling en diaken open te stellen voor vrouwen. De tweede is het besluit te streven naar een fusie op afzienbare termijn met de NGK. De derde is het besluit van de GS-Meppel een studie te laten verrichten naar de positie van homoseksuelen – en dan met name diegenen die een relatie aangaan – binnen de kerk. Terwijl dat laatste onderwerp op de eerstvolgende GS (GS-Goes, 2020), die in november a.s. wordt geopend, waarschijnlijk nog niet aan de orde zal komen, zullen de eerstgenoemde twee kwesties daar een centrale rol spelen. Dat heeft, voor wat de openstelling van de ambten betreft, vooral te maken met de bezwaren die door diverse kerken zijn ingebracht tegen het besluit van de GS-Meppel.

Inmiddels wordt er op allerlei niveaus gediscussieerd over dat besluit. Dat gebeurt niet alleen op landelijk niveau, via publicaties in allerlei vorm, maar ook in gemeenten, dankzij het feit dat de GS de gemeenten de vrijheid gaf de genomen besluiten al dan niet uit te voeren. Het heeft in veel gemeenten voor wrijving en verwijdering gezorgd. Niet alleen ‘bezwaarden’ vragen zich af: wat nu? Waar gaan we als kerken heen? Kunnen we de eenheid nog bewaren of bestaat die in feite al niet meer? En als er een breuk optreedt, wat dan? Een alternatief dient zich niet altijd direct aan. Niet weinige bezwaarden kunnen het de Gereformeerde Bond nazeggen, toen die met de aanstaande vorming van de PKN werd geconfronteerd: we kunnen niet mee en we kunnen niet weg.

Ik wil hier een poging doen de stand van zaken op te nemen en m’n gedachten laten gaan over de te verwachten ontwikkelingen. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten en wat zullen de consequenties van eventuele besluiten zijn?

Allereerst de kwestie betreffende de openstelling van de ambten. Voor de goede orde: het gaat daarbij vooral om de ambten van predikant en ouderling. Over de openstelling van het ambt van diaken bestaat een vrij grote overeenstemming.

Ik zie hier vier opties.

De eerste is dat de GS tot de conclusie komt dat het besluit van de GS-Meppel principieel onjuist was en dat op grond van de Schrift de ambten van predikant en ouderling aan mannen voorbehouden zijn. Dat zal vèrgaande consequenties hebben. Het betekent dat er geen basis is voor de ambtsuitoefening van die vrouwen die al als ouderling functioneren. Zij zullen hun ambt per direct moeten neerleggen. Dat is uiteraard een pijnlijke zaak. Maar nog pijnlijker is de principiële kant. Want toen zij bevestigd werden, hebben zij “ja” gezegd, toen hun gevraagd werd of ze ervan overtuigd waren dat God hun tot die taak geroepen had. Dat moet dan achteraf als een vergissing worden aangemerkt. Daarbij blijft het niet. Want zo’n besluit impliceert dat de opvattingen van de voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen als onschriftuurlijk moeten gelden. Wat betekent dit voor het functioneren van predikanten en hoogleraren die zulke opvattingen publiek hebben uitgedragen? Er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen dat een zodanig besluit als een splijtzwam zal gaan werken. Alleen al om die reden kunnen we er gevoeglijk van uitgaan dat zo’n besluit niet genomen zal worden.

De tweede optie is dat wordt uitgesproken dat uit de discussies blijkt dat er veel onzekerheid bestaat over de correcte uitleg van teksten die met het onderwerp te maken hebben. De synode zou, vanuit de overweging dat een grote mate van consensus in deze kwestie gewenst is, kunnen besluiten een studie-deputaatschap te benoemen dat zich nog eens over de exegese van relevante Schriftplaatsen gaat buigen en met name over die, welke aanleiding geven tot fundamentele verschillen van inzicht. Je zou dit de veilige optie kunnen noemen. Definitieve besluiten worden niet genomen, noch in de ene noch in de andere richting. De discussie op allerlei niveaus kan worden voortgezet zonder consequenties voor de deelnemers. Het ligt voor de hand dat, zolang geen nieuw besluit wordt genomen, geen vrouwen in de ambten worden bevestigd. Die vrouwen die al een ambt bekleden, zouden hun termijn kunnen volmaken.

De derde optie is dat de synode uitspreekt dat het besluit weliswaar juist is maar dat de argumentatie te wensen overlaat. Ze zou uit haar midden een aantal afgevaardigden aan het werk kunnen zetten om een deugdelijker onderbouwing van de genomen besluiten te formuleren. Dit is de meest problematische optie. Het komt er in feite op neer dat de synode zegt: vrouwen mogen wel in de ambten benoemd worden, maar we weten eigenlijk niet zo goed waarom. Je zou dit ook de meest gênante optie kunnen noemen. Hiermee deelt de synode zichzelf en haar voorgangster een brevet van onvermogen uit.

De vierde optie heeft met de eerste gemeen dat ze de helderste is. De synode bevestigt het besluit van de GS-Meppel en meent dat de onderbouwing toereikend is en recht doet aan de Schrift. Maar daarmee is de kous niet af. De vraag die ze daarbij niet kan ontlopen, is of ze het kan volhouden dat alle meningen gelijke rechten hebben binnen de kerken. Want als de discussie sinds de laatste GS iets laat zien is het dat dit leidt tot ongemak, wrijving en gewetensconflicten. De synode ontkomt er niet aan zich af te vragen of deze verdeeldheid nog past binnen de bandbreedte van wat we als kerken onder ‘gemeenschap van de heiligen’ verstaan. Een bevestiging van de besluiten zal onvermijdelijk – en ook hier ligt een parallel met de eerste optie – tot verdere verdeeldheid leiden en wellicht tot een formele breuk binnen het kerkverband.

Welke optie is de meest waarschijnlijke? Ik zou het niet weten. De eerste is, zoals ik al suggereerde, de minst waarschijnlijke. De consequenties daarvan zullen zo ingrijpend zijn dat men het niet zal aandurven, zo’n besluit te nemen. Uiteraard hangt de uitkomst af van de vraag hoe de synode is samengesteld. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat er voldoende draagvlak zal zijn voor een zo vèrgaand besluit. Het feit dat tenminste twee vrouwelijke ouderlingen zijn afgevaardigd naar de GS-Goes maakt dat nog onwaarschijnlijker. Het zal dus wel één van de andere drie worden. Vooralsnog geef ik de laatste de meeste kans.

Er is nog een tweede kwestie die de gemoederen bezighoudt, al neemt die in de discussies in de pers en op vergaderingen een minder prominente plaats in. Dat laatste zou wel eens z’n oorzaak daarin kunnen vinden dat de fusie met de NGK minder verzet oproept dan de openstelling van de ambten voor vrouwen. Het is opvallend dat tijdens de GS-Meppel de stemverhoudingen bij deze twee onderwerpen verschilde. Het aantal stemmen tegen de fusie tussen GKV en NGK was kleiner dan dat tegen het voorstel betreffende de ambten. Daaruit moet de conclusie getrokken worden dat er afgevaardigden waren, die bezwaar hadden tegen de toelating van vrouwen tot de ambten, maar niet tegen de fusie met de NGK. En dat is vreemd. Want binnen de NGK is de uitoefening van de ambten van predikant en ouderling door vrouwen geen onderwerp van discussie meer. Het is inmiddels ingeburgerd en de kans dat het na een fusie met de GKV nog weer ter discussie zal worden gesteld, lijkt me vrij klein. Degenen die verschillend stemden, zullen zich toch wel gerealiseerd hebben dat met een fusie precies datgene de kerk binnenkomt, wat ze door hun tegenstem bij het voorstel over ‘vrouw en ambt’ buiten de deur wilden houden?

