Archief

Posts Tagged ‘Matthäus-Passion’

Parels voor de zwijnen

Het is weer Pasen geweest. Dat gaat in de regel niet ongemerkt voorbij. Dat was dit jaar zeker het geval. Op eerste Paasdag werd de wereld opgeschrikt door een terroristische aanslag op Sri Lanka, waarvan vooral christenen, die in kerken bijeen waren om de opstanding van Christus te herdenken en te vieren, het slachtoffer werden. Die datum was door de (waarschijnlijk) extremistische islamitische zelfmoordterroristen niet toevallig gekozen. Terwijl Jezus in de islam met egards wordt tegemoet getreden en de herdenking van zijn geboorte weinig weerstand ontmoet, is zijn opstanding een splijtzwam. Daarin komt immers naar voren dat hij echt God is, en dat wil er bij moslims – en niet alleen bij hen – niet in. Pasen is het feest waardoor bij uitstek het christendom zich van andere religies onderscheidt.

Maar ook andere jaren krijgt Pasen en wellicht nog meer de daaraan voorafgaande passietijd (voor seculieren is dat één pot nat) veel aandacht. In Nederland bezoeken vele duizenden één of meerdere uitvoeringen van de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach. Daarin heeft ons land een traditie opgebouwd, die uniek is in de wereld en door buitenlandse muziekliefhebbers met verbazing wordt geregistreerd. Sinds 2011 is daar dan nog een ‘populaire’ versie van het lijdensverhaal bijgekomen: The Passion, georganiseerd door KRO-NCRV en EO. Die trekt elk jaar veel aandacht en ook de directe uitzendingen via de televisie worden door heel wat mensen bekeken. Zo gezien staat het er in Nederland met de aandacht voor het evangelie van het lijden en sterven van Christus en van zijn opstanding, in weerwil van de secularisatie, niet slecht voor.

Dat weerhoudt sommigen er niet van de alarmbel te luiden. Uit rechts-nationalistische hoek, en vooral door degenen die zich als ‘cultuurchristenen’ beschouwen, worden elk jaar alarmistische betogen afgestoken dat Nederland bezig is zijn christelijke feestdagen in de uitverkoop te doen, in een kennelijke poging de moslims onder ons niet voor het hoofd te stoten. Dit jaar was het de beurt aan Syp Wynia, voormalig redacteur van Elseviers Weekblad, om op Twitter te waarschuwen voor het verval van de christelijke feesten, en dan vooral Pasen. Daarbij verwees hij niet zozeer naar wensen van moslims, want dat zij bezwaar zouden maken tegen de viering van Pasen kunnen inmiddels zelfs de meest radicale islamofoben niet meer volhouden. Hij verweet vooral ‘autochtone’ Nederlanders, en dan met name christenen en hun organisaties, daaronder ook kerken, niet meer op te komen voor het behoud van hun feestdagen. Gevraagd naar bewijzen, bleef het stil. Het zal best waar zijn dat hier en daar in ‘autochtone’ kringen, en misschien zelfs in christelijke kring, suggesties gedaan worden om bijvoorbeeld een christelijke feestdag in te leveren in ruil voor een algemene vrije dag op een islamitisch feest. Maar dat is niet de algemene trend.

De alarmbellen van cultuurchristenen klinken ook nogal vals. Zij zien de christelijke feestdagen in de eerste plaats als piketpaaltjes van de Nederlandse Leitkultur. Ze brengen die feesten in stelling tegen bedreigingen van ‘vreemdelingen’. Het is een instrument in handen van een nationalistische ideologie. Cultuurchristenen maken zich in het geheel geen zorgen over de vraag of de boodschap van de evangeliën nog wel gehoord wordt. In de kerk zul je ze op eerste Paasdag niet aantreffen. Een zichzelf ‘cultuurchristen’ noemend politicus als Thierry Baudet liet er niet lang geleden in een discussie met SGP-leider Kees van der Staaij geen twijfel over bestaan dat hij geen boodschap heeft aan het christelijk geloof volgens de bijbel en dat hij zelfs een uitgesproken afkeer van christelijke kerken en organisaties heeft.

