Archief

Posts Tagged ‘modern’

Het is nu eenmaal zo

Er wordt nog weleens geklaagd in christelijk Nederland dat je als christen – of, in wijder verband, als kerk – zoveel moet. Je moet evangeliseren, je moet de liturgie op de schop nemen, je moet actief zijn in de buurt, je moet als broeders en zusters naar elkaar omzien, je moet over de kerkmuren heenkijken, enzovoort enzovoort. Je zou er moe van worden en sommigen worden dat ook.

Maar er is ook iets anders. Je leest het in artikelen en hoort het in interviews en toespraken, expliciet of impliciet. “Het is nu eenmaal zo dat …” en dan volgt in de regel een verwijzing naar een moderne trend of het moderne levensgevoel. In elk geval gaat het dan om iets dat typerend is voor onze tijd en waar de kerk, wil ze zich niet irrelevant maken, rekening mee moet houden. Je kunt daar een mooie term voor verzinnen. Dat deed bijvoorbeeld ds. Wim van der Schee (GKV Amsterdam-Z/W), toen hij in 2011 een toespraak hield op een vergadering in Zwolle, waar gesproken werd over de vraag wat kerken moeten met de tweede kerkdienst. Hij sprak over “door niemand geregisseerde veranderingen”.

Het is waar dat sommige ontwikkelingen niet ‘geregisseerd’ zijn. Er kan inderdaad van een mentaliteitsverandering gesproken worden ten aanzien van het bezoeken van kerkdiensten. De vanzelfsprekendheid is verdwenen. Die mentaliteitsverandering is niet ‘geregisseerd’: er is niet een collectief besluit genomen dat het bijwonen van kerkdiensten niet meer vanzelf spreekt. Maar het zijn uiteindelijk wel mensen die besluiten al dan niet een kerkdienst te bezoeken. Daarop kunnen ze aangesproken worden. De vraag is of kerkenraden dat ook doen. Ik vermoed dat dit weinig of niet gebeurt. Kerkenraden hebben het zien gebeuren en ze hebben het laten gebeuren. Wanneer de trend zich eenmaal heeft doorgezet, is het tij nauwelijks meer te keren. Dan wordt het ook steeds moeilijker, kerkleden op hun kerkgang aan te spreken.

Hier lijkt sprake te zijn van een soort van defaitisme. Dan past men zich aan ‘gedane zaken’ aan. Dat komt dan bijvoorbeeld daarin tot uiting dat de tweede dienst wordt afgeschaft dan wel als facultatief wordt beschouwd, zoals in de gemeente van ds. Van der Schee. In de meeste gemeenten gaat men niet zover. Maar wanneer geen actie wordt ondernomen, zouden andere gemeenten dat voorbeeld kunnen gaan volgen.

Ook ten aanzien van andere onderwerpen kan defaitisme gesignaleerd worden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan een interview met ds. Peter Buijs, dat De Wekker, het officiële orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk, publiceerde. Het Nederlands Dagblad van 31 januari bericht daarover. Buijs was voorzitter van de laatste Generale Synode van zijn kerken en blikt in het interview vooruit naar de komende synode. Hij gaat speciaal in op de contacten met andere kerken, die weer op de agenda van de synode zullen staan. Het zoeken naar kerkelijke eenheid typeert hij als een achterhoedegevecht. “Mensen lijken het inderdaad steeds minder van belang te vinden tot welk kerkverband een gemeente behoort”, zo wordt hij geciteerd. Hij vreest dat het streven naar eenheid met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken zal leiden tot breuken in zijn kerken, omdat bepaalde behoudende kerken grote moeite hebben met een ‘institutionele eenheid’ met die kerken. Daarom vraagt hij zich af of zijn kerken zich daarvoor moeten blijven inzetten.