Maar daarbij blijft het niet. Zoals ik in eerdere weblogs heb betoogd, komen met de fusie ook andere zaken de kerk binnen die je juist zou moeten weren. Dat betreft de te zwakke binding aan de belijdenis en – daarmee annex – een te grote vrijheid van plaatselijke kerken op het gebied van de geloofsleer en de ethiek, alsmede de vrijheid de leer van ds. B. Telder uit te dragen en, niet te vergeten, het gedachtegoed van New Wine, dat op een aantal punten niet verenigbaar is met de gereformeerde geloofsleer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Het voorstel voor een kerkorde van de verenigde kerk onderstreept dat die kerk meer op de huidige NGK zal gaan lijken dan op de GKV, zoals die tot aan het begin van deze eeuw was.

Het feit dat tegen deze fusie zo weinig weerstand wordt geboden, is bepaald verontrustend. Kennelijk zien verreweg de meeste voorgangers en kerkenraden hier geen problemen. En van degenen bij wie dat wel het geval is, is lang niet iedereen bereid daaraan de consequentie te verbinden dat die fusie dan maar niet door moet gaan. Ik weet op dit moment niet of tegen het principebesluit tot een fusie door gemeenten bezwaren zijn ingebracht en ook niet wat de synode op dit punt eventueel nog zou moeten besluiten. Vooralsnog lijken de kansen dat er nog zand in de machine wordt gestrooid, niet erg groot. De trein zal dus wel voortrazen tot een stadium is bereikt dat er in feite geen weg terug meer is.

Wanneer inderdaad zal gebeuren wat ik hierboven als het meest waarschijnlijke heb aangemerkt, zullen leden van de GKV die zich met deze ontwikkelingen niet kunnen verenigen, des te nadrukkelijker voor de vraag komen te staan: wat nu? Daarover gaat de tweede aflevering van deze serie.

Advertenties

Rouwdiensten zullen niet worden belegd

“Rouwdiensten zullen niet worden belegd”. Zo luidt artikel 71 van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, die gehanteerd wordt in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV). Als het aan Deputaten Liturgie en Kerkmuziek ligt, komt daar verandering in. Ze hebben een uitvaartliturgie ontworpen en stellen de komende Generale Synode voor deze vast te stellen. Men mag aannemen dat dit voorstel niet uit de lucht komt vallen. Kennelijk hebben de deputaten een behoefte aan zo’n liturgie gesignaleerd. Dat is op zichzelf opmerkelijk. De moderne mens – ook de moderne kerkmens – acht zich mans genoeg zelf te bepalen hoe allerlei zaken geregeld moeten worden. Bruidsparen hechten er in de regel zeer aan dat zij zelf de liturgie van de huwelijksbevestiging kunnen samenstellen. Ook wanneer ouders hun kind ten doop houden willen ze graag invloed op de keuze van het lied of de liederen die bij de doopsbediening gezongen worden. Het is dan wel opmerkelijk dat men bij de invulling van een bijeenkomst voorafgaand aan een begrafenis door de kerk bij het handje wil worden genomen en ideeën voor een liturgie wil krijgen aangereikt. Dat is te meer opvallend aangezien kerkelijke gemeenten zich de laatste jaren steeds minder gelegen laten liggen aan liturgische afspraken en regelingen die door de kerken gezamenlijk zijn vastgesteld.

Het is van belang erop te wijzen dat het voorstel uit de koker van de Deputaten Liturgie en Kerkmuziek komt. Die hebben uiteraard geen bemoeienis met de inhoud van de Kerkorde. Sinds jaar en dag is het gebruikelijk dat kerkboeken ook aanwijzingen bevatten voor bijvoorbeeld het gebruik van de Psalmen en Gezangen bij speciale gelegenheden. Bovendien worden allerlei gebeden aangeboden die bij specifieke omstandigheden gebruikt kunnen worden. Die zijn geheel vrijblijvend: men kan ze gebruiken maar ook terzijde leggen. In dat licht is er niets op tegen wanneer Deputaten met suggesties komen over de manier waarop een bijeenkomst voorafgaand aan een begrafenis zou kunnen worden ingevuld. Wie dat wil kan daarvan gebruik maken, maar aangezien de Gereformeerde Kerken er altijd van zijn uitgegaan dat zo’n bijeenkomst in principe een familieaangeledenheid is, staat het de nabestaanden geheel vrij daaraan hun eigen invulling te geven.

De berichtgeving over de voorgestelde liturgie (Nederlands Dagblad, 20.11.13) laat zien dat Deputaten verder gaan. De bijeenkomst krijgt in hun voorstel het karakter van een kerkdienst. Votum, groet en zegen maken er onderdeel van uit, evenals Schriftlezing en preek. De dienst eindigt pas na de zegen bij het graf. Wanneer de voorgestelde liturgie in deze vorm wordt aanvaard, kan het niet anders dan dat het geciteerde kerkorde-artikel wordt geschrapt. Want dan moet toch echt van een rouwdienst gesproken worden.

Deze bepaling van de Kerkorde is al oud en gaat terug tot de begintijd van de Reformatie. Ze moet tegen de achtergrond van de toen nog levendige praktijken rond dood en begrafenis gezien worden. Lijkpredikatiën, zoals men die toen noemde, behoorden tot de roomse superstitiën en paapse stoutigheden die men uit de kerkelijke samenleving wilde verbannen. De rituelen rond sterven en begraven werden gestempeld door het geloof dat men door middel van gebed iets kon bijdragen aan het zieleheil van de overledene. Bij gereformeerden van de 21e eeuw zullen zulke ideeën geen weerklank vinden. Er speelde echter nog iets anders mee in het verzet tegen de roomse praktijken. In zijn commentaar op de Kerkorde van 1923 schrijft Joh. Jansen dat men kennelijk bang was dat de “lof der afgestorvenen” al te zeer op de voorgrond zou staan. Dat heeft aan actualiteit niets ingeboet, integendeel. Met de toegenomen individualisering en personalisering van de maatschappij is bij begrafenissen de persoon van de overledene steeds meer in het middelpunt komen te staan. Bij christelijke begrafenissen zal echt nog wel het Woord klinken, maar toch wel vaak in relatie met de overledene, hoe hij of zij bijvoorbeeld in het geloof stond en daarvan getuigde. Maar de grotere aandacht voor de persoon kan zomaar vormen aannemen die tot gevolg hebben dat de verkondiging van het Woord in de knel komt.

Nu zou men dit als een argument kunnen gebruiken om een liturgie voor een uitvaartdienst aan te bieden. Op deze manier kunnen allerlei ongewenste ontwikkelingen wellicht worden tegengegaan. Die lijn volgt D. Griffioen in een artikel in De Reformatie (jg 72, 1996, pp. 301-304). Hij wijst erop dat een kerkenraad formeel geen mogelijkheden heeft corrigerend in te grijpen, wanneer gemeenteleden hun doden op “hun eigen manier” willen begraven. Veel meer dan een verwijzing naar een gegroeide traditie van een christelijke begrafenis of een algemene vermaning dat bij een begrafenis “iets” van het Evangelie moet klinken zit er niet in.