Het is overigens nog maar de vraag of het zo betreurenswaardig zou zijn, wanneer de aandacht voor de christelijke feesten zou verminderen. Want de aandacht die ze nu krijgen, of dat nu commercieel of muzikaal is, heeft meestal weinig te maken met waar die feesten echt over gaan. Natuurlijk, in Bachs Matthäus-Passion komt het evangelie onversneden naar voren. Maar hoeveel luisteraars begrijpen de boodschap? Het zal in Nederland niet zo zijn als in Frankrijk, waar het overgrote deel van de toehoorders geen flauw idee heeft waar dat werk eigenlijk over gaat, althans wanneer we Philippe Herreweghe, één van de grote Bachspecialisten van onze tijd, mogen geloven. Maar ook hier wordt de kern van de boodschap vaak gemist. Daaraan dragen ook uitvoerende musici en dirigenten bij, door aan Bachs werk, dat voor de Lutherse liturgie is bedoeld, een humanistische draai te geven, die onrecht doet aan de boodschap van het werk. Wie meent dat het alleen maar gaat over “verraad, om zwakte en om de dood waarvan we hopen dat hij niet het laatste woord heeft”, mist de essentie.

Dat laatste citaat slaat trouwens niet op de Matthäus-Passion, maar zijn woorden van Leo Fijen, hoofdredacteur levensbeschouwing van KRO-NCRV en één van de geestelijke vaders van The Passion. Het is zijn antwoord op de vraag of “The Passion door al die mensen zo gewaardeerd [wordt] vanwege het spektakel en de stoet van zingende BN’ers die langstrekt, of (…) de mooie kijkcijfers – vorig jaar keken 3,2 miljoen mensen – wel degelijk uitdrukking [geven] aan een brede ontvankelijkheid voor de Paasgedachte” (De Volkskrant, 17.4.19). Niet dat hij de geestelijke dimensie onder het kleed schuift. Hij voegt eraan toe: “En het gaat om de paradox van de Stille Week voor Pasen: dat Christus ons het meest geeft als hij kansloos aan het kruis hangt.” Maar is dat echt alles?

The Passion vindt op diverse plaatsen in het land navolging, in de vorm van ‘mini-Passions’, Passiespelen of een uitbeelding van de kruisweg. “De kruisweg [in Sneek] is nota bene geopend door een burgemeester die zegt niet te geloven, maar die zo’n initiatief ziet als een welkome bijdrage aan de gemeenschapszin.” En daarmee wordt de herdenking van Christus’ lijden dienstbaar gemaakt aan een maatschappelijk ideaal van verbinding over grenzen heen. Met dat ideaal is niets mis, maar het lijden en sterven van Christus brengt nu juist geen verbinding, maar eerder verdeeldheid. Want iedereen die het verhaal hoort, wordt voor de keuze gesteld of hij de boodschap van persoonlijke schuld en de noodzaak van verzoening door een Ander aanvaardt of verwerpt. Van het antwoord hangt zijn of haar toekomst af. Het lijden en sterven van Christus is een tweesnijdend zwaard, om een bijbelse term te gebruiken.

Het is een oude vraag: mag wat kan? Moeten we blij zijn met een project als The Passion of het op z’n minst het voordeel van de twijfel geven? Een predikant schreef op Twitter dat hij een echtpaar kende dat door het kijken naar The Passion tot nadenken was gebracht en uiteindelijk tot geloof was gekomen. Dat is goed om te horen, maar kan niet dienen als argument ten faveure van dit project.

