Archief

Posts Tagged ‘kerkverband’

Een kerk op dwaalwegen

Van 15 tot 17 juni j.l. heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) een aantal besluiten genomen die diepe sporen trekken binnen de kerkelijke gemeenschap. Besloten werd de ambten van diaken, ouderling en predikant open te stellen voor vrouwen. Terwijl het eerstgenoemde besluit vrijwel unaniem werd genomen, liet de stemverhouding ten aanzien van de twee andere zaken zien dat de kerken over deze kwesties diep verdeeld zijn. De reacties op de besluiten van voor- en tegenstanders bevestigden dat beeld. De komende maanden – en vooral na de zomervakantie, wanneer kerkenraden zich over de synodebesluiten zullen gaan buigen – zal menige discussie gevoerd worden, niet alleen binnen kerkenraden maar ook in de gemeenten. Volgens het Reformatorisch Dagblad hebben de GKV een wissel omgezet. Is dat een juiste analyse?

Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, de besluiten van de Generale Synode passen in een proces dat al jaren gaande is. Stukje bij beetje hebben de GKV hun koers verlegd. De veranderingen zijn vrijwel altijd op lokaal niveau begonnen. Gemeenten en kerkenraden hebben zich een steeds grotere mate van vrijheid toegeëigend om hun koers te bepalen in zaken, waarover tevoren altijd op het niveau van meerdere vergaderingen, en speciaal dat van generale synoden, werd gediscussieerd en besloten. Die betreffen niet alleen ontwikkelingen op liturgisch gebied – die wellicht het meest in het oog springen – maar ook zaken als de contacten met andere kerken en samenwerking op het gebied van evangelisatie, de pastorale omgang met ongehuwd samenwonenden en homosexuele relaties en de toelating van gasten aan het avondmaal. Hoewel er duidelijke kerkverbandelijke afspraken bestaan dat in de regel ’s zondags twee kerkdiensten plaatsvinden, dat in de morgendienst de wet gelezen wordt, dat alleen kerkverbandelijk toegelaten liturgische formulieren gebruikt worden en dat gemeenten alleen diegenen als lid aanvaarden die op hun grondgebied wonen, gaan ook daarin gemeenten hun eigen gang. Die grotere plaatselijke eigenzinnigheid heeft de vorige Generale Synode in feite van een stempel van goedkeuring voorzien door de aanvaarding van een nieuwe kerkorde, waarin veel minder is vastgelegd. Eerder werd de grotere diversiteit al gestimuleerd door bijvoorbeeld af te zien van duidelijke regels met betrekking tot het liedrepertoire.

Het feit dat de hierboven geschetste ontwikkelingen geleidelijk plaatsvonden en zich vaak op plaatselijk niveau voltrokken, verklaart ook, zoals ik op dit weblog al eens heb gesignaleerd, dat een expliciete verantwoording van gewijzigde standpunten en handelwijzen meestal ontbreekt. Dat is vooral dan een ernstige omissie, wanneer het gaat om zaken waarover nog maar enkele decennia geleden ferme tegenovergestelde standpunten werden gehuldigd en uitgedragen.

In dat licht is het winst dat de Generale Synode nu duidelijke uitspraken heeft gedaan. Daarmee hebben de GKV een bepaalde positie gemarkeerd die je, met de commentator van het Reformatorisch Dagblad, als het omzetten van een wissel mag beschouwen. Want met deze besluiten is in ieder geval ten aanzien van de toelating van vrouwen tot de ambten vastgelegd wat nu als het standpunt van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) mag gelden. Dat moet inderdaad zo geformuleerd worden, allerlei uitlatingen ten spijt die ten doel hebben de pil voor de tegenstanders wat te vergulden en hun vertrek uit de kerkelijke gemeenschap te voorkomen. In zijn interview met het Nederlands Dagblad trekt de preses van de GS, dr. M.H. Oosterhuis, een rookgordijn op.

Ten aanzien van de genomen besluiten over de toelating van de vrouw tot de ambten zegt hij: “We hebben heel lang geleefd bij de schijnzekerheid dat de Bijbel klip en klaar was over dit thema. De synode doet niets anders dan een stap terug zetten en erkennen dat het ingewikkelder ligt. Je mag elkaar niet binden aan iets waarover geen nadrukkelijke zekerheid bestaat. Je mag de ander niet binden aan jouw Bijbeluitleg.” Op deze weergave van wat zich heeft afgespeeld, valt wel wat aan te merken. Als de synode inderdaad van mening was de de bijbel geen helderheid over dit onderwerp geeft – wat op zichzelf ook een vorm van exegese is – had ze moeten uitspreken dat er meer tijd van studie en meningsvorming nodig was. Maar ze heeft duidelijk stelling genomen en dat is wat anders dan een stap terug zetten. Het is een stap vooruit, naar mijn overtuiging in de verkeerde richting.

En of de synode de kerken niet heeft gebonden aan een bepaalde uitleg van de bijbel is nog maar de vraag (*). Ze heeft uitgesproken “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling” (Besluit 5) en “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van verkondiging en onderwijs en daarmee tot het ambt van predikant” (Besluit 6). Nee, daarmee legt de synode niet een bepaalde exegese van specifieke bijbelteksten aan de kerken op. Maar haar besluiten zijn wel gebaseerd op een bepaalde lezing van de Schrift en een bepaalde weging van Schriftgedeelten en specifieke teksten. Hoeveel vrijheid is er binnen de kerken dan nog om uit te dragen dat de besluiten van de synode in strijd zijn met de Schrift en berusten op een principieel onjuiste lezing daarvan?

De synode besloot ook “ruimte te geven aan de plaatselijke kerken om zelf te bepalen of en zo ja op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten willen handelen” (Besluit 7). Dit besluit schept onvoldoende duidelijkheid. Het gebruik van het woord of suggereert dat kerkenraden mogen besluiten geen vrouwen tot de ambten toe te laten – niet maar tijdelijk, maar voor altijd. Hebben ze ook de vrijheid daarvoor principiële gronden aan te voeren en uit te spreken dat de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen in strijd is met de Schrift? Of worden ze dan – op grond van de synodebesluiten – tot de orde geroepen, bijvoorbeeld wanneer leden van de gemeente in beroep gaan tegen het beleid van hun kerkenraad?