Het defaitisme druipt ervan af. Hij betreurt dat gemeenten steeds vaker “liggingsgemeenten” worden, zoals hij dat zelf uitdrukt. Maar dat is toch al heel lang zo? Dat is het resultaat van toegeeflijkheid van kerkelijke vergaderingen. Die hebben zich immers neergelegd bij het verschijnsel van de geperforeerde kerkgrenzen waardoor mensen van dezelfde ‘ligging’ elkaar opzoeken om het samen fijn eens te zijn. Er zijn predikanten die niet mogen voorgaan in naburige gemeenten van een andere ‘ligging’. Kerkelijke vergaderingen stonden erbij en keken ernaar, maar deden niets. Dan is het vreemd zich daar nu ineens over te beklagen. Dat gemeenten van een bepaalde ‘ligging’ problemen hebben met een eventuele ‘institutionele eenheid’ met GKV en NGK is het resultaat van een ontwikkeling die men op haar beloop heeft gelaten. We hebben het niet over zaken die ‘gebeuren’ en ‘niet geregisseerd’ zijn. Het gaat hier over kerkelijke vergaderingen die geen besluiten hebben genomen. Dat is ook een vorm van regie.

Ik noem nog een voorbeeld, dat zich op hetzelfde vlak bevindt. De PKN heeft de kleine reformatorische kerkgenootschappen uitgenodigd voor een gesprek. “Het doel is van gedachten te wisselen over de vraag ‘of er nog dwingende redenen zijn om in onze gescheidenheid voort te gaan’, aldus het protestantse moderamen dat ontkerkelijking en secularisatie als argumenten opvoerde”, aldus het Nederlands Dagblad van 29 januari. In hetzelfde bericht wordt gemeld dat de Christelijke Gereformeerde Kerken niet op de uitnodiging zullen ingaan. Niet alleen heeft het Deputaatschap eenheid van gereformeerde belijders daarvoor geen mandaat, zijn voorzitter, ds. Willem van ’t Spijker, deelt ook mee dat contacten met de Protestantse Kerk nogal gevoelig liggen. “De breedheid van het kerkgenootschap en de manier waarop met tucht wordt omgegaan zijn binnen onze kerk moeilijke punten”.

Op 1 februari schreef ds. Bert Loonstra, predikant van de CGK in Gouda, in dezelfde krant een artikel, waarin hij de deputaten oproept de uitnodiging te aanvaarden. In zijn artikel bestrijdt hij de typering van de PKN die zijn collega Van ’t Spijker geeft, niet. Hij beweert niet dat de PKN een belijdende kerk is en erkent dat ze niet voldoet aan de kenmerken van de ware kerk, zoals die door de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden geformuleerd. Maar dan maakt hij een draai om de door hem bepleite deelname aan het gesprek te rechtvaardigen.

“In onze beoordelingen beschouwen wij onszelf als de maat van alle dingen. Als we het ergens niet mee eens zijn en er wordt niet naar ons geluisterd, zoeken we onze eigen weg. Dat wij overgeleverd zijn aan het vrijmachtige, genadige goeddunken van de Allerhoogste, is ver weggezakt.” Hij gaat vervolgens specifiek in op de tucht. Die wordt, zo is het verwijt van de kleine gereformeerde kerken, in de PKN niet toegepast. Loonstra bestrijdt het niet, maar zet vervolgens kritische kanttekeningen bij de toepassing van de tucht in zijn kerk. Hij meent dat die niet ontkomt aan willekeur: ongehuwd samenwonenden worden er wel door getroffen, maar ten aanzien van echtscheiding en hertrouwen is de kerk aanzienlijk toegeeflijker. Hij gaat nog een stap verder. “En, belangrijkste vraag: heeft de tucht geen averechts effect als ze wordt toegepast op de mondige mensen uit de 21e eeuw?”

Daarmee zijn we midden in de problematiek die de inzet was van deze bijdrage: hoe kan de tucht nog functioneren in het kader van ‘door niemand geregisseerde veranderingen’? “Het bedoelde effect is de persoon in kwestie terug te brengen tot Christus en de gemeente. Maar het toepassen van tucht staat haaks op het moderne levensbesef en leidt dus tot onbegrip. Daar gaat nog een probleem aan vooraf: dat moderne levensbesef maakt het moeilijk voor de ambtsdragers die daarmee ook behept zijn, de tucht zuiver in te zetten.”