De verdeeldheid op dit punt is deels een kwestie van smaak, maar wellicht ook van cultuur. Ik zie hier – generaliserend gesproken – een verschil tussen de evangelische en de reformatorische wereld. De eerste – die voor een niet gering deel in de Amerikaanse cultuur wortelt – is over het algemeen wat minder huiverig om elementen van de hedendaagse, seculiere cultuur over te nemen en die voor eigen doeleinden te gebruiken. Of de vorm wel bij de inhoud past, is naar mijn waarneming nauwelijks een onderwerp van discussie. Vorm en inhoud lijken twee geheel gescheiden compartimenten te zijn. Het gaat toch in de eerste plaats om de goede bedoelingen; de vorm is van relatief ondergeschikt belang. Dat komt ook tot uiting in de evangelische liedcultuur. Als men al erkent dat aan de kwaliteit van teksten en muziek het één en ander ontbreekt, wordt dat niet echt als een probleem ervaren.

In de reformatorische wereld staat men traditioneel wat gereserveerder tegenover moderne cultuuruitingen. In bevindelijke kring uit zich dat in een meer of minder sterke vorm van wereldmijding. In kringen die door het denken van Abraham Kuyper zijn beïnvloed, staat men positiever tegenover de samenleving en uitingsvormen van de moderne cultuur als zodanig, maar die liggen altijd onder het beslag van de antithese. Dat laatste begrip wordt zelden meer in discussies gebruikt, maar de achterliggende gedachten – waartoe ook de overtuiging gerekend kan worden dat niet alles wat in onze tijd opgeld doet, zonder meer omarmd kan worden en bruikbaar gemaakt kan worden voor het eigen ideaal – zijn nog wel degelijk levend.

Ik denk echter dat er een diepere laag aangeboord moet worden. De hier aangesneden kwestie heeft mijns inziens een principiële kant. Evangelischen hebben van oudsher een sterke drive om zoveel mogelijk mensen met het evangelie in aanraking te brengen, rechtsom of linksom. Daarbij hebben ze ongetwijfeld de Schrift aan hun zijde. Voor zijn hemelvaart geeft Jezus zijn discipelen de opdracht alle volken tot zijn leerlingen te maken. Die lieten, zoals het boek Handelingen laat zien, weinig middelen onbeproefd om hun boodschap te slijten. Of we dat als maatstaf moeten nemen voor vandaag, is de vraag. Uiteindelijk weten we niet of ze bepaalde middelen bewust hebben laten liggen omdat die niet bij de aard van hun boodschap pasten. Bovendien zijn er dusdanige verschillen tussen de culturen van toen en die van nu dat het optreden van de apostelen toen niet zonder meer overgebracht kan worden naar onze tijd.

De sterke motivatie tot evangelisatie van de evangelische beweging is bewonderenswaardig, maar er zit wel een schaduwkant aan. Het leidt vaak tot een manier van optreden die onnodig weerstand opwekt en vaak getuigt van een gebrek aan sensitiviteit. Dat is niet maar een kwestie van cultuur, dat heeft een diepere reden. Ik heb er al eerder, naar aanleiding van de dood van de Amerikaanse evangelist John Chau, op gewezen dat in de evangelische beweging het arminianisme een niet te onderschatten rol speelt. Op het vlak van zending en evangelisatie leidt dat ertoe dat men geneigd is aan de mens een te grote rol toe te kennen. Uiteindelijk hangt het van de gelovigen af of ‘de wereld’ met het christelijk geloof in aanraking komt. Dan is eigenlijk geen middel te gek. Het verklaart ook waarom het nogal eens voorkomt dat evangelische gelovigen hun ‘gewone’ beroep opgeven om zich een ‘bediening’ toe te eigenen. Werk is tenslotte maar werk en je specifiek inzetten voor de verbreiding van het evangelie is van veel groter gewicht.

In de gereformeerde traditie wordt meer ruimte gelaten aan de heilige Geest. In de gereformeerde belijdenissen en vooral in de Dordtse Leerregels wordt beklemtoond dat de mens wel een rol speelt – en moet spelen – in de verkondiging van het evangelie, maar dat het uiteindelijk de heilige Geest is die het geloof geeft. Hij kan dat doen – en doet dat soms ook – zonder menselijke tussenkomst. Dat geeft rust: wanneer mensen geen mogelijkheden zien of van mening zijn dat bepaalde middelen niet bij de aard van de boodschap passen, weet de Geest wel raad. Hij kan langs andere wegen mensen toch bereiken. Maar hij kan ze ook het geloof onthouden.