Laten we aannemen dat kerkenraden inderdaad die vrijheid hebben. Het is de vraag of dat de vrede in de gemeente dient. De vrede in het kerkverband dient het in elk geval niet. Want een gemeente is geen eiland. Gemeenten zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, via attestaties, meerdere vergaderingen en kanselruil. Wat zijn de consequenties van de synodebesluiten voor het samenleven als kerkverband? Wie het spreken van de belijdenis over de kerk en de gemeenschap van de heiligen serieus neemt, kan zich uiteindelijk niet neerleggen bij allerlei ‘pragmatische’ oplossingen, die in andere kerkverbanden, zoals de PKN, worden gehanteerd. Het zou ook ongeloofwaardig zijn, gezien de kritiek op deze ‘oplossingen’ die in het nog niet zo verre verleden vanuit de GKV klonk. Ook hier lijkt een principiële verantwoording van een eventuele koerswijziging geen overbodige luxe.

Zo’n koerswijziging kan weinig anders inhouden dan de keuze voor het model van de plurale kerk. Dat betekent dat in de ene gemeente vanaf de kansel en in het pastoraat als Schriftuurlijk mag worden uitgedragen wat in een andere gemeente als in strijd met de Schrift wordt bestempeld. Het vereist nogal wat geestelijke rek- en strekoefeningen om dat in te passen in wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen.

Gezien de hier geschetste ontwikkelingen is het begrijpelijk dat leden van de GKV zich afvragen: wat nu?

Voor een definitief antwoord op die vraag lijkt de tijd me nog niet rijp. Dat geldt in elk geval voor mij. Als lid van een GKV zit ik nog midden in het proces van overweging en overdenking. De komende maanden is het vakantietijd en gebeurt er weinig op kerkelijk terrein. Dat geeft gelegenheid in alle rust de ontwikkelingen te overwegen. Pas na de vakantie zullen kerkenraden met de genomen besluiten aan de slag gaan en zullen ze wellicht daarover met de gemeente in gesprek gaan. Ik zet hieronder een paar elementen op een rijtje die in elk geval in mijn overwegingen een rol spelen.

Het is begrijpelijk dat de synodebesluiten over de ambten nu alle aandacht krijgen, want daarover heeft de Generale Synode uitspraken gedaan die nu als de officiële standpunten van de Gereformeerde Kerken mogen worden beschouwd. Maar er is meer aan de hand. Zoals hierboven al geschetst, maken deze besluiten deel uit van een proces. Het is dus nodig ze in een breder kader aan de orde te stellen. In dit verband wil ik wijzen op de besluiten die genomen zijn ten aanzien van de contacten met andere kerken. Er wordt nu gestreefd naar een fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Door een minderheid van de Deputaten Kerkelijke Eenheid is er terecht op gewezen dat de binding van ambtsdragers aan de belijdenis binnen de NGK de nodige vragen oproept. Ik voeg daaraan toe dat een fusie tussen GKV en NGK de ontwikkelingen waarover GKV’ers zich zorgen maken en waarvan ik er aan het begin van dit stuk een aantal heb opgesomd, niet zal afremmen maar eerder versnellen. Ik herinner ook aan de plannen om de contacten met de PKN te intensiveren (zie daarover mijn blog ‘Kerkelijke eenheid – kiezen of delen’).

Formeel is de enige manier om de genomen besluiten van tafel te krijgen een verzoek om revisie bij de eerstvolgende Generale Synode. Die weg moet inderdaad gevolgd worden, maar het is de vraag of die enig soelaas biedt. Een revisieverzoek heeft geen opschortende werking, dus de hiervoor geschetste problemen worden daarmee niet opgelost. Bovendien moeten er nieuwe argumenten aangedragen worden, maar veel argumenten voor en tegen zijn al onderwerp van discussie geweest, ook ter synode. Verschillende scribenten hebben er op gewezen dat achter de meningsverschillen over de toelating van de vrouw tot de ambten een hermeneutisch verschil van mening zit. Volgens hen is er geen eenstemmigheid over de vraag hoe de bijbel gelezen moet worden en welke rol onze cultuur in de exegese moet of mag spelen. Het lijkt me daarom van groot belang vooral dat onderwerp op de eerstkomende synode aan de orde te stellen. Daar moet dan de vraag aan gekoppeld worden op welke manier de Schrift normatief is op ethisch terrein. Want ook op dat vlak zijn verschuivingen waarneembaar.

Juist omdat de besluiten betreffende de ambten in een breder verband staan, moeten ze niet als een soort sjibbolet gaan fungeren. Of je er voor of tegen bent, is niet een soort lakmoesproef om te bepalen of iemand wel of niet ‘Schriftgetrouw’, ‘confessioneel betrouwbaar’ of ‘goed gereformeerd’ is. Er zijn nogal wat kerkleden die bezwaren hebben tegen een aantal ontwikkelingen in de GKV, maar over dit onderwerp (nog) geen afgeronde eigen visie hebben. Er zijn er ook die de toelating van de vrouw tot het ambt positief waarderen, maar problemen hebben met de daarvoor aangevoerde gronden en daarin bedenkelijke tendenzen waarnemen. Kortom, er is alle reden de communicatie gaande te houden.

Dat brengt me bij een belangrijk element in de overwegingen over wat ‘bezwaarde’ leden van de GKV te doen staat. We zijn als leden van de kerk voor elkaar verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid betreft in de eerste plaats onze eigen gemeente. Maar ze beperkt zich daar niet toe. Als kerken zijn we niet alleen formeel met elkaar verbonden, maar in de eerste plaats geestelijk. Kerken hebben zich vrijwillig tot een kerkverband aaneengesloten, omdat ze op hetzelfde geestelijke fundament staan. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de drie formulieren van eenheid – die uitdrukking is veelzeggend. Van die verantwoordelijkheid mogen we ons niet gemakkelijk afmaken, bijvoorbeeld door nu direct maar de uitgang van de kerk op te zoeken.