De opmerking dat “wij” onszelf als de maat van alle dingen beschouwen kan niet anders worden opgevat dan als een relativering van de belijdenis die hij zelf heeft beloofd te zullen hooghouden. Want zijn kerken passen bij hun taxatie van de PKN geen particuliere normen toe, maar de normen van een belijdenis die formeel nog steeds tot de grondslag van de PKN behoort. Dat de tucht niet altijd consequent wordt toegepast en dat tuchtoefening niet altijd zuiver is – wie zal het ontkennen? Maar is dat een reden er minder gewicht aan toe te kennen?

Ik laat dat verder rusten. Het gaat me nu vooral om het fatalisme dat uit de opmerkingen over de tucht spreekt. In feite wordt het belang daarvan sterk gerelativeerd met een beroep op de cultuur waarin we leven en de daarbij behorende mentaliteit. Loonstra pleit er niet met zoveel woorden voor de tucht maar bij het grofvuil te zetten. Maar hij relativeert impliciet wel het gebrek aan tuchtoefening in de PKN.

We zijn daarmee in feite terug bij het begin. Want de tucht is geen op zichzelf staan verschijnsel. Het probleem dat velen met de tucht hebben, wordt daardoor veroorzaakt dat daarbij vooral of zelfs uitsluitend gedacht wordt aan maatregelen, zoals afhouding van het avondmaal en uiteindelijk uitsluiting aan de gemeente. Maar dat is de slotfase. De tucht begint met de verkondiging van het evangelie. Dat is, volgens Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus, de eerste sleutel van het hemelrijk. Daarmee wordt ook direct duidelijk hoe essentieel het voor kerkenraden is toe te zien op de kerkgang van de gemeente. De kerkenraad die op dat punt zijn taak verwaarloost, ondermijnt de werking van de prediking als middel voor de tucht, die, zoals ds. Loonstra terecht schrijft, bedoeld is om iemand terug te brengen tot Christus en de gemeente. Daarom moeten gereformeerde kerken elk defaitisme van zich afschudden en weer pro-actief worden, zeker als het om de kerkgang gaat.

Maar die ‘door niemand geregisseerde veranderingen’ dan? Bestaan die niet of moet de kerk die negeren?

Er valt weinig af te dingen op de vaststelling dat kerkelijke normen botsen op de mentaliteit die in onze samenleving domineert en ook de kerk niet voorbijgaat. Dat geldt voor het artikel van ds. Loonstra niet minder dan voor de uitlatingen van ds. Van der Schee en ds. Buijs. Maar is dat nieuw? Staan de normen van de christelijke kerk – en die zijn uiteindelijk niets anders dan de normen van de Schrift – niet altijd haaks op de cultuur? Ze stonden haaks op de Griekse cultuur zoals Paulus die tegenkwam tijdens zijn discussies op de Areopagus in Athene. Ze stonden recht tegenover de heidense cultuur van het Romeinse rijk. Maar toen het christendom aan invloed won, veranderde ook die cultuur. Dat is de kracht van het evangelie: het kan mensen en culturen veranderen. Dat zien we in de zendingsgebieden. Wanneer het christelijk geloof de cultuur van een heidens Afrikaans land kan veranderen, waarom dan niet de in veel opzichten even heidense cultuur van het Westen, of die nu ‘modern’ of ‘postmodern’ is?

Dat kan alleen wanneer de boodschap van de Schrift onversneden en onaangepast wordt uitgedragen. Wanneer de kerk het hoofd in de schoot legt en zich willoos en klakkeloos aanpast aan ‘door niemand geregisseerde’ veranderingen, wordt de boodschap krachteloos en zal ze haar uitwerking missen.

Kerken en hun vertegenwoordigers zouden eens wat minder vaak moeten zeggen dat “het nu eenmaal zo is”. Er zijn maar heel weinig dingen “nu eenmaal zo”.

