Archief

Posts Tagged ‘kruistochten’

Een schot naast het doel

7 januari 2019 1 reactie

De zogenaamde Nashvilleverklaring, een “gezamenlijke verklaring over Bijbelse seksualiteit”, zoals het op de website wordt samengevat, heeft heel wat stof doen opwaaien. Dat vanuit seculiere kring en door christenen die je als ‘liberaal’ zou kunnen bestempelen, in sterk afkeurende zin werd gereageerd, is uiteraard geen verrassing. Maar ook binnen min of meer ‘orthodoxe’ kring heeft de verklaring tot discussie geleid. Een aantal voorgangers, die benaderd waren om hun handtekening te zetten, hebben dat geweigerd. Twee hoogleraren van de Theologische Universiteit van Apeldoorn (CGK) hebben zich door middel van een artikel van de verklaring gedistantieerd. De kritiek valt in twee categorieën uiteen: sommige christelijke voorgangers hebben kritiek op de inhoud; in tegenstelling tot de ondertekenaars van de verklaring accepteren zij seksuele diversiteit, anders dan alleen die van man en vrouw, als onderdeel van de schepping en zien zij ruimte voor homoseksuele relaties binnen de kerk. Anderen hebben vooral kritiek op de gang van zaken en het gekozen middel, hoewel ook zij soms bedenkingen hebben bij bepaalde elementen van de inhoud.

Ik laat die inhoud op dit moment voor wat ze is. Hier concentreer ik me vooral op de vraag wat de zin en de uitwerking van deze verklaring zijn.

Wat was eigenlijk de concrete aanleiding voor deze verklaring? Er wordt in de inleiding gerept over “een historische overgangssituatie” en er wordt op gewezen dat “de westerse cultuur in toenemende mate postchristelijk is geworden”. Daar valt weinig op af te dingen. Maar vervolgens wordt dit specifiek gerelateerd aan de visie op “het zelfverstaan als mannelijk en vrouwelijk”. Waarom werd dit als voorbeeld van een postchristelijke cultuur gekozen? Dat kan waarschijnlijk niet los gezien worden van de Amerikaanse context, waarin de oorspronkelijke verklaring is ontstaan. In de Verenigde Staten staan de opvattingen vaak scherper tegenover elkaar dan bij ons. Christenen die de Schrift willen volgen, hebben vaak te maken met agressieve tegenstand, die probeert de invloed van christelijke opvattingen zoveel mogelijk in te dammen. Afgezien van de Amerikaanse neiging tot radicaliteit heeft dit ongetwijfeld ook te maken met de nog steeds prominent aanwezige invloed van het christendom in de samenleving. Dat is bij ons anders: wat christenen zeggen en vinden wordt òf niet waargenomen òf als relatief irrelevant genegeerd. Grote conflicten tussen christenen en seculieren, zoals die in de VS soms voorkomen, zijn hier grotendeels afwezig en daarom mag de vraag gesteld worden of er wel enige urgentie bestond om de verklaring in een Nederlandse variant te publiceren. Wij hebben hier christelijke scholen die een grote mate van vrijheid hebben om christelijke normen over te dragen en ook wordt christelijke ouders geen strobreed in de weg gelegd om hun kinderen een christelijke opvoeding te geven, ook ten aanzien van huwelijk en seksualiteit.

Ook onduidelijk is tot wie de verklaring precies gericht is. Wie zijn de geadresseerden? De seculiere samenleving wordt hiermee niet bereikt, want de gebruikte argumenten worden òf niet begrepen òf op voorhand afgewezen, omdat ze ontleend zijn aan de bijbel, die voor seculieren niet relevant en in elk geval niet gezaghebbend is. Dat laatste geldt ook voor ‘liberale’ christenen, voor wie de bijbel hooguit een bron van inspiratie is, maar ook niet meer dan dat. Ook zij zullen door deze verklaring niet overtuigd worden.