Griffioens uitgangspunt is dat de kerk bij een begrafenis aanwezig moet zijn. “Het argument dat een begrafenis uiteinde­lijk een zaak is van de familie gaat maar ten dele op. (…) [De] kerkenraad met de ge­meente is na de familie wel de meest nauw betrokkene bij het sterven en het begraven van leden van de gemeente.” Met deze opvatting kan men het moeilijk oneens zijn. Juist rond sterven en begraven moet de kerk pastoraal aanwezig zijn. Er moet vanuit de Schrift troost en uitzicht geboden worden. Als die uitblijven, waar moeten de nabestaanden die dan vandaan halen? Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord of de Schrift moet klinken in het kader van een kerkdienst. Griffioen verwijst naar andere schrijvers die met argumenten betogen dat een door de kerkenraad uitgeschreven dienst in dit geval niet de voorkeur verdient. Hij gaat daarin in zoverre mee dat ook hij van mening is dat er geen sprake kan zijn van een reguliere dienst. Hij pleit voor een soort van ‘aangepaste’ dienst. Daarin kan bijvoorbeeld in de keuze van de te zingen liederen een zekere vrijheid betracht worden, die in ‘gewone’ kerkdiensten niet bestaat.

Nu is het nog maar de vraag of men een kerkdienst met een daarbij behorend liturgisch kader mag gebruiken om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Het is waar, zoiets is in het verleden ook gebeurd. Calvijn was bepaald geen voorstander van het houden van kerkdiensten op christelijke feestdagen anders dan op de zondag. Toch is men al in een vroeg stadium ertoe overgegaan op zulke dagen diensten te beleggen, vooral om ‘lediggang’ en allerlei ongewenste activiteiten op zulke (vrije) dagen tegen te gaan. Maar dat is nog geen reden om zoiets opnieuw te doen.

Bovendien valt te vrezen dat dit inmiddels een gepasseerd station is. Griffioen schreef zijn artikel in 1996 en inmiddels zijn meer dan vijftien jaar verstreken. Daarin is de vrijheid die kerkleden zich permitteren steeds verder opgerekt; kerkenraden zijn daarin meegegaan. Een sprekend voorbeeld is de wijze waarop kerkdiensten worden vormgegeven waarin een huwelijk wordt bevestigd. Dat een bruidspaar invloed heeft op de manier waarop die dienst verloopt en op de samenstelling van de liturgie is vrij algemeen geaccepteerd. Het lijkt er echter op dat bruidsparen vrijwel geheel de vrije hand wordt gelaten in bijvoorbeeld de keuze van de liederen. Dan kan het gebeuren dat in zo’n dienst van de gezongen liederen meer dan de helft in geen enkele bundel voorkomt die voor kerkelijk gebruik is vrijgegeven. De al gesignaleerde individualisering en personalisering speelt ook hier een rol. Het komt niet zelden voor dat de voorganger eerst het bruidspaar en zijn familie aanspreekt en pas dan de gemeente. Soms krijg je bijna de indruk dat de gemeente tot toeschouwer wordt gereduceerd.

Nu zou een kerkenraad hier regulerend kunnen optreden. Een trouwdienst is tenslotte ruim tevoren bekend en er is tijd genoeg om over de inhoud van de dienst van gedachten te wisselen en eventuele bezwaren tegen, bijvoorbeeld, de liedkeuze te bespreken. Bij een begrafenis ligt dat uiteraard anders. Daar moet alles op korte termijn geregeld worden. Voor het bespreken van eventuele bezwaren tegen de vormgeving van een bijeenkomst is weinig tijd. Bovendien is een begrafenis nu niet bepaald een gelegenheid waarbij een conflict tussen kerkenraad of voorganger enerzijds en de nabestaanden anderzijds zou moeten plaatsvinden. Juist dan zou elke onenigheid moeten worden voorkomen. In geval van een door de familie geregisseerde bijeenkomst lukt dat wel. Uiteindelijk levert de predikant alleen maar een bijdrage. Hij en zijn kerkenraad dragen geen verantwoordelijkheid voor het geheel en zijn daarop ook niet aanspreekbaar. Dat is anders wanneer de bijeenkomst voorafgaand aan de begrafenis het karakter van een kerkdienst zou krijgen.

Conflicten zijn dan alleen te voorkomen wanneer de kerkenraad voetstoots alles accepteert wat door de nabestaanden wordt voorgesteld. Maar was het niet juist de bedoeling ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan? Kerkenraden zijn zeer tolerant ten aanzien van de vormgeving van trouwdiensten. Wanneer ze hier al niet op hun strepen gaan staan en zich inspannen ervoor te zorgen dat de trouwdienst qua inhoud en vormgeving echt kerkdienst mag heten en niet haaks staat op wat in de kerk gebruikelijk is, zullen ze dat bij eventuele ‘rouwdiensten’ wel gaan doen? Moet de kerkenraad ingrijpen wanneer de nabestaanden van plan zijn uitgebreid het doopceel van de overledene te lichten of wanneer familieleden en vrienden uitvoerig verslag doen van hun herinneringen aan hem of haar? En wat te doen wanneer kinderen hun overleden opa of oma gaan toespreken, alsof hij of zij nog onder de levenden is? Hoe moet de voorganger reageren als een nabestaande over “stoffelijk overschot” spreekt? Volgens de voorstellen van Deputaten zou de dienst eindigen met de zegen na de teraardebestelling. Past in zo’n dienst het optreden van een dweilorkest, zoals één van de lezers in het Nederlands Dagblad van 21 november 2013 als zijn voorkeur opgeeft?

Wanneer een kerkenraad een kerkdienst belegt dient hij erop toe te zien dat deze qua karakter een echte kerkdienst is. Dan zullen er bepaalde grenzen moeten worden gesteld. Men zou bij trouwdiensten een begin kunnen maken. Wanneer de Generale Synode zou besluiten dat kerkenraden begrafenisdiensten kunnen beleggen, dienen ook daarvoor duidelijke afspraken te worden gemaakt. Kerkenraden moeten voorkomen dat conflicten bij de voorbereiding van een begrafenis ontstaan. Dat kan door in prediking en pastoraat vragen rond sterven en begraven aan de orde te stellen. Ik heb niet de indruk dat dit gebeurt. Wanneer ook in gereformeerde kring in rouwadvertenties de overledene wordt toegesproken, zou dat dan geen reden moeten zijn hierop in de prediking in te gaan? Zulke aanspraken zijn dan wellicht meestal van kinderen afkomstig, maar zou hun niet al vanaf jonge leeftijd moeten worden geleerd dat de doden niets weten – dat wil zeggen: geen kennis hebben van wat op aarde tegen hen of over hen wordt gezegd?

Enige reformatie ten aanzien van de inmiddels gegroeide praktijken rond overlijden en begraven lijkt bepaald niet overbodig. Het aangewezen middel daarvoor is prediking en pastoraat. Liturgische handreikingen kunnen een goed hulpmiddel zijn om rouwbijeenkomsten op een verantwoorde manier vorm te geven. Maar voorstellen voor het beleggen van rouwdiensten moeten voorlopig maar even in de ijskast gelegd worden. “Rouwdiensten zullen niet worden belegd” – laat dat vooral maar in de Kerkorde blijven staan.

Geen roeping zonder beroep

Keuzevrijheid is een groot goed voor de mens van de 21e eeuw. Hij wil zelf kiezen met wie hij door het leven gaat, welke studie hij gaat volgen en welk beroep hij gaat uitoefenen. Het aantal keuzemogelijkheden is vrijwel eindeloos en is gedurende de laatste decennia, als gevolg van het streven naar marktwerking, steeds groter geworden. Maar elk voordeel heeft z’n nadeel: soms zijn de keuzemogelijkheden zo omvangrijk dat men door de bomen het bos niet meer ziet.