Evangelischen en gereformeerden erkennen beide dat de heilige Geest met een kromme stok een rechte slag kan slaan. Daarmee is nog niet gezegd dat we hem kromme stokken moeten aanbieden, in de verwachting dat hij er een rechte slag mee slaat. Sterker nog: ook van het laten liggen van een kromme stok kan een boodschap uitgaan. Passie en Pasen zijn parels van grote waarde. Ze zijn te kostbaar om ze voor de zwijnen te gooien.

Advertenties

Feestdagen onder vuur?

De christelijke feestdagen liggen onder vuur. Tenminste, als je kranten als De Telegraaf en het AD moet geloven, die graag de spreekbuis willen zijn van iedereen die zich zorgen maakt over de Nederlandse identiteit. In de aanloop naar Kerst was het eerstgenoemde, die suggereerde dat op allerlei niveaus verwijzingen naar Kerst moesten plaatsmaken voor algemene aanduidingen voor de tijd van het jaar, zoals feestmaand (en, naar analogie daarvan, feeststol). In de week voor Pasen kwam het AD met een artikel waarin beweerd werd dat op christelijke scholen het Paasverhaal werd aangepast of zelfs verzwegen om islamitische leerlingen en hun ouders niet te mishagen. In beide gevallen waren het vooral VVD en PVV die daaruit politieke munt probeerden te slaan.

Zowel ten aanzien van Kerst als van Pasen werd al snel duidelijk dat de alarmistische verhalen grotelijks overdreven waren of ten dele uit de duim gezogen. Zelfs hoofdredacteur Nijenhuis van het AD leek zich van de berichtgeving in zijn eigen krant te distantiëren door in een commentaar de onrust “geroeptoeter over een vermeende aanval op Pasen” te noemen. Het is ook eigenaardig dat seculiere media zich zo druk maken om de vraag of en zo ja, op welke manier scholen aandacht besteden aan Pasen. Let wel, het gaat hier om christelijke scholen, dus om bijzonder onderwijs, waarvoor media als De Telegraaf en AD zich nooit bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat Tweede-Kamerleden van de VVD over het Paasverhaal van het AD schriftelijke vragen meenden te moeten stellen, geeft ook te denken. Zij zouden toch moeten weten dat de overheid en de politiek in het algemeen geen zeggenschap hebben over het al dan niet vieren van religieuze feesten op bijzondere scholen. Het gaat hier om intern beleid; alleen ouders van leerlingen hebben het recht te klagen.

Merkwaardig is ook dat mensen zich sterk lijken te maken voor een feest waarvan ze zelf meestal afstand nemen. Dat blijkt al daaruit dat ze als symbolen van de christelijke feesten uitgerekend die dingen noemen, die met de betekenis van die feesten niets van doen hebben, zoals in het geval van Pasen de paashaas en paaseieren. Terecht reageerde iemand op Twitter: “Bij secularisatie gaat in NL de vlag uit. Behalve als je er de mohammedaan mee om z’n kop kan slaan. Hypocriet.” Ook Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, reageerde to the point in zijn column in het Nederlands Dagblad van 15 april j.l.: “[De] verwatering van het paasfeest is al decennia gaande. Enthousiast aangemoedigd door het bedrijfsleven dat zulke tierelantijnen beter vermarkten kon dan een kruis en een leeg graf, en de ontkerkelijkte goegemeente die stellig meende dat het maar eens gedaan moest zijn met die verderfelijke christelijke invloed op onze samenleving. Maar nu hijst diezelfde goegemeente zich collectief in het driedelige maatkostuum van de heilige verontwaardiging, en gaat parmantig rondrijden op een fiets die ouder is dan zij zelf zijn, kort door alle bochten, op de racefiets van de christelijke waarden. (…) Als christenen hun geloofstaal afzwakken om autochtone seculieren te behagen, kraait er geen haan naar. Als ze hetzelfde doen om allochtone moslims te behagen, is het land (en vooral ook Twitter) te klein.”