Maar verantwoordelijkheid heeft ook een andere kant, die je misschien voor de duidelijkheid aansprakelijkheid zou kunnen noemen. Gereformeerde kerken zijn niet van bovenaf, maar van onderop georganiseerd. Leden van gemeenten hebben daarmee de mogelijkheid de leer en de manier waarop de Schrift in prediking en pastoraat gehanteerd wordt, langs de kerkelijke weg aan de orde te stellen. De logische consequentie is dat ze daarmee ook aangesproken kunnen worden op wat de kerk leert en welke besluiten kerkelijke vergaderingen nemen. En daar wringt de schoen. Want als kerklid moet ik me de vraag stellen of, en zo ja, hoe lang en op welke punten ik op de kerkelijke leer en praktijk aangesproken wil worden. Beslissend is daarbij niet, of ik er zelf gelukkig mee ben, maar of ze in het licht van de Schrift en de belijdenis te verantwoorden zijn. Er kan een moment komen dat de last van die aansprakelijkheid te zwaar wordt.

De spanning tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid zal vooral gevoeld worden door diegenen die vanwege hun ambt – predikant of ouderling – geroepen zijn geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Maar ook wie geen ambt bekleedt, zal die spanning ervaren. Bovendien: de eerste verantwoordelijkheid van iedere gelovige is die voor zijn eigen geestelijk welbevinden. Dat kan ernstig geschaad worden wanneer men te lang meeloopt met een kerkelijke gemeenschap die zich op dwaalwegen begeeft.

(*) De besluiten van de GS betreffende “m/v en ambt” zijn hier te downloaden.

Advertenties

Kerkverband op de tocht

Binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) is de afgelopen jaren gewerkt aan een “werkorde”, die de bestaande kerkorde moet vervangen. De voorgestelde werkorde heeft de nodige discussie veroorzaakt, die de groeiende verdeeldheid binnen dit kerkverband blootlegt. Wat nog fundamenteler is dan de inhoud van de werkorde is de verdeeldheid over het kerkverband als zodanig. Een kerkorde en op generaal-synodaal niveau gemaakte afspraken worden steeds vaker als klemmend en beperkend ervaren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat die op plaatselijk niveau her en der genegeerd worden of naar eigen smaak worden aangepast.

Binnen de GKV bestaat een Deputaatschap voor Kerkelijke Eenheid. Volgens besluit van de Generale Synode van Harderwijk (2011) heeft die als taak “vanuit het oogpunt van zowel kerkelijke eenheid als kerkelijk contact landelijke ontwikkelingen in andere kerkgemeenschappen en groeperingen bij te houden, zo nodig nader te verkennen en daarop actief te reageren.” Concreet betekent dit bijvoorbeeld “plaatselijke kerken te stimuleren om aan het proces van kerkelijke eenheid actief bij te dragen” en ook “na te gaan hoe de door de synode vastgestelde regelingen voor plaatselijk contact en samenwerking functioneren in de praktijk en indien daarvoor reden is voorstellen tot wijziging ervan in te dienen bij de eerstkomende generale synode”. Uit deze formuleringen mag worden afgeleid dat het proces van toenadering tussen en eventueel eenwording van kerken die tot verschillende kerkgenootschappen behoren geen zuiver plaatselijke aangelegenheid is. Gemeenten en kerkenraden zijn gebonden aan afspraken die op generaal-synodaal niveau gemaakt zijn. In de praktijk wordt dit principe ondergraven, zoals uit recente persberichten blijkt.

Het Nederlands Dagblad van 19 december 2012 meldde dat de GKV van Stadskanaal “op termijn” tot kanselruil met de plaatselijke PKN wil komen, een gemeente die zich volgens haar predikant “op het snijvlak van de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging” bevindt. De GKV onderhoudt al enige tijd nauwe contacten met de CGK. Er vinden gemeenschappelijke kerkdiensten plaats en er wordt samen avondmaal gevierd. De CGK deelt de opvatting van de GKV dat er ruimte is voor kanselruil met de PKN. De classis-Groningen van de CGK heeft daarvoor ook toestemming gegeven. Op de classisvergadering van de GKV is het kort aan de orde geweest. “Er werden geen bezwaren naar voren gebracht”, weet het ND veelbetekenend te melden.

In het nummer van 20 december wordt bericht dat wat zich in Stadskanaal nog in het stadium van overwegingen bevindt, in Amsterdam al realiteit is. Daar gaan predikanten van een Gereformeerde-Bondsgemeente, de CGK en de GKV in elkaars diensten voor. Ds. Van der Graaf (PKN) deelt onomwonden mee dat kerkgrenzen en formele afspraken geen rol spelen. Ds. Vreugdenhil (GKV) valt hem bij. Volgens hem ligt de verantwoordelijkheid voor wie in een dienst voorgaat primair bij de plaatselijke kerkenraad. “Landelijke regelingen hebben wel zin, maar volgen plaatselijke ontwikkelingen. Je ziet vaak dat ze wijzigen door druk van onderaf”, zo wordt hij door het ND geciteerd.

Het is niet voor het eerst dat de verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerk(enraad) tegenover landelijke afspraken worden gesteld. Dat heeft enige logica. Het gereformeerde kerkmodel gaat uit van de zelfstandigheid van de kerken. De Generale Synode is geen hoogste vergadering, maar een meeste vergadering, waar alle kerken die tot het kerkverband behoren, vertegenwoordigd zijn. Dat betekent echter niet dat iedere kerk kan doen wat goed is in eigen ogen. Plaatselijke kerken behoren op vrijwillige basis tot een kerkverband. Het staat hun vrij zich daarvan los te maken. Zolang ze tot het kerkverband behoren dienen ze wel de consequenties te aanvaarden. Regelingen die op generaal-synodaal niveau zijn genomen, zijn voor plaatselijke kerken(raden) bindend. Wanneer ze die naast zich neerleggen, heeft het kerkverband het recht en de plicht hen daarop aan te spreken en desnoods daaruit de consequenties te trekken.