Desondanks zijn er nog steeds zaken waarin niet veel of niets te kiezen valt. Of men geboren wordt, hoe men geboren wordt – mannelijk of vrouwelijk – en welke ouders men krijgt, dat onttrekt zich nog steeds aan de menselijke wil. Ondanks het liberale geloof dat je alles kunt worden wat je wilt heeft de mens met allerlei beperkingen te maken, intellectueel, sociaal en/of financieel-economisch. En wanneer iemand zegt dat hij koning van Nederland wil worden, is de kans dat hij zijn zin krijgt, vrij gering.

De koningen en koninginnen van Nederland beschouw(d)en hun functie dan ook als een roeping. Dat is iets waarvoor je niet kiest maar waartoe je door je geboorte verplicht bent of waartoe je door anderen wordt geroepen. In vroeger tijden werden meer functies als een roeping beschouwd. Ministers aanvaardden hun ambt omdat ze geloofden dat ze daartoe geroepen werden en volksvertegenwoordigers beschouwden het als hun roeping de belangen of opvattingen van hun kiezers in politieke organen uit te dragen.

Tegenwoordig is men eerder geneigd zulke functies als gewone beroepen te beschouwen. Daar ligt één van de oorzaken dat het verloop onder politici zo groot is: als om allerlei redenen het beroep van volksvertegenwoordiger je niet meer bevalt, ga je iets anders doen. Bekleders van een ambt werken er daardoor zelf aan mee dat de publieke opinie wat meesmuilend reageert wanneer nu en dan iemand nog eens rept over zijn roeping.

Het woord roeping komt nu vooral in kerkelijke kring nog voor. Iemand wordt als predikant aan een gemeente verbonden wanneer die hem daartoe roept. Iemand kan nog zo hard roepen dat hij dominee in X of Y wil worden, wanneer de desbetreffende gemeente hem niet beroept, zal dat niet gebeuren. Daarom kan men niet beweren dat predikant een ‘gewoon’ beroep is. Iedereen die dat wil kan theologie studeren, maar dat biedt geen garantie, laat staan recht op een verbintenis als predikant aan een gemeente. In die kringen waarin minder waarde wordt gehecht aan een gereguleerd kerkelijk leven door middel van afspraken is dat geen probleem. Wie een innerlijke aandrang voelt het Woord te verkondigen of op grond van een ‘innerlijke roeping’ meent een ‘bediening’ te hebben, begint gewoon voor zichzelf.

Het gebeurt nogal eens dat mensen die geloven een ‘innerlijke roeping’ te hebben daaraan het recht menen te kunnen ontlenen zich boven anderen te verheffen en regels en afspraken te negeren. Dat gebedsgenezer Jan Zijlstra zich opwerpt als ‘apostolisch overziener’ is daarvan een sprekend voorbeeld. Maar zo bont maakt niet iedereen het. Recent hield Philip Troost op predikant van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te zijn. Aangezien hij niet meer formeel aan een bepaalde gemeente verbonden is, zag het kerkverband geen basis voor een voortzetting van zijn predikantschap. Troost reageerde daarop teleurgesteld. Hij liet weten van mening te zijn dat hij gewoon predikant is en beriep zich daarvoor op zijn ‘innerlijke roeping’. Die woog voor hem kennelijk zwaarder dan de kerkelijke regels, waaraan hij – toen hij het predikantschap van een gemeente aanvaardde – uit eigen vrije wil door middel van zijn handtekening beloofde zich te zullen houden. In de pers vond hij bijval van mensen die blijkbaar net als hij van mening waren dat kerkelijke afspraken moeten wijken voor wat iemand als zijn roeping ervaart.

Er is helemaal niets tegen wanneer iemand een sterke persoonlijke roeping voelt tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden of het uitoefenen van een ambt. Wanneer dat hem motiveert zich in te zetten en zich bij tegenslag niet uit het veld te laten slaan, des te beter. Maar een ‘innerlijke roeping’ is naar haar aard persoonlijk. Die moet dat vooral ook blijven. Van anderen kan en mag niet worden verlangd dat ze die aanvaarden. Zo’n roeping is immers voor niemand anders te controleren. Mensen kunnen zich voor van alles en nog wat op een ‘innerlijke roeping’ of zelfs een persoonlijk boodschap beroepen. Recent was in het Nederlands Dagblad (18.4.13) te lezen dat een vertegenwoordiger van de Doorbrekers beweerde in de auto een stem gehoord te hebben die hem zei dat hij een gemeente in Zeeland moest gaan stichten. Moeten we dat echt serieus nemen?

In de gereformeerde wereld heeft het beroep op een ‘innerlijke roeping’ nooit een legitieme plaats gekregen. De enige manier waarop een predikant geroepen wordt, is via het beroep van een kerkelijke gemeente. Dat is niet zonder reden.

Het staat iedereen vrij het Woord van God uit te dragen. Mensen doen dat ook op allerlei manieren, door woorden en door daden. Maar de verkondiging van het evangelie in de samenkomsten van de gemeente is principieel van een andere aard. Het gaat daarbij, zoals de kerk in Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus belijdt, om één van de sleutels van het hemelrijk. Door die sleutel wordt het koninkrijk van de hemelen voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten. Die kan niet aan zomaar iemand in handen worden gegeven. Daarom bepaalt de kerkorde dat niemand het ambt van predikant mag vervullen zonder daartoe geroepen te zijn. Ze legt ook vast hoe de roeping van een predikant in haar werk behoort te gaan. Dat heeft niets te maken met regelzucht, maar met de bescherming van de gemeente. De sleutels van het hemelrijk dienen in overeenstemming met de normen van de Schrift en de daarop gegronde belijdenis gehanteerd te worden. Dat komt ook daarin tot uitdrukking dat ambtsdragers – en dus ook predikanten – hun handtekening zetten onder het ondertekeningsformulier.

Dit impliceert dat de predikant te allen tijde aanspreekbaar is op de manier waarop hij deze sleutel van het hemelrijk gebruikt. En daarmee zijn we bij de tweede reden waarom zoveel waarde wordt gehecht aan een formele roeping door een gemeente. De predikant is geen solist die kan doen en laten wat hem goeddunkt. Hij neemt onder de ambtsdragers een bijzondere plaats in vanwege zijn specifieke taak, maar staat daarmee niet boven de ouderlingen. Hij is in feite ouderling met een bijzondere opdracht. Volgens artikel 21 van de Kerkorde is het de taak van de ouderlingen, “samen met de dienaren des Woords”, de gemeente te regeren. Zij zien er ook op toe “dat de predikanten, de mede-ouderlingen en de diakenen hun ambt trouw vervullen”.

Waar zo’n kerkelijke orde ontbreekt, zijn misstanden niet te vermijden. Die halen regelmatig de krant. Het is dan ook onmogelijk het Woord met gezag te verkondigen. Wie zich uitsluitend beroept op een ‘innerlijke roeping’ of een ‘stem’ heeft slechts gezag zolang zijn ‘publiek’ daaraan geloof hecht en hem gezag verleent. Daarmee komt de norm bij dat publiek te liggen. Maar het gezag van wie beroepen is, ligt in zijn ambt. Hij is door Christus zelf aangesteld, door middel van het beroep van de gemeente. Alleen hij kan met recht zeggen: “Zo spreekt de Heer”. Zonder beroep is er geen roeping, zonder roeping geen gezag.