Ook door christelijke politici werd kritisch gereageerd op de bezorgdheid van hun seculiere collega’s. Kees van der Staaij, fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, twitterde: “Uit betrouwbare bron vernomen dat maar weinig PVV- en VVD-kamerleden van plan zijn met Pasen naar de kerk te gaan. Ik overweeg kamervragen..” De ironie van deze tweet ontging de meesten die hierop reageerden. Kennelijk associeert men zoveel frivoliteit niet met een SGP-politicus. Zijn ChristenUnie-collega Gert Jan Segers reageerde iets serieuzer: “Als iedereen die dit erg vindt voortaan wekelijks naar de kerk gaat, dan zal Pasen echt gewoon Pasen blijven. It’s up to us, mensen..” Hieraan kan nog worden toegevoegd dat al gauw bleek dat nogal wat lieden die zich zo boos maken over de teloorgang van de christelijke feesten, zelf nauwelijks weten waarover die precies gaan. Hier wreekt zich dat die feesten niet meer exclusief christelijk zijn, maar tot nationale feestdagen zijn geworden – of verworden, wat in deze context een betere term lijkt. Ik heb daarover hier al eens uitvoeriger geschreven.

Diverse media controleerden de beweringen in het AD. De conclusie: er was geen reden aan te nemen dat christelijke scholen het paasverhaal helemaal verzwegen. Wel pasten sommigen het verhaal enigszins aan de leerlingenpopulatie aan of probeerden een link te leggen naar de islam, want in de regel gaat het om scholen met een substantieel aantal moslimleerlingen. Daarbij noteerde de Volkskrant (12.4.17) wel enkele uitlatingen die te denken geven. “Het is niet meer zoals vroeger, waarbij kinderen gesloten werden opgevoed tot christenen”, zegt Kees Terdu, voorzitter van de stichting Protestants-Christelijk Basis- en Orthopedagogisch Onderwijs (PCBO) in Rotterdam-Zuid. “Wat wij doen, is vanuit christelijke waarden een betere samenleving proberen vorm te geven. Juist Pasen is een feest dat een brug kan slaan naar iedereen in de samenleving.” Op traditionele christelijke scholen zal meer nadruk liggen op het eigen geloof, zegt Terdu, “maar de betekenis van de christelijke feesten is universeel”. Aan de hand van het thema ‘opstaan’ behandelen zijn scholen dit jaar Pasen. “We praten over opstaan uit de dood, maar ook opstaan tegen onderdrukking en onrecht”, zegt de stichtingvoorzitter. “Kinderen met een islamitische achtergrond herkenning zich hier net zo goed in als christelijke kinderen.” Hiermee wordt Pasen wel van zijn unieke betekenis ontdaan. Maar laten we vooral niet denken dat dit specifiek gerelateerd is aan de aanwezigheid van moslimkinderen. In feite is dit niet veel anders dan de manier waarop niet-gelovigen naar de Matthäus-Passion van Bach luisteren. Vertolkers die zelf ook niet gelovig zijn geven er niet zelden een zodanige draai aan dat het lijkt alsof dit werk iets anders – iets minder specifiek christelijks – tot uitdrukking brengt dan Bach voor ogen stond. Maar daar valt niemand over.

Mag uit het bovenstaande geconcludeerd worden dat er wel reden is tot zorg? Ik zou eerder zeggen: reden voor bezinning. Maar dan wel in een heel andere zin en in een andere richting dan door seculiere politici en media wordt bepleit. De vraag is niet of het christelijk onderwijs ‘nationale waarden’ uitdraagt, maar: hoe christelijk is het christelijk onderwijs nog?

Dat heeft in eerste instantie niets met de islam te maken. Uit de berichten wordt niet duidelijk of de ouders van moslimkinderen bezwaar maken tegen het vertellen van het paasverhaal. Wanneer ze daartegen bezwaar zouden maken, zou de eerste vraag moeten zijn: waarom stuurt u uw kind naar een christelijke school? Hadden ze niet verwacht dat die school zijn christelijk karakter serieus zou nemen? Misschien hebben ze dan niet goed opgelet bij hun oriëntatie op het karakter van de school, maar het is ook mogelijk dat de school zelf daarover niet voldoende duidelijk is geweest. Dat moet die school zich dan aantrekken.