In het ‘voorwoord’ wordt uitgesproken dat de verklaring wordt aangeboden “in de hoop dat wij hiermee de kerk van Christus dienen en hiermee openlijk getuigenis afleggen van de goede doeleinden die God heeft met de menselijke seksualiteit en die Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard.” Gezien de argumentatie en woordkeuze richt de verklaring zich vooral op dat deel van de ‘kerk van Christus’ dat de bijbel als het gezaghebbende Woord van God aanvaardt. Wellicht wil men degenen die daartoe behoren een steuntje in de rug geven door hen ervan te verzekeren dat ze er niet alleen voor staan. Maar zou het ook niet de bedoeling kunnen zijn geweest piketpaaltjes te slaan? Wil men het orthodoxe deel van de Nederlandse christenheid ervan overtuigen dat we op dit punt niet moeten gaan schuiven?

Die vrees lijkt me niet ongerechtvaardigd. Ook in kerken die als ‘orthodox’ bekend staan, is toenemende verlegenheid met vooral homoseksualiteit te constateren. Waar nog maar een paar decennia geleden er geen twijfel over bestond dat in de kerk geen ruimte was voor homoseksuele relaties, lijkt er nu een grotere openheid daarvoor te bestaan. Deze verklaring zou bedoeld kunnen zijn om te waarschuwen de weg naar acceptatie van zulke relaties niet in te slaan. Het is echter twijfelachtig of ze daarin zal slagen.

Dat heeft alles te maken met de gekozen methode. De ondertekenaars zijn in overgrote meerderheid voorgangers van kerken en gemeenten; er zijn er ook bij die geen voorganger zijn maar in hun kerkelijke kring – en soms ook daarbuiten – enig gewicht hebben. Maar hoewel bij alle ondertekenaars vermeld staat uit welke kerk of kring ze afkomstig zijn, hebben ze alle op persoonlijke titel getekend. Dat werpt de vraag op wat precies de status van deze verklaring is. Ze is niet kerkelijk ingebed en daarom is het twijfelachtig dat ze tot kerkelijke verklaringen of besluiten zal leiden. Van de PKN is zo’n besluit sowieso niet te verwachten, gezien de principiële verdeeldheid. Bevindelijke kerken als de Gereformeerde Gemeenten en de Hersteld Hervormde Kerk hebben deze verklaring niet nodig om tot eventuele kerkelijke besluiten te komen. Daarmee is deze verklaring niet veel meer dan een hartenkreet of – iets minder vriendelijk geformuleerd – een oprisping, zonder enig concreet gevolg.

Bij de status van de ondertekenaars valt nog wel een kritische kanttekening te plaatsen. De meesten zijn voorgangers en bij de pogingen het aantal ondertekenaars uit te breiden, zouden specifiek voorgangers benaderd worden. Daarmee wordt hun een speciale status toegekend. Maar waarom eigenlijk? In reformatorische kring zouden voorgangers niet de koers van de kerk moeten bepalen. Het is wellicht veelzeggend dat de ondertekenaars vooral afkomstig zijn uit bevindelijke kerken en uit evangelische kring. In beide worden voorgangers nogal eens op een voetstuk gezet en beslissen zij in hoge mate hoe de hazen lopen. Je krijgt uit de lijst van ondertekenaars bijna de indruk dat hier een aantal ‘geestelijke leidslieden’ – mensen die weten hoe het zit – ex cathedra de “schare die de wet niet kent” toespreken. Maar alleen de paus heeft de pretentie ex cathedra te kunnen spreken en daarmee heeft de Reformatie afgerekend. ‘Geestelijke leidslieden’ kent de reformatorische wereld niet. Besluiten over de leer van de kerk en over de ethische consequenties daarvan horen principieel thuis op de tafels van kerkelijke vergaderingen.

Ik wees al op de mogelijkheid dat de ondertekenaars vooral willen waarschuwen tegen een acceptatie van homoseksuele relaties en in het algemeen een ‘liberale’ manier van omgaan met vragen rond gender, zoals dat tegenwoordig genoemd wordt. Die openheid is inderdaad te signaleren in kerken die als ‘orthodox’ bekend staan. En daarmee komen we bij de kern van de zaak, want op de achtergrond speelt de vraag of de bijbel eigenlijk nog wel eenduidig is. Kun je met de Schrift niet verschillende kanten op? Dat is wel een gedachte die in orthodox-christelijke kring veld wint. Het meest duidelijke voorbeeld daarvan is de discussie in vooral de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) over de vraag of ook vrouwen tot de ambten van predikant en ouderling kunnen worden toegelaten. De Generale Synode, die de ambten voor vrouwen openstelde, deed geen dwingende uitspraak – “zo is het en niet anders” – maar presenteerde haar argumentatie als één van de mogelijkheden. De bijbel levert, naar haar mening, geen sluitende argumenten voor één van beide standpunten.

