Archief

Posts Tagged ‘Lukas’

De boodschap van Sandy

Noord-Amerika en een groot deel van de wereld waren de vorige week in de ban van de orkaan Sandy. Weliswaar is men in dat gebied wel iets gewend als het om stormen en orkanen gaat, maar de manier waarop Sandy huishield was zelden eerder vertoond. Het is niet meer dan logisch dat men zich bij zo’n verschijnsel achter de oren krabt en zich afvraagt of hier misschien specifieke oorzaken aan ten grondslag liggen.

Sommigen hadden hun antwoord gauw klaar. In de interneteditie van de Belgische krant Het Laatste Nieuws las ik de volgende kop: “Sandy is de schuld van Obama en de homo’s”. De krant verwees daarmee naar het commentaar van John McTernan, één van de vele Amerikanen die zichzelf opwerpen als spreekbuis van evangelicaal Amerika. Ook Trouw maakte melding van de uitlatingen van McTernan op zijn weblog. Als je zoiets leest zou je je bijna schamen christen te zijn. Je zult maar met zo iemand geassocieerd worden.

De vraag mag wel gesteld worden hoe christelijk McTernan wel is. Hij noemt president Obama een “harde linkse fascist” en beschuldigt hem ervan onder één hoedje te spelen met de Moslim Broederschap met het doel Israël te vernietigen. Ik neem aan dat McTernan de Tien Geboden kent, maar het vijfde en het negende daarvan gelden kennelijk niet voor hem.

Maar heeft hij wel ongelijk dat Sandy een straf op de zonde is? Nee, daar heeft hij helemaal gelijk in. Natuurrampen zijn een gevolg van de zondeval en elke ramp drukt ons met de neus op die werkelijkheid. Maar dat geldt niet alleen voor een ramp van uitzonderlijke omvang, zoals deze. Dat geldt voor elke natuurramp. Ook voor natuurrampen die elders plaatsvinden. Waarom zou Sandy een straf zijn op de tolerantie ten aanzien van homosexualiteit in de Verenigde Staten, zoals McTernan meent? Voordat de storm in zijn land huishield, waren er in Haïti en Cuba al slachtoffers gevallen. Wat was hùn zonde? Het Nederlands Dagblad van 1 november wist te melden dat vrijwel tegelijkertijd delen van Azië door zware stormen geteisterd werden, die ook veel mensen het leven kostte. Wat hadden zij misdaan? Tolerantie ten aanzien van homosexualiteit kan hun moeilijk worden aangewreven, want in die gebieden heeft men daarover doorgaans wat andere opvattingen dan in de westerse wereld. De term ‘westerse wereld’ gebruik ik met opzet, want de heersende opvattingen in de VS en die in West-Europa verschillen op dat vlak niet fundamenteel. Waarom bleef Europa dan gespaard?

Zou God toch niet een specifieke bedoeling met een natuurramp kunnen hebben en die zelfs kunnen gebruiken om de wereld te straffen? Natuurlijk zou dat best kunnen. Maar wij kunnen niet in zijn draaiboek kijken. Het staat niet aan ons te speculeren over zijn bedoelingen. Bovendien gaan mensen dan al gauw hun eigen stokpaardjes berijden. Dat blijkt wel uit de uitlatingen van McTernan. Waarom zouden de opvattingen over homosexualiteit bij uitstek de toorn van God opwekken? Zijn er soms ook geen andere dingen waarover Hij zich boos kan maken? Om in de Verenigde Staten te blijven: hoe staat het met de zorg voor armen en zieken? Zou God zich wellicht ook boos kunnen maken over het materialisme en de hebzucht, die onder andere in het massaal kopen op krediet tot uiting komt? Waar is de wereldwijde kredietcrisis ook al weer begonnen? En hoe staat het met de zorg voor de schepping? Dat lijkt hier bij uitstek relevant, want volgens deskundigen hebben de frequentie waarmee zware stormen zich manifesteren en de kracht ervan te maken met de opwarming van de aarde. Maar juist daarvan – en vooral van de rol van de mens daarin – willen veel christenen in Amerika niets weten. Je krijgt ook niet bepaald de indruk dat ze erg voorop lopen in de bescherming van de schepping tegen uitbuiting door de mens.

Wanneer iemand van mening is dat een natuurramp een straf op de zonde is en meent daaraan uiting te moeten geven, is daar niets op tegen. Maar dan zou hij wel een voorbeeld moeten nemen aan Oudtestamentische figuren als Daniël en Nehemia. Wanneer ze God hun nood klagen, wijzen ze niet anderen als schuldigen aan. Ze betrekken zichzelf er nadrukkelijk bij. Niet zij – “de schare die de wet niet kent” – maar wij hebben gezondigd en gedaan wat kwaad is in Gods ogen (Daniël 9; Nehemia 1). Dat is wat anders dan naar bepaalde bevolkingsgroepen of personen wijzen en zichzelf buiten schot laten. Daniël en Nehemia spreken ook andere taal dan McTernan wanneer zij hun zondigheid en die van het volk waarmee ze zich verbonden voelen niet beperken tot specifieke zonden, maar de houding ten aanzien van de geboden van God als oorzaak voor zijn toorn en straf aanwijzen. McTernan zou er goed aan doen Lukas 13 eens te lezen. Jezus herinnert zijn toehoorders aan “die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel – denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij”.

