Archief

Posts Tagged ‘kerkplanting’

Missiedrang kent grenzen (2)

23 april 2012 1 reactie

De laatste aflevering van deze weblog ging over de grenzen in de evangelisatie. De aanleiding daartoe was De Grote Jezus Quiz, die de EO op Tweede Paasdag uitzond. Deze aflevering sluit daar in zekere zin op aan. Ook hier gaat het om de vraag hoe ver christenen mogen gaan om ongelovigen voor het evangelie te winnen. De aanleiding is nu een bericht in het Nederlands Dagblad van 21 april j.l., waarin wordt gemeld dat de gemeente die uit het kerkplantingsproject Stroom is voortgekomen, een verzoek heeft ingediend als zelfstandige gemeente in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) te mogen worden opgenomen. Het adres van dat verzoek ligt voor de hand, want dit project is uit die kerken voortgekomen, met name de gemeente van Amsterdam (Centrum).

Eén en ander leidde echter tot onenigheid binnen de classis Amsterdam-Leiden, die hierover een beslissing moet nemen. Er zijn verschillende factoren die verklaren waarom Stroom niet zonder slag of stoot tot het kerkverband wordt toegelaten. In het bericht wordt vooral gewezen op het feit dat drie vrouwen deel uitmaken van de oudstenraad. Die is in feite wat in gereformeerde kerken de kerkenraad is. Deze vrouwen hebben daarmee de status van ambtsdrager. Maar de GKV kennen geen vrouwelijke ambtsdragers en het openstellen van het ambt voor vrouwen is tot op heden door kerkelijke vergaderingen altijd met principiële argumenten afgewezen. Overige verschilpunten komen hooguit zijdelings aan de orde. Kerkplanter Martijn Horsman wordt als volgt geciteerd: “[We] vragen aanvaard te worden zoals we nu zijn, want dit is de christelijke gemeenschap die we geworden zijn, inclusief hoe we het heilig avondmaal vieren, de doop bedienen en de leiding hebben ingevuld.” Het beleid ten aanzien van de doop kwam al eens aan de orde in een artikel in het Nederlands Dagblad op 12 november 2010 over de dooppraktijk in verschillende protestantse kerken (zie De doop onder vuur). In de Stroomgemeente worden alle kinderen gezegend en daarnaast ondergaan degenen die gedoopt worden “het complete ritueel”, zoals het werd uitgedrukt.

Het is van belang hier te noteren dat het besluit dienaangaande door de classis werd goedgekeurd. Dat werpt wel een bepaald licht op de huidige meningsverschillen op dezelfde classis. Wat is er veranderd? Ten aanzien van het besluit betreffende de doop schreef ik in bovengenoemd artikel: “De zegening is hier regel, de doop uitzondering. Op deze manier wordt de kinderdoop gereduceerd tot een spécialité de la maison voor wie daarop prijs stelt. Een Schriftuurlijke basis ontbreekt daarvoor geheel, evenals voor de praktijk van het zegenen van pasgeboren kinderen. Kerkelijke afspraken daarover bestaan ook niet. Hoe je het ook wendt of keert, ook hier wordt de kinderdoop als wezenlijk element van de leer van de Schrift ondermijnd.”

Men zou met recht kunnen beweren dat de bezwaren tegen de kerkelijke praktijk bij Stroom een beetje mosterd na de maaltijd zijn. Met betrekking tot de doop had men al een concessie gedaan aan de inmiddels gegroeide praktijk. Waarom zet men dan nu de hakken in het zand? Heeft dat te maken met de ambtelijke status van enkele vrouwen? Zou dat meer tegen de Schrift ingaan dan de dooppraktijk in deze gemeente? Het is in dit verband dienstig erop te wijzen dat de gereformeerde belijdenis zich over de vraag of vrouwen een kerkelijk ambt mogen bekleden, niet uitlaat. De doop wordt daarentegen uitvoerig behandeld. Heeft de classis, door in te stemmen met het compromis over de doop, de slag niet al verloren en wordt in feite nu geen achterhoedegevecht gevoerd?