Dit is geen geïsoleerde kwestie. Ook op andere terreinen wordt steeds vaker ervoor gekozen het maar aan gemeenten of zelfs aan individuele gelovigen over te laten, welke conclusies ze aan de boodschap van de Schrift verbinden. Dat leidt onvermijdelijk tot een grotere pluriformiteit in zowel de leer als de ethiek. Daarmee is niet alleen in geding wat we belijden ten aanzien van de kerk, maar ook de manier waarop we de Schrift uitleggen en hoe we aankijken tegen de relevantie van bijbelse geboden en voorschriften.

Een grondige discussie daarover is van het grootste belang. Maar die wordt door deze verklaring niet gediend. Want hier wordt uit een scala van thema’s één bepaalde kwestie uitgelicht. Waarom? Zoals ik hiervoor al schreef is niet duidelijk waarom dit nu juist zoveel urgentie heeft. Maar er zijn meer bezwaren. De concentratie op een onderwerp dat seksualiteit betreft, wekt de suggestie dat het zevende gebod zo ongeveer het belangrijkste van de tien is en dat een zonde tegen dit gebod het ernstigste is van alle. Dat is niet in overeenstemming met wat de Heidelbergse Catechismus daarover zegt. In Zondag 36 wordt de lastering van Gods naam als ‘hoofdzonde’ aangewezen. En dan gaat het niet maar alleen om vloeken, maar in brede zin om het verbinden van Gods naam aan wat niet bij Hem hoort. Dat is door de hele geschiedenis heen nogal eens gebeurd. Wie denkt dan niet aan de kruistochten? En in onze tijd moet gewezen worden op de flirt van sommige christenen met nationalisme, autoritaire leiders en afkeer van vreemdelingen. Ook het welvaartschristendom en de uitbuiting van de schepping door menselijke hebzucht mogen hier niet onvermeld blijven. In dit licht zou men kunnen zeggen dat de ondertekenaars het verkeerde thema hebben uitgekozen.

Die isolatie van één specifiek thema vindt haar oorsprong in het (Amerikaanse) fundamentalisme. Eén van de kenmerken van het fundamentalisme is dat een aantal standpunten als onopgeefbaar worden aangemerkt, zonder dat die deel uitmaken van een groter geheel. Daardoor kan aan de ene kant een christelijke visie op huwelijk en seksualiteit worden verdedigd en kunnen aan de andere kant de uitwassen van de kapitalistische economie en de sociale ongelijkheid over het hoofd worden gezien of zelfs verdedigd. Juist vanuit kerken van de Reformatie zou men daarin niet mee moeten gaan. Het christelijk geloof bestaat niet uit een aantal losse issues, maar is een in de Schrift gefundeerde, samenhangende manier om naar het leven en de samenleving te kijken. Het leven is één.

De ondertekenaars hadden de kerk van Christus een grotere dienst bewezen wanneer ze een bijbels gefundeerde samenhangende visie op de samenleving hadden geformuleerd en waren opgekomen voor het recht deze in de politiek en de samenleving uit te dragen. Ze hadden ook bouwstenen kunnen aandragen voor het hoogstnoodzakelijke debat over de manier waarop de Schrift moet worden uitgelegd en over haar relevantie voor het leven in onze tijd. Die kans hebben ze laten liggen.

Daarmee is deze verklaring een schot naast het doel.

Advertenties

In Jezus’ naam

Je hoort het tegenwoordig nogal eens zeggen: “in Jezus’ naam”. Dat gebeurt ook in gereformeerde kerkdiensten, aan het eind van een gebed. Dat is wel enigszins opmerkelijk, want gereformeerden zijn traditioneel nogal terughoudend met de naam Jezus en zeker met het zo direct verbinden van die naam aan hun gebed. Dat je het tegenwoordig regelmatig hoort, zou wel eens toe te schrijven kunnen zijn aan de toegenomen invloed van de evangelische beweging. Daar heeft men wat minder scrupules om iets te bidden “in de naam van Jezus”. Dat heeft zelfs wel eens iets dwingends, bijvoorbeeld bij genezingsdiensten, waarin iemand “in Jezus’ naam” als het ware gezond gebeden wordt.