Advertenties

Modern is ouderwets

“Verontruste kerkleden zijn eigenlijk modern”, staat als kop boven een artikel in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad van 18 januari j.l. Dat is nog eens wat anders dan te worden weggezet als ‘ouderwets’ of ‘niet van deze tijd’. Maar dat is schijn. De auteur, Maarten J. Verkerk, bijzonder hoogleraar christelijke wijsbegeerte aan enkele universiteiten, gebruikt de term ‘modern’ in filosofische zin en zet die tegenover ‘postmodern’. Met behulp van deze begrippen wil hij de tegenstellingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) analyseren. Hij spreekt in dit verband van een “clash tussen een ‘moderne’ en een ‘postmoderne’ kerk”. Die ziet hij geïllustreerd in de tegenstelling tussen de ‘verontrusten’ die vorig jaar in Bunschoten bijeen kwamen en de kerkplantingsgemeente ‘Stroom’ in Amsterdam, die in het kerkverband wilde worden opgenomen, ondanks afwijkende kerkelijke praktijken.

Het kan zeker zinvol zijn met behulp van filosofische begrippen verschijnselen in kerkelijke kring te analyseren. Het is dan wel van belang die begrippen goed te definiëren en na te gaan of die definities wel passen bij de beschreven verschijnselen. Verkerk geeft wel een karakterisering van de door hem gehanteerde begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’, maar wanneer hij die vervolgens gaat toepassen op de door hem genoemde ‘stromingen’, slaat hij de plank mis. Ik zal me hier niet gaan bezighouden met de vraag of, bijvoorbeeld, de ‘Stroom’-gemeente zich herkent in het beeld dat Verkerk van een ‘postmoderne’ kerk schetst. Vertegenwoordigers van die gemeente en degenen, die haar na staan, kunnen voor zichzelf spreken. Ik concentreer me op het beeld dat Verkerk van de ‘verontrusten’ schetst. Het feit dat hij die term gebruikt, doet al vermoeden dat zijn sympathie niet aan die kant ligt. De ‘verontrusten’ willen niets anders dan gewoon gereformeerd blijven. Ik zal daarom de term ‘gereformeerden’ voor hen gebruiken.

Wat moeten we, volgens Verkerk, onder ‘modern’ en ‘postmodern’ verstaan? Hij maakt dat duidelijk door drie begrippenparen, die de tegenstelling tussen beide karakteriseren: “kennis versus beleving, uniformiteit versus diversiteit en beheersing versus ontwikkeling”. De eerstgenoemde begrippen acht hij karakteristiek voor de gereformeerden.

De tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ is heel herkenbaar. We leven in een tijdperk waarin ‘beleving’ centraal staat. In een artikel op Trouw.nl van 20 januari j.l., getiteld “God boven de ikken”, schrijft de rooms-katholieke priester Antoine Bodar heel treffend: “We leven van de beleving en daardoor veelal van de sensationalisering. Een uur zonder emotie is een verloren uur.” Het heeft ook consequenties ten aanzien van de manier waarop met normen wordt omgegaan. Er bestaat een wijdverbreide allergie tegen van boven opgelegde normen. Ieder maakt zelf uit wat goed en wat fout is. Doorslaggevend is vooral wat ‘goed voelt’. De daaruit afgeleide normen staan in feite niet meer ter discussie. Ze onttrekken zich aan de categorieën ‘juist’ of ‘onjuist’. Daar tegenover staat dan ‘kennis’; gereformeerden hanteren die, volgens Verkerk, op een ‘moderne’ manier. Het is veelzeggend dat hij hieraan tussen haken ‘belijden’ toevoegt. Kennelijk ziet hij het belijden – zoals dat vooral in de gereformeerde belijdenisgeschriften tot uiting komt – als iets waarin ‘kennis’ centraal staat en dat tegenover ‘beleving’ staat. Gereformeerden die hun belijdenis lief hebben, herkennen dat in het geheel niet. De Heidelbergse Catechismus – dit jaar 450 jaar oud – werd en wordt vaak het “troostboek van de kerk” genoemd. De inzet maakt direct duidelijk dat het hier niet om een abstracte uiteenzetting van de leer van de kerk gaat, maar de gelovigen aanspreekt midden in hun leven van elke dag. Het gaat om het hart van de mens. De Catechismus verkondigt het Woord en vraagt om een antwoord. Kennis en beleving horen bij elkaar.