Wanneer de school uit eigen beweging het paasverhaal verzwijgt of substantieel wijzigt zodat het christelijk karakter grotendeels verloren gaat, dringt de vraag zich op of die school nog wel gemotiveerd is om echt christelijke school te zijn. Wanneer de school en/of zijn leerkrachten zelf geen waarde aan het christelijk geloof hechten, kun je van leerlingen en hun ouders niet verwachten dat zij dat wel doen. Wanneer van het christelijk karakter van de school nooit iets blijkt, is het niet vreemd, wanneer geprotesteerd wordt, als ineens het paasverhaal wordt verteld. Dat is dan een vlag op een modderschuit.

Dat er gerede twijfel kan bestaan aan het christelijk karakter van sommige scholen vindt zijn oorsprong niet in de eerste plaats in de aanpassing van het paasverhaal. De oorzaak ligt bij het gebrek aan overtuiging van de school en de leerkrachten. Dat is het logische gevolg van een beleid waarin van leerkrachten niet verlangd wordt dat ze zelf gelovige christenen zijn en dat ze de kerk vaker van binnen zien dan alleen één keer per jaar met Kerken Kijken. Als leerkrachten zelf niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloven, kunnen ze de paasviering beter achterwege laten. Maar dat is niet de kern van de zaak. Het christelijk karakter van een school komt niet in de eerste plaats tot uiting in de aandacht voor christelijke feesten, een paar keer per jaar. Het moet het totale onderwijs en het klimaat op school doortrekken.

Wie zich zorgen maakt om het verval van de christelijke feesten, moet niet met de beschuldigende vinger naar moslims wijzen, maar aan zelfonderzoek doen. De grootste bedreiging van de christelijke feesten is niet een groeiende invloed van de islam, maar de interne secularisatie van het christendom. Het slechtste wat christenen in deze situatie kunnen doen is gemene zaak maken met politici van PVV en VVD, die de christelijke feesten – maar dan in geseculariseerde vorm – misbruiken voor hun nationalistische agenda. Met zulke ‘vrienden’ hebben christenen geen vijanden meer nodig.

Feesten zonder franje

11 april 2016 1 reactie

Hebt u ook zo genoten van uw vrije tweede Paasdag? Het zou best eens één van de laatste geweest kunnen zijn. Tenminste, als we Roelof Bisschop, Tweede-Kamerlid van de SGP, moeten geloven. Hij suggereerde het einde van de tweede christelijke feestdagen, toen hem om een reactie werd gevraagd op het besluit van minister Plasterk de zondagswet in te trekken. Op zichzelf heeft het één niets met het ander te maken. Maar Bisschop plaatste de intrekking van de zondagswet in een breder kader. Hij ziet het als onderdeel van het streven van de inmiddels seculiere meerderheid in de politiek de samenleving te ontdoen van alles wat aan haar christelijke wortels herinnert. Daarin staat hij niet alleen zoals blijkt uit enkele interviews van Gert-Jan Segers, politiek leider van de Christenunie. Frank van den Heuvel, lid van het CDA, schreef een artikel in Trouw waarin hij stelt dat liberalen alles wat naar religie riekt, willen uitbannen. Dat ze op z’n minst een gevoelige snaar raken blijkt wel uit de nogal gepikeerde reacties van vertegenwoordigers van VVD en D66.

De vrees van Bisschop lijkt me niet erg realistisch. De meeste Nederlanders hechten zeer aan hun vrije dag op tweede Paasdag en tweede Pinksterdag. Zelfs de VVD, voor wie de economie altijd op de eerste plaats komt, heeft zich er tot nu toe niet aan gewaagd deze vrije dagen ter discussie te stellen. Dat valt ook daaruit te verklaren dat die vrije dagen bepaalde sectoren van de economie veel opleveren, niet alleen de toeristenindustrie maar ook meubelboulevards en tuincentra, om maar eens wat te noemen.