Dat is ook het geval ten aanzien van het streven naar kerkelijke eenheid. Van enige correctie lijkt hier niet veel terecht te komen. Ds. Messelink, de voorzitter van het deputaatschap voor kerkelijke eenheid, deelt het ND mee dat hij op de hoogte is van de praktijk in Amsterdam, maar dat die “geheel buiten ons om gaat”. Kennelijk is dat voor hem en het deputaatschap geen reden in actie te komen. Ten aanzien van de plannen in Stadskanaal wijst hij erop dat officieel “kanselruil niet mogelijk (is) met de Protestantse Kerk. Als Stadskanaal dat wil, zullen ze zich eerst tot ons of tot de volgende synode moeten wenden.” Dat is nogal inconsequent. Waarom zou Stadskanaal de Generale Synode om toestemming moeten vragen, terwijl de kerken in Amsterdam hun gang kunnen gaan zonder dat er een haan naar kraait?

De oorzaak zou wel eens kunnen zijn dat het deputaatschap zelf op twee gedachten hinkt. Ds. Messelink verzekert de redacteur van het ND dat de gesprekken met christelijke-gereformeerden en Nederlands-gereformeerden “absolute prioriteit hebben”. Het deputaatschap gaat geen voorstel indienen officiële gesprekken aan te knopen met de PKN. Het is beter dat een kerk als die van Stadskanaal een voorstel bij de synode indient. Anderzijds opent hij de mogelijkheid van een andere manier van omgaan met deze materie. “Hij schat dat zijn kerkverband op langere termijn landelijke afspraken anders moet inkleden. De idee van bovenaf regels vast te stellen stamt uit de vorige eeuw en ‘werkt nu al niet meer. We moeten in gesprek over de vraag of we alles wel van bovenaf willen regelen.'”

Daarmee wordt de deur opengezet voor een nog verdergaande desintegratie van het kerkverband. Kerkelijke eenheid is bij uitstek een onderwerp dat het hele kerkverband raakt. Op de officiële site van de GKV wordt het kerkelijk samenleven van de Gereformeerde Kerken als volgt getypeerd. “Zij weten zich met elkaar verbonden door het geloof in God. Hij geeft zich aan ons in Jezus Christus en bezielt ons door zijn heilige Geest. Omdat we samen bij God en Jezus Christus horen, willen we ook bij elkaar horen. Die verbondenheid in geloof hebben we uitgesproken in onze belijdenissen. Verder hebben we deze verbondenheid vorm gegeven in kerkordelijke afspraken. Zij functioneert in tal van onderlinge contacten en gezamenlijke activiteiten.”

Kenmerkend voor het kerkverband is dus allereerst de verbondenheid in Christus. Die gaat hand in hand met en komt tot uiting in confessionele eensgezindheid, zoals de verwijzing naar de belijdenissen laat zien. Dat heeft belangrijke consequenties. Kerkenraden kunnen leden van hun gemeente bij verhuizing een attestatie verstrekken die geadresseerd is aan een zusterkerk, omdat ze ervan uit kunnen gaan dat deze de desbetreffende broeder of zuster op dezelfde confessionele basis ambtelijke zorg zal verlenen. En alle predikanten die binnen het kerkverband toegelaten zijn tot de dienst van het Woord hebben toegang tot alle kansels. Omgekeerd impliceert dit dat kerkenraden geen attestatie kunnen afgeven naar kerken dan wel predikanten tot de kansel kunnen toelaten die behoren tot een kerkverband waarmee zij niet één zijn in het geloof.

Voor de kwestie die hier onze aandacht heeft, is dat laatste speciaal van belang. Het kerkverband is een uiting is van verbondenheid in Christus. Daarom kan kanselruil pas dan plaatsvinden wanneer kerken na samensprekingen tot de conclusie zijn gekomen dat ze elkaar kunnen – en dus moeten – erkennen als “kerk van Christus”. Maar daar zit nu precies het probleem van een kanselruil met predikanten van PKN-gemeenten. Binnen dat kerkverband is van geloofsverbondenheid immers geen sprake. Er gaapt een kloof tussen bijvoorbeeld gemeenten die zich tot de Gereformeerde Bond rekenen en gemeenten die zich in de vrijzinnige hoek bevinden. Desondanks kunnen en willen de eersten zich niet van de laatstgenoemden losmaken. Daaruit komt een visie op de kerk naar voren, die zich niet verdraagt met wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis daarover uitspreekt. Zou dat geen belemmering voor kanselruil moeten zijn?

We moeten nog een stap verder gaan. Kerken binnen een kerkverband zijn hoe dan ook met elkaar verbonden en voor elkaar verantwoordelijk. Zolang ze zich binnen één kerkverband bevinden kunnen ze zich niet van elkaar distantiëren. Zoals ik al heb vastgesteld ligt ook aan kanselruil geestelijke verbondenheid ten grondslag. Wanneer dus een GKV een predikant uit een ander kerkverband op haar kansel toelaat, spreekt ze daarmee uit verbonden te zijn met zijn gemeente en daarmee ook logischerwijze met het kerkverband waartoe die gemeente behoort. En dat is maar niet een plaatselijke aangelegenheid. Door haar verbondenheid met kerken binnen haar eigen kerkverband raakt ook dat – tegen wil en dank – verbonden met die kerkgemeenschap. Toegepast op het onderhavige geval: wanneer een GKV in Amsterdam door een Gereformeerde-Bondspredikant op haar kansel toe te laten haar verbondenheid met diens PKN-gemeente tot uitdrukking brengt, geldt die verbondenheid indirect voor het hele GKV-kerkverband. Dat zou voldoende reden moeten zijn deze ontwikkeling niet op haar beloop te laten.

