Archief

Posts Tagged ‘Malieveld’

Kerkelijk polderen

Nederland stond ooit bekend als een land van consensus. Partijen of maatschappelijke organisaties met tegengestelde opvattingen of belangen probeerden elkaar te vinden en een zodanige overeenstemming te bereiken dat ieder er in elk geval op één of meerdere punten beter van werd. Het is niet zo vreemd dat uitgerekend in Nederland het streven naar consensus kernmerkend werd voor de politiek en de samenleving. Het was altijd een land van minderheden, waarin geen enkele partij kon domineren. In de jaren ’80 kwam de term poldermodel in zwang, toen werkgevers, vakbonden en overheid met elkaar overlegden over lonen en arbeidsvoorwaarden. Zelfs in het buitenland werd dit model als voorbeeldig beschouwd.

In latere jaren werd van die term het werkwoord polderen afgeleid. Dat werd vaak in kritische of zelfs afkeurende zin gebruikt. Vooral in de maatschappelijke beweging die aan het begin van deze eeuw ontstond – waarvoor vaak de zogenaamde ‘Fortuyn-revolte’ als oorzaak wordt aangewezen – werd polderen een synoniem voor pappen en nathouden, het onder het kleed vegen van problemen en het bagatelliseren van maatschappelijke tegenstellingen. Het verzet daartegen leidde tot een verscherping van de maatschappelijke en politieke meningsverschillen. De polarisatie uit de jaren ’70 van de vorige eeuw leek helemaal terug van weggeweest, ook al liepen de scheidslijnen anders dan toen en had de polarisatie een minder uitgesproken ideologisch karakter. Teugkijkend op de geschiedenis van het laatste decennium kan moeilijk worden beweerd dat de samenleving van de toenemende polarisatie beter is geworden.

Men zegt wel eens dat de kerk achterloopt op maatschappelijke ontwikkelingen. Die bereiken haar uiteindelijk wel, maar het duurt even. Daar zit wat in. Verschijnselen die in de samenleving al decennia als heel gewoon worden beschouwd – vooral op het vlak van de persoonlijke ethiek – doen zich inmiddels ook in kerkelijke kring voor, en niet alleen onder vrijzinnigen. Hetzelfde kan gezegd worden van de manier waarop met verschillen van mening wordt omgegaan. Je zou kunnen zeggen dat, waar de samenleving afscheid heeft genomen van het poldermodel, de kerk de ‘voordelen’ van het polderen heeft ontdekt.

Niet dat het poldermodel nu pas wordt toegepast. De aloude Nederlands Hervormde Kerk en ook de PKN, waarin ze is opgegaan, zijn voorbeelden bij uitstek van een kerkelijk poldermodel. Verschillende stromingen bestaan naast elkaar en hebben een soort van ‘modus vivendi’ gevonden, waarbij ze elkaar wat gunnen en tegelijk elkaar zo min mogelijk lastig vallen. Kleinere reformatorische kerken hebben de Hervormde Kerk altijd als een afschrikwekkend voorbeeld beschouwd en hun oordeel over de PKN was in de eerste jaren na haar ontstaan niet veel anders. Maar inmiddels zijn ook die kerken aan het polderen geslagen. De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben verschillende stromingen. Eenheid met andere kerken staat weliswaar op de agenda van synoden van de CGK, maar veel vooruitgang zit er niet in, aangezien enkele stromingen binnen de kerk dat eenheidsstreven, vooral met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), niet zien zitten.

Ook binnen de laatstgenoemde kerken wordt druk gepolderd. Daar zijn veel voorbeelden van te geven. Ik denk dat elke lezer er wel een paar kan verzinnen. Ik heb in mijn weblog herhaaldelijk op zulke verschijnselen gewezen. Het lijkt erop dat kerkenraden koste wat kost iedereen binnen boord willen houden.
De norm is nog steeds dat de kinderen van de gelovigen gedoopt behoren te zijn. Wanneer een toenemend aantal kerkleden daarmee problemen heeft, wordt dat wel betreurd, maar consequenties blijven uit. Wanneer ouders dan hun kind niet willen laten dopen, moet daar maar iets op gevonden worden.
Kerkelijke afspraken worden geschonden, omdat kerkenraden niet de moed hebben gewoon eens “nee” te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een ‘kerkelijk gemengd’ bruidspaar zijn huwelijk kerkelijk wil laten bevestigen.
Ook de ‘Werkorde’ die aan de Generale Synode wordt voorgelegd, draagt de sporen van ‘kerkelijk polderen’. De kerkenraad roept de gemeente in openbare kerkdiensten samen, “als regel twee maal per zondag”. Daarmee wordt bij voorbaat een verklaring van ‘geen bezwaar’ uitgereikt aan kerkenraden die het nodig vinden de tweede dienst af te schaffen. Ook de catechismusprediking wordt in feite facultatief gesteld door een vergelijkbare formulering. De argumentatie is een klassiek voorbeeld van ‘poldermentaliteit’. “In een toelichting schrijven de deputaten dat bij de invulling van de kerkdiensten een ‘veel grotere verscheidenheid is gegroeid dan er in de jaren 1970 bij de opstelling van de huidige kerkorde was’. De reacties van 115 kerken en 13 deputaatschappen op het vorige concept maken duidelijk dat verschillend wordt gedacht over het vastleggen van de tweede kerkdienst en de catechismusprediking in de kerkorde. Daarop hebben deputaten besloten dit opener te formuleren.” (Nederlands Dagblad, 5.7.12). Het is de mentaliteit van “u vraagt en wij draaien”.
Het kan nauwelijks verwondering wekken dat de liturgische vrijheden die voorgaande synoden aan gemeenten hebben toegestaan, hebben geleid tot een lappendeken waarin geen duidelijk gereformeerd patroon meer te ontwaren valt.
Tenslotte wijs ik nog maar eens – bijna ten overvloede – op de ontwikkelingen rond de kerkplantingsgemeente Stroom in Amsterdam, waar kerkelijke vergaderingen zich in alle mogelijke bochten wringen om het zo mogelijk iedereen naar de zin te maken.

Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat in enkele decennia een kerk zo van karakter verandert. Het heeft ongetwijfeld met de toenemende kerkverlating te maken, waardoor men alles doet om te voorkomen dat nog meer mensen – en vooral jongeren – zich onttrekken. De drempel naar andere kerken is immers veel lager dan vroeger, en sociaal heeft het vrijwel geen gevolgen wanneer iemand van kerk verandert, zoals dat vroeger wel vaak het geval was.
Maar er lijkt toch meer aan de hand. De manier waarop enkele theologen meenden te moeten bezweren dat enkele kerkplantingsgemeenten, zoals Stroom, zonder meer als gereformeerd kunnen worden beschouwd, wijst al in een bepaalde richting. Er spreekt grote onzekerheid uit over wat nu eigenlijk gereformeerd mag heten. Dat lijkt me de kwaal waaraan de Gereformeerde Kerken lijden. Er zal niet zo gauw iemand te vinden zijn die met Pilatus vraagt: “Wat is waarheid?” Wie zal ontkennen dat de waarheid bestaat? Wanneer de vraag gesteld wordt of die waarheid ook te kennen en te formuleren is, wordt het een ander verhaal. Natuurlijk, over fundamentele zaken, zoals de verzoening door Christus, bestaat geen verschil van mening. Wanneer de kerk daarover ferme uitspraken doet in haar belijdenis, kan ze op instemming rekenen. Maar wanneer die belijdenis andere zaken aan de orde stelt blijft algemene instemming uit. En wanneer ze dan ook nog pretendeert de Schrift na te spreken en daarmee impliciet (of expliciet) daarvan afwijkende opvattingen als onschriftuurlijk verwerpt, wordt de weerstand nog groter. Sommige reacties op de vraag van het Nederlands Dagblad (20.10.12) of 450 jaar Heidelbergse Catechismus iets is om te vieren leggen daar getuigenis van af.

Enkele weken geleden vond op het Malieveld in Den Haag een manifestatie plaats, waar allerlei ‘kerkelijke leiders’ schuld beleden over de kerkelijke verdeeldheid. Het is veelzeggend dat vertegenwoordigers van protestantse kerken en stromingen ‘broederlijk’ naast een rooms-katholieke bisschop stonden. Weliswaar werden de verschillen niet ontkend, maar van veel gewicht leken die uiteindelijk toch niet te zijn – in elk geval niet voldoende om kerkelijke gescheidenheid te rechtvaardigen. Enkele jaren geleden zagen we een vergelijkbaar verschijnsel, toen in Dordrecht de Nationale Synode bijeenkwam. Vertegenwoordigers van kerken, die qua geloofsleer sterk van elkaar verschilden, stelden een document op waaraan niemand zich een buil kon vallen. Dat de deelnemers aan de gebruikte formuleringen soms heel verschillende interpretaties gaven mocht de pret van de eenheid niet drukken.
Hieruit komt het beeld naar voren van een christelijke wereld waar verschillen in geloofsleer niet meer als fundamenteel en kerkscheidend worden beschouwd. Er lijkt een opvatting gegroeid dat iedereen een stukje van de waarheid heeft. De christelijke wereld, met al haar kerken en groepen, wordt dan een soort legpuzzel, die pas af is wanneer iedereen zijn eigen stukje van de waarheid bijpast.
Wie zal zich dan nog verwonderen over het kerkelijk indifferentisme, volgens welke het niet uitmaakt van welke kerk je lid bent?

En zo leidt het kerkelijk polderen tot kerkverlating – precies datgene wat het moest voorkómen.

Advertenties