Archief

Posts Tagged ‘liturgie’

Preek als wegwijzer

In de Apostolische Geloofsbelijdenis belijdt de kerk dat ze een gemeenschap van heiligen is. Daarin onderscheidt ze zich in toenemende mate van de samenleving die in sterke mate is geïndividualiseerd. Die gemeenschap komt vooral tot uiting in samenkomsten – van klein tot groot – van haar leden. Erediensten nemen daarbij een speciale plaats in. Alleen daar komt iedereen die tot die gemeenschap behoort, onafhankelijk van status, afkomst of karakter.

De eredienst heeft oude papieren. Al direct na Jezus’ hemelvaart lezen we dat zijn volgelingen bijeen zijn. Na de Pinksterdag is het één van de opvallendste kenmerken van de ‘nieuwe’ godsdienst: de aanhangers zijn eendrachtig bijeen, breken het brood en loven God. Maar we kunnen nog verder teruggaan, naar de tempeldienst van het Oude Testament. Uiteindelijk komen we bij Enos terecht, de kleinzoon van Adam en Eva. “In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen” (Gen. 4,26).

Wanneer de eredienst zo’n centrale plaats in het leven van christenen heeft, is het geen wonder dat daarover regelmatig van gedachten wordt gewisseld. Er wordt over gesproken en geschreven en er zijn maar weinig mensen die er geen mening over hebben. In reformatorische kring is altijd veel aandacht geweest voor de rol van de preek in de eredienst. De opkomst van de liturgische beweging, die de bestaande gebruiken ten aanzien van de inrichting van de eredienst aan fundamentele kritiek onderwierp, werd kritisch tegemoet getreden. De grotere aandacht voor met name de muzikale elementen in de eredienst werd als een bedreiging voor de preek gezien. Die zou daardoor aan belang inboeten, aan kracht verliezen en worden gereduceerd tot slechts één onderdeel van de eredienst.

Inmiddels is er ook in die kerken veel veranderd. De liturgie is op de schop gegaan, er wordt meer aandacht aan de muzikale onderdelen besteed en ook andere elementen in de liturgie – bijvoorbeeld de sacramenten – krijgen meer aandacht dan voorheen. Heeft dat de positie van de preek aangetast? Het antwoord op die vraag hangt waarschijnlijk van de persoonlijke ervaringen af alsmede van wat men van de preek verwacht. Het lijdt weinig twijfel dat de preken in het algemeen korter geworden zijn. Dat hoeft op zichzelf niet te betekenen dat ze aan inhoud verliezen. Sommige predikanten hebben de gave met weinig woorden veel te zeggen, zoals ik zelf regelmatig mag ervaren. Een lange preek heeft niet per definitie meer diepgang; daarvan zal iedereen waarschijnlijk wel een voorbeeld kunnen noemen.

Hoewel aan andere elementen in de liturgie een groter gewicht wordt toegekend dan vroeger lijkt de preek voor de meeste kerkgangers nog steeds de kern van de eredienst te zijn. Wanneer een predikant beroepen moet worden, gaat de gemeente in de eerste plaats kritisch naar zijn preken luisteren. Wanneer die – om welke reden dan ook – niet aanspreken of als onvoldoende worden beschouwd, is de kans klein dat de desbetreffende predikant beroepen wordt, wat zijn overige kwaliteiten ook mogen zijn. Tenslotte is de preek zo ongeveer het enige van een predikant waarmee elk gemeentelid te maken krijgt.

Met de kwaliteit van de preek staat of valt voor de meeste kerkleden de eredienst. Het is de vraag of dat terecht is. In de eredienst staat het Woord van God centraal. Dat komt in de eerste plaats tot uiting in de Schriftlezing. In Jesaja 55 zegt God dat het woord dat uit Zijn mond komt, niet vruchteloos naar Hem terugkeert. Wanneer de preek tegenvalt betekent dat nog niet dat de dienst als geheel niet gezegend zou kunnen zijn. De Schriftlezing komt altijd op de eerste plaats; de preek is daarvan een afgeleide. In die zin heeft prof. Kees de Ruijter gelijk wanneer hij het gewicht van de preek reduceert, zoals hij recent tijdens een studiedag deed (Nederlands Dagblad, 11.4.15). (Dat is overigens bepaald geen originele gedachte). Daarmee is de preek nog niet noodzakelijkerwijs gereduceerd tot “preekje”, zoals een scribent in het Nederlands Dagblad suggereerde (17.4.15).

De eredienst is geen ‘preekdienst’, maar ‘Woorddienst’. Dat betekent dat in de hele eredienst het Woord centraal moet staan. Het gaat in de liturgie immers, zoals De Ruijter zegt, om “het eren van de naam van God”. Dat gebeurt allereerst door Hem aan het woord te laten. Maar dat beperkt zich niet tot de Schriftlezing en de preek. Elk onderdeel van de liturgie is Woordverkondiging. Of zou dat althans moeten zijn. Het probleem in discussies over de prediking en de liturgie is dat de preek vaak geïsoleerd behandeld wordt. Dat gebeurt zowel wanneer de vrees geuit wordt dat de preek aan gewicht verliest als wanneer gepleit wordt voor een reductie van haar gewicht ten behoeve van andere elementen van de liturgie.

Wie wil voorkomen dat preek en liturgie concurrenten worden, moet streven naar een eenheid tussen beide. Er hoeft geen enkel bezwaar tegen te bestaan wanneer er in de dienst veel gezongen wordt, zelfs niet wanneer de preek daardoor iets korter moet uitvallen. Voorwaarde is dan wel dat in die liederen de Woordverkondiging wordt voortgezet. Juist daar wringt in reformatorische kerken steeds vaker de schoen. Want er zijn sinds het begin van deze eeuw allerlei liederen in de liturgie binnengeslopen die ongeschikt zijn als Woordverkondiging. Er worden uit allerlei bundels liederen geselecteerd die – in het ergste geval – op gespannen voet staan met de leer van de Schrift – die ook de leer van de kerk is – of in elk geval qua woordgebruik en toonhoogte nogal ver afstaan van de Schrift. Wie streeft naar een eenheid in de liturgie tussen Schriftlezing, prediking en liederen zou in elk geval het boek van de psalmen centraal moeten stellen. Dichter bij de Schrift dan de psalmen kan geen enkel lied komen. Daarnaast zijn er ook andere liederen – bijvoorbeeld in het Liedboek voor de Kerken – die nauw aansluiten bij de Schrift en soms zelfs specifiek refereren aan een bepaald Schriftgedeelte. Juist de noodzaak van een eenheid in de liturgie en het vermijden van een heilloze concurrentie tussen prediking en lied pleit voor een kerkverbandelijk vaststellen van een canon van voor de eredienst geschikte liederen.

Moeten we tot de conclusie komen dat de preek niet wordt bedreigd en dat er geen gevaar bestaat dat ze wordt gereduceerd tot “preekje”? Zeker niet. Er is alle reden de ontwikkelingen op dit vlak kritisch te volgen. Er zijn zeker tekenen dat de prediking niet altijd voldoende serieus genomen wordt. Sommige predikanten lijken zich als entertainer te zien die met allerlei fratsen moet proberen zijn publiek aan zich te binden. Sommigen drukken een zodanig sterk persoonlijk stempel op de dienst dat ze het gevaar lopen tussen de gelovigen en God in te gaan staan. Het is ook onmiskenbaar dat het belang van de preek soms gereduceerd wordt, vaak gepaard gaande met een relativering van het ambt van de predikant.

“Ik kom nu nog veel preken tegen die de tekst uitleggen en niet ingaan op de werkelijkheid van de gemeente in het hier en nu”, zegt prof. De Ruijter. Dat zal dan wel, maar ik heb die ervaring niet. Ik ken wel voorbeelden van het omgekeerde: het leven in het hier en nu staat centraal en de voorganger verkondigt een boodschap waarbij de gekozen tekst slechts als kapstok dient en uit zijn historische context wordt gelicht. Dat lijkt me een groter gevaar, want dan is de boodschap op drijfzand gebaseerd.