De concrete aanleiding om hier iets over te schrijven is de recente discussie over het regeerakkoord. Nogal wat leden en sympathisanten van de ChristenUnie stak het als een graat in de keel dat het de CU-onderhandelaars niet gelukt was een verruiming van het kinderpardon te realiseren. Sommigen verweten de ChristenUnie dat ze dit punt hadden uitgeruild tegen andere. Als partij die politiek bedrijft “in Jezus’ naam”, schreef iemand, zou ze de onderhandelingen hebben moeten afbreken. Want de regeling zoals die nu is, staat volgens hem haaks op politiek “in de naam van Jezus”.

Nu ben ik geen lid van de ChristenUnie en ik lees niet alles, wat er geschreven wordt en hoor niet alles wat er gezegd wordt. Ik kan dus niet beoordelen in hoeverre de ChristenUnie of haar vertegenwoordigers inderdaad zeggen of schrijven dat ze politiek bedrijven “in de naam van Jezus”. Als dat wel zo is, lijkt me dat wel reden voor enige kritische kanttekeningen. Want met het verwijzen naar Jezus moeten we wel oppassen, in de politiek, maar ook in ons – persoonlijke of gezamenlijke – gebed.

Want wat doen we eigenlijk als we bijvoorbeeld ons gebed besluiten met “in de naam van Jezus”? We maken onze zaak tot de zijne. Let wel – niet omgekeerd. Dat laatste is niet minder dan onze plicht: als christenen maken we zijn zaak tot de onze. Dat wil zeggen: we laten ons in onze gedachten, woorden en daden door hem leiden en door zijn wil, zoals we die in de bijbel leren kennen. Dat is ook de strekking van het Onze Vader: zijn naam, zijn wil, zijn koninkrijk staan in het middelpunt van onze verlangens. Dat gebed is gericht tot de Vader, maar de Vader en de Zoon zijn één en de Zoon identificeert zich met de wil van de Vader.

Maar als we ons gebed besluiten met de bede “in Jezus’ naam” doen we wat anders. We identificeren onze verlangens met die van hem. We gaan er zonder meer vanuit dat wat wij aan verlangens hebben uitgesproken, overeenkomt met zijn wil. Maar is dat ook zo?

Daar moeten we dus wel even goed over nadenken. We mogen aan God voorleggen wat we op ons hart hebben. Dat kan van alles zijn: een baan, genezing van ziekte, heling van breuken die tussen mensen geslagen zijn, vrede in de wereld, leniging van hongersnood – om maar een paar dingen te noemen. Maar: zijn dat allemaal dingen die Jezus ook wil? Dat hangt er maar vanaf. Natuurlijk mag je bidden om genezing, van jezelf of van iemand anders. Maar we kunnen er nooit zeker van zijn dat dat ook de wil van Jezus is. God kan met mensen een andere weg gaan dan ze zelf graag zouden willen. In veel gevallen weten we niet, wat Gods wil is.

De gereformeerde geloofsleer heeft altijd onderscheid gemaakt tussen de geopenbaarde wil van God en zijn verborgen wil. De eerste kennen we uit de bijbel, de tweede blijft naar zijn aard voor de mens verborgen. Dat moeten we in ons gebed ook respecteren. Het Onze Vader is een voorbeeld van een gebed dat we zouden kunnen besluiten met de frase “in Jezus’ naam”. Want daarin leren we de wil van God kennen.