Volgens ds. Messelink is er “best veel rechtzinnigheid (…) in de Protestantse Kerk”. Dat is geen schokkende mededeling. Binnen de GKV is dat nooit ontkend. Maar het is ook nooit een argument geweest voor kanselruil of verregaande gemeenschappelijke activiteiten, zoals erediensten en avondmaalsvieringen. Niet alleen binnen de PKN bestaat rechtzinnigheid. Dat is ook het geval met andere kerken. De Nederlandse Geloofsbelijdenis maakt niet voor niets onderscheid tussen de kenmerken van de kerk en de kenmerken van de christen. Tot de kerk behoren niet alleen gelovigen en niet alle gelovigen behoren tot de kerk. Maar als het gaat om samensprekingen, gemeenschappelijke erediensten en avondmaalsviering of kanselruil is het niet de vraag of er in een kerk gelovigen zijn, maar of een kerk als “kerk van Christus” kan worden getypeerd. Tot de kenmerken daarvan behoort dat alles wordt geweerd wat in strijd is met de Schrift en de daarop gegronde belijdenis. Daarvan is in de PKN geen sprake.

Hoe kan een kerkgemeenschap die gekenmerkt wordt door verbondenheid in Christus gemeenschap onderhouden met gemeenten in een kerkverband waarin Christus het niet alleen voor het zeggen heeft? Daardoor komt niet maar het kerkverband op de tocht te staan, maar wordt de verbondenheid in Christus ondermijnd.

Onderzoek alles

15 juli 2012 1 reactie

Mocht de wetenschap ooit op een voetstuk hebben gestaan, die tijd is wel voorbij. Dat is niet alleen toe te schrijven aan het populisme, ze heeft het ook aan zichzelf te danken. De laatste jaren zijn diverse wetenschappers door de mand gevallen, toen werd vastgesteld dat ze gegevens hadden gemanipuleerd of zelfs uit hun duim gezogen. Dat geldt in de wetenschap als een doodzonde. De gevolgen waren onvermijdelijk: ze namen ontslag of werden ontslagen.

Hoewel de betrokken wetenschappers meestal bekenden schuldig te zijn en lieten blijken hun handelen te betreuren, konden ze het niet nalaten te wijzen op de omstandigheden waarin ze hun werk deden. Daarbij werd o.a. gerefereerd aan de druk die op wetenschappers wordt uitgeoefend om regelmatig te publiceren. Ook al was dat misschien niet de bedoeling, zoiets wordt wel geïnterpreteerd als een soort verontschuldiging, althans als een factor die hun schuld zou kunnen verzachten.

Daar kan uiteraard geen sprake van zijn. Uiteindelijk is ieder verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Maar daarmee is de kous niet af. Niemand opereert in het luchtledige, wetenschappers die aan een universiteit werkzaam zijn al helemaal niet. De universitaire wereld kan zich er daarom niet toe beperken de rotte appels uit de mand te verwijderen. Men moet de hand in eigen boezem steken. Worden wetenschappers onder een zodanige druk gezet te publiceren dat de kwaliteit van hun werk eronder lijdt? Zo ja, wat is daarvan de oorzaak? Laten de universiteiten hun oren hangen naar hun geldschieters, of dat nu de overheid of het bedrijfsleven is? Wetenschappelijke instellingen moeten hun onafhankelijkheid bewaren. Dat is een voorwaarde om de kwaliteit van wetenschappelijk werk te kunnen bewaken.

De kwaal van de manipulatie beperkt zich uiteraard niet tot de wetenschap. Ook elders wordt gesjoemeld. Dat komt niet altijd aan de oppervlakte. Wanneer dat wel gebeurt, staan er ook altijd wel mensen klaar die daarvoor een als excuus klinkende verklaring hebben. De evangelische wereld werd opgeschrikt door een onderzoek waaruit blijkt dat Frank Ouweneel, die als ‘bijbelleraar’ het land doortrekt, gebruik maakt van gegevens die soms aan zijn eigen fantasie lijken te zijn ontsproten dan wel ontleend zijn aan bronnen die niet bestaan of in elk geval voor anderen niet vindbaar zijn. Het Nederlands Dagblad berichtte daarover op 11 juli j.l. Terwijl de wetenschappers erkenden dat ze fouten gemaakt hadden, is dat inzicht bij Ouweneel niet doorgedrongen. Hij zette de tegenaanval in en verweet zijn critici onzorgvuldig te werk te zijn gegaan. De onderzoekers deden een deel van hun werk nog eens dunnetjes over; de resultaten waren hetzelfde. Daarop wilde Ouweneel niet meer reageren. Vervolgens tapte hij uit het vaatje dat in zijn kringen klaar lijkt te staan voor gevallen waarin kritiek wordt geleverd. De toezegging van een gesprek met het ND werd ingetrokken. “Ons enige commentaar: datgene waar u naar verwijst zien wij als een aanval van de satan.”

Uiteraard is dit geval niet één op één vergelijkbaar met de gevallen van manipulatie in de wetenschap. Daar bestaan algemeen aanvaarde en objectieve maatstaven om de betrouwbaarheid van onderzoek te meten. Die worden bijvoorbeeld door de redacties van wetenschappelijke tijdschriften gehanteerd om aangeboden artikelen te toetsen. Verder kunnen ook collega’s uit hetzelfde vakgebied worden ingeschakeld om zulke publicaties aan een kritisch onderzoek te onderwerpen (peer review). Dat heeft in het geval van de Nederlandse wetenschappers blijkbaar niet gewerkt en dat moet de wetenschappelijke wereld zich aantrekken.