Woordverkondiging is breder dan de prediking. Maar dat betekent niet dat de preek een quantité négligeable is. In de Schrift komt het belang van de prediking herhaaldelijk aan de orde. Het Formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords, zoals dat functioneert in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), bevat diverse verwijzingen naar de apostolische brieven. Ook in de beschrijvingen van het leven van de eerste gemeenten in het boek Handelingen komt het belang van de prediking naar voren. We kunnen zelfs terug gaan naar het Oude Testament. In Deuteronomium neemt Mozes afscheid van het volk met een lange redevoering, die men als een oudtestamentische preek kan beschouwen. Hij scherpt het volk de bepalingen van de wet nog eens in en past die toe. De profeten krijgen directe opdrachten en openbaringen van God, maar verwijzen voortdurend naar de Schrift – in hun tijd de boeken van Mozes. De profeet Ezechiël krijgt een zware opdracht: hij wordt tot wachter over Gods volk aangesteld (Ez. 3,16-21). Het zieleheil van Zijn kinderen hangt voor een deel van zijn inspanningen af. Dat was een specifieke opdracht voor Ezechiël en kan niet één op één naar voorgangers in onze tijd worden overgezet. Maar wel wordt hieruit duidelijk hoe zwaar de verantwoordelijkheid van voorgangers is.

In het al genoemde bevestigingsformulier wordt de gemeente opgeroepen haar voorganger te gehoorzamen en zich aan hem te onderwerpen, “want hij waakt over uw zielen en zal voor God rekenschap moeten afleggen”. De te bevestigen predikant wordt voorgehouden dat hij – samen met de ouderlingen – de sleutels van het hemelrijk bedient. Eén van die sleutels is, volgens Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus, “de verkondiging van het evangelie”. De preek van Mozes is daarvan een indrukwekkend voorbeeld.

Van wijlen prof. C. Trimp is de uitspraak opgetekend: “Wij zijn niet op weg naar de eeuwige preek, maar wel naar de eeuwige lofzang.” Daaruit mag niet worden afgeleid dat de preek van ondergeschikt belang is. Regelmatige prediking is noodzakelijk als wegwijzer naar de eeuwige lofzang. Want anders lopen we het gevaar onderweg te verdwalen en het doel te missen.

Advertenties

Geloven is voor de dommen

Enkele maanden geleden stonden in de pers berichten en artikelen waarin naar voren kwam dat christenen met een hogere opleiding specifieke problemen hebben met geloof en kerk. Op 9 augustus 2013 plaatste het Nederlands Dagblad in vertaling een artikel van Rachel Held Evans, een Amerikaanse columniste die regelmatig bijdragen levert aan het CNN Belief Blog. Ze schrijft daarin dat veel goed opgeleide twintigers – door haar millennials genoemd – afhaken, omdat ze op zoek zijn naar ‘echtheid’. Die missen ze in de evangelische gemeenten waartoe ze meestal behoren. Ze neigen er nogal eens toe hun heil meer bij ‘traditionele’ geloofsgemeenschappen te zoeken, zoals de Rooms-Katholieke of de Oosters-Orthodoxe Kerk. In aanmerking nemend dat ze vanuit een Amerikaanse context spreekt kan deze situatieschets niet zomaar naar Nederland overgeplaatst worden. Maar er is geen reden aan te nemen dat dit verschijnsel zich in onze contreien niet zou voordoen. Leden van gemeenten in studentensteden zullen niet verbaasd zijn: studenten of zij die hun studie al enkele jaren achter zich hebben gelaten, verlaten niet zelden de gereformeerde kerk. Sommigen zeggen het geloof vaarwel, anderen sluiten zich aan bij een kerk waar zij geen conflict tussen wetenschap en geloof ervaren. En soms komen ook ‘traditionele’ kerkgemeenschappen in beeld. In Nederland schijnt de Oud-Katholieke Kerk ook enige aantrekkingskracht uit te oefenen.

Wanneer mensen vanwege bepaalde kenmerken of eigenschappen specifieke problemen met geloof en kerk ervaren, moet dat serieus genomen worden. Daarom wordt in gereformeerde kerken sinds decennia veel aandacht besteed aan verstandelijk gehandicapten. Via aangepaste kerkdiensten wordt gepoogd hen zoveel mogelijk bij het kerkelijk leven te betrekken en hun geloof te voeden op een manier die bij hun niveau past. Aan de andere kant van het spectrum heeft men nu ook de hoogbegaafden ontdekt. Enige tijd geleden schreven drie Amerikaanse psychologen dat intelligente mensen minder geneigd zijn te geloven. Dat zou vooral te maken hebben met hun analytische inslag en hun moeite zich te conformeren aan kerkelijke dogma’s. Geloven is, enigszins gechargeerd uitgedrukt, voor de dommen. In Nederland werd hierop sceptisch gereageerd. Ouders en anderen die met hoogbegaafden in aanraking komen herkenden de uitkomsten van dit onderzoek niet. Wel brachten ze naar voren dat de positie van hoogbegaafden niet bepaald onproblematisch is, vooral ook omdat de omgeving vaak niet goed raad weet met de manier waarop zij met het geloof omgaan en hun plaats in de kerk proberen te vinden.

Het is voor predikanten en anderen die een leidende positie in de kerk innemen, niet gemakkelijk met de groeiende diversiteit om te gaan. Alleen al vanuit praktisch oogpunt is het niet doenlijk ieder op zijn eigen niveau te ‘bedienen’. Een preek zal voor sommige gemeenteleden te moeilijk en voor anderen te eenvoudig zijn. Hoezeer ook verwacht mag worden dat een predikant zijn gemeente kent en met verschillen rekening houdt, dat zal nooit helemaal lukken. Een categorale kerk is geen antwoord: het kenmerk van de kerk van Christus is dat iedereen daarin een plaats heeft, van welke achtergrond of welk intellectueel niveau ook. Dat maakt het er allemaal niet gemakkelijker op, zeker niet wanneer men ervan uitgaat dat iedereen, met zijn of haar specifieke kwaliteiten, tot zijn of haar recht mag komen.

Het is goed over deze problematiek na te denken. Over de integratie van verstandelijk gehandicapten is inmiddels veel geschreven en nagedacht, maar dat heeft vooralsnog niet echt tot resultaat geleid. Met de gedachtenvorming over een structureel veelkleurige kerk is – naar mijn inschatting – nog nauwelijks een begin gemaakt. Over de gevolgen van groeiende culturele verschillen is nog niet echt fundamenteel nagedacht. Op allerlei plaatsen wordt evangelisatie onder bijvoorbeeld moslims bedreven. Wanneer dit tot bekeringen leidt, komen andere culturen de kerk binnen. Hoe gaat die daarmee om? Welke gevolgen heeft dat voor het kerkelijk leven? En ook binnen de autochtone Nederlandse cultuur nemen de verschillen toe, zoals bijvoorbeeld uit de vormgeving van de liturgie en de keuze van het liedrepertoire tot uiting komt. Er is dus wel wat werk te verzetten op dit punt.

Maar enige relativering is hier wel op haar plaats. Ten aanzien van de problemen van hoogbegaafden doet zich bijvoorbeeld de moeilijkheid voor dat er verschil van mening bestaat over de aard van hoogbegaafdheid. De manier waarop staatssecretaris Dekker bijzonder begaafde leerlingen wil stimuleren zorgt voor de nodige weerstand omdat deskundigen menen dat hij de eigenaardigheden van zulke leerlingen geheel verkeerd inschat. Dat kan in de kerk ook zomaar gebeuren. Bovendien, de ene hoogbegaafde is de andere niet. De hoogbegaafde bestaat niet.

Relativering past nog veel meer ten aanzien van de positie van hoogopgeleiden waarmee ik deze weblog begon. Het ligt voor de hand de oplossing te zoeken in experimenten met de presentatie en de liturgie. Rachel Held Evans keert zich daar juist tegen. Ze schrijft: “[Nadat] we ons hele leven met advertenties zijn bestookt, beschikken wij millennials over een erg gevoelige meter voor onzin en we zijn niet gemakkelijk onder de indruk van consumentisme of van allerlei optredens. Sterker, ik wil wel betogen dat ‘de kerk als prestatie’ [sic] nog zo’n ding is dat ons wegdrijft van de kerk en van het evangelische geloof in het bijzonder.” (NB: In plaats van “prestatie” dient hier “presentatie” gelezen te worden*.)

Het gaat om iets anders. Tijdens spreekbeurten legt ze uit “waarom jongvolwassenen het evangelische christendom beschouwen als te politiek gericht, te exclusief, ouderwets, onverschillig wat sociale rechtvaardigheid betreft en vijandig tegen lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders. Ik wijs op onderzoek dat aantoont hoe jonge evangelischen vaak het gevoel hebben dat ze moeten kiezen tussen hun intellectuele integriteit en hun geloof, tussen wetenschap en christendom, tussen mededogen en heiligheid.”

Millennials willen geen verandering van stijl, maar van inhoud. “We willen een eind aan al die cultuuroorlogen. We willen een wapenstilstand tussen wetenschap en geloof. We willen dat we bekend staan om waar we voor stáán, niet om waar we tegen zijn. We willen vragen stellen die geen van tevoren vaststaande antwoorden hebben.”