Maar in geval van een ‘vrij gebed’ is het oppassen geblazen. We kunnen dan wel iets bidden “in Jezus’ naam”, maar dan moeten we ons wel steeds afvragen of wat wij willen wel strookt met zijn wil. Dan moeten we dus bij de Schrift te rade gaan. Daarin staat wel meer over Gods wil dan wat we in het Onze Vader vinden. Soms kunnen we ons beroepen op specifieke uitlatingen van bijvoorbeeld de apostelen in het Nieuwe Testament. En uit het Oude Testament hebben we de Tien Geboden, die, zoals we met de Heidelbergse Catechismus belijden, nog steeds ten volle van kracht zijn. Maar zodra we wat concreter willen worden en wat we uit de bijbel als wil van God hebben gedestilleerd, willen toepassen op concrete situaties in het hier en nu, wordt het lastiger. Want God gaat soms een andere weg dan wij logisch vinden. En wat in onze ogen helemaal verkeerd is, kan door God toch worden gebruikt voor zijn doel. Zoals het weleens gezegd wordt: God kan met een kromme stok een rechte slag slaan. We hoeven hier alleen maar aan het boek Rechters te denken.

Hetzelfde geldt, maar dan nog in sterkere mate, voor allerlei activiteiten op maatschappelijk en politiek gebied. Daarbij kunnen – en moeten – christenen zich laten leiden door de wil van God, zoals die uit de Schrift is te kennen. Maar als dat concreet gemaakt wordt, is meestal een vertaalslag nodig. En dat is een voluit menselijke activiteit, met alle nadelen van dien. Bovendien moeten we altijd in rekening brengen dat het Oude Testament – waar heel veel maatschappelijke voorschriften te vinden zijn – geen scheiding tussen ‘kerk’ en ‘staat’ kent. Het is dus niet altijd evident of een voorschrift betrekking heeft op de samenleving als geheel dan wel vooral – en misschien zelfs uitsluitend – iets zegt over de omgang tussen gelovigen, dus binnen wat wij nu ‘kerk’ noemen. Het kan nauwelijks toeval zijn dat we in het Nieuwe Testament vrijwel geen voorschriften vinden die op de samenleving als geheel betrekking hebben. De overheid behoort niet meer tot de ‘kerk’ en de gelovigen spelen in de samenleving een hooguit marginale rol. Ethiek is in het Nieuwe Testament dus vooral persoonlijke ethiek: hoe moet een gelovige omgaan met andere gelovigen, met niet-gelovigen of met diegenen die hen zelfs vervolgen?

Uit de bijbel – Oude èn Nieuwe Testament – leren we dat het kwaad bestraft moet worden: de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs, schrijft Paulus. Maar dat levert geen pasklare antwoorden op ten aanzien van de vraag, wanneer wel en wanneer niet gestraft moet worden en hoe gestraft moet worden of hoe zwaar. Pleidooien voor het recht de doodstraf toe te passen worden vaak op de zojuist aangehaalde uitspraak van Paulus gebaseerd. Maar dat is een hachelijke zaak, want het zwaard is niet per definitie een wapen om te doden, maar kan ook als verdedigingswapen en als afschrikking worden gebruikt. In de Hof van Gethsemane slaat Petrus een soldaat het oor af met zijn zwaard, maar doodt hem niet. Over zaken als tbs, lengte van gevangenisstraffen en resocialisatie kun je op grond van de Schrift geen verregaande uitspraken doen. Mensen die zich door de Schrift willen laten leiden, kunnen daarover van mening verschillen.

Christelijke politici mogen “in Jezus’ naam” er voor pleiten en er naar streven dat alle kinderen met het syndroom van Down geboren mogen worden. Maar de vraag of de NIPT-test voor alle zwangere vrouwen beschikbaar zou moeten zijn, is daarmee nog niet beantwoord. Daarover zijn onder christenen verschillende meningen mogelijk. Het zou niet goed zijn elkaar dan met bijbelteksten de maat te nemen, want daarvoor kun je de bijbel niet gebruiken.

Ook in de kerk is voorzichtigheid geboden. Zeker voorgangers moeten zich realiseren dat ze enige terughoudendheid moeten betrachten in het gebed dat ze namens de gemeente uitspreken. De vraag of iedereen het met elke bede eens is, doet niet ter zake, zolang die bede vanuit de Schrift beargumenteerd kan worden. Wanneer een gemeentelid daarvan dan afstand neemt, ligt het probleem bij hem. Maar een voorganger mag het gebed niet misbruiken om zijn eigen opvattingen te ventileren. En hij mag die al helemaal niet verbinden met de naam van Jezus, daarmee suggererend dat die bede zijn wil weergeeft.

