Archief

Posts Tagged ‘Mariska Orbán’

Wegen naar Rome

30 oktober 2011 1 reactie

Alle wegen leiden naar Rome, zegt het spreekwoord. Dat betekent dat er verschillende methoden zijn om een bepaald doel te bereiken. Het lijkt erop dat we in de christelijke wereld dat spreekwoord letterlijk moeten nemen. De laatste decennia zijn nogal wat protestanten naar de Rooms-Katholieke Kerk overgestapt. In Nederland is het aantal overgangen nog beperkt, maar vooral in de Angelsaksische wereld komt het herhaaldelijk voor. Zelfs mensen die een leidende positie in hun kerken of gemeenschappen innamen, hebben de overstap gemaakt. Waarom deden ze dat?

Voor een belangrijk deel lijkt de overgang naar de Rooms-Katholieke Kerk gemotiveerd te worden door onvrede. Er zijn er die grote moeite hebben met de ontwikkelingen in hun eigen kerkelijke gemeenschap. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan leden van de Anglicaanse Kerk waarbij de bezwaarden vooral verwijzen naar de toelating van de vrouw in het ambt en de visie op homosexuele relaties. Er zijn er ook die in de Rooms-Katholieke Kerk vinden wat ze in hun eigen gemeenschap missen. Ze noemen dan zaken als de liturgie, de plaats van de sacramenten en de mystiek. Het zijn vooral evangelicalen die zich daartoe aangetrokken voelen. Dat is niet zo verwonderlijk, want als ergens de liturgie down to earth is, soms op het banale af, en gevoel voor stijl ontbreekt, is het daar.

Het is niet moeilijk hier een patroon te ontwaren dat de sporen van onze tijd vertoont. Stijl, mystiek, sacrament – het zijn allemaal zaken die de menselijke zintuigen aanspreken. De moderne mens wil zien en ervaren. Daaraan komt de roomse kerkelijke praktijk tegemoet. Het sacrament – dat gezien en ervaren wordt – speelt de centrale rol in de rooms-katholieke eredienst. Vanuit dit gezichtspunt is het wellicht niet eens zo vreemd dat nogal wat evangelicalen zich tot het rooms-katholicisme voelen aangetrokken. Juist in die kringen staat het gevoel hoog aangeschreven. Velen zijn voortdurend op zoek naar ervaring en willen de aanwezigheid van God en de realiteit van zijn almacht merken. Dat laatste eventueel aan den lijve, doordat ze op het gebed genezen worden van hun kwalen. Ook de recente commotie rond al dan niet werkelijke genezingen wijst op het voortdurend zoeken naar ervaring. En is het verschil tussen zaken als ‘stille tijd’ en kringgebed, die vooral in evangelicale kring worden gepropageerd, en de rooms-katholieke mystiek wel zo groot?

Maar er is meer. Ik heb in mijn tweede artikel over Kerk en politieke partij al gewezen op de overeenkomsten tussen rooms-katholieken en evangelischen ten aanzien van de omgang met de Schrift. Beide hebben de neiging het Oude Testament tegen het Nieuwe uit te spelen. Ik herinner me nog goed de uitspraken van kardinaal Simonis bij Pauw & Witteman, dat de mozaïsche wetgeving een ‘primitief godsbeeld’ weerspiegelt, waarmee impliciet werd ontkend dat die wetgeving van God zelf afkomstig was. Bij rooms-katholieken en evangelicalen is de Schrift niet de enige bron van kennis over God en zijn wil. Op z’n minst in sommige evangelische kringen wordt aan persoonlijke ingevingen en openbaringen – naast en als aanvulling op de Schrift – een legitieme plaats toegekend, terwijl in de Rooms-Katholieke Kerk de leeruitspraken van de paus en van concilies niet toetsbaar zijn aan de Schrift.

Ik heb in het bovenstaande vooral de blik gericht op de aantrekkingskracht van de Rooms-Katholieke Kerk voor evangelicalen. Maar ook in reformatorische kring zijn er die de overstap gemaakt hebben, terwijl anderen die dat nog niet hebben gedaan, zich zouden kunnen voorstellen dat ooit wel te doen. Ook hier speelt het verlangen naar ervaring een rol. Maar daar komt nog een ander motief bij. In reformatorische kring wordt grote waarde gehecht aan de eenheid van de gelovigen, ook al wordt daar in de praktijk vaak weinig mee gedaan. Maar het is wel een motief dat sommigen ertoe brengt op z’n minst te filosoferen over een ‘terugkeer naar Rome’. De Rooms-Katholieke Kerk lijkt de eenheid te demonstreren die in de protestantse wereld ontbreekt.

De grote vraag is dan welke rol de leer eigenlijk nog speelt. Bij iemand als prof. Bram van de Beek, die in het Nederlands Dagblad van 29 oktober j.l. aan het woord komt, is dat wel degelijk een kwestie die ertoe doet. Maar hij relativeert de verschillen. “Er zijn veel gebreken aan de Rooms-Katholieke Kerk, in leer en leven. Protestanten kunnen ze makkelijk aanwijzen. Maar als de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw zo geweest zou zijn als nu, zou de Reformatie er nooit zijn gekomen.” Hij noemt met name de positie van de paus als een punt van discussie. Maar ook dat is overkomelijk. “Laat de bijzondere positie die de bisschop van Rome vanaf het eind van de eerste eeuw gehad heeft, rustig blijven en laten alle christenen hem steunen om herder van het kerkvolk te zijn. Protestanten hebben ook hun feilen en naar mijn oordeel groter dan Rome. Als ik moet kiezen waar de trouw aan het christelijk erfgoed het meest is bewaard, dan komt Rome er beter af dan de protestantse kerken.”