Veel van wat millennials volgens Evans willen, vindt ook weerklank bij anderen. Ze merkt op dat ze positieve reacties krijgt van “veertigplussers en grootmoeders”. De gesignaleerde verschijnselen kunnen dus niet specifiek aan een bepaalde leeftijd of niveau van opleiding of intelligentie worden gekoppeld. Natuurlijk zijn er bepaalde aspecten die daarmee wel in verband staan, zoals de relatie tussen wetenschap en geloof. Maar de moeite met het oordeel van de kerk over bepaalde levensstijlen en met “vaststaande antwoorden” is niet beperkt tot hogeropgeleiden. In de moderne samenleving geldt in toenemende mate de mens als de maat van alle dingen. Dat gaat aan de kerk – weliswaar in gematigde vorm – niet voorbij.

Dat blijkt wel uit de alternatieven waarnaar de ontevredenen op zoek gaan. Sommigen zoeken hun heil in kerken met een traditionele liturgie. Wat zoeken ze daar dan? Ik kan me de aantrekkingskracht van een traditionele liturgie heel goed voorstellen. Daaruit spreekt eerbied, zorgvuldigheid en respect voor de geschiedenis van de kerk. Gereformeerden kunnen daar nog wel wat van leren, zeker gezien de liturgische experimenten waaraan nogal wat kerken zich tegenwoordig overgeven. Het is echter de vraag of dat het is waar die ontevredenen naar op zoek zijn. Ze zouden ook in hun kerk naar een meer klassieke liturgie kunnen streven. Ik heb niet de indruk dat daarvan sprake is, niet in Nederland, maar waarschijnlijk ook niet in de Verenigde Staten.

Evans gebruikt in dit verband het woord ‘authentiek’. Maar wat bedoelt ze daarmee? De liturgische vormen in de traditionele kerken zijn “zonder pretenties”, voegt ze eraan toe. Dat wijst in een bepaalde richting. Is dat wat die ontevredenen willen: een kerk zonder pretenties? Dat lijkt sympathiek: op kerken valt zoveel aan te merken dat voor veel pretenties geen grond is. Alleen: de pretenties van de kerk zijn niet gegrond op de prestaties van haar zelf of van haar leden. Ze vinden hun grond in degene aan Wie ze toebehoort en die aan die kerk zijn Woord heeft toevertrouwd. Het evangelie is naar haar aard pretentieus. Zoeken jongeren die een kerk zonder pretenties willen wellicht ook naar een evangelie dat geen pretenties heeft en dus uiteindelijk vrijblijvend is?

In een artikel in het Nederlands Dagblad van 14 augustus 2013 wordt het verhaal van Evans toegepast op Nederland. Theologe Miranda Klaver merkt op dat beter opgeleide jongeren met hun vragen in evangelische kerken vaak niet terecht kunnen. “Deze mensen vinden met hun vragen een plek in de oude liturgie van de hoogkerkelijke traditie”. Maar wat wordt daar met die vragen gedaan? Daar staat immers het ritueel centraal. “Here Jezus, om Uw Woord zijn wij hier bijeengekomen” – dat gezang wordt in zulke kerken niet aangeheven. Met de leer van apostelen en profeten – die niets anders is dan de leer van Christus zelf – wordt men daar niet lastig gevallen. Zoekt men in zulke kerken ook naar antwoorden op de vragen van hoogopgeleide jongeren? Of zitten die jongeren helemaal niet op antwoorden te wachten?

Het heeft er alle schijn van dat men de kerkelijke, ‘vaststaande’ antwoorden niet afwijst omdat men ze onschriftuurlijk vindt, maar omdat ze niet stroken met de eigen particuliere opvattingen en gevoelens. Die lijken eerder door de hedendaagse cultuur dan door de Schrift te worden gevoed. Trevin Wax, een vertegenwoordiger van de Amerikaanse Gospel Coalition, wordt geciteerd met deze uitspraak: “Ik wil geen kerk die mijn voorkeuren volgt, maar een die Jezus volgt”. Dat zullen die hoogopgeleide ontevredenen wel met hem eens zijn, maar welke Jezus willen ze dan navolgen? Een Jezus, die ieder vrij laat te geloven wat hij wil en de leer van apostelen en profeten tussen haken zet?

De gesignaleerde problemen met geloof en kerk zijn niet specifiek voor hogeropgeleiden of jongeren. Het gaat niet zozeer om het niet kunnen maar eerder om het niet willen geloven. Daar is ook met allerlei kunstgrepen niets aan te doen, ook niet met experimenten op het gebied van presentatie of liturgische vormen. Het is de inhoud, de leer van de Schrift die hier in het geding is. Of men die aanvaardt heeft niets met intelligentie te maken.

Geloven is niet voor de dommen of voor de intelligenten. Geloven is voor de armen van geest – mensen die, hoe dom of intelligent ook, beseffen dat hun inzicht beperkt is en dat ze het daarom alleen niet redden.

(*) Het origineel luidt: “I would argue that church-as-performance is just one more thing driving us away from the church, and evangelicalism in particular.”

Het kerklied als geloofsbelijdenis

Er zijn bepaalde onderwerpen die de gemoederen in christelijke kring meer in beweging brengen dan andere. Zodra in het Nederlands Dagblad een verslag van een lezing of een artikel publiceert waar over de doop gesproken wordt, volgen daarop één of meerdere ingezondens en het aantal reacties in de digitale editie loopt binnen enkele dagen in de tientallen. Als het over Israël gaat, gebeurt hetzelfde in veelvoud en kunnen de discussies in de digitale editie weken lang aanhouden. Kennelijk zijn dit gevoelige onderwerpen waarover de meningen niet alleen flink uiteenlopen, maar die ook in hoge mate mensen emotioneel raken. Het zou interessant zijn te onderzoeken waarom uitgerekend die onderwerpen dat effect hebben.

Er is nog een andere kwestie die een sterk emotionele lading heeft en christenen blijkbaar sterk bezighoudt: de liturgie, en vooral het muzikale deel ervan. De vrijheden in de keuze van liederen die kerkenraden of voorgangers zich veroorloven, het zingen van opwekkingsliederen en de begeleiding door een orgel of juist door een band, ze veroorzaken vaak felle discussies waarbij de nuance nogal eens ver te zoeken is. Niet veel christenen zullen beweren dat de liederen die in de kerk gezongen worden tot de kern van de christelijke godsdienst behoren. Dat betekent echter niet dat ze onbelangrijk zijn. Ze kunnen een indicatie geven van de geestelijke ‘ligging’ van die gemeente. Daarnaast geven de argumenten – of wat daarvoor moet doorgaan – die in de discussies over liturgie en kerkmuziek worden gebruikt, inzicht in de manier waarop met zaken rond geloof en kerk wordt omgegaan.

De aangekondigde verschijning van het nieuwe Liedboek voor de Kerken werpt haar schaduwen al vooruit. Al een tijd geleden spraken verschillende mensen die zich min of meer professioneel met kerkmuziek en het kerklied bezighouden er hun afkeuring over uit dat in het Liedboek allerlei liederen zouden worden opgenomen die volgens hen kwalitatief onder de maat zijn. Daarbij doelde men vooral op liederen uit de evangelicale hoek. Naar hun mening zou kwaliteit doorslaggevend moeten zijn bij de vraag of een lied wel of niet in het Liedboek moet worden opgenomen. Kort geleden oefende Hans Maat, directeur van het Evangelisch Werkverband en nota bene bestuurslid van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied – verantwoordelijk voor de samenstelling van het nieuwe Liedboek -, scherpe kritiek op het uiteindelijke resultaat. Volgens een bericht in het Nederlands Dagblad van 16 maart 2013 ontbreekt het de samenstellers aan gevoel “voor jongeren, de Nederland Zingtcultuur, de orthodoxe achterban en de grote tendensen in de kerk”. Er staan maar een paar opwekkingsliederen en worshipliederen in, terwijl jongeren in veel kerken die het liefste zingen. “Dit moest een bundel voor de toekomst zijn, en voor de gewone gemeenteleden. Niet voor een professor liturgiek.”

De manier waarop over dit onderwerp wordt gesproken, zegt veel over de manier waarop naar kerkliederen en kerkmuziek gekeken wordt. Je zou twee elementen kunnen onderscheiden die in de discussies over dit onderwerp steeds weer naar voren komen.