In de wereld waarin Ouweneel opereert, bestaan zulke objectieve criteria niet. Iedereen kan zich ‘bijbelleraar’ noemen. Je hoeft daarvoor geen examen af te leggen of aan bepaalde eisen te voldoen. Uit een artikel over ‘Het fenomeen Bijbelleraar’ (ND, 14.7.12) wordt duidelijk dat de meesten die zich als zodanig afficheren geen enkele theologische opleiding hebben gevolgd. Dat geldt eerder als voordeel dan als nadeel. Ongehinderd door theologische ‘ballast’ worden de meest ‘originele’ verklaringen van Schriftgedeelten ten beste gegeven. In de kringen waarin ‘bijbelleraren’ zich bewegen “wordt vindingrijkheid zeer op prijs gesteld. Jezelf weten te onderscheiden draagt zeer bij aan je succes als Bijbelleraar”, zegt Henk Bakker, universitair docent geschiedenis en theologie van het baptisme aan de VU. De legitimatie ligt in de appreciatie van de toehoorders. “Als je een podium krijgt om je boodschap uit te dragen, geldt dat als bevestiging van je roeping”. Dat verklaart ook waarom zulke ‘bijbelleraren’ niet open staan voor kritiek. Als een ‘bijbelleraar’ dan ook nog meent dat zijn ‘bediening’ gebaseerd is op een directe goddelijke aanwijzing is het maar een kleine stap naar de etikettering van critici als werktuigen van de duivel. Dat er in de kringen waarin ‘bijbelleraren’ zich bewegen, sprake is van een bepaalde vorm van persoonscultus, kan geen verwondering wekken. Dat blijkt ook uit de reacties op de onthullingen betreffende Ouweneel. Hij blijkt een schare van bewonderaars te hebben die geen enkele kritiek accepteren en hun held zonder voorbehoud verdedigen.

‘Bijbelleraren’ fungeren meestal los van enig kerkverband. Het zijn kleine zelfstandigen. In hetzelfde artikel wordt één van hen geciteerd: “Ik ben niet gebonden aan een kerkelijke of gemeentelijke visie. Het enige waar ik mij aan heb gebonden, is Christus Jezus.” Daardoor ontbreekt elk mechanisme om valse leringen of ongefundeerde beweringen te weerleggen. In een artikel in dezelfde krant (13.7.12) schreef Jan Martijn Abrahamse, wetenschappelijk medewerker van het Baptistenseminarie aan de VU, dat de misstappen van Ouweneel verklaarbaar zijn vanuit de context waarin hij functioneert. Er bestaat een publiek dat concrete toepassingen van de Schrift ten aanzien van de eindtijd wenst en daarin voorziet Ouweneel met zijn lezingen. “De Schrift functioneert als routekaart naar de hemel. Ten diepste is het sensatie. De sensatie dat de Bijbel zienderogen in vervulling gaat. De autoriteit van de Schrift bewijst zich in de wereldgeschiedenis. Mensen willen zien én dan geloven. En zoals met zo veel zaken, creëert vraag aanbod.”

De hier geschetste achtergronden kunnen niet als verontschuldiging dienen. Ze zouden wel de evangelische wereld ertoe moeten aanzetten kritisch naar het verschijnsel ‘bijbelleraar’ te kijken en daaruit conclusies te trekken. Maar niet alleen daar is bezinning gewenst. Het is waar dat een kerkverband, zoals in de gereformeerde wereld, een middel is om onschriftuurlijke of ongefundeerde opvattingen te weerleggen. Maar Rien van den Berg wijst er in zijn commentaar (ND, 14.7.12) op dat christenen zich steeds minder aan het kerkverband gelegen laten liggen. “En ondertussen roepen ze om spannende verkondiging, klagen ze steen en been over de saaie degelijkheid van preken. En de voorganger die het wel kan brengen? Wordt die omringd door een publiek met een gedegen kennis van de Schrift? Vrees het ergste maar. Wordt die dan omringd door een kerkverband dat hem opvangt als hij zich dreigt te vergalopperen? Maar daarvoor is een gemeente nodig die hem niet laat wegkomen met gelikt (en intelligent) verkondigde onzin.”

Ook in gereformeerde kring is de kritische zin ten aanzien van bepaalde voorgangers soms ver te zoeken. Wanneer een daartoe bevoegde kerkelijke vergadering een theoloog zijn preekconsent ontneemt, is toorn haar deel: hoe durft men die maatregel te nemen tegen iemand die door sommigen als een moderne profeet op het schild wordt geheven? Regels gelden voor iedereen, maar niet voor onze profeet. Tijdens een beroepingsvergadering in een gereformeerde kerk kan het gebeuren dat sommigen de indruk wekken dat de ter beroeping voorgestelde predikant weinig minder dan de vijfde evangelist is.

Men is wellicht geneigd deze verschijnselen in verband te brengen met het individualisme en de ik-cultuur of de opkomst van de massacommunicatiemiddelen. Het gaat hier echter bepaald niet om moderne verschijnselen. Ik hoef alleen maar te herinneren aan Abraham Kuyper. Hij werd – terecht – bewonderd om zijn werkkracht en organisatietalent en zijn rol in de emancipatie van het gereformeerde volksdeel. Maar de bewondering sloeg al te vaak om in kritiekloze verheerlijking die in de gereformeerde kerken van de 20e eeuw veel schade heeft aangericht. Zulke adoratie leidt in de regel tot partijschappen. De apostel Paulus wist daar al alles van, toen hij zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe schreef.

De manier waarop Paulus daarop reageert is veelzeggend. Sommigen zeiden: “Ik ben van Paulus”. Dat laat hij zich niet aanleunen, integendeel. Hij wijst van zichzelf af, omdat Christus en zijn evangelie in het middelpunt moeten staan. Daar zouden moderne ‘bijbelleraars’, maar evenzeer predikanten, hoogleraren en wie al niet de verkondiging van het evangelie tot zijn taak rekent, een voorbeeld aan moeten nemen. De predikant hoeft zich niet achter de boodschap te verschuilen. Hij kan dat ook niet: de persoonlijkheid van de prediker zal altijd op een bepaalde manier doorklinken in de manier waarop de boodschap wordt gebracht. Maar hij zal ervoor moeten waken – en dat geldt vooral voor wie “het wel kan brengen” – dat hij met zijn persoonlijkheid niet tussen de boodschap en de gemeente in gaat staan. Het is best mogelijk dat de boodschap door een bepaalde persoonlijkheid gemakkelijker ingang vindt. Maar wordt die boodschap dan om de goede reden aanvaard? Een te grote rol van de persoon van de boodschapper maakt de boodschap ook kwetsbaar. Wanneer de boodschapper van zijn voetstuk valt en het “Hosanna” verandert in “Kruisig hem”, kan de boodschap door de val van de boodschapper verpletterd worden.