Geloven doe je samen (2)

In het vorige artikel werd het belang van een gezamenlijke bezinning op actuele vragen binnen de gemeenschap van de kerk beklemtoond. Maar dat betekent nog niet dat er dan eensluidende antwoorden komen. Afgezien daarvan of op elke vraag wel een eenduidig antwoord mogelijk is, de uitkomst van de bezinning hangt in hoge mate af van de manier waarop die plaatsvindt.

Voor een zinvolle discussie die ook tot concrete resultaten leidt, is het van belang bepaalde regels te stellen. In de politiek en de maatschappij bestaan zulke regels niet. Wie zou die moeten vaststellen en hoe zouden ze gehandhaafd kunnen worden? In het maatschappelijk debat speelt het internet een cruciale rol. En dat is letterlijk een vrijplaats: iedereen kan er alles vrijwel ongestraft kwijt, en niemand is verplicht zijn opvattingen te verantwoorden. In combinatie met het individualisme leidt dit ertoe dat alle meningen evenveel gewicht krijgen. Overheidscampagnes kunnen met nog zoveel wetenschappelijke argumenten worden gevoerd, tegen ongefundeerde en op gevoel gebaseerde meningen, niet zelden gevoed door samenzweringstheorieën, staat de overheid uiteindelijk machteloos, zoals bijvoorbeeld recente inentingscampagnes hebben laten zien.

Volgens Efeze 2,20 is de kerk gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Daarmee wordt de gehele Schrift bedoeld. Wanneer het fundament wordt weggetrokken, stort de kerk ineen. De Schrift moet dus altijd het uitgangspunt van elke bezinning zijn en zij bepaalt ook haar grenzen. Maar daarmee zijn we er nog niet. Want ook tussen hen, die zich op de Schrift beroepen, doen zich over belangrijke kwesties meningsverschillen voor. Om aan te knopen bij een in het eerste artikel genoemd voorbeeld: voor- en tegenstanders van de aanvaarding van homosexuele relaties beroepen zich op dezelfde Schrift. Kennelijk lezen ze daarin verschillende dingen. Het is dan zaak kritisch te kijken naar de manier waarop de Schrift gelezen wordt.

In de al genoemde passage uit Efeze 2 reikt Paulus één belangrijke regel voor het lezen van de Schrift aan. Door “apostelen en profeten” naast elkaar te zetten maakt hij duidelijk dat er geen tegenstelling bestaat tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Daarin volgt hij overigens Jezus zelf, die met nadruk liet weten dat Hij niet gekomen was om de wet (het Oude Testament) te ontbinden, maar om die te vervullen. De eenheid van Oude en Nieuwe Testament is bepaald niet van ondergeschikt belang. Vooral in evangelische kring komt het Oude Testament er nogal eens bekaaid vanaf. Niet zelden worden Oude en Nieuwe Testament tegen elkaar uitgespeeld. Daar staan evangelischen trouwens niet alleen in. Ook onder rooms-katholieken bestaat de neiging het Oude Testament op het tweede plan te zetten. Geconfronteerd met geweldsteksten uit het Oude Testament merkte emeritus-kardinaal Simonis op dat deze een “primitief godsbeeld van primitieve mensen” weerspiegelt. Daaruit blijkt dat behoudende rooms-katholieken geen bondgenoten zijn wanneer het gezag en de eenheid van de Schrift moeten worden verdedigd. Ook hier gaapt een kloof tussen Rome en Reformatie.

De gereformeerde belijdenisgeschriften kunnen ons helpen te Schrift naar haar bedoeling te lezen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet enkele duidelijke uitspraken over de Schrift en haar gezag. Maar de Drie Formulieren van Eenheid wijzen de kerk ook de weg bij het lezen van de Schrift door de manier waarop ze haar hanteren bij het formuleren van de leer van de kerk. Deze zijn maatgevend bij het trekken van de grenzen binnen welke elke bezinning zich zal moeten bewegen. Het zijn immers de grenzen die de belijdenis in de Schrift zelf heeft ontdekt.

Dan zijn binnen de kerk dus niet alle meningen gelijkwaardig. Of een opvatting legitiem is hangt uiteindelijk af van de vraag of ze recht doet aan de Schrift – de hele Schrift, niet een willekeurige selectie daaruit. Wanneer individuele kerkleden meningen uitdragen die niet aan dat criterium beantwoorden, zal de kerk die publiek moeten weerspreken. Ik geef twee voorbeelden. In het Nederlands Dagblad van 30 maart 2011 wordt een denkrichting onder christenen m.b.t. homosexuele relaties aldus getypeerd: “God wil dat ik gelukkig word. Dus als ik in een homoseksuele relatie tot mijn bestemming kom, kan dat niet anders dan Gods bedoeling zijn.” In een kerkblad gaf een kerkelijk gemengd bruidspaar aan na zijn huwelijk lid te willen worden van een kerk, die bij hen paste. Deze opvattingen doen geen recht aan de leer van de Schrift.

Zulke opvattingen mogen binnen de gemeente geen legitieme plaats krijgen. Maar de implicaties reiken verder. De kerk manifesteert zich wel in eerste instantie op het niveau van de plaatselijke gemeente, maar is daartoe niet beperkt. In ons land staan kerken met elkaar in relatie. Ze beschouwen elkaar als ‘zusterkerk’. Die relatie komt tot uitdrukking in een kerkverband, die regelmatig in vergaderingen op verschillend niveau samenkomen. De aard van hun relaties is in een kerkorde vastgelegd. Die mag dan op het eerste gezicht een zakelijk karakter dragen, ze is gegrond op en ontleent haar bestaansrecht aan het gemeenschappelijk fundament van de apostelen en de profeten. Aan de formele eenheid ligt een geestelijke eenheid ten grondslag. Dat impliceert dat een bezinning op principiële vragen waarvoor onze tijd de gelovigen stelt, niet tot de gemeente beperkt mag blijven. Zij mag zich niet van het kerkverband isoleren. En zoals niet elke mening van individuele gelovigen bestaansrecht heeft binnen de gemeente, zo heeft niet elke mening van plaatselijke kerken bestaansrecht binnen een kerkverband.

Het gereformeerd kerkrecht gaat uit van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Maar dat is geen vrijbrief voor independentisme, waarbij elke gemeente geheel zelfstandig haar beleid kan bepalen, zonder rekening te houden, laat staan zonder enige vorm van ruggespraak met het kerkverband. Om dat concreet te maken: de manier waarop met ongehuwd samenwonen wordt omgegaan, is niet uitsluitend een zaak van gemeenten. Het gaat hier om een onderwerp dat het fundament van de kerk raakt en daarom een kerkverbandelijk antwoord vraagt. Individualisme en gemeentelijk independentisme zijn uiteindelijk loten van dezelfde stam, want beide distantiëren zich van de gemeenschap waarin God mensen plaatst.

In dit verband dienen de ontwikkelingen ten aanzien van de vaststelling van een nieuwe kerkorde binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kritisch gevolgd te worden. Van diverse kanten wordt aangedrongen op minder centraal vastgestelde regels. En sommige kerkenraden nemen hierop al een voorschot door zich van kerkverbandelijke afspraken niets aan te trekken, wanneer hun dat zo uitkomt. Graag wordt de suggestie gewekt dat er meer ruimte voor verscheidenheid in praktische aangelegenheden moet zijn. Maar wat precies ‘praktische aangelegenheden’ zijn, daarover lopen de meningen uiteen. Niet zelden hangen die met principiële vragen samen en zal grotere zelfstandigheid in praktische aangelegenheden ook tot grotere differentiatie op principieel vlak leiden. Hoe de kerkdienst wordt vormgegeven is voor sommigen een praktische aangelegenheid. Maar wanneer een kerkdienst een zodanige vorm aanneemt dat deze de betiteling eredienst niet meer verdient, is dat niet maar een ‘praktische aangelegenheid’ – dan is het gereformeerde karakter van die gemeente in geding.

In een derde en laatste artikel ga ik in op de relaties met andere kerken in binnen- en buitenland en welke consequenties die hebben voor de bezinning op actuele vragen.

Een kudde zonder herders? (3)

Naar aanleiding van de klacht dat in de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven ging het in de tweede bijdrage over de ambtsdragers in de gemeente. De aandacht richtte zich daarbij op de oorsprong en de aard van hun taak en het gezag dat daarmee verbonden is. Ook werd aandacht besteed aan de manier waarop dat gezag bedreigd en ondermijnd kan worden. In deze derde bijdrage richt ik de schijnwerper op de gemeente. Hoe moet de gemeente zich opstellen tegenover de ambtsdragers? Wat staat haar te doen wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven?

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen (en diakenen) wordt de gemeente afzonderlijk aangesproken. Nadat de bevestiging heeft plaatsgevonden, wordt de gemeente opgeroepen de ambtsdragers te ontvangen “als opzieners en herders van de gemeente”. Daar wordt aan toegevoegd: “Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen.” In het formulier voor de bevestiging van predikanten staat mutatis mutandis hetzelfde.

In het laatstgenoemde formulier staat wel een belangrijke restrictie. We lezen daar: “Denkt eraan, dat God zelf u door hem [de dienaar des Woords] aanspreekt. Neemt daarom de woorden, die hij naar de Schrift tot u spreekt, met blijdschap aan.” Gehoorzaamheid en onderwerping aan de ambtsdragers is dus niet ongeclausuleerd. Ambtsdragers mogen van de gemeente wel verwachten dat hun gezag wordt aanvaard, maar altijd onder de voorwaarde dat hun woorden en daden in overeenstemming zijn met de Schrift.

Daaruit volgt voor de gemeente twee dingen. Ze moet zich aan de ambtsdragers onderwerpen en hun gezag aanvaarden, ook wanneer ze moeite heeft met hun optreden, zolang dat valt binnen de grenzen die de Schrift aangeeft. En tegelijk zal ze steeds de woorden en daden van de ambtsdragers moeten toetsen aan de Schrift. Ik verwijs hier naar Hand. 17 waar wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Dat is een activiteit van ieder gemeentelid afzonderlijk, maar ook van de gemeente als geheel. De ambtsdragers dienen dat niet af te remmen of te frustreren, maar moeten dat stimuleren.

Dat betekent natuurlijk niet dat overal een bijbeltekst voor te vinden is. Overal een bijbeltekst voor willen hebben is wat men terecht biblicisme noemt. Het is geheel conform de gereformeerde visie op de Schrift dat ook wat logisch uit haar kan worden afgeleid, tot de gereformeeerde leer kan worden gerekend. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de kinderdoop. Een bijbeltekst waarin staat dat elk kind van gelovige ouders moet worden gedoopt, is niet te vinden. Maar in de belijdenis en de doopsformulieren wordt overtuigend aangetoond dat dit wel als schriftuurlijke opdracht mag worden aangemerkt. Dat gebeurt vooral door heel de Schrift in haar samenhang te laten spreken. Dat is de manier waarop de belijdenisgeschriften tot hun formulering van de gereformeerde leer komen. (Ik kom daarop nog een keer terug in verband met de grondslag van de ChristenUnie en andere organisaties.)

Daarmee zijn we er nog niet. Er zijn ook kerkelijke regels. Beter gezegd: beloften die we als kerken binnen het kerkverband aan elkaar hebben gedaan. Daarmee hebben kerkleden – en ook ambtsdragers – soms nogal wat moeite, vooral als ze een dam opwerpen tegen wat men eigenlijk graag zou willen. Het kan gebeuren dat zulke regels tegen de Schrift worden uitgespeeld. Er was een tijd dat de kreet “What would Jesus do?” nogal populair was. In dit geval kan daarop als antwoord worden gegeven: Hij zou zich aan gemaakte afspraken houden. Zei Hij niet zelf in de Bergrede: “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee”? (Mt 5,37). Wanneer ambtsdragers dus kerkverbandelijk gemaakte afspraken naast zich neerleggen, kan hun met recht verweten worden onschriftuurlijk te handelen.

Wanneer gesproken kan worden van onschriftuurlijk handelen, is het tijd de kerkenraad aan te spreken en ter verantwoording te roepen. Maar ook dan moet het ambt gerespecteerd worden. Dat betekent dat de wijze waarop de ambtsdragers benaderd worden, in overeenstemming moet zijn met wat de Schrift zegt over het respect voor wie over ons gesteld zijn. Ambtsdragers mogen en moeten worden aangesproken op de wijze waarop ze hun ambt vervullen. Maar daar rust alleen zegen op wanneer dat op een respectvolle manier gebeurt. Wie de gemeente wil bewaren bij de leer van Christus, dient in de geest van Christus te handelen. De Bergrede heeft ons ook wat te zeggen wanneer het gaat om het aanspreken en eventueel bekritiseren van ambtsdragers. Ook de binnen de Gereformeerde Kerken afgesproken regels ten aanzien van de behandeling van meningsverschillen dienen gerespecteerd te worden. Het publiek aan de schandpaal nagelen van ambtsdragers of hen in publicaties of op internetsites voor schorsingswaardig verklaren is niet in overeenstemming met het respect waarop ambtsdragers recht hebben en ook niet met de kerkverbandelijke afspraken.

Ik wil in dit verband wijzen op het vijfde gebod, zoals we dat vinden in Exodus 20. Het gaat hier over het eren van de ouders. Het zal duidelijk zijn dat dit niet gelijkgesteld kan worden met gehoorzamen. Wanneer kinderen volwassen zijn geworden en het ouderlijk huis verlaten, houdt de plicht tot gehoorzaamheid, die minderjarige kinderen hebben, op. Dat is ook de implicatie van wat Paulus in Efeze 5 schrijft, namelijk dat de man zijn ouders zal verlaten en zich aan zijn vrouw zal hechten (vs 31). Dan valt de plicht tot gehoorzaamheid aan de ouders weg. Maar de plicht tot het eren van de ouders niet. Modern gezegd: geen gehoorzaamheid meer, maar wel respect. Zo is het ook in de relatie tussen de gemeente en de ambtsdragers. Het kan zover komen dat er de plicht bestaat de gehoorzaamheid aan de kerkenraad – in elk geval op een bepaald punt – op te zeggen. Maar daarmee blijft de plicht de ambtsdragers met respect te bejegenen. Bovendien wijst de Heidelbergse Catechismus (Zondag 39) bij de uitleg van dit gebod erop dat we met de zwakheden en gebreken van allen die gezag over ons ontvangen hebben, geduld moeten hebben.

Dat geduld sluit overigens niet uit dat actie wordt ondernomen. In het gereformeerde kerkrecht wordt gemeenteleden die menen dat de kerkenraad hun onrecht heeft gedaan of een koers vaart die in strijd is met de Schrift en de belijdenis, de mogelijkheid geboden in appèl te gaan bij de classis. Die gang naar de classis zou ook mogelijk moeten zijn wanneer de kerkenraad zich, naar de mening van een gemeentelid, niet houdt aan wat kerkverbandelijk is afgesproken. Maar hier hebben we wel een probleem. Op generaal-synodaal niveau is, vooral ten aanzien van de kerkorde-artikelen die over de liturgie en de inrichting van de erediensten gaan, aan de gemeenten een zodanige vrijheid gelaten dat elke kerk haar eigen beleid kan ontwikkelen.

Natuurlijk, het is geheel in overeenstemming met het gereformeerde kerkrecht dat de gemeente een grote mate van autonomie heeft. Maar in de praktijk betekent het vooral een grote autonomie van kerkenraden. En dan kan het gebeuren dat in plaatselijke kerken allerlei liederen worden gezongen die door de Generale Synode niet voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Het beleid van een kerkenraad uit het midden van het land laat dat zien. Volgens een synodebesluit mogen in bijzondere diensten niet-vrijgegeven liederen gezongen worden. Dat was voor de desbetreffende kerkenraad de reden elke dienst als ‘bijzonder’ aan te merken om zo zulke liederen onbeperkt te kunnen gebruiken. De overeenkomst met gemeentebesturen die hun gemeente als toeristisch gebied aanwijzen om de hand te kunnen lichten met de winkeltijdenwet is treffend.

Maar wanneer een gemeentelid hier bezwaar tegen heeft, wordt het lastig in appèl te gaan bij de classis. Er is hier immers sprake van de vrijheid van de plaatselijke kerk? Het lijdt geen twijfel dat de lijn die op dit punt wordt gevolgd, z’n uitwerking niet zal missen op de manier waarop in bredere zin met kerkorde en kerkelijke afspraken wordt omgegaan. Het gevaar is reëel dat de autonomie van de kerkenraad ertoe leidt dat de gemeente monddood wordt gemaakt en haar de mogelijkheden voor appèl worden ontnomen. Dat moet bezwaarde gemeenteleden er overigens niet van weerhouden toch deze weg te gaan wanneer wezenlijke zaken in geding zijn.

Ter afsluiting nog een laatste punt. Conflicten en wrijvingen in de gemeente worden niet altijd veroorzaakt door ambtelijk handelen of spreken dat op gespannen voet staat met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde. Er zijn ook zaken die op het vlak liggen van wat men geneigd is als persoonlijke smaak of gevoel of cultuur aan te duiden. Soms is dat terecht, maar lang niet altijd. Over allerlei zaken is wel meer en ook meer fundamenteels en principieels te zeggen dan dat het een kwestie van smaak is. Wanneer een predikant in zijn gemeente consequent vooral opwekkingsliederen in de dienst laat zingen handelt hij niet in strijd met wat kerkordelijk is afgesproken, tenminste wanneer hij zich beperkt tot de liederen die voor kerkelijk gebruik zijn vrijgegeven. Dat kun je natuurlijk helemaal tot het gebied van de persoonlijke smaak rekenen. Maar over dit onderwerp valt wel wat meer te zeggen, zeker vanuit de overtuiging dat een gereformeerde liturgie iets anders is dan een evangelische liturgie.

Maar zelfs al was het alleen maar een kwestie van smaak, dan is daarmee de kous nog niet af. Predikanten en kerkenraden zijn er voor heel de gemeente, niet alleen voor een bepaalde groep, bijvoorbeeld de jongeren. Het is best mogelijk dat bepaalde beleidsvoornemens passen binnen de grenzen van de Schrift en de belijdenis en ook binnen wat we als kerken samen hebben afgesproken. Toch kan er reden zijn van zulke voornemens af te zien. Ook met de gevoelens van gemeenteleden zal rekening gehouden moeten worden, zolang die – naar de normen van de Schrift – legitiem zijn. In dit verband is het goed nog eens terug te keren naar de brief van Paulus aan de Efeziërs. Daar schrijft hij over de relatie tussen ouders en kinderen. Hij wekt de kinderen op hun ouders te gehoorzamen, “uit ontzag voor de Heer” (vs 1). Maar daarop laat hij volgen: “Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen bij het opvoeden zoals de Heer dat wil.” (vs 4) Ook dit gebod kan worden doorgetrokken naar de relatie tussen de ambtsdragers en de gemeente. De ambtsdragers dienen ervoor te waken dat ze de gemeente waarover ze zijn aangesteld, niet verbitteren.

Uit het aangehaalde vers blijkt dat het verbitteren van de kinderen het tegenovergestelde is van het “opvoeden zoals de Heer dat wil”. Vertaald naar de omgang van de ambtsdragers met de gemeente betekent het dat het niet verbitteren van de gemeente een onvervreemdbaar onderdeel is van hun taak de gemeente voor te gaan in de dienst aan God.

In de laatste aflevering van deze serie keer ik terug naar het begin: de klacht van prof. Douma dat binnen de Gereformeerde Kerken geen leiding meer wordt gegeven. Hij noemt een aantal concrete gevallen, o.a. uit het Nederlands Dagblad, maar ook neemt hij enkele aspecten van het beleid van de ChristenUnie op de korrel. Is zijn kritiek terecht?

Evangelisatie en kerk

De vereniging Evangelisatie & Recreatie is een organisatie die uitgaat van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Ze houdt zich bezig met evangelisatie-activiteiten tijdens de zomervakantie in verschillende vakantiecentra in Nederland, zoals aan stranden en op campings. De vereniging heeft een semi-officiële status: het is een zelfstandige vereniging, die haar eigen beleid bepaalt, maar tegelijk door de kerken financieel ondersteund wordt. Ook wordt elk jaar aan de kerken gebed gevraagd voor de activiteiten die tijdens de vakantiemaanden zullen plaatsvinden.

Het Nederlands Dagblad berichtte op 28 april j.l. dat de vereniging besloten heeft het lidmaatschap open te stellen voor leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK). Daarmee volgt ze het voorbeeld van veel andere organisaties die de laatste tien tot vijftien jaar hun exclusieve binding aan de vrijgemaakt-gereformeerde kerken hebben losgelaten.

Dat was soms onvermijdelijk en vanuit principieel oogpunt hoeft er niet altijd bezwaar tegen gemaakt te worden. Maar organisaties die zich voornamelijk of uitsluitend richten op geloofsopvoeding of geloofsopbouw nemen een bijzondere positie in. Hierbij kan gedacht worden aan studentenverenigingen. Er is vrijwel geen studentenvereniging meer te vinden die reglementair heeft vastgelegd dat alleen leden van de GKV als leden worden toegelaten. De meeste van zulke verenigingen hebben als doelstelling de leden te vormen tot christelijk academicus – of hoe de gebruikte formulering ook mag luiden. Die doelstelling maakt een kerkelijke binding meer urgent dan bij een organisatie die maatschappelijke of politieke activiteiten ontwikkelt.

Geloof en kerk hebben immers alles met elkaar te maken. De Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) brengt dat in artikel 28 tot uitdrukking wanneer ze uitspreekt dat niemand zich afzijdig mag houden van de kerk van Christus. Geloven in Christus impliceert het zich voegen bij zijn kerk.

Maar Christus verkondigde toch vooral de komst van het koninkrijk van God, zou men kunnen tegenwerpen. Dat is juist, maar doet niets af aan de betekenis van de kerk. Onderweg naar de voltooiing van dat koninkrijk is de kerk de plaats waar Christus zijn onderdanen verzamelt en instrueert. Het al genoemde artikel van de NGB verzuimt niet uit te leggen wat de betekenis van de kerk in dit verband is. De nauwe band tussen kerk en koninkrijk wordt ook tot uitdrukking gebracht in Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus, volgens welke de bede ‘uw koninkrijk kome’ onder andere betekent: “bewaar en vermeerder uw kerk”.

De centrale plaats van de kerk in het koninkrijk is voor evangelisatieactiviteiten van bijzonder gewicht. Omdat geloof en kerk bijeenhoren, dient evangelisatie haar uitgangspunt te nemen in en gericht te zijn op de kerk. De in de Gereformeerde Kerken gehanteerde Kerkorde bepaalt in art. 26 dan ook expliciet dat evangelisatieactiviteiten gericht moeten zijn op het lidmaatschap van de kerk.

In het licht van het bovenstaande levert de openstelling van de vereniging E&R een probleem op. De vereniging deelt zelf mee dat deze openstelling niet impliceert dat de band met de GKV wordt losgelaten. “Onder verantwoordelijkheid van die plaatselijke gemeente zal het evangelisatiewerk plaatsvinden. Met deze besluiten blijft de vereniging bewust kiezen voor kerkgebonden evangelisatie.”

Maar wat is dan de reden de vereniging voor leden van andere kerken open te stellen? Kan van leden van de CGK of de NGK verwacht worden dat ze in hun evangelisatiecontacten naar de GKV verwijzen? En wat wordt geantwoord op vragen over de kerk en over kerkelijke verdeeldheid? Over de motieven tot openstelling wordt geen duidelijkheid verstrekt.

Er zit nog een ander aspect aan. De vereniging wordt niet zomaar opengesteld, maar alleen voor leden van twee met name genoemde kerken.

Principieel bestaat er geen bezwaar tegen toelating van leden van de CGK. De GKV hebben deze kerken als kerken van Christus erkend en daarmee uitgesproken dat kerkverbandelijke eenheid geboden is. Maar het is niet de taak van een vereniging als E&R daarop een voorschot te nemen. Kerkelijk gebonden organisaties dienen geen trendsetters, maar trendvolgers te zijn.

Veel problematischer is de toelating van leden van de NGK. Het proces van samenspreking tussen GKV en NGK loopt bepaald niet op rolletjes en dat is niet verbazingwekkend. Binnen de NGK bestaan grote verschillen in de manier waarop met de Schrift en de belijdenis wordt omgegaan, en ook in de kerkelijke praktijk bestaan soms fundamentele verschillen. En dan laat ik het kerkordelijke aspect nog buiten beschouwing. Toelating van leden van de NGK als lid van de vereniging E&R is dan ook principieel niet verdedigbaar.

Op grond van de hier geschetste ontwikkelingen lijkt het me onvermijdelijk dat de GKV hun opstelling ten aanzien van E&R kritisch overdenken.

Categorieën:kerk Tags: , , , , , , ,

Een nieuwe kerkorde

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) krijgen een nieuwe kerkorde. Dat wil zeggen, als de komende Generale Synode daarmee instemt. In de pers is al één en ander uit die kerkorde onthuld. Dat gaf aanleiding tot commentaar, o.a. van de christelijke gereformeerde kerkrechtspecialist Herman Selderhuis. Op een aantal punten leverde hij kritiek (ND, 16.2.10). Ik licht er één bezwaar uit.

De kerkorde zegt: ‘De kerken, ambtsdragers en gemeenteleden leggen zich erop toe de kerkorde en de kerkelijke regelingen en besluiten in kerkelijke stijl na te leven.’ “Leggen zich erop toe? Ik ben dan geneigd te vragen: maar ben je er ook aan gebonden?” Daarover mag volgens Selderhuis geen misverstand bestaan.

In het ND van 24 februari reageert ds. F.J. Bijzet op deze kritiek. Hij wijst erop dat deze formulering niet nieuw is. Die werd al gebruikt vanaf 1978 en verving een formulering die al eeuwenoud was en die in feite hetzelfde uitsprak. Hij wijst erop dat dit geen uitdrukking van vrijblijvenheid is, maar wel een bepaalde ruimte open wil laten.

Het is goed dat ds. Bijzet hiervoor aandacht vraagt, al ben ik niet erg onder de indruk van de voorbeelden van vrijheid die hij noemt. Het is inderdaad wat overdreven ambtsdragers van een kerk uit te sluiten van deelname aan een classisvergadering wanneer ze hun credentiebrieven vergeten zijn. Aan de andere kant getuigt het niet van wijsheid deze omissie stilzwijgend te accepteren. Op die manier ontstaat al gauw het idee dat het er eigenlijk niet veel toe doet of je credentiebrieven bij je hebt of niet. Het is als met te laat komen: wanneer er nooit iets van gezegd wordt, gaat het van kwaad tot erger. En vijf minuten worden dan al gauw tien minuten. Iedereen kent het verschijnsel.

Het is inderdaad waar dat kerken een bepaalde vrijheid gelaten moet worden. Geen enkele kerkorde kan in alle gevallen voorzien en bovendien komen situaties voor waarin het rigoureus toepassen van de kerkorde ongewenste gevolgen zou kunnen hebben. Belangrijk is wel dat elke kerk bereid is zich voor een afwijking van de kerkorde te verantwoorden.

Toch is het de vraag of hiermee de kritiek geheel gepareerd is. Een kerkorde functioneert altijd in een bepaalde context. En de context van 1978 – en zeker die van de eeuwen daaraan voorafgaand – verschilt nogal van die van nu. Besluiten van kerkelijke vergaderingen en ook de kerkorde worden in toenemende mate als overbodige ballast of als irrelevant beschouwd. En waar de formulering oorspronkelijk functioneerde in een context waarin het naleven van de kerkorde als vanzelfsprekend gold, is dat nu niet meer het geval.

Dat heeft alles te maken met de manier waarop men tegen de kerkorde aankijkt. Voor velen is die niet meer dan een verzameling regeltjes. En het naleven daarvan wordt soms tegenover de liefde van Christus gesteld. Dat maakt niet alleen de discussie praktisch onmogelijk, maar creëert ook een valse tegenstelling. In reactie daarop moet de naleving van de kerkorde niet worden verdedigd met een uitspraak als ‘regels zijn regels’.

In beide gevallen wordt het karakter van de kerkorde miskend. Het gaat niet in de eerste plaats om administratieve regels, maar om beloften. De kerken van het kerkverband hebben met elkaar een aantal zaken afgesproken en beloven elkaar zich aan die afspraken te houden. Dat is geen Verdonkiaans ‘regel is regel’, maar navolging van Christus: ‘laat uw ja ja zijn en uw nee nee’.

Het woord ‘orde’ zal sommigen wellicht wat al te autoritair in de oren klinken. Het is opvallend dat Paulus in zijn eerste brief aan de Corinthiërs (14,33) tegenover wanorde niet ‘orde’ stelt, maar vrede. En dat is ook het uiteindelijke doel van de kerkorde: de vrede in de kerken te bevorderen en te bewaren. Wanneer men zich dat realiseert, is de kerkorde ineens niet meer zo’n ver-van-m’n-bed-show.

Een belangrijke functie van de Nederlandse grondwet is de individuele burger tegen de overheid te beschermen. Op dezelfde wijze beschermt de kerkorde de plaatselijke gemeente tegen heerszucht van meerdere vergaderingen en het individuele gemeentelid tegen heerszucht van voorgangers en kerkenraden. De kerkorde voorkomt dat ieder doet wat goed is in eigen ogen, tot schade van gemeenten en gemeenteleden.

Gezien de context van deze tijd pleit er veel voor de eerder genoemde bepaling in de kerkorde aan te scherpen. Daarbij zou gedacht kunnen worden aan de verplichting voor kerkenraden bij afwijking van de kerkorde een genabuurde gemeente te raadplegen.

Maar nog belangrijker is het uit te dragen dat de kerkorde niet in de eerste plaats een administratief, maar een voluit geestelijk karakter draagt.

Categorieën:christendom Tags: , ,