Het eerste betreft de kwaliteit van liederen. Vooral professionele kerkmusici hameren er steeds op dat een groot deel van de liederen die tegenwoordig vaak gezongen worden – globaal aangeduid als ‘evangelicaal’ – kwalitatief onder de maat is, zowel qua tekst als qua muziek. Het zal niet meevallen in deze kringen een musicus te vinden die dit repertoire van goede kwaliteit acht. Ook diegenen onder hen die het opwekkingsrepertoire niet in z’n totaliteit afwijzen, zijn van mening dat het de samenstellers van bundels met zulke liederen – en de gebruikers uiteraard – aan kritische zin ontbreekt. Ik weet eigenlijk niet of er vertegenwoordigers van de evangelische liedcultuur zijn die deze opvatting fundamenteel bestrijden. Het lijkt me een vrijwel onbegonnen werk te proberen aan te tonen dat opwekkingsliederen in hun algemeenheid zich kwalitatief kunnen meten met de psalmen of bijvoorbeeld de liederen die in het (oude) Liedboek voor de Kerken zijn opgenomen.

Sommigen doen daar ook geen pogingen toe. De al genoemde Hans Maat bijvoorbeeld wijst op kerklieddichters als Huub Oosterhuis, Willem Barnard en Sytze de Vries – de eerste twee zijn in het oude Liedboek ruim vertegenwoordigd, de laatstgenoemde is van een jongere generatie en schrijft veel teksten die o.a. door Dirk Zwart op muziek zijn gezet. Maat erkent: “[Ze] zijn waarschijnlijk betere poëten dan ik”. In een artikel in het Nederlands Dagblad van 28 maart 2013 schrijft Janneke Burger iets vergelijkbaars. Ze typeert het klassieke kerklied als “literair en muzikaal gezien vast prachtig en correct”. In zekere zin zou je dat als winst kunnen beschouwen: de aanhangers van het klassieke kerklied en de vertegenwoordigers van het evangelicale repertoire zijn het er kennelijk over eens dat er een evident verschil in kwaliteit tussen de twee genres bestaat.

Daarmee is het pleit echter niet beslecht. De twee kampen verschillen namelijk fundamenteel van mening over de vraag welke rol kwaliteit moet spelen. Daarmee zijn we bij het tweede element in de discussies over dit onderwerp. Grof gezegd vinden de verdedigers van de evangelische liedcultuur dat kwaliteit uiteindelijk niet doorslaggevend is. Hier kunnen verschillende argumentatielijnen onderscheiden worden.

In discussies kun je nog wel eens het argument tegenkomen dat het om de intentie gaat en niet zozeer om de kwaliteit. God ziet het hart aan en de kwaliteit van het gebodene is vers twee. Dit is een uiterst merkwaardig en vanuit christelijk standpunt nogal bedenkelijk argument. Je hoeft niet direct met allerlei diepgravende bezwaren te komen om te begrijpen dat deze redenering niet houdbaar is. Wanneer een man zijn vrouw een verjaardagscadeau aanbiedt, doet hij er dan krantenpapier omheen? Wanneer iemand bij de koningin op audiëntie gaat, doet hij dan zijn oude kloffie aan? Natuurlijk gaat het om het hart, maar waarvan het hart vol is, daarvan loopt de mond over. Aan wat uit de mond komt, kan de intentie worden afgeleid. In de dienst aan God is het beste nog niet goed genoeg. Maar naar dat beste moet dan wel gestreefd worden. Of, beter gezegd, naar het optimale: het beste dat met de gegeven middelen en talenten bereikbaar is. Tot het onmogelijke is uiteraard niemand gehouden. Maar wie een rijke en kwalitatief goede liedcultuur in de vuilnisemmer kiepert en die vervangt door wat kwalitatief van minder allooi is, heeft wel wat uit te leggen. Je kunt hier ook nog een filosofische draai aan geven. De tegenstelling tussen de kwaliteit en de intentie is dan die tussen het ‘stoffelijke’ en het ‘geestelijke’, waarbij het laatste uiteindelijk het belangrijkste is. Deze tegenstelling wortelt in de heidense filosofie en laat zich op geen enkele manier vanuit de Schrift verdedigen.

Een tweede argumentatielijn vinden we in het al eerder genoemde artikel van Janneke Burger. “Waarom blijft er toch die kloof tussen aan de ene kant het klassieke kerklied, dat literair en muzikaal gezien vast prachtig en correct is, maar het hart van de eenvoudige gelovige (laat staan het kind) maar moeilijk kan bereiken?” “Ik kan werkelijk genieten van een lied waar mooie woorden in staan, dichtkunst, zo u wilt. Prachtig, zoals de ambivalentie van het leven in woorden gevangen kan worden. Het hoeft niet altijd uitbundig, en ik zing ook graag liederen die ik moet herkauwen. Tegelijk geniet ik van een opwekkingslied, dat mijn hart zoveel makkelijker bereikt en waarbij ik mijn lijf mag gebruiken om mij naar de Heer uit te strekken.”

De suggestie die hiervan uitgaat is dat wat van hoog literair en muzikaal niveau is het hart van de gelovigen niet bereikt. Dat is niet hard te maken. Want er zijn ongetwijfeld heel wat kerkgangers die zich in die kritiek herkennen, maar ook die een geheel tegengestelde ervaring hebben. Als ik, in navolging van mw. Burger, ook even subjectief mag zijn: hoe klassieker een lied, hoe meer het me aanspreekt, terwijl evangelicale liederen me volstrekt koud laten. Als iedereen zijn voorkeur mag laten gelden wordt het lastig. Waar de een van geniet, dat kan de ander niet pruimen. Aan hoogstpersoonlijke voorkeuren hebben we niet veel als het gaat om de vraag welke liederen voor kerkelijk gebruik geselecteerd zouden moeten of kunnen worden.

Achter deze persoonlijke ontboezeming van mw. Burger lijkt wel een bepaald vooroordeel te zitten: kwaliteit landt niet bij ‘gewone’ mensen. Dat klinkt nogal neerbuigend. Misschien moeten literair of muzikaal weinig onderlegde mensen zich wat inspannen, maar wie zegt dat ze dat niet willen of kunnen? En zijn de psalmen dan gemakkelijker toegankelijk? Moeten die op het tweede plan komen? Trouwens, wie de Schrift wil doorgronden, zal zich ook moeten inspannen. Dat hoort uiteindelijk bij het christelijk geloof. Niet alles hoeft of kan in hapklare brokken te worden aangeboden.

Wie leest wat Janneke Burger en Hans Maat naar voren brengen moet wel de conclusie trekken dat voor hen de smaak van de gelovigen de doorslag geeft. In elk geval is Hans Maat daarover glashelder in wat hij opmerkt over het nieuwe Liedboek voor de Kerken. “Ik wilde graag dat het project zou slagen, maar het nieuwe Liedboek is geen veelkleurige bundel. Het mist ook compleet de tijdgeest: we zitten in een periode van deïnstitutionalisering, waarin de vrije liedcultuur opbloeit.” “Het gaat mij erom dat een bepaald soort liederen, die een grote groep in de kerk graag zingt, amper in deze nieuwe bundel voorkomt.” Hier is het criterium uiteindelijk de voorkeur van de gebruikers: er moeten meer liederen uit de evangelicale hoek worden opgenomen, niet omdat die goed zijn, maar omdat ze graag gezongen worden.

Deze positiekeuze is nogal problematisch. Geen van beide zullen willen verdedigen dat in geloofskwesties de mening of het gevoel van de gelovigen doorslaggevend zijn. De inhoud van het geloof wordt bepaald door de Schrift. Maat maakt in het interview duidelijk dat hij dat inderdaad vindt: “Bepaalde liederen en gebeden in het nieuwe Liedboek zou ik om theologische redenen nooit aan jongeren voorlezen.” Als de Schrift dan maatgevend is voor de inhoud van het geloof, dan zou hij toch eens moeten uitleggen waarom dat dan niet geldt ten aanzien van de liturgie en het muzikale aspect daarvan. Waarom zou hier de smaak van de kerkgangers ineens doorslaggevend moeten zijn?

Dat heeft enerzijds ongetwijfeld te maken met de scheiding tussen vorm en inhoud die hierboven al gesignaleerd werd. Maar het zou ook verband kunnen houden met een visie op liturgie, waarin deze wordt opgedeeld in twee elementen. In het ene komt God aan het woord, via Schriftlezing en verkondiging. In het andere element spreekt de gemeente, door middel van gebed en lied. Maar is die tweedeling wel correct?