Een kerkverband is geen garantie tegen misstanden zoals hierboven beschreven. Dat kerkverband moet wel functioneren. Ik wees er al op dat in het geval van de frauderende wetenschappers het systeem van de peer review – de beoordeling door vakgenoten – heeft gefaald. Misschien moet dat aan slordigheid worden toegeschreven. Maar wellicht houden wetenschappers elkaar ook – bewust of onbewust – de hand boven het hoofd. Dat kan ook in de kerk gebeuren, wanneer personen op het schild worden geheven en in het middelpunt komen te staan. Kerkelijke vergaderingen moeten er niet voor terugschrikken voorgangers aan te spreken en desnoods maatregelen tegen hen te nemen wanneer hun visies niet in overeenstemming zijn met de Schrift en de belijdenis van de kerk. Voorgangers moeten ook te allen tijde bereid zijn tot verantwoording van wat zij te berde brengen. De Schrift is niet aan hen, maar aan de kerk toevertrouwd.

Dat betekent dat ook de toehoorders een verantwoordelijkheid hebben. Er is inderdaad, zoals Rien van den Berg schrijft, een gemeente nodig die een voorganger “niet laat wegkomen met gelikt (en intelligent) verkondigde onzin.” Dat is een gemeente die niet gekenmerkt wordt door luiheid en oppervlakkigheid, maar een gemeenschap waar mensen de Schriften bestuderen “om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd” (Hand. 17,11). Zeker ten aanzien van de verkondiging van het evangelie dient de gemeente zich te laten leiden door de aansporing van Paulus: “Onderzoek alles en behoud het goede” (1 Thess. 5,21).

Evangelische schutkleur

27 juni 2012 1 reactie

Andries Knevel, presentator van de Evangelische Omroep, organiseerde op 18 juni j.l. een symposium over de vraag of de tegenstelling tussen reformatorisch en evangelisch achterhaald is. Zelf had hij die vraag al bevestigend beantwoord, zoals blijkt uit een interview met het Nederlands Dagblad (16.6.12). Zijn antwoord is vooral gebaseerd op de feiten zoals hij die waarneemt. Daartoe behoren de toegenomen contacten tussen vertegenwoordigers van beide stromingen. Op de pinksterconferentie Opwekking lopen gereformeerden en evangelischen door elkaar alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Jongeren maken zich niet druk over zaken die voor ouderen belangrijk zijn. “Voor oudere christenen doen de theologische verschillen er nog toe, maar jongeren interesseren zich niet meer voor verschillen op het gebied van verbond, verkiezing of de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging. Voor hen spelen culturele, sociologische aspecten een veel belangrijker rol. Zij zijn bezig met de vraag ‘ben ik een geliefd kind van God?’. Ze geven een andere expressie aan hun geloof, zingen uit de Opwekkingsbundel, kennen een zintuiglijke liturgie, en incorporeren postmoderne cultuuruitingen.” Op de vraag of hij dan geen verschillen ziet, antwoordt Knevel: “Kinderdoop versus volwassendoop en de waardering van de kerk der eeuwen, denk ik. Het instituut, met canon en credo, met synodes aan de ene kant, en aan de andere kant vrije gemeenten die soms in een los verband bij elkaar komen, maar waarbij het verband geen zeggenschap heeft over de theologie in een willekeurige gemeente.”

De door Knevel gesignaleerde feiten zijn niet te ontkennen. Maar de conclusies die hij daaruit trekt zijn nogal gemakzuchtig. De geringe belangstelling van jongeren voor zulke kwesties kan toch moeilijk als argument voor de irrelevantie van de verschillen dienen. Veel jongeren zien de gevaren van drankgebruik niet in. Is dat een reden hen hun gang te laten gaan? Knevel lijkt de door hem gesignaleerde verschillen bijna als bijzaken te beschouwen. Daarmee miskent hij hun belang en reikwijdte.

“De afwijzing van de kinderdoop staat zelden op zichzelf. (…) Naar mijn overtuiging is de kinderdoop (…) niet maar een zwerfkei tussen allerlei theologische thema’s, maar een exponent van onze theologische grondstructuur”, aldus ds. A.J. Mensink, predikant in de PKN en lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Hij wijst erop dat de afwijzing van de kinderdoop vaak gepaard gaat met een visie op de erfzonde en de vrije wil die haaks staat op de gereformeerde belijdenis. De visie op de doop heeft ook alles te maken met zaken als verbond en uitverkiezing. Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat de vraag waarmee jongeren zich volgens Knevel vooral bezighouden, namelijk “ben ik een geliefd kind van God?”, helemaal niet zo ver afstaat van thema’s als verkiezing en verbond, waaraan volgens hem vooral ouderen grote waarde hechten. Zolang jongeren daarop geen Schriftuurlijk zicht hebben, zullen ze geen antwoord op hun vraag vinden.

Ook de visie op de kerk is geen ‘zwerfkei’. In het evangelische denken speelt de kerkgeschiedenis geen grote rol. Dat heeft veel met het sterk individualistische karakter van de evangelische beweging te maken. De kerkgeschiedenis maakt duidelijk dat de gelovigen onderdeel zijn van een gemeenschap die de eeuwen omspant. De kerkgeschiedenis begint niet bij ons. Ze leert ons dus bescheiden te zijn – niet bepaald een in het oog lopende eigenschap van de evangelische wereld. Wie de kerkgeschiedenis niet kent, kan er ook niets van leren. Wat we ervan kunnen leren is bijvoorbeeld dat veel wat als modern wordt aangeprezen, oude papieren heeft. We kunnen leren hoe dwalingen in het verleden de kop opstaken en hoe de gemeenschap van de heiligen zich daartegen heeft gewapend. De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn het resultaat van de strijd van de kerk tegen dwalingen. De belijdenissen bewijzen zich nog steeds als nuttige middelen om de kerk te vrijwaren van leervrijheid. Ze voorkomen dat de gemeente het slachtoffer wordt van de gedachtenspinsels van een voorganger. Daarbij speelt ook het kerkverband een belangrijke rol, als middel om zulke voorgangers hun plaats te wijzen en de gemeente te beschermen. Dat gebeurt ook door een Schriftuurlijke visie op het ambt, die voorkomt dat ieder die dat wil zich zomaar als ‘geestelijk leider’ kan opwerpen zonder door de gemeente geroepen te zijn.