We hebben in de geschiedenis genoeg voorbeelden gezien van mensen die Gods naam aan hun eigen zaakjes verbonden, die helemaal niet zo fris waren, om het voorzichtig uit te drukken. Ik hoef hier alleen maar te herinneren aan de kruistochten. In het derde gebod wordt ons het misbruik van Gods naam verboden. Dat betreft niet alleen het vloeken of onnadenkend gebruiken van zijn naam, maar ook het verbinden van zijn naam aan zaken die uit menselijke overwegingen voortkomen en niet stroken met de geopenbaarde wil van God.

Het is daarom zaak de formule “in Jezus’ naam” niet lichtvaardig in de mond te nemen. Dat geldt zeker voor activiteiten in de samenleving. Dat was de concrete aanleiding voor dit stuk. Er is geen reden afstand te doen van het begrip ‘christelijke politiek’, zoals sommigen bepleiten, maar dat moet wel met voorzichtigheid en verstand gehanteerd worden. Het zet ertoe aan zorgvuldig te zijn bij de formulering van politieke doelen vanuit een expliciet christelijke visie. Het brengt uiteraard ook grote verantwoordelijkheid mee voor degenen die zich voor christelijke politiek inzetten. En de formulering “in Jezus’ naam” kan maar beter achterwege gelaten worden. Die is te pretentieus en te kwetsbaar. Want christelijke politiek is en blijft mensenwerk.

Christelijke kruistocht of de vrede van de stad

Vrijdag 22 juli 2011 werd de wereld opgeschrikt door twee terreurdaden die – volgens de toen bekende cijfers – bijna 100 dodelijke slachtoffers opleverden. Nadat aanvankelijk algemeen werd aangenomen dat de daders in de islamitische wereld gezocht moesten worden, werd na de arrestatie van de vermoedelijke dader duidelijk dat het om een autochtone Noor ging. Opvallend was een toevoeging die in de media rondzong: hij zou zich als een conservatief christen beschouwen. Hadden we het nu eens niet met een fundamentalistische moslim, maar met een fundamentalistische christen te doen?

Inmiddels is dat beeld nogal gecorrigeerd en hoor je die verwijzingen vrijwel niet meer. Dat is vooral te danken aan de publicaties die de dader op het internet heeft gezet en gedeeltelijk ook verspreid. Daarin komt niet bepaald een beeld naar voren dat doet denken aan fundamentalistische christenen, zoals we die uit andere landen – vooral de Verenigde Staten – kennen. Duidelijk is inmiddels dat Breiviks christendom vooral van culturele aard is. Daarin lijkt hij op Geert Wilders. Die schermt wel met de christelijk-joodse cultuur, die beschermd moet worden tegen de ‘islamisering’, maar hij noemt zichzelf een atheïst. Breivik zegt van zichzelf dat hij niet bijzonder religieus is. En wie kijkt door wie hij zich heeft laten inspireren komt geen opvallende figuren uit de christelijke wereld tegen. Hij heeft scherpe kritiek geuit op de (staats)kerk van Noorwegen, maar dan vooral vanwege haar zijns inziens slappe houding ten aanzien van de islam. Over de theologische koers van die kerk – het toelaten van vrijzinnigheid bijvoorbeeld – hoor je hem niet.

Dat is een hele opluchting. Nu hoeven we ons als christenen tenminste niet voor de wandaden van Breivik te verantwoorden. Of dachten sommigen wellicht dat alleen moslims zich moeten verantwoorden wanneer één van hen zich aan terrorisme schuldig maakt?
Maar zo gemakkelijk komen we er niet vanaf. Breivik grijpt vooral terug op de middeleeuwen. Dat is de tijd van de kruistochten, van de ridders zonder vrees of blaam, die een goed werk voor God dachten te doen toen ze talloze ‘ongelovigen’ over de kling joegen in hun strijd voor de ‘bevrijding’ van het ‘Heilige Land’. Daarvan kunnen christenen zich niet zomaar distantiëren alsof het niet tot hun eigen geschiedenis behoort. De kruistochten vonden plaats met toestemming van en zelfs gestimuleerd door de nog ongedeelde christelijke kerk. De kruisvaarders gingen op weg met de zegen van de ambtsdragers van de kerk. En hun kreet “God wil het” werd door de kerk niet weersproken. Integendeel.