De oorsprong van het woord liturgie maakt duidelijk dat dienst daarin het centrale begrip is. In de christelijke kerk betekent liturgie dienst aan God. Hoe dien je God? Toch allereerst door Hem zelf aan het woord te laten. Hij spreekt via de Schrift en – door de mond van de voorganger – in de verkondiging van het Evangelie. Hij spreekt ook door middel van het lied: de heilige Geest heeft ervoor gezorgd dat de bijbel een grote hoeveelheid liederen bevat – het boek van de Psalmen, maar ook andere Schriftgedeelten – waarin Hij eveneens aan het woord komt, door de mond van de gelovigen. Luther en Calvijn hadden niet dezelfde visie op de eredienst, maar verschilden niet van mening over het feit dat de mens als schepsel de plicht heeft zijn schepper ook in zijn lied te loven. Dat gebeurt vooral door na te spreken wat Hij in zijn woord heeft gezegd. In die zin wordt in het kerklied de verkondiging van het evangelie voortgezet. Daarom is er ook geen tegenstelling tussen de Woordverkondiging in de preek en de Woordverkondiging in het lied. Beide hebben dezelfde spits: het uitdragen van de woorden van God met verschillende middelen. Het maakt de discussie over de verhouding tussen preek en lied grotendeels overbodig. Dan is het wel noodzakelijk dat de liederen in de eredienst inhoudelijk en qua vorm zoveel mogelijk aansluiten bij de Schrift.

Hoe verder de liederen daarvan afwijken, hoe problematischer de relatie tussen Woordverkondiging en lied wordt. Het valt niet te ontkennen dat in veel evangelicale liederen de mens een wel erg belangrijke rol speelt. In die liederen drukt hij zijn gevoelens uit. Er is niets tegen wanneer mensen door middel van liederen hun gevoelens tot uiting brengen, ook niet wanneer ze dat samen doen. Maar de eredienst is daarvoor niet geschikt; daar passen geen subjectieve en individualistische elementen in.

Noch Janneke Burger noch Hans Maat eisen het alleenrecht voor het evangelicale lied op. Ze willen dat in de kerken beide liedculturen vredig naast elkaar kunnen bestaan. Mw. Burger schrijft: “[Mijn] gemeente heeft toch vooral behoefte aan liederen die deze kloof [tussen het klassieke en het evangelicale lied] overbruggen. Waarom zijn die er dan zo weinig?” Misschien bestaan zulke liederen niet. Ik kan me niet goed voorstellen hoe zo’n lied eruit zou moeten zien. Hans Maat is realistisch. “Bovendien vraag ik me nog steeds af of je wel een bundel voor iedereen kunt maken.” Daarbij bedoelt hij vooral de theologische inhoud van het kerklied, maar dat kun je even zo goed betrekken op de vorm.

Dat is het grote probleem bij het Liedboek voor de Kerken. Dat gold voor het oude: een aantal kerken besloot het niet te gebruiken vanwege het feit dat daarin liederen waren opgenomen die zich inhoudelijk niet laten rijmen met de gereformeerde belijdenis. Het zal ook – en wellicht zelfs in nog sterkere mate – voor het nieuwe Liedboek gelden. Naast liederen van min of meer vrijzinnige snit zal het ook liederen uit de evangelicale hoek bevatten. Die zijn ook niet allemaal in een gereformeerde eredienst bruikbaar. En aangezien de kerk in veel opzichten multicultureel is geworden, ook als ze geheel autochtoon is, levert elke keuze weerstanden op.

Het gesignaleerde probleem is in wezen onoplosbaar wanneer de persoonlijke voorkeur en smaak van de gelovigen doorslaggevend is. Dat is in de kerk een onbegaanbare weg. Kerken zullen een heldere, schriftuurlijk gefundeerde visie op liturgie moeten ontwikkelen. Alleen zo kan de schijn vermeden worden dat de smaak van een elite of de macht van het getal bepalend is voor de keuzen die ten aanzien van het liedrepertoire gemaakt worden.

In de eredienst staat het Woord centraal. Daarom moet in het kerklied de Schrift tot klinken komen. Het is een geloofsbelijdenis: de gemeente spreekt zingend na wat ze in de Schrift gelezen heeft.

Kerkelijk polderen

Nederland stond ooit bekend als een land van consensus. Partijen of maatschappelijke organisaties met tegengestelde opvattingen of belangen probeerden elkaar te vinden en een zodanige overeenstemming te bereiken dat ieder er in elk geval op één of meerdere punten beter van werd. Het is niet zo vreemd dat uitgerekend in Nederland het streven naar consensus kernmerkend werd voor de politiek en de samenleving. Het was altijd een land van minderheden, waarin geen enkele partij kon domineren. In de jaren ’80 kwam de term poldermodel in zwang, toen werkgevers, vakbonden en overheid met elkaar overlegden over lonen en arbeidsvoorwaarden. Zelfs in het buitenland werd dit model als voorbeeldig beschouwd.

In latere jaren werd van die term het werkwoord polderen afgeleid. Dat werd vaak in kritische of zelfs afkeurende zin gebruikt. Vooral in de maatschappelijke beweging die aan het begin van deze eeuw ontstond – waarvoor vaak de zogenaamde ‘Fortuyn-revolte’ als oorzaak wordt aangewezen – werd polderen een synoniem voor pappen en nathouden, het onder het kleed vegen van problemen en het bagatelliseren van maatschappelijke tegenstellingen. Het verzet daartegen leidde tot een verscherping van de maatschappelijke en politieke meningsverschillen. De polarisatie uit de jaren ’70 van de vorige eeuw leek helemaal terug van weggeweest, ook al liepen de scheidslijnen anders dan toen en had de polarisatie een minder uitgesproken ideologisch karakter. Teugkijkend op de geschiedenis van het laatste decennium kan moeilijk worden beweerd dat de samenleving van de toenemende polarisatie beter is geworden.

Men zegt wel eens dat de kerk achterloopt op maatschappelijke ontwikkelingen. Die bereiken haar uiteindelijk wel, maar het duurt even. Daar zit wat in. Verschijnselen die in de samenleving al decennia als heel gewoon worden beschouwd – vooral op het vlak van de persoonlijke ethiek – doen zich inmiddels ook in kerkelijke kring voor, en niet alleen onder vrijzinnigen. Hetzelfde kan gezegd worden van de manier waarop met verschillen van mening wordt omgegaan. Je zou kunnen zeggen dat, waar de samenleving afscheid heeft genomen van het poldermodel, de kerk de ‘voordelen’ van het polderen heeft ontdekt.

Niet dat het poldermodel nu pas wordt toegepast. De aloude Nederlands Hervormde Kerk en ook de PKN, waarin ze is opgegaan, zijn voorbeelden bij uitstek van een kerkelijk poldermodel. Verschillende stromingen bestaan naast elkaar en hebben een soort van ‘modus vivendi’ gevonden, waarbij ze elkaar wat gunnen en tegelijk elkaar zo min mogelijk lastig vallen. Kleinere reformatorische kerken hebben de Hervormde Kerk altijd als een afschrikwekkend voorbeeld beschouwd en hun oordeel over de PKN was in de eerste jaren na haar ontstaan niet veel anders. Maar inmiddels zijn ook die kerken aan het polderen geslagen. De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben verschillende stromingen. Eenheid met andere kerken staat weliswaar op de agenda van synoden van de CGK, maar veel vooruitgang zit er niet in, aangezien enkele stromingen binnen de kerk dat eenheidsstreven, vooral met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), niet zien zitten.

Ook binnen de laatstgenoemde kerken wordt druk gepolderd. Daar zijn veel voorbeelden van te geven. Ik denk dat elke lezer er wel een paar kan verzinnen. Ik heb in mijn weblog herhaaldelijk op zulke verschijnselen gewezen. Het lijkt erop dat kerkenraden koste wat kost iedereen binnen boord willen houden.
De norm is nog steeds dat de kinderen van de gelovigen gedoopt behoren te zijn. Wanneer een toenemend aantal kerkleden daarmee problemen heeft, wordt dat wel betreurd, maar consequenties blijven uit. Wanneer ouders dan hun kind niet willen laten dopen, moet daar maar iets op gevonden worden.
Kerkelijke afspraken worden geschonden, omdat kerkenraden niet de moed hebben gewoon eens “nee” te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een ‘kerkelijk gemengd’ bruidspaar zijn huwelijk kerkelijk wil laten bevestigen.
Ook de ‘Werkorde’ die aan de Generale Synode wordt voorgelegd, draagt de sporen van ‘kerkelijk polderen’. De kerkenraad roept de gemeente in openbare kerkdiensten samen, “als regel twee maal per zondag”. Daarmee wordt bij voorbaat een verklaring van ‘geen bezwaar’ uitgereikt aan kerkenraden die het nodig vinden de tweede dienst af te schaffen. Ook de catechismusprediking wordt in feite facultatief gesteld door een vergelijkbare formulering. De argumentatie is een klassiek voorbeeld van ‘poldermentaliteit’. “In een toelichting schrijven de deputaten dat bij de invulling van de kerkdiensten een ‘veel grotere verscheidenheid is gegroeid dan er in de jaren 1970 bij de opstelling van de huidige kerkorde was’. De reacties van 115 kerken en 13 deputaatschappen op het vorige concept maken duidelijk dat verschillend wordt gedacht over het vastleggen van de tweede kerkdienst en de catechismusprediking in de kerkorde. Daarop hebben deputaten besloten dit opener te formuleren.” (Nederlands Dagblad, 5.7.12). Het is de mentaliteit van “u vraagt en wij draaien”.
Het kan nauwelijks verwondering wekken dat de liturgische vrijheden die voorgaande synoden aan gemeenten hebben toegestaan, hebben geleid tot een lappendeken waarin geen duidelijk gereformeerd patroon meer te ontwaren valt.
Tenslotte wijs ik nog maar eens – bijna ten overvloede – op de ontwikkelingen rond de kerkplantingsgemeente Stroom in Amsterdam, waar kerkelijke vergaderingen zich in alle mogelijke bochten wringen om het zo mogelijk iedereen naar de zin te maken.

Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat in enkele decennia een kerk zo van karakter verandert. Het heeft ongetwijfeld met de toenemende kerkverlating te maken, waardoor men alles doet om te voorkomen dat nog meer mensen – en vooral jongeren – zich onttrekken. De drempel naar andere kerken is immers veel lager dan vroeger, en sociaal heeft het vrijwel geen gevolgen wanneer iemand van kerk verandert, zoals dat vroeger wel vaak het geval was.
Maar er lijkt toch meer aan de hand. De manier waarop enkele theologen meenden te moeten bezweren dat enkele kerkplantingsgemeenten, zoals Stroom, zonder meer als gereformeerd kunnen worden beschouwd, wijst al in een bepaalde richting. Er spreekt grote onzekerheid uit over wat nu eigenlijk gereformeerd mag heten. Dat lijkt me de kwaal waaraan de Gereformeerde Kerken lijden. Er zal niet zo gauw iemand te vinden zijn die met Pilatus vraagt: “Wat is waarheid?” Wie zal ontkennen dat de waarheid bestaat? Wanneer de vraag gesteld wordt of die waarheid ook te kennen en te formuleren is, wordt het een ander verhaal. Natuurlijk, over fundamentele zaken, zoals de verzoening door Christus, bestaat geen verschil van mening. Wanneer de kerk daarover ferme uitspraken doet in haar belijdenis, kan ze op instemming rekenen. Maar wanneer die belijdenis andere zaken aan de orde stelt blijft algemene instemming uit. En wanneer ze dan ook nog pretendeert de Schrift na te spreken en daarmee impliciet (of expliciet) daarvan afwijkende opvattingen als onschriftuurlijk verwerpt, wordt de weerstand nog groter. Sommige reacties op de vraag van het Nederlands Dagblad (20.10.12) of 450 jaar Heidelbergse Catechismus iets is om te vieren leggen daar getuigenis van af.

Enkele weken geleden vond op het Malieveld in Den Haag een manifestatie plaats, waar allerlei ‘kerkelijke leiders’ schuld beleden over de kerkelijke verdeeldheid. Het is veelzeggend dat vertegenwoordigers van protestantse kerken en stromingen ‘broederlijk’ naast een rooms-katholieke bisschop stonden. Weliswaar werden de verschillen niet ontkend, maar van veel gewicht leken die uiteindelijk toch niet te zijn – in elk geval niet voldoende om kerkelijke gescheidenheid te rechtvaardigen. Enkele jaren geleden zagen we een vergelijkbaar verschijnsel, toen in Dordrecht de Nationale Synode bijeenkwam. Vertegenwoordigers van kerken, die qua geloofsleer sterk van elkaar verschilden, stelden een document op waaraan niemand zich een buil kon vallen. Dat de deelnemers aan de gebruikte formuleringen soms heel verschillende interpretaties gaven mocht de pret van de eenheid niet drukken.
Hieruit komt het beeld naar voren van een christelijke wereld waar verschillen in geloofsleer niet meer als fundamenteel en kerkscheidend worden beschouwd. Er lijkt een opvatting gegroeid dat iedereen een stukje van de waarheid heeft. De christelijke wereld, met al haar kerken en groepen, wordt dan een soort legpuzzel, die pas af is wanneer iedereen zijn eigen stukje van de waarheid bijpast.
Wie zal zich dan nog verwonderen over het kerkelijk indifferentisme, volgens welke het niet uitmaakt van welke kerk je lid bent?

En zo leidt het kerkelijk polderen tot kerkverlating – precies datgene wat het moest voorkómen.

Kerkelijk consumentisme

“De klant is koning” is een vaak gehoorde kreet. Wie zijn producten of diensten aan de man wil brengen, zal zich moeten richten op wat de klant wil. Wie dat niet doet, blijft met z’n spullen zitten. De macht van de consument is de laatste decennia voortdurend toegenomen. ‘Merkentrouw’ bestaat niet meer: als je met de één niet tevreden bent, ga je naar de ander. De overheid heeft de positie van de klant op haar beurt verder versterkt: door afbraak van monopolies en privatisering wordt de concurrentie vergroot, met de bedoeling de kwaliteit van vooral de dienstverlening te verbeteren. De neveneffecten van dit proces worden steeds duidelijker en roepen de vraag op of we met dit proces wel op de goede weg zijn.

De versterkte macht van de klant heeft ook bijgedragen tot zijn mentaliteitsverandering. Hij is steeds veeleisender geworden, op het extreme af. En dat strekt zich niet maar uit tot de winkel en de dienstverlening maar ook tot de politiek. De partij die met mooie beloften veel zetels wint is die zomaar weer kwijt wanneer ze niet levert wat ze heeft beloofd.

Deze mentaliteit gaat aan de kerk niet voorbij. Gelovigen zijn net gewone mensen, dus erg vreemd is dat niet. De gevolgen daarvan worden steeds meer zichtbaar, maar vooralsnog lijkt dat niet tot een brede bezinning te leiden.

Dat consumentisme komt bijvoorbeeld tot uiting in de manier waarop tegen de kerk wordt aangekeken. Het Reformatorisch Dagblad interviewde Ed Anker, tot voor kort lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie. Daarin komt ook zijn kerklidmaatschap aan de orde. In Zaanstad was hij lid van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt), maar na zijn verhuizing naar Den Haag zijn hij en zijn vrouw op zoek gegaan naar een gemeente die bij hen paste. Ze kwamen bij een evangelische gemeente uit. Deze houding lijkt typerend te zijn voor de manier waarop velen tegenwoordig met het kerklidmaatschap omgaan.

Je kunt het ook lezen wanneer een jong stel, dat tot verschillende kerken behoort, gaat trouwen. Samen gaan ze op zoek naar een kerk die bij hen past. Het kan zelfs zover komen dat leden van een gereformeerde kerk, die zich elders vestigen, maar in de nieuwe gemeente naar hun mening niet hartelijk genoeg ontvangen worden, hun boeltje pakken en zich bij de ‘concurrentie’ melden. De klant is koning, tenslotte.

Nu is zo’n houding niet nieuw. Het onderwerp ‘de kerk’ is al heel lang controversieel. Ook in het kerkelijk conflict binnen de GKV in de jaren ’60 van de vorige eeuw, dat uiteindelijk tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerk leidde, speelde dit een belangrijke rol. Toch is er wat veranderd.

Wat lange tijd een onderstroom binnen de Gereformeerde Kerken was lijkt nu de hoofdstroom te zijn geworden. Het kerklidmaatschap wordt door steeds meer kerkleden als een kwestie van persoonlijke keuze beschouwd. En dat wordt niet meer unaniem door kerkenraden en vanaf de kansel weerlegd. Als Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus aan de orde is, wordt te vaak om de hete brei heengedraaid. En wie de discussies over de relatie tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerk volgt, krijgt de indruk dat het conflict dat aan de scheiding van deze kerken ten grondslag ligt, achteraf bezien één grote vergissing is geweest.