De manier waarop het postmodernisme met ‘kennis’ omgaat heeft alles te maken met de visie op wat ‘waarheid’ is. Ik verwijs naar een artikel dat op 17 januari j.l. verscheen in Trouw. De filosoof Sebastien Valkenberg schreef dit naar aanleiding van de bekentenissen van wielrenner Lance Armstrong, vele malen winnaar van de Tour de France. Veel wielerliefhebbers voelen zich bedrogen na zijn bekentenis dat hij jarenlang (verboden) prestatiebevorderende middelen gebruikte. Valkenberg trekt een vergelijking met de affaire-Stapel, toen veel wetenschappers zich bedrogen voelden door diens jarenlange manipulatie van onderzoeksgegevens.

Valkenberg spreekt zijn verbazing uit over de algemene verontwaardiging. “Hoeveel recht heeft het publiek eigenlijk om zich bekocht te voelen? De afgelopen decennia heeft het postmodernisme ons immers ingeprent dat er niet zoiets bestaat als de waarheid. Het begrip zou een overblijfsel zijn uit de tijd van de Verlichting. Logischerwijs wordt het lastig om iemand van leugens, bedrog en frauduleus gedrag te beschuldigen. Als een begrip zijn bestaansrecht heeft verloren, is het niet langer mogelijk om dit geweld aan te doen. Zonder waarheid ook geen leugens.” Over het postmodernisme schrijft hij verder: “Deze filosofische stroming heeft vele vertegenwoordigers, maar zonder uitzondering pleiten ze ervoor het klassieke waarheidsbegrip te schrappen. Er zou slechts een veelheid aan perspectieven bestaan – zoveel als er mensen zijn. Het ene perspectief kan geen hoger waarheidsgehalte claimen dan het andere.” Als Valkenbergs analyse van het ‘postmodernisme’ juist is, hoe kan een kerk dan ‘postmodern’ zijn? Het kan in elk geval geen belijdende kerk zijn. Verkerk suggereerde dat al door ‘belijden’ met een ‘modern’ begrip als kennis te verbinden.

Is de tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ al problematisch, de andere begrippenparen zijn dat al evenzeer. Verkerk stelt de ‘uniformiteit’ van de ‘moderne’ kerk tegenover de ‘diversiteit’ van de ‘postmoderne’. Daar komen we in het onderhavige geval niet veel verder mee. Gereformeerden herkennen zich niet in de suggestie dat zij naar ‘uniformiteit’ streven. De Gereformeerde Kerken hebben altijd diversiteit gekend. Over zaken waarover de belijdenisgeschriften zich niet uitlaten en waarover geen kerkelijke uitspraken zijn gedaan, bestaat in beginsel vrijheid van meningsuiting, ook onder predikanten. De vrijheid van de exegese heeft bij gereformeerden altijd hoog in het vaandel gestaan. Verkerk typeert ‘diversiteit’ met “laat veel bloemen bloeien”. Dat willen gereformeerden ook. Maar er is geen ruimte voor onkruid. Daarom is de vrijheid van exegese niet onbegrensd. Er gaat een dogmatisch vooroordeel aan vooraf: de overtuiging dat de Schrift het Woord van God is. Zonder dat vooroordeel verwordt de vrijheid van exegese tot anarchie. Daarvan zijn de gemeente en haar leden de slachtoffers. In een ‘postmoderne’ kerk kunnen geen grenzen aan die vrijheid worden gesteld. Want wie heeft het recht te claimen dat hij de waarheid kent, laat staan die op papier te zetten en voor iedereen bindend te verklaren?