Het zijn merkwaardige en discutabele uitspraken. Wat is de Rooms-Katholieke Kerk van nu precies? Verschilt die fundamenteel van die van de 16e eeuw? Wellicht zijn een aantal van de meest opvallende misstanden verdwenen. Maar zijn de verschillen op dogmatisch vlak uit de weg geruimd?
Het is wel ironisch dat in hetzelfde nummer van het Nederlands Dagblad twee andere artikelen staan die een bepaald licht op de relatie tussen Rome en Reformatie werpen.
In een interview komt Mariska Orbán aan het woord. Ze is hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad. Onbekommerd spreekt ze over de ‘vrije wil’ van de mens. Enkele pagina’s verder laten enkele vertegenwoordigers van de Reformatie weten dat zij met de Nederlandse Geloofsbelijdenis nog prima uit te voeten kunnen. En laat nu uitgerekend daar in artikel 14 de opvatting dat de mens een vrije wil heeft, expliciet worden verworpen. Dat heeft alles te maken met de unieke plaats en rol van Christus. Dat behoort dus bepaald niet tot de marginalia. Tussen haken: hier ligt ook een duidelijke verwantschap tussen roomsen en evangelicalen. De verwerping van de kinderdoop heeft alles te maken met de waardering van de mens en de taxatie van zijn zondige natuur.

De uniciteit van Christus wordt niet alleen ondermijnd door de ontkenning van de volledige verdorvenheid van de menselijke natuur. Dat gebeurt ook door de status die aan heiligen wordt toegekend. Rooms-katholieken ontkennen dat ze heiligen vereren. Afgezien van de vraag of ze daarin gelijk hebben, ze richten zich wel in hun gebeden tot de heiligen. Van hen verwachten ze hulp of in ieder geval dat ze voor hen bemiddelen bij God. Nergens in de bijbel lezen we dat aan mensen zo’n rol wordt toebedeeld. Alleen Christus heeft de bevoegdheid als advocaat voor mensen op te treden. Hij heeft sterke papieren, in tegenstelling tot heiligen. Volgens de Heidelbergse Catechismus hebben zelfs de allerheiligsten nog maar een begin van de gehoorzaamheid die van mensen verwacht mag worden.

Dan is er nog de kwestie van de sacramenten. Deze hebben in de Rooms-Katholieke Kerk nog altijd prioriteit over de verkondiging van het Evangelie. In Het kerklied en de kerkliedjes heb ik er al op gewezen dat een bekend lied in protestantse kring voor echte rooms-katholieken niet aanvaardbaar is vanwege deze regel: “Here Jezus, om uw woord / zijn wij hier bijeengekomen”. Eén van de kernpunten van de Reformatie was nu juist dat het Woord de status terugkreeg die het volgens de Schrift zelf heeft. Ik ben daarop enige tijd geleden ingegaan toen ik schreef over avondmaal resp. doop en kerklidmaatschap. In de rooms-katholieke eredienst speelt de Schrift nog steeds een ondergeschikte rol. Ik wees er al op dat de paus en concilies uitspraken kunnen doen die hetzelfde gezag hebben als de Schrift.

Er zouden nog meer dingen te noemen zijn, zoals het denken over de positie van overledenen en de leer van het vagevuur, de magische kracht die aan allerlei zaken wordt toegekend, zoals wijwater, en het denken en spreken over de ‘geestelijkheid’ en haar positie in de kerk. En natuurlijk ook de positie van de paus, die zich het hoofd van de kerk noemt en zelfs meent zich als ‘heilige Vader’ te mogen laten aanspreken. Prof. Van de Beek schuift dat ten onrechte onder het tapijt.

Protestanten die naar de Rooms-Katholieke Kerk overstappen doen dat vaak uit ontevredenheid met hun eigen kerk. Maar komen ze dan niet van de regen in de drup? De kerkelijke verdeeldheid in protestantse kring mag frustrerend zijn, maar hoe eensgezind is de Rooms-Katholieke Kerk eigenlijk? Er is leergezag, maar op plaatselijk niveau is de invloed daarvan beperkt. In de praktijk doen pastores nogal eens wat goed is in hun eigen ogen. En dat strookt niet altijd met de officiële leer van de kerk. En is de Rooms-Katholieke Kerk een gemeenschap van de heiligen? Formeel wellicht wel, maar op parochiaal niveau kennen de gemeenteleden elkaar soms helemaal niet. De eenheid loopt kennelijk vooral via Rome.

In het Nederlands Dagblad wordt prof. Van de Beek geciteerd met de woorden: “Als ik moet kiezen waar de trouw aan het christelijk erfgoed het meest is bewaard, dan komt Rome er beter af dan de protestantse kerken.” In het licht van wat hiervoor is gereleveerd betreffende de leer en de kerkelijke praktijk van de Rooms-Katholieke Kerk lijkt me deze uitspraak volstrekt onhoudbaar. Het zijn eerder de drie Formulieren van Eenheid als vruchten van de Reformatie die de trouw aan het christelijk erfgoed belichamen.

Ieder die dat erfgoed ter harte gaat, doet er goed aan die belijdenissen in ere te houden. En de Reformatie mag op Hervormingsdag nog altijd met dankbaarheid herdacht worden.

Advertenties