Het consumentisme doet zich ook op andere gebieden gelden. Hier valt te denken aan de inrichting van de liturgie, waar prof. J. Douma op zijn kortgeleden gelanceerde website ook over schrijft (zie: Kort commentaar). De liturgie lijkt wel een kleurige lappendeken, waarin voor iedereen iets van zijn gading is, behalve dan voor degenen die hechten aan een doordachte en samenhangende liturgie. En als ergens tot uiting komt hoezeer de liturgie verworden is tot een spiegel van persoonlijke voorkeuren zijn het trouwdiensten. Dat het bruidspaar enige invloed heeft op de liturgische vormgeving valt te billijken. Maar enige sturing van kerkenraadszijde zou toch wel gewenst zijn. Het is moeilijk te vatten dat een bruidspaar er wel aan hecht zijn huwelijk in de Gereformeerde Kerk te laten bevestigen, maar tegelijk zich niets gelegen wil laten liggen aan de liturgische afspraken die daar gelden, bijvoorbeeld ten aanzien van de voor kerkelijk gebruik vrijgegeven liederen. Het resultaat is soms een dienst waarin de helft van de liederen geheel vreemd is aan wat een gereformeerde liturgie mag heten.

Ook in de manier waarop de kerk naar buiten treedt speelt het marktdenken een niet geringe rol. Men wringt zich soms in allerlei bochten om de buitenstaander te behagen. Men moet dan wel eerst weten wat de buitenstaander behaagt. En daarbij is het probleem dat de buitenstaander niet bestaat. Er is geen sprake meer van een dominante cultuur; we leven in een landschap van subculturen. Wat buitenstaanders eventueel in een kerk zoeken is nauwelijks te definiëren. Bovendien, zoals al opgemerkt, is de consument grillig: wat nu in de mode is kan over twee maanden zomaar weer ‘uit’ zijn.

“Wie met de tijdgeest trouwt is snel weduwnaar”, zegt het spreekwoord. De kerk moet daarom vooral haar zelfstandigheid bewaren. In plaats van in te spelen op de steeds wisselende vraag moet de kerk zich concentreren op het steeds gelijk blijvende aanbod. De vraag van Luther: “Hoe krijg ik een genadig God”, heeft nog niets van zijn betekenis verloren.

Preken voor het leven

In gereformeerde kring is altijd veel aandacht geweest voor de prediking. Over preken werd gesproken, na de dienst, op bijbelstudieverenigingen. En nog steeds mag het onderwerp zich in grote belangstelling verheugen. Wanneer een predikant moet worden beroepen, komen allerlei eisen en verlangens op tafel. Maar zijn preken zijn toch nog steeds een belangrijk, misschien zelfs wel doorslaggevend argument voor het al dan niet uitbrengen van een beroep.

Intussen worden aan preken wel andere eisen gesteld dan vroeger. Ieder heeft zo zijn eigen wensen. Al te moeilijk mag het niet zijn. En de voorganger moet ook zo preken dat het gemiddelde gemeentelid er iets aan heeft voor de komende week. Hij moet uiteraard de jeugd aanspreken, ook al is ook in de kerk de vergrijzing inmiddels zichtbaar. En dan is er nog de evangelisatie: eigenlijk moet er zo gepreekt worden dat ook toevallige bezoekers snappen waar het over gaat. Kortom, de taak van de prediker is er niet eenvoudiger op geworden.

De vraag is dan wel of daarmee de prediking op haar juiste waarde wordt geschat. Wim Dekker, hoofd vorming en educatie van de “IZB – vereniging voor zending in Nederland” (vroeger functionerend binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, tegenwoordig de PKN), schreef daarover een artikel in het Nederlands Dagblad van 8 april j.l. Het had als opschrift: “Het besef is verbleekt dat in de kerk doden worden opgewekt”.

Een citaat geeft Dekkers visie op de prediking goed weer. “Gereformeerde mensen hadden een diep besef van verlorenheid, dat God eraan te pas moest komen om je uit je verlorenheid op te rapen en dat Hij dat bij voorkeur deed door de prediking. Gereformeerde mensen beseften dat je daarna nooit klaar was, maar dat God een leven lang werk met je hield en dat je daarom zo vaak mogelijk in de werkplaats van God moest verschijnen en die werkplaats is de kerk, waar de Geest werkt door het Woord.”

Dekker meent dat deze opvatting in verregaande mate is verdwenen en dat als gevolg daarvan aan de kerkdienst “van alles geknutseld” wordt. Dat is geen oplossing, want “als ik niet voor mijn eeuwig heil naar de kerk moet, dan zijn er altijd wel weer andere dingen belangrijk”. Op de tegenwerping dat deze kwestie niet erg relevant is wanneer het erom gaat ‘buitenstaanders’ te bereiken, antwoordt Dekker: “Maar mijn stelling is, dat geen mens van buiten geboeid zal worden door iets dat in wezen vrijblijvend en gemoedelijk is.” Hij roept gereformeerde mensen op weer te gaan geloven dat onder de preek doden worden opgewekt. “Dat is dan tevens de beste dienst die ze aan welke zoeker dan ook kunnen bewijzen.”

Heeft Dekker gelijk met zijn analyse van de situatie en met zijn visie op de prediking? Hetzelfde artikel stond in het Reformatorisch Dagblad met een wat andere titel: “Wervende preek moet vol gloed en aandrang zijn”. De koppen zijn waarschijnlijk van de redacties van de respectievelijke bladen, maar die van het ND is pregnanter en geeft scherper aan waar het Dekker om gaat.

Waarschijnlijk nodigt zo’n titel ook eerder uit tot tegenspraak dan die in het RD. Een in de kolommen van het ND niet geheel onbekende scribent reageerde dan ook op raillerende wijze. Het kernpunt van zijn kritiek is dat de preek wordt overschat, omdat de Geest ook op andere wijzen werkt en niet alleen in de kerkdiensten.

Het is waar dat het allemaal begint bij het Woord zelf. Dat keert nooit leeg weer. Dat betekent dat de preek niet teveel belang mag worden toegekend. Een preek kan soms teleurstellen, maar daarmee verliest de kerkdienst nog niet zijn waarde zolang het Woord klinkt. En veel christenen in deze wereld moeten het zonder regelmatige prediking stellen.

Het is ook waar dat de Geest niet alleen via de kerkdiensten werkt. Opvoeding, onderwijs, bijbelstudie – individueel en in verenigingsverband -, huisbezoeken, het zijn allemaal middelen die de Geest gebruikt. Dat laat onverlet dat de verkondiging van het Woord door hen die daartoe geroepen zijn, een sleutelrol speelt in het kerkelijk leven.

Dat woord ‘sleutelrol’ kan hier letterlijk genomen worden. In zondag 31 van de Heidelbergse Cathechismus wordt de verkondiging van het evangelie één van de sleutels van het hemelrijk genoemd, waardoor het koninkrijk van de hemel voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten wordt. Dat brengt grote verantwoordelijkheid mee voor de prediker en voor zijn toehoorders. Het is daarom terecht dat Dekker het zo formuleert als hij doet.

Dat betekent dat aan slordige kerkgang zwaar getild moet worden. Ik ben er niet zeker van dat dit ook het geval is. Ik ben waarschijnlijk niet de enige die constateert dat vooral het bezoek van de middagdiensten sterk is teruggelopen. Of door kerkenraden daaraan, bijvoorbeeld op huisbezoek, ook aandacht wordt besteed, onttrekt zich aan mijn waarneming. Ik heb niet de indruk dat het altijd en overal als een bijzonder urgent probleem wordt gezien.

De opmerking van Dekker dat de veranderde visie op de prediking leidt tot “geknutsel” aan de eredienst is heel herkenbaar. En dat geknutsel is ook sterk aan mode onderhevig. Jaren geleden was het ineens “in” allerlei voorwerpen de kansel op te slepen, soms zo voor de hand liggende dingen dat je je afvroeg of de voorganger dacht dat er alleen kinderen in de kerk zaten.

Maar dat is nu helemaal uit. Nu wordt vooral gestreefd naar variatie. Wanneer elke dienst volgens een vast patroon verloopt, komt de sleur erin en haakt een deel van de gemeente af. Nieuwe muziekstijlen, bij voorkeur beïnvloed door de popmuziek, moeten de jongeren enthousiast maken. De Geneefse psalmen, met hun ‘gedragen’ melodieën, zijn te weinig dynamisch. En steeds weer dezelfde teksten, die gaan na verloop van tijd het ene oor in en het andere uit. Dus worden de Tien Geboden, wanneer het zo uitkomt, maar eens vervangen door iets anders, eventueel van eigen makelij. En desnoods zetten we de gemeente aan het discussiëren. Niet te lang natuurlijk, want dat gaat ook vervelen.