En dan zijn er nog de moderne kruisvaarders. Dan kan gedacht worden aan degenen die aanslagen plegen op abortusklinieken in de Verenigde Staten of abortusartsen vermoorden. Ook zij zijn ervan overtuigd een godvruchtig werk te verrichten. En ook daar zijn geestelijken te vinden die hen eerder in deze overtuiging sterken dan die weerspreken. Ver van ons bed? Dat valt te bezien. In Nederland loopt iemand rond die zich ‘joods-christelijk pastor’ noemt en geen traan laat om de doden van Oslo en Utøya.

Zowel het verleden als het heden leveren voldoende redenen voor christenen om niet al te hoog van de toren te blazen als het om de bezinning over de aanslagen in Noorwegen gaat. Want ook zij blijken tot wandaden in staat te zijn.

Terroristen die zich door een religieus of ideologisch ideaal laten leiden hebben vaak één ding gemeen: ze hebben zich overgegeven aan een utopie. Die bestaat vooral daarin dat men meent een bepaald veelomvattend ideaal – soms zelfs geproclameerd als ‘heilstaat’ – te kunnen realiseren. Wanneer dat niet lijkt te lukken, laten ze zich niet ontmoedigen. Ze komen al helemaal niet tot het inzicht dat de realisering misschien helemaal niet binnen de menselijke mogelijkheden ligt. Ze zijn er zo diep van overtuigd dat het door menselijke inspanning tot stand gebracht kan worden dat ze gaan zoeken naar factoren die obstakels vormen. En dat blijken dan niet zelden mensen of groepen van mensen te zijn. De zondebok is geboren.

Na de Russische revolutie waren het de boeren, in het nationaal-socialisme de joden, in het Cambodja van Pol Pot de intellectuelen – ze stonden de realisering van het nagestreefde ideaal in de weg. Breivik streeft naar een Europa dat vrij is van de islam. Zijn agressie richt zich echter niet in de eerste plaats tegen moslims; zij waren niet het doelwit van zijn aanslagen. Hèt obstakel voor het ontstaan van een islam-vrij Europa is de politieke en maatschappelijke elite, en die bestaat in Noorwegen voor een groot deel uit de sociaal-democraten. Daarom waren die het doelwit van zijn terreur.

Dat lijkt allemaal ver van christenen af te staan. Die geloven immers niet in een utopie. De heilstaat – in christelijke termen: het koninkrijk van God – wordt niet door mensen tot stand gebracht. Het komt van God en daalt vanuit de hemel neer. Het krijgt pas volledig gestalte na de terugkomst van Jezus Christus en de vernieuwing van de hemel en de aarde. Maar christenen geloven ook dat het koninkrijk al tijdens de geschiedenis zich begint af te tekenen en dat ze zelf een rol mogen spelen in de komst van dat koninkrijk. En daar zit een gevaar. Sommige christenen lijken wel erg goed te weten hoe dat koninkrijk er uit zal zien. En ze kunnen zomaar in de verleiding komen daar een tastbare bijdrage aan te leveren die zich niet verdraagt met de bijbelse notie dat het koninkrijk van God niet door geweld tot stand komt. De middeleeuwse kruisvaarder kan zomaar opnieuw tot leven komen.

Ik denk dat in deze tijd een ander gevaar christenen meer bedreigt. Ze zijn in de westerse wereld in toenemende mate een minderheid geworden, waarmee in het maatschappelijk leven steeds minder rekening wordt gehouden. Ook politiek worden ze steeds minder relevant. De deelname van de Christenunie aan het vorige kabinet en de spilpositie van de SGP in de huidige politieke constellatie veranderen daar niets aan. Veel Nederlanders voelen zich vreemden in eigen land en zien hun positie bedreigd door de islam of door Europa of door de globalisering. Ze vrezen dat hun de regie over hun leven uit handen wordt genomen en keren zich steeds feller tegen wat ze als de veroorzakers daarvan beschouwen.