Natuurrampen zoals Sandy leren de mens ook bescheidenheid, zoals de Amerikaanse rabbijn Benjamin Blech op zijn weblog schreef (Nederlands Dagblad, 30.10.12). “Wij denken te weten waar we naartoe gaan, maar in werkelijkheid kunnen we dat nooit met zekerheid zeggen. Om de zoveel tijd moeten we daaraan herinnerd worden.” De les van Sandy is dat God de wereld regeert. Dankzij Sandy zien we de waarheid achter het gezegde dat de mens wikt en God beschikt.

Of we natuurrampen als Sandy nu interpreteren als een straf van God of als een les in bescheidenheid, de boodschap van Sandy is niet alleen maar voor anderen bestemd, maar toch in de eerste plaats voor onszelf.

Advertenties

Wij geloven met het hart

Verstand en gevoel, kennis en beleving – velen zien in die twee begrippenparen een tegenstelling. In christelijke kring worden daarover vaak de degens gekruisd, en bepaald niet pas sinds gisteren. Het speelt ook een rol in de manier waarop bijvoorbeeld gereformeerden en evangelischen naar elkaar kijken. Gereformeerden hebben de naam nogal verstandelijk te zijn en dat is in evangelische kringen bepaald geen aanbeveling. Omgekeerd zien gereformeerden – soms met afgrijzen, soms met jaloezie – hoe evangelischen onbekommerd hun gevoel laten spreken wanneer het om geloofszaken gaat. Ook kerkdiensten of gemeentelijke samenkomsten worden vaak door de bril van het gevoel of het verstand bekeken en beleefd.

Twee recente berichten in het Nederlands Dagblad laten zien hoe het kerkelijk leven hiervan de weerslag ondervindt. In de krant van 5 mei staat een artikel waarin gesignaleerd wordt dat de bijbelkennis van jongeren in christelijke kerken sterk is afgenomen. Onder de deskundigen die gevraagd wordt hoe daarmee moet worden omgegaan, heerst vooral verwarring. Niemand heeft een recept, maar er tekent zich in de reacties wel een patroon af. Wim Verboom, oud-hoogleraar namens de Gereformeerde Bond, wordt als volgt geciteerd: “In de theologische bezinning is steeds meer gezegd: het gaat niet om feitenkennis, maar om relationele en functionele kennis.” Dat idee lijkt vrij algemeen te zijn overgenomen. Hier wordt op z’n minst gesuggereerd dat er een tegenstelling bestaat tussen feitenkennis en beleving.

Van diezelfde tegenstelling lijken ook de predikanten Burger en Schaeffer uit te gaan, die op de jaarvergadering van de Bijbelstudiebond binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) spraken over de doop. De redactie van het Nederlands Dagblad zette boven het verslag op 9 mei de kop: “Sacramenten lijden onder de preek”. Volgens Schaeffer staat de preek nog teveel centraal, waar de sacramenten van doop en avondmaal onder lijden. Burger keert zich tegen de concentratie op het woord: “Het geloof wordt op die manier een zaak van het hoofd, terwijl het net zo goed een zaak van het lichaam is.” Over de wenselijkheid dat in de kerkdiensten ook iets te zien is, kan best een zinvolle discussie gevoerd worden, ook gezien de veranderingen in de cultuur. Maar de beide predikanten maken die discussie niet eenvoudiger door een tegenstelling tussen preek en sacrament te construeren.

Er is trouwens wel enige reden zich over hun uitlatingen te verbazen. Ik heb bepaald niet de indruk dat de sacramenten te weinig aandacht krijgen. De huidige dooppraktijk wijkt sterk af van wat nog zo’n twintig jaar geleden gangbaar was. Het komt vrijwel niet meer voor dat de moeder niet bij de doop van haar kind aanwezig is. In de regel wordt gewacht tot ze voldoende is hersteld om er bij te zijn. Sterker nog, vaak wordt een datum voor de doopbediening gekozen die ook familie en vrienden in staat stelt aanwezig te zijn. Het is geen uitzondering wanneer de doop pas enkele maanden na de geboorte plaatsvindt, ook wanneer daarvoor geen medische gronden aanwezig zijn.
Rond de doopbediening hebben zich allerlei rituelen ontwikkeld die wijzen op het belang dat daaraan gehecht wordt. Kinderen uit de gemeente scharen zich rond de doopvont en worden soms nog apart toegesproken, ouders krijgen soms de gelegenheid een getuigenis af te leggen, ze mogen vaak het dooplied kiezen en wanneer de keus valt op een lied dat geen enkele kerkelijke status heeft wordt daar in de regel niet moeilijk over gedaan.