Dat zulke middelen het meestal maar een paar jaar uithouden laat zien dat ze niet werken. De vroeger bekende reclameslogan ‘Geen fratsen, dat scheelt’ is ook op de kerkdiensten van toepassing. Wanneer het besef ontbreekt dat de heilige Geest door middel van de kerkdiensten het geloof wil werken zullen ook allerlei modieuze fratsen geen mens in de kerk krijgen. En als aan kerkdiensten geen hogere eisen worden gesteld dan dat ze “ergens over gaan”, zoals ik een tijd geleden uit een gesprek van jongeren opving, dan valt niet te verwachten dat men sterke aandrang voelt elke zondag twee keer in “de werkplaats van God” te verschijnen.

Dekker spreekt in zijn artikel niet alleen de toehoorders aan, hij richt zich ook op de voorgangers. Niet alleen bij de toehoorders, maar ook bij de predikers is het besef verbleekt “dat onder de prediking doden worden opgewekt. Wanneer de predikers dit niet meer beseffen, verdwijnen gloed en aandrang uit hun preken, het wordt vooral onderhoudend en gemoedelijk, bemoedigend en vertrouwd: het was wel weer mooi vanmorgen. Maar het was helemaal niet mooi, want er is niets gebeurd!”

Het zal wel waar zijn dat predikanten de druk voelen van de wensen die in de gemeente leven ten aanzien van de prediking. En je moet wel ruggegraat hebben om daarvoor niet te buigen, wanneer je ervan overtuigd bent dat je dan tekort doet aan wat je opdracht is. En wanneer je kerkenraad dan ook nog geneigd is te buigen als een knipmes, wanneer gemeenteleden hun wensen op tafel leggen, wordt je leven er niet eenvoudiger op.

Het helpt wanneer predikanten zich realiseren dat ze niet in de eerste plaats verantwoording schuldig zijn aan de gemeente, maar aan hun Zender. Een preek is geen verzoeknummer. Predikers moeten de vermaning van Paulus aan het adres van Timotheüs (2 Tim 4,2) ter harte nemen: “Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet”.

Die boodschap omvat “oude” en “nieuwe” dingen, zoals Jezus zelf aangeeft, wanneer Hij een “schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden” vergelijkt met “een huismeester die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen te voorschijn haalt” (Mt 13,53). Nieuwe dingen komen alleen te voorschijn, wanneer de prediker studeert en het resultaat daarvan in zijn prediking vertaalt. Maar ook “oude dingen” moeten blijven klinken, want – zoals Dekker terecht stelt – Gods werk aan zijn kinderen duurt hun leven lang.

In de eredienst moet het inderdaad “ergens over gaan”. Als het over dood en leven gaat, dan gaat het ergens over en dan gebeurt er wat.

Het kerklied en de kerkliedjes

18 maart 2010 2 reacties

“De bisschoppelijke censor van het bisdom Den Bosch heeft onlangs bepaald dat een aantal kerkliederen niet meer gezongen mag worden in de rooms-katholieke liturgie”, meldde Katholiek Nederland onlangs. De censor, pastoor Mennen uit ‘s-Hertogenbosch, behoort daarvoor argumenten aan te dragen. Dat doet hij ook.

Daartoe behoren “dat een lied theologisch niet klopt, niet conform de aard van de liturgie is, niet over God gaat, of gewoonweg te banaal is. Dat laatste is volgens de censor het geval bij Wij gaan de weg van oude woorden. ‘Dit lied is te banaal om in de rk-liturgie gebruikt te kunnen worden. De gemeenschap bespreekt zichzelf; het lied mist in grote mate christelijke geloofsinhoud.'”

Ik ken dat lied niet noch de andere liederen die in de verschillende persberichten genoemd worden. Dat een aantal van die liederen gedicht is door Huub Oosterhuis heeft direct al kwaad bloed gezet en tot de verdachtmaking geleid dat het er vooral om gaat hem een hak te zetten. Zoals zo vaak bij meningsverschillen worden de zaken direct weer persoonlijk gemaakt. Dat is nogal zwak en lijkt vooral bedoeld te zijn om een inhoudelijke discussie uit de weg te gaan.

“De Kerk schrijft voor, zegt de bisschoppelijke censor in Katholiek Nederland Radio, dat liturgische gezangen in eerste instantie Bijbelteksten zijn. Vrije composities moeten theologisch juist zijn, ondubbelzinnig en liturgisch bruikbaar.” Daar lijkt me weinig op af te dingen. Juist dat eerste punt zal bij de liederen van Huub Oosterhuis een probleem zijn. Theologisch kan hij als vrijzinnig worden beschouwd en dat zal in sommige van zijn liederen wel naar voren komen.

Ook elders heeft de censor van zich laten horen. In het Nederlands Dagblad van 18 maart j.l. is te lezen dat door de censor van het aartsbisdom Utrecht Lied 328 uit het Liedboek voor de Kerken is afgekeurd. Dat begint zo: “Here Jezus, om uw woord / zijn wij hier bijeengekomen”. “Te protestants in zijn visie op de samenkomst, luidde het oordeel van de censor van het aartsbisdom.” Rome en Reformatie liggen nog steeds mijlenver uit elkaar, zo mag daaruit geconcludeerd worden.

Intussen is het wel terecht dat dit lied dan wordt afgekeurd. In reformatorische kerken worden tenslotte ook geen liederen gezongen waarin Maria wordt vereerd als ‘moeder Gods’ of het kruis wordt aangesproken. Liederen behoren “theologisch juist” te zijn, dat wil zeggen dat ze niet in strijd mogen zijn met de leer van de kerk. Dat geldt voor gereformeerde kerken en de rooms-katholieke kerk in gelijke mate. Dat er nu pas wordt opgetreden tegen de wildgroei van ‘kerkliedjes’, zoals de kop in het ND ze noemt, is wel merkwaardig. Jarenlang heeft men deze zaak laten versloffen. Dat er protest komt wanneer dan eindelijk wordt opgetreden, is begrijpelijk. Een kerk kan niet zonder censuur. Een kerk die daarmee geen ernst maakt, moet daarvan te zijner tijd de wrange vruchten plukken.

Theologische maatstaven leveren op zichzelf geen probleem op. Moeilijker wordt het als ook de stijl ter sprake komt. De berichten over de ten aanzien daarvan aangelegde criteria zijn enigszins verwarrend. Volgens het Nederlands Dagblad zegt Mennen dat de tekst niet al te dichterlijk moet zijn – “een normaal mens moet het kunnen begrijpen”. Op de site van Katholiek Nederland klinkt het toch wat anders. “‘Ze mogen wel poëtisch zijn, liefst wel.’ De poëtische beelden moeten door de gelovigen echter wel worden begrepen, zegt Mennen.”

Laten we het er maar op houden dat de liederen wel poëtisch moeten zijn, maar niet zodanig dat een ‘normaal mens’ het niet kan begrijpen. Dat roept wel wat vragen op. Wat is een ‘normaal mens’? Natuurlijk moet een lied begrijpelijk zijn. Het is tenslotte de bedoeling dat de gemeente – of gemeenschap, zoals roomsen dat noemen – het zingt en daarmee moet het een lied van de gemeente zijn. Maar mag niet verwacht worden dat de gelovigen enige moeite doen een lied te begrijpen? Eén van de kwaliteiten van de cantates van Bach – en van veel andere religieuze muziek uit zijn tijd – is dat er meerdere lagen in zitten. Dat betekent dat je er steeds weer nieuwe dingen in ontdekt. Zo zou dat eigenlijk met een kerklied ook moeten zijn. Voor veel liederen uit het Liedboek voor de Kerken geldt dat ook.

Elders heb ik enige tijd terug geschreven over het oprukken van de evangelische liedcultuur in reformatorische kerken. Het zogenaamde ‘opwekkingsrepertoire’ bestaat voor het grootste deel ook uit ‘liedjes’. Ze zijn meestal eendimensionaal en hebben slechts één laag – na drie keer lezen ontdek je er niets meer in dan de eerste keer. Ze missen elke diepgang en gaan daardoor snel vervelen. Ze leggen ook alles uit; er blijft niets te raden over. En zowel tekstueel als muzikaal zijn die liedjes meestal onder de maat.

Wat meer kritische zin bij het toelaten van liederen die in de liturgie een plaats kunnen krijgen, zou wel gewenst zijn. Wat dat betreft kunnen de reformatorische kerken aan de censoren van de rooms-katholieke kerk een voorbeeld nemen. Een beoordeling naar theologische criteria vindt daar wel plaats. Maar naar kwaliteit wordt nauwelijks gekeken. Over smaak valt te twisten, over kwaliteit niet.

En ook een toetsing op liturgische bruikbaarheid is geen overbodige luxe. Maar dat is een lastige opgave als een duidelijke en en bijbels gefundeerde visie op liturgie ontbreekt.