Veel christenen zullen dat gevoel herkennen. Ze belijden wel dat ze vreemdelingen zijn op aarde, maar in de praktijk viel dat vaak nog wel mee. Er waren christelijke organisaties die ertoe deden en niet weinig sleutelposities in de maatschappij werden door mensen bekleed die in elk geval geworteld waren in de christelijke wereld. Die tijden zijn voorbij. Christenen ervaren de vreemdelingschap steeds meer aan den lijve. En dan is het gevaar niet denkbeeldig dat ze zich gaan afkeren van de maatschappij en meegaan in de wereldse trend naar zondebokken te zoeken.

Voor Breivik en voor Wilders zijn dat wat zij als de politieke en maatschappelijke elite beschouwen. En die associëren zij vooral met ‘links’, vertegenwoordigd door partijen als D66, GroenLinks en de PvdA. Deze zijn de belangrijkste obstakels op de weg naar hun ideaal, een Europa zonder moslims. Het valt te vrezen dat ook christenen dat tot hun ideaal maken. Ook onder hen voelen velen de islam als een bedreiging voor hun positie. Daarbij wordt verwezen naar de weinig benijdenswaardige situatie van christenen in islamitische landen. De dreiging van een toenemende marginalisering komt nog uit een andere hoek: de in toenemende mate als agressief ervaren ‘seculieren’. Die vinden ze grotendeels bij dezelfde partijen die Geert Wilders en zijn PVV bestrijden. En dat verklaart waarom een toenemend aantal christenen zich in het kamp van Wilders schaart.

In mijn politieke weblog Dingen van de Dag heb ik betoogd dat de terreurdaden van Breivik aanleiding zouden moeten zijn tot bezinning op het politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland. Christenen zouden hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Maar dat kan alleen wanneer ze eerst enig zelfonderzoek doen.

Wat is de taak van christenen in de maatschappij? De brief van de profeet Jeremia aan de Joodse ballingen in Babylonië is in dit verband bijzonder relevant. Zou je hun positie in de Babylonische samenleving niet met die van christenen in de westerse, grotendeels ontkerstende maatschappij kunnen vergelijken? En lijkt hun ballingschap niet op de vreemdelingschap van de westerse christenen? Dit is wat Jeremia schrijft: “Bid tot de Heer voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei” (Jer. 29,7). De ballingen worden opgeroepen deel te nemen aan het economische en maatschappelijke leven, ook al worden ze publiek vernederd (Psalm 137). En uit het boek Daniël kunnen we concluderen dat ook het nemen van verantwoordelijkheid op het politieke vlak bepaald geen taboe was.

Christenen moeten zich dus niet laten meeslepen in de populistische afkeer van de samenleving en de daarin functionerende instituties. Net als in de dagen van Daniël nemen die beslissingen die strijdig zijn met de wil van God. Maar dat is geen reden zich daarvan af te keren en die instituties zelf in de beklaagdenbank te zetten. En dat is precies wat de PVV doet, of het nu ‘de politiek’, ‘de rechterlijke macht’ of ‘de cultuur’ is. Het is juist de voortdurende voeding van de publieke afkeer van het ‘establishment’ die bijdraagt aan het ontstaan van een maatschappelijk klimaat waarin mensen naar geweld kunnen grijpen omdat ze het geloof in de politiek hebben verloren. Flirten met de anti-establishmentretoriek van Wilders is bepaald geen onschuldige bezigheid, zoals de terreur van Breivik laat zien.

Het maatschappelijke en politieke klimaat zou er mee gebaat zijn wanneer juist christenen, die zich steeds vaker vreemden in eigen huis voelen, desondanks volop blijven deelnemen aan de samenleving. Juist zij zouden ervoor moeten waken dat bepaalde instellingen of groepen mensen als zondebokken worden weggezet, of dat nu ‘de seculieren’ of ‘de moslims’ zijn. In andere vertalingen van het geciteerde vers uit Jeremia 29 wordt gesproken over de “vrede van de stad”. Die vrede ligt niet in de uitsluiting van groepen mensen op grond van hun religieuze of politieke overtuiging, maar in het zoeken naar wat verbindt en het bouwen van bruggen die de samenleving – bij alle blijvende verschillen – leefbaar houden.