Hoe de onderhavige kwestie moet worden opgelost is volstrekt onduidelijk. Volgens een verklaring van de classis lagen de standpunten zover uiteen dat van een besluit nog geen sprake kon zijn. In het najaar wordt de zaak opnieuw geagendeerd en in de tussentijd zal door gesprekken gepoogd worden nader tot elkaar te komen. Ik zou eigenlijk niet weten hoe men hier tot een voor alle zijden bevredigende oplossing kan komen. Daarvoor is de in de Stroomgemeente gegroeide praktijk te ver verwijderd van wat in de GKV gebruikelijk is. De oorzaak moeten deze kerken – en dan met name die in de classis – vooral bij zichzelf zoeken. Wanneer dit kerkplantingsproject vanaf het begin duidelijk kerkelijk was ingekaderd en ook naar buiten toe geen onduidelijkheid was geschapen over de (toekomstige) identiteit, zou het probleem zich niet – of niet in die mate – hebben voorgedaan. Het feit dat Horsman meldt dat pas na een “heftig intern debat” besloten is binnen de GKV te blijven is veelzeggend. Daarover had nooit onduidelijkheid mogen bestaan, gezien het feit dat dit project van de GKV uitging.

Er is vanaf het begin een grote mate van vrijblijvendheid in het project geslopen. Dat komt ook tot uitdrukking in het identiteitsdocument waarin de visie op de gemeente is vastgelegd. Die gaat vooral over het hoe van het geloven en het gemeente-zijn, maar nauwelijks over de inhoud van het geloof. Het document suggereert een grote mate van vrijblijvendheid. Die indruk wordt bevestigd door de manier waarop Horsman volgens het Nederlands Dagblad tegen de meningsverschillen binnen het kerkverband aankijkt. “Natuurlijk is het gesprek met elkaar over wat de Bijbel daarover zegt mogelijk, zegt hij. ‘Daarom heb je elkaar als kerken nodig.’ Maar dat is wat anders dan afspraken aan elkaar opleggen op een manier die geen ruimte biedt aan nieuwe missionaire gemeenschappen die nu eenmaal niet gevormd zijn naar de vrijgemaakte kerkcultuur.” Wat is de zin van gesprekken over wat de Bijbel zegt, wanneer die volstrekt vrijblijvend zijn? En behoren de manier waarop doop en avondmaal bediend worden en de wijze waarop de kerk geregeerd wordt tot de ‘vrijgemaakte kerkcultuur’ of zouden die iets met de gereformeerde religie te maken kunnen hebben, zoals die in de belijdenis wordt verwoord?

Wat vanaf het begin is scheefgegroeid valt nauwelijks meer recht te zetten. Als de gemeente wordt toegelaten onder de voorwaarde dat ze de gegroeide praktijk op een aantal punten aanpast aan die van het kerkverband zal dat ongetwijfeld tot gevolg hebben dat een aantal leden van de gemeente zal afhaken. Zij zouden zich om de tuin geleid kunnen voelen omdat de gemeente uiteindelijk een andere identiteit aanneemt dan waarmee ze zich aanvankelijk had gepresenteerd. Daar hebben ze dan nog gelijk in ook. Dat had voorkomen kunnen worden wanneer er vanaf het begin duidelijkheid was geweest over de gereformeerde identiteit van de kerkplantingsgemeente en er duidelijke grenzen waren getrokken ten aanzien van de aanpassing aan de cultuur van de doelgroep.
Een toelating zonder voorwaarden is alleen mogelijk wanneer men aanvaardt dat de gereformeerde religie in verschillende smaken verkrijgbaar is en de belijdenis reduceert tot één van de mogelijke interpretaties van de Schrift. Daarmee is dan wel de principiële basis onder de binding van ambtsdragers aan de belijdenis weggevallen. Die kan men dan beter bij het grofvuil zetten.

Maar dan zijn de Gereformeerde Kerken wel opgehouden gereformeerd te zijn.