Uit de verslagen van het symposium kreeg ik de indruk dat alleen diegenen aan het woord kwamen die de tegenstellingen tussen gereformeerd en evangelisch als achterhaald of in ieder geval als niet-fundamenteel en niet-kerkscheidend beschouwen. Je zou haast denken dat Knevel alleen degenen had uitgenodigd van wie hij verwachtte dat ze zijn eigen antwoorden van een steviger fundament zouden voorzien. Het zou interessant zijn geweest wanneer ook bijvoorbeeld prof. J.C. Maris, net als Knevel christelijk-gereformeerd, aan het woord zou zijn gekomen. Die zou voor flink wat tegenspraak hebben gezorgd. Dat mag tenminste worden geconcludeerd uit een lezing die hij enige tijd geleden heeft gehouden en waarvan het maandblad Nader Bekeken (mei 2012) een uitgebreide samenvatting publiceerde. Daarin zet hij de onderwerpen waarover evangelischen en gereformeerden van mening verschillen, op een rijtje. Hij laat zien dat die verschillen substantieel zijn en bepaald niet van marginaal belang. Hij komt tot die conclusie omdat hij de opvattingen die in evangelische kring gangbaar zijn confronteert met de gereformeerde religie, zoals die o.a. in de belijdenisgeschriften tot uitdrukking komt.

Wanneer we concluderen dat de tegenstellingen tussen evangelisch en gereformeerd wel degelijk fundamenteel van aard zijn, volgt daaruit niet dat gereformeerden zich van contacten met de evangelische wereld zouden moeten onthouden, zo dat al mogelijk zou zijn. Prof. Maris doet dat, niettegenstaande zijn duidelijke stellingname, ook niet. Integendeel: hij is van mening dat gereformeerden het één en ander van de evangelischen kunnen leren. Daarmee staat hij geheel in de gereformeerde traditie. Die wil zich immers altijd (laten) reformeren, wanneer vanuit de Schrift onjuistheden of eenzijdigheden worden aangewezen. De vraag is wel of gereformeerden de dingen die ze van evangelischen zouden kunnen leren, niet ook in hun eigen traditie zouden kunnen vinden. Maar die kennen ze waarschijnlijk niet.

Gereformeerden moeten de contacten met evangelischen niet uit de weg gaan. Maar dan moeten ze hun gereformeerde belijdenis niet thuis laten. Ze moeten ook in hun spreken en handelen laten zien wat die belijdenis voor hen betekent. Ze moeten zich zeker niet aanpassen aan wat in evangelische kring gebruikelijk is. In het al genoemde interview laat Andries Knevel zien hoe het niet moet.

Hoewel hij lid is van een christelijke gereformeerde kerk ziet hij er geen enkel bezwaar in op zondagmorgen een dienst van een evangelische gemeente te bezoeken. Iemand die is opgegroeid met de Nederlandse Geloofsbelijdenis zou toch moeten weten dat kerkelijk shoppen niet in overeenstemming is met wat die over de kerk belijdt. Knevel bezoekt niet alleen bijeenkomsten buiten het kerkverband waartoe hij behoort, hij gaat er zelfs in diensten voor. Dat doet hij kennelijk niet in zijn eigen kerkverband: in het interview noemt hij alleen PKN- en evangelische gemeenten. Daaruit mogen we wel concluderen dat hem in zijn eigen kerkverband geen preekbevoegdheid is verleend. Waaraan ontleent hij dan het recht de kansel te beklimmen om het Woord te bedienen? De Nederlandse Geloofsbelijdenis wijst ambtelijk optreden zonder “wettige verkiezing door de kerk” af (art. 31). Ze spreekt uit dat ieder “de tijd (moet) afwachten dat hij door God geroepen wordt, om daarin het overtuigend bewijs te hebben dat zijn roeping van de Here komt”. God roept door middel van zijn gemeente tot het ambt. Die belijdenis is aan evangelischen niet besteed. In die wereld kan iedereen zich opwerpen als “dienaar van het Woord”, omdat hij zich geroepen voelt. Het is kenmerkend voor het individualistische karakter van de evangelische beweging.

Hoezeer Knevel zich daaraan heeft aangepast blijkt uit zijn formuleringen. Wanneer gevraagd wordt of zijn bezoek van een evangelische bijeenkomst samengaat met zijn lidmaatschap van de christelijke gereformeerde kerk volgt geen antwoord vanuit de Schrift of de belijdenis. Hij verdedigt zijn kerkelijk shoppen vanuit zijn persoonlijke beleving. “Ik bevind me zondagochtend zeer wel in Crossroads, waar ik met vreugde Engelstalige opwekkingsliederen zing, en waar de liturgie expressief en zintuiglijk is”. De vorm speelt voor hem een belangrijke rol en ook daarin is zijn persoonlijke voorkeur doorslaggevend. In zijn eigen gemeente bedwingt hij de neiging bij bepaalde psalmen “mijn handen in de lucht te steken. (…) Dan denk ik: dat moet ik maar niet doen. Om anderen niet voor het hoofd te stoten”. Afgezien van de vraag of iemand zich daaraan inderdaad zou stoten: waarom is dat zo belangrijk? Is dat een reden je heil elders te zoeken? Waarom hebben bepaalde christenen die bijna onbedwingbare neiging hun handen in de lucht te steken? Gaan ze soms ook op de knieën, wanneer de regel “wij knielen voor uw zetel neer” wordt aangeheven? Het eerste heb ik wel eens meegemaakt, het tweede nog nooit…

Wie meent dat de evangelische wereld de correctie van de gereformeerde religie nodig heeft, moet die religie – die niets anders is dan een (menselijke) weergave van de leer van de Schrift – zelf hooghouden en uitdragen. Wie als gereformeerde een evangelische schutkleur aanneemt, helpt zijn evangelische broeders en zusters niet verder.