Maar als die vrije dagen zouden vervallen, zou dat nu een reden voor treurnis zijn? En zouden christenen daartegen in het geweer moeten komen? In het Nieuwe Testament kunnen we geen aanwijzingen vinden dat aan de heilsfeiten bijzondere aandacht werd besteed. Daaruit valt ook te verklaren dat Calvijn een verklaard tegenstander van een aparte viering van Kerst was. Er zijn allerlei historische en religieuze oorzaken aan te wijzen waardoor in ons land Kerst, Pasen en Pinksteren en daarnaast nog enkele dagen, zoals Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag, op de kalender van de vrije dagen terecht kwamen en dat voor de drie eerstgenoemden meer dan één dag werd gereserveerd. Tot 1773 kenden we in Nederland, net als in het protestantse deel van Duitsland, zelfs drie Kerstdagen. Uiteindelijk werd in de Zondagswet van 1815 officieel vastgelegd welke dagen als vrije dagen golden*. Als aparte feestdagen voor de heilsfeiten al niet geworteld zijn in de Schrift, dan de tweede feestdagen al helemaal niet. Er is dus geen enkele reden al te dramatisch te doen over de eventuele afschaffing van deze dagen als vrije dagen. De eerste feestdagen zijn niet in gevaar. Omdat Pasen en Pinksteren op zondag vallen, heeft het overheidsbeleid daarop geen invloed. Kerst is de uitzondering, maar dat feest heeft zo’n status dat aantasting daarvan bijna als heiligschennis zal worden gezien.

Er is wel een andere tendens voorstelbaar: dat Pasen en Pinksteren uit het publieke bewustzijn gaan verdwijnen. In de Verenigde Staten zijn verwijzingen naar Kerst al lang een flink strijdpunt. Strijdbare seculieren zijn van mening dat zulke verwijzingen – bijvoorbeeld door het plaatsen van een kerstboom op publieke plaatsen of in openbare gebouwen en vooral de benaming Christmas tree – in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat. Sommige fundamentalistische christenen betreuren het wanneer traditionele verwijzingen naar Kerst, bijvoorbeeld in de reclame, gaan verdwijnen. Dat beschouwen ze als knieval voor diegenen die alles wat naar het christelijk geloof verwijst, uit de openbare samenleving willen verbannen.

Vergelijkbare conflicten kennen we bij ons niet. Zou dat ook daarmee te maken kunnen hebben dat – zoals ook uit het recente rapport God in Nederland blijkt – christenen in Nederland een slinkende minderheid zijn? Daarmee zijn verwijzingen naar christelijke feesten onschuldig en leiden ze niet tot noemenswaardige opwinding, zelfs niet bij de meest ideologisch gedreven seculieren. Het is de vraag of dat een goed teken is.

In zekere zin maken we bij ons het omgekeerde mee. In de aanloop naar Pasen kwam de Hema met een reclamefolder die repte over ‘verstopeieren’ en ‘voorjaarsfeest’. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de Hema niet langer naar Pasen wilde verwijzen. Dat werd direct uitgelegd als een knieval voor de islam. In de sociale media – de moderne variant van het aloude volksgericht – werd de Hema over de knie gelegd. Daarbij verdwenen – één van de kenmerken van sociale media – de nuances uit het zicht, zoals het feit dat elders in de gewraakte folder wel degelijk naar Pasen werd verwezen, door middel van de paashaas en paaseieren.

Uitgerekend Halbe Zijlstra van de VVD meende de Hema hierover te moeten kapittelen. Je zou juist van hem enig begrip mogen verwachten voor een bedrijf dat zijn reclame aanpast aan de maatschappelijke ontwikkelingen en probeert op die manier de verkoop te bevorderen en de winst te vergroten. Zijn reactie is een voorbeeld van het overspannen klimaat ten aanzien van de islam en zijn positie in de Nederlandse samenleving. Het zegt ook iets over de angst van de VVD voor de concurrentie van de PVV die zich uiteraard niet onbetuigd liet bij de openbare terechtstelling van het winkelbedrijf.