Het laatste begrippenpaar betreft ‘beheersing’ en ‘ontwikkeling’. Het eerste ziet Verkerk als kenmerkend voor een ‘moderne’ kerk. Hij ziet het, net als de hiervoor genoemde zaken, als “wapen” om het kerkelijk leven te “sturen”. In dit verband gebruikt hij het begrip ‘top-down’, in tegenstelling tot ‘bottom-up’, dat karakteristiek zou zijn voor de ‘postmoderne’ kerk. Maar is dat wel zo? Hoe ‘bottom-up’ is een ‘postmoderne’ kerk eigenlijk? Komen nieuwe ideeën wel echt van onderop? Hebben veel mensen – met alle respect gesproken – toch vaak niet dezelfde opvattingen als degene van wie ze het laatste iets hebben gelezen? In de kerkelijke wereld van vandaag circuleren veel ideeën die vaak niet of nauwelijks verenigbaar zijn met de gereformeerde leer. Die komen toch meestal echt uit boekjes of van websites die zijn geproduceerd door theologen of door mensen die zich als ‘geestelijke leiders’ met een ‘bediening’ opwerpen. En juist waar een gereformeerde kerkstructuur ontbreekt, wordt de gemeente vatbaar voor wat vanaf kansel of katheder als waarheid wordt gepresenteerd. Want het mag dan ‘postmodern’ zijn een vraagteken te zetten achter de kenbaarheid of zelfs het bestaan van ‘waarheid’, aan het aplomb waarmee nieuwe ideeën worden gepropageerd zou je dat niet aflezen.

Zet daar de gereformeerde belijdenis eens tegenover. Komt die van bovenaf? De belijdenisgeschriften zijn producten van de strijd van de kerk om de waarheid. Ze zijn kerkelijk geijkt, niet omdat ze in een hiërarchische kerkstructuur aan de gemeenten werden opgelegd, maar omdat de kerk die in haar meeste vergaderingen – waar alle kerken vertegenwoordigd zijn – als waarheid hebben aanvaard. En nog altijd hebben kerken de volle vrijheid zich te onttrekken aan een kerkverband waarin die belijdenis als toetssteen wordt gehanteerd. Wanneer gereformeerden ernaar streven dat de kerk gereformeerd blijft, is dat geen poging het kerkelijk leven te sturen. Het is geen theologenbeweging, maar een beweging van ‘gewone’ gereformeerden die hun belijdenis lief hebben en geloven dat die in overeenstemming is met de leer van apostelen en profeten. Voor een gereformeerde is de belijdenis die hij wil hooghouden niet alleen de belijdenis van de kerk, maar vooral zijn belijdenis.

Tegenover ‘beheersing’ of ‘sturing’ stelt Verkerk ‘ontwikkeling’ als kenmerk van de ‘postmoderne’ kerk. Daarmee suggereert hij dat in gereformeerde kring van ‘ontwikkeling’ geen sprake is. Maar ‘ontwikkeling’ is nu juist typisch gereformeerd. Het is de bereidheid zich steeds te reformeren. Zelfs de belijdenis is geen dichtgetimmerd bouwwerk. Ze staat niet naast, maar onder de Schrift. Wie meent dat de belijdenis afwijkt van de Schrift of meer zegt dan schriftuurlijk verantwoord is, heeft recht op een open oor en een eerlijke toetsing van zijn bezwaren. Die toetsing vindt dan wel plaats op basis van wat uiteindelijk de doorslag geeft: de Schrift als Woord van God. Alleen dat Woord is ‘top-down’.

Het probleem dat gereformeerden met veel hedendaagse opvattingen – ‘modern’ of ‘postmodern’ – hebben, is niet dat ze nieuw of ongewoon zijn. Het probleem is dat ze vaak niet beargumenteerd worden vanuit de Schrift of dat ze gebaseerd zijn op een Schriftexegese die die naam niet of nauwelijks verdient. Het is geen bezwaar wanneer inzichten veranderen, zolang die het resultaat zijn van een verdiept inzicht in de Schrift. Maar het gaat in veel gevallen eerder om hoogstpersoonlijke inzichten die aan de schriftuurlijke toetsing van de gemeente en het kerkverband worden onttrokken.

De begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’ zijn te schematisch om daarmee kerkelijke ontwikkelingen te analyseren. Uiteindelijk is het artikel van Verkerk niet meer dan een pleidooi voor een ‘postmoderne’ kerk. Hij vraagt zich af of de strijd van de ‘verontrusten’ geen “achterhoedegevecht” is. Daarmee zijn de gereformeerden die het etiket ‘modern’ kregen opgeplakt, tenslotte toch weer ‘