Ook het avondmaal krijgt meer nadruk dan voorheen. Net als het aantal doopformulieren is ook het aantal formulieren voor de bediening van het avondmaal uitgebreid. Terwijl enkele decennia geleden in de meeste gemeenten het avondmaal eenmaal per kwartaal of per twee maanden werd gevierd, zijn er nu nogal wat gemeenten waar dit elke maand plaatsvindt. Naast de vroeger gangbare zittende viering worden nu ook andere vormen gebruikt, zoals de gaande en de staande viering. Ook de groeiende tendens de avondmaalstafel open te stellen voor leden van andere kerkgenootschappen wijst op een verandering in de manier waarop met dit sacrament wordt omgegaan.

Wat men van deze ontwikkelingen ook vindt – en bij sommige kunnen zeker wel kritische kanttekeningen worden geplaatst -, ze wijzen toch bepaald niet op een onderwaardering van de sacramenten.

De tegenstelling tussen de sacramenten en de preek is nogal discutabel. Ds. Schaeffer relativeert die trouwens, wellicht onbedoeld, wanneer hij zegt: “Ieder kind wordt gedoopt met gewoon water, maar door de woorden die God zelf aan de doop verbindt, krijgt dat vervolgens een veel diepere betekenis dan ‘gewoon een plons water’.” Daarmee geeft hij precies aan waarom preek en sacrament een eenheid zijn, die verbonden worden door het woord – of, beter gezegd, het Woord. Want de sacramenten zijn in feite plaatjes bij het verhaal dat in de prediking centraal staat. Kinderen worden niet door de doop in het verbond opgenomen: ze zijn het al. De doop stelt dat aanschouwelijk voor. De verzoening door het lijden en sterven van Christus vindt niet door brood en wijn plaats. Die zijn slechts de aanschouwelijke voorstelling van het feit van de verzoening. Preek en sacrament verkondigen dezelfde boodschap.

Bij de bediening van de sacramenten mag dan meer te beleven zijn, die beleving is wel geworteld in de feiten zoals die door de bijzondere zorg van de heilige Geest in de Schrift zijn opgetekend. Een beleving die niet op feiten is gebaseerd is als een huis dat op zand is gebouwd. Geloofsbeleving die tegen een stootje kan, moet gefundeerd zijn op de rots van in de Schrift overgeleverde feiten.

Die feiten zijn ook de basis van de preek. Het Woord van God staat daarin immers centraal. Dat impliceert dat wat de heilige Geest nodig oordeelde in de Schrift op te nemen, in de prediking een centrale plaats moet hebben. De hele Schrift moet in de volle breedte aan de orde komen, Oude èn Nieuwe Testament. De prediking wordt soms aangeduid als verkondiging of bediening van het Woord of van het evangelie. Dat suggereert al dat er meer gebeurt dan het weergeven en uitleggen van feiten. Een ouderwetse uitdrukking maakt dat nog duidelijker: ‘bediening van de verzoening’. Daaruit komt naar voren dat het maar niet gaat om een afstandelijke analyse van geopenbaarde feiten. In de Schrift openbaart God zichzelf, laat hij zichzelf kennen. Dat maakt een afstandelijke omgang met het Woord onmogelijk.

‘Naam en feit’ staan niet in tegenstelling tot ‘relationele’ of ‘functionele’ kennis. In de omgang met de Schrift is alle kennis per definitie relationeel. Maar wanneer in de Schrift God zichzelf laat kennen – in zijn zoon, maar ook in de geschiedenis – is onderzoek en kennis van de feiten essentieel. De prediking van apostelen en profeten is niet gebaseerd op ‘vernuftige verzinsels’ (2 Petr 1,16), maar op de verslagen van oor- en ooggetuigen. Lukas schreef zijn evangelie op basis van een grondig onderzoek van de feiten. Kennis van de feiten verhindert de constructie van een op maat gesneden beeld van God en van zijn wil.

De tegenstelling tussen ‘hoofd’ en ‘lichaam’ is een valse. Of het Woord nu klinkt in de preek of in het sacrament – of ook in de bijbelstudie of het godsdienst- of catechetisch onderwijs -, nooit gaat het om het hoofd of het lichaam. Het gaat uiteindelijk altijd om het hart. Dat is de mens zelf, de hele mens, met zijn hoofd en zijn lichaam. Preek en sacrament zijn niet hetzelfde. Maar beide doen een beroep op de hele mens. Ze verkondigen het Woord en vragen om een antwoord.