Nog verbazingwekkender is dat ze bijval kregen uit christelijke kring. Van die kant zou je iets meer nuance en een groter respect voor de feiten mogen verwachten dan van de PVV, die zich specialiseert in fact free politics. Maar het is vooral verbazingwekkend omdat men kritiek heeft op een mogelijke ontwikkeling, die men eerder zou moeten toejuichen. Want partijen als VVD en PVV geven er zelden of nooit blijk van dat ze enige interesse hebben in of waarde hechten aan de echte betekenis van de christelijke feesten. Ze beschouwen die als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Die voorzien ze van het etiket ‘joods-christelijk’, vooral in het kader van de strijd tegen de zogenaamde ‘islamisering’. De wens de christelijke feesten te handhaven is dus vooral een stok om de islamitische hond te slaan.

Al eeuwenlang maken de christelijke feestdagen deel uit van de ‘nationale kalender’. Dat was geen probleem zolang die kalender sterk door het christelijk geloof gestempeld werd. Inmiddels is de kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen goeddeels verdwenen. Dat komt ook tot uiting in de verwijzingen naar die feesten. De verwijzingen naar Pasen bestaan vooral uit paaseieren en de paashaas. En in de Kersttijd maakt steeds vaker de Kerstman zijn opwachting en wordt het geven van cadeautjes een steeds gangbaarder verschijnsel. Vanuit christelijk perspectief is dat niet iets om blij mee te zijn. De Kerstman en cadeautjes hebben niets met de geboorte van Christus te maken en de paashaas en paaseieren niets met zijn opstanding. Wanneer de Hema dit soort trivialiteiten uit haar reclameuitingen zou verbannen, zouden christenen het bedrijf daarmee moeten complimenteren. Kerstmannen, paaseieren en paashazen roepen vooral gêne op en leiden af van waar het echt over gaat.

Nu zou men kunnen beweren dat verwijzingen naar de christelijke feesten – hoe vervormd en overwoekerd door irrelevante onzin ook – een verbinding leggen tussen de christelijke minderheid en de seculiere meerderheid. Zou het feit dat Kerst en Pasen zich op allerlei manieren in de samenleving manifesteren – van een mediaspektakel als The Passion tot het kerstliedjesgekweel van draaiorgels tussen Sinterklaas en Kerst – geen aanknopingspunten kunnen bieden om ‘de wereld’ met de heilsfeiten en hun betekenis te confronteren? Het schijnt dat The Passion leidde tot een sterke toename van zoekopdrachten in Google naar het verhaal van Goede Vrijdag en Pasen. Maar wijst dat op echte belangstelling of is dat alleen maar nieuwsgierigheid naar iets dat even in het nieuws is? Te vrezen valt dat verreweg het meeste zaad in onvruchtbare aarde of op de stenen valt. De passietijd leidt ook, vooral in Nederland, tot een hausse aan uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion. Maar het is zeer twijfelachtig of dat resulteert in enig besef van de betekenis van wat daarin wordt beschreven. Een recente radiouitvoering van Bachs passie werd beloond met een ovationeel applaus. Dat wijst erop dat de luisteraars de ernst van het verhaal niet tot zich hebben laten doordringen en al helemaal niet in verband brachten met hun eigen leven. Ingetogen bijval of – beter nog – een bedremmeld zwijgen zouden meer op hun plaats geweest zijn.

Christenen hebben geen enkele reden treurzangen aan te heffen wanneer de christelijke feestdagen uit het publieke bewustzijn verdwijnen. Hoe minder reclamefolders naar Kerst en Pasen verwijzen hoe beter. Kerstmannen en paashazen onttrekken de echte betekenis van die feesten aan het zicht. Waar de franje verdwijnt kan die weer aan het licht komen.

(*) Informatie hier over vindt men in een artikel op de site van het Meertens Instituut.