Advertenties

De doop onder vuur

12 november 2010 1 reactie

Eén van de meest significante verschillen tussen kerken van gereformeerde signatuur en zogenaamde ‘evangelische’ gemeenten is de kinderdoop. Gereformeerden en evangelischen mogen elkaar op allerlei punten waarderen en in allerlei zaken dezelfde lijnen trekken, hierover zijn en blijven ze het fundamenteel oneens. Maar ook binnen de kerken van de Reformatie is het altijd een strijdpunt geweest. Er zijn altijd mensen geweest die moeite hadden met de kinderdoop. Daarom hoeft het niet te verbazen dat volgens het Nederlands Dagblad van 12 november binnen die kerken sommige ouders hun kinderen niet laten dopen. Met dat soort situaties wordt verschillend omgegaan, zo blijkt uit het artikel.

In sommige gevallen is hier evident sprake van invloed van het evangelische denken. Daarnaast ziet ds. Hans Schaeffer, predikant van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt van Wageningen, nog een ander motief: het willen beleven van rituelen, zoals de sacramenten doop en avondmaal. Hij omschrijft dat zo: “Dopen hoort bij gelóven. Daar zit een subjectieve kant aan. En dat vraagt om een uiterlijk ritueel”. Het is zinvol onderscheid te maken tussen een principiële keuze voor de volwassendoop en de moeite met de kinderdoop vanuit het verlangen naar beleving. Maar tegelijk moet vastgesteld worden dat het tweede motief evenzeer als het eerste door de evangelische beweging gevoed wordt. De persoon van de gelovige en zijn beleving zijn daarin van groot en niet zelden doorslaggevend gewicht.

De gereformeerde belijdenis is volstrekt duidelijk als het om de kinderdoop gaat. De kinderen van de gelovigen behoren gedoopt te zijn, volgens het doopsformulier dat in reformatorische kerken gebruikt wordt. Zo wordt kort en bondig samengevat wat de belijdenis op grond van de Schrift over de doop aan kinderen van gelovige ouders leert. Op dit punt kan de kerk geen compromis sluiten. Dat moet ook tot uiting komen in de manier waarop ze ouders tegemoet treedt die weigeren hun kind te laten dopen.

Zoals te verwachten is loopt de praktijk op dat punt binnen de gereformeerde wereld nogal uiteen. In het artikel komt een geval ter sprake van ouders in een hervormde gemeente. Hun eerste kind werd gezegend in een huisbijeenkomst waarbij de predikant aanwezig was. Hun tweede willen ze in het midden van de gemeente laten zegenen, maar voor de kerkenraad is een huissamenkomst het hoogst haalbare. Ds. René de Reuver (PKN) komt aan het woord. Hij schreef een proefschrift over het omgaan met kerkelijke diversiteit. Hij kiest zelf voor de kinderdoop, maar zegt tegelijkertijd dat doop en geloof bij elkaar horen, “meer nog dan doop en verbond”. Hij vindt onenigheid over het tijdstip van de doop “een beetje overdreven. Het beslissende is dat je gedoopt bent of wordt”.

Met de hier beschreven handelswijzen wordt de zaak van de kinderdoop niet echt een dienst bewezen. Formeel wordt de belijdenis van de kerk ten aanzien van de doop gehandhaafd, maar in de praktijk in feite uitgehold. Dat is evenzeer het geval wanneer in nieuw gestichte gemeenten de kinderdoop tussen haken wordt geplaatst. Als voorbeeld van een ‘kerkplantingsproject’ waar de kinderdoop wordt aangemerkt als een onderwerp waarover verschillend mag worden gedacht, wordt ‘Hoop voor Noord’ in Amsterdam genoemd, dat uitgaat van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Naast ‘dopen’ staan ook onderwerpen als het duizendjarig rijk, de visie op Israel en het Joodse volk en de gaven van de Geest op de lijst van zaken waarover men verschillend mag denken, “maar elkaar niet op veroordeelt”. De vraag is: waar blijft hier de belijdenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken? Hoe geloofwaardig is een kerk die bereid is een deel van haar identiteitspapieren thuis te laten wanneer ze een nieuwe gemeente sticht?

Het is begrijpelijk dat een nieuw geplante kerk een eigen aanpak vraagt. Het valt niet te verwachten dat iedereen die zich bij zo’n gemeente aansluit, zich direct volledig kan vinden in de leer van die kerk. Dat vraagt geduld en verdraagzaamheid. In die zin is de situatie in een kerkplantingsgemeente te vergelijken met die in zendingsgebieden. Het kost soms vele jaren van onderwijs voordat de leer van de Schrift, zoals die door de kerk wordt beleden, ook echt wortel schiet. Dat onderwijs moet dan wel volhardend gegeven worden. Maar wat mag op dat punt verwacht worden, wanneer de aan het genoemde project verbonden gemeentestichter beweert dat “van de doop toch echt een te groot issue gemaakt” is? Dan is verschil van mening over de kinderdoop geen tijdelijk probleem meer dat moet worden overwonnen, maar een aanvaard verschijnsel.

Hetzelfde probleem doet zich voor in het vrijgemaakt-gereformeerde project ‘Stroom’, eveneens in Amsterdam. Daar heeft men – na discussie binnen het kerkverband – besloten alle kinderen te zegenen en daarnaast degenen die gedoopt worden “het complete ritueel” te laten ondergaan. “Voor deze lijn is gekozen om te voorkomen dat het zegenen in praktijk als alternatief voor de doop gaat gelden”. Deze optie lijkt beter dan wat bij ‘Hoop voor Noord’ wordt gepractiseerd. Maar dat is weinig meer dan schijn. De zegening is hier regel, de doop uitzondering. Op deze manier wordt de kinderdoop gereduceerd tot een spécialité de la maison voor wie daarop prijs stelt. Een Schriftuurlijke basis ontbreekt daarvoor geheel, evenals voor de praktijk van het zegenen van pasgeboren kinderen. Kerkelijke afspraken daarover bestaan ook niet. Hoe je het ook wendt of keert, ook hier wordt de kinderdoop als wezenlijk element van de leer van de Schrift ondermijnd.

Hoe moet gehandeld worden met gemeenteleden die hun kinderen niet willen laten dopen? Dit is niet de plaats hierop een gedetailleerd antwoord te geven. Dat is de verantwoordelijkheid van een kerkenraad die alle achtergronden en specifieke omstandigheden moet meewegen. Het is opvallend dat zelfs de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken van 1914 niet uitspreekt dat censuur toegepast moet worden. In het Nederlands Dagblad wordt naar een besluit van die synode verwezen. Daarin staat dat een gereformeerde die de kinderdoop afwijst, “dwaalt te goeder trouw”. Dat vraagt tolerantie, maar wel onder voorwaarden: het desbetreffende gemeentelid moet bereid zijn zich te laten onderwijzen en hij mag geen propaganda maken voor zijn opvattingen. Ook de verkiezing tot een kerkelijk ambt is onmogelijk. Ik denk dat hier – in het algemeen gesproken – een goede lijn is uitgezet. De belijdenis van de kinderdoop wordt ten volle gehandhaafd en wie daarmee moeite heeft, dient zich te laten onderwijzen. Daarmee wordt elke suggestie dat de kinderdoop facultatief of slechts één van de mogelijkheden is, de pas afgesneden.

Een dergelijke situatie zorgt overigens wel voor allerlei praktische problemen. Er zijn kinderen in de gemeente die niet gedoopt zijn. Horen die erbij? Hoe ga je daarmee om? En welke gevolgen heeft dat voor het catechetisch onderwijs? De verplichting zijn kinderen naar de catechisatie te sturen berust op de doopbelofte. Maar wanneer ouders die belofte niet hebben afgelegd, kan van zo’n verplichting geen sprake zijn.

Er is niet veel fantasie voor nodig om te voorspellen dat gereformeerde kerken in de komende jaren vaker geconfronteerd zullen worden met kerkleden die het recht opeisen over allerlei zaken er hun eigen opvattingen op na te houden. Dat heeft niet alleen te maken met invloeden van andere kerken en stromingen. Het is ook de uitdrukking van de cultuur waarin we leven.

Enerzijds is die cultuur een gevoelscultuur, waarin de eigen beleving wordt verheven tot maatstaf voor wat wel en niet waar is en wat wel en niet aanvaardbaar is. Dat raakt niet alleen de kinderdoop, maar het wezen van de kerk. De vraag is: wie heeft het eerste en het laatste woord? Het antwoord op die vraag onderscheidt niet alleen de kerk van de wereld, maar brengt in toenemende mate ook scheiding binnen de kerk.

De cultuur van nu is ook die van het individualisme. Dat beïnvloedt de kerk in die zin dat individuele kerkleden hun eigen opvattingen niet ondergeschikt willen maken aan wat de kerk als haar belijdenis heeft geformuleerd. Het is toe te juichen wanneer gelovigen nadenken over de leer van de kerk en die steeds kritisch tegen het licht houden. Maar dat moet dan wel het licht van de Schrift zijn. Dat moet ook bij voorkeur gebeuren binnen de context van de gemeente. In Handelingen 17 wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Let wel, ze deden dat samen. De leer van de kerk wordt niet door individuele gelovigen vastgesteld, maar in gemeenschap met gelovigen van alle tijden en plaatsen.

De kerk zal een antwoord moeten vinden op de verbreiding van een cultuur van gevoel en individualisme. Dat moet een Schriftuurlijk antwoord zijn. Een compromis met die cultuur is dat niet. De Schrift laat er geen misverstand over bestaan dat het criterium voor de waarheid niet in het gevoel maar in Gods openbaring ligt. En ze is ook duidelijk over het feit dat die waarheid niet aan individuele mensen maar aan de gemeente is toevertrouwd.

Een ander antwoord op de cultuur is er niet.

Kerkgroei: een normale conditie?

29 maart 2010 1 reactie

‘Randen van de kerk moeten flexibeler worden’. Dat was een kop in het Nederlands Dagblad van 19 maart. Die stond boven een verslag van de conferentie van Europese gereformeerde en presbyteriaanse kerken, die vorige week in Edinburgh werd gehouden. Zo’n kop intrigeert, want wat wordt precies bedoeld met de ‘randen van de kerk’? En in welke zin moeten die ‘flexibeler’ worden?

Het thema van de conferentie was de missionaire kracht van de gereformeerde theologie en traditie. Er werd gesproken over de mogelijkheden als kerken ‘Europa te bereiken’. Daarbij draaide men er niet omheen dat daarvan tot nu toe niet veel terecht is gekomen. In het verslag werd een impressie gegeven van een gesprek tussen de Schotse dominee David Robertson en de Nederlandse theoloog Stefan Paas. Ondanks hun verschillen van mening op bepaalde punten deelden ze de overtuiging dat “de grenzen van de kerk veel flexibeler moeten worden”. “De Bijbel en het kruis in het centrum, daar moet alles om gaan, en daarnaast ‘veel ruimte aan de grenzen’.”

Het blijft wat onduidelijk wat ze daaronder precies verstaan. Heeft men vooral het culturele aspect op het oog? Of bedoelt met een concentratie op wat tot het centrum van het christelijk geloof behoort? Zijn dat de Bijbel en het kruis? Zo ja, wat is dan precies ‘de rand’ of wat zijn ‘de grenzen’?

Andere opmerkingen die volgens het verslag zijn gemaakt, helpen niet verder. Robertson wijst erop dat de kennis van het evangelie zo gering is geworden dat de kerken vragen beantwoorden die de mensen niet stellen. En Stefan Paas is kritisch over de belijdenisgeschriften, omdat ze niet ingaan op vragen die “christenen en moderne mensen nu bezighouden”. Daartoe rekent hij de vraag of God bestaat, over de verhouding tussen schepping en wetenschap en over de islam. Maar zijn dat dan wel zaken die het centrum van het christelijk geloof betreffen? Het bestaan van God uiteraard wel, maar de verhouding tussen geloof en wetenschap? Zou het feit dat de belijdenisgeschriften daarover zwijgen er op kunnen duiden dat dit niet tot het centrum van het christelijk geloof behoort?

Een belangrijk thema binnen de evangelisatie van nu is het fenomeen van de kerkplanting. Dat zou wel eens met de hier gesignaleerde problemen kunnen samenhangen. Kerkplanting is eigenlijk een poging overnieuw te beginnen en ‘historische ballast’ achter zich te laten. Wellicht kan men dan gemakkelijker aansluiten bij de moderne cultuur en ingaan op vragen die de mensen van nu stellen. Maar uit het verslag van de slotdag van de conferentie blijkt wel dat ook dit niet van een leien dakje gaat.

Heeft dat wellicht te maken met overspannen verwachtingen? Dat is een kwaal waaraan mensen die zich veel met evangelisatie bezighouden, nogal eens lijken te lijden. Ze constateren dat veel mensen onbevredigd zijn over hun leven en vaak ervaren dat het leeg is. Maar mag je daaruit de conclusie trekken dat die mensen ook op het evangelie zitten te wachten? De Schotse kerkplanter David Meredith zegt, volgens het Nederlands Dagblad van 19 maart: “Dat een kerk groeit, is een normale conditie. Zo niet, dan is er iets mis”.

Dat is een nogal boude uitspraak. Waar in de bijbel is te lezen dat groei de ‘normale conditie’ van de kerk is? De bijbel heeft het eerder over toenemende afval en zelfs de mogelijkheid dat de kerk geheel verdwijnt – niet van de aarde, maar toch wel uit een deel van de wereld. Bovendien verdwijnt op deze manier de bijbelse notie dat het de heilige Geest is die geloof geeft, uit beeld. De Geest waait waarheen hij wil: hij kan mensen het geloof geven, maar het hun ook onthouden.

Merediths uitspraak is niet alleen bijbels moeilijk te verantwoorden, ze zet ook de christelijke kerk en elke christelijke gemeente onder onaanvaardbare druk. De consequentie van deze opvatting is namelijk dat wanneer een gemeente niet groeit, de oorzaak bij haar zelf ligt.

Nu is er uiteraard geen enkel bezwaar tegen wanneer een gemeente eens kritisch naar zichzelf kijkt. Sterker nog, dat moet ze voortdurend doen, en niet alleen wanneer er geen groei is. Maar het is niet eerlijk een gemeente per definitie de schuld van een gebrek aan groei te geven. Daarmee doet men haar en haar leden onrecht.

Het kan ook leiden tot krampachtigheid. Omdat de gemeente behoort te groeien gaat men zich in allerlei bochten wringen om die groei te bewerkstelligen. En dat kan ongewenste effecten hebben. De aandacht voor ‘buitenstaanders’ kan zoveel aandacht opslokken dat de zorg voor de leden van de gemeente erbij inschiet. Men kan zover gaan in het zich aanpassen aan wat men denkt dat buitenstaanders verwachten of wensen aan te treffen dat bij de leden van de gemeente een gevoel van vervreemding optreedt.

Wanneer een gemeente groeit door toetreding van mensen die niet met het geloof zijn opgegroeid en vreemd staan tegenover kerkelijke gewoonten en tradities, zal de kerkelijke cultuur logischerwijs veranderen. Dat is niet erg, want die cultuur is voor een groot deel niet specifiek gerelateerd aan bijbelse voorschriften. Maar dat de kerk per definitie haar eigen cultuur heeft, daarvoor hoeft ze zich niet te schamen of te verontschuldigen. Een kerk is iets fundamenteel anders dan de publieke samenleving.

In de samenleving kunnen allerlei opvattingen en culturen naast elkaar bestaan. In de kerk is dat anders. Hoe verschillende ‘culturen’ – hoe ook gedefinieerd – in de kerk samen kunnen leven, daarover zou nog eens een stevig debat gevoerd moeten worden. Maar als de kerk echt wil openstaan voor wie nu nog ‘buiten’ zijn, zal ze gastvrij moeten zijn, maar tegelijk duidelijk moeten zijn over het centrum en de grenzen van de kerk. Juist de belijdenisgeschriften zijn daarbij een onmisbaar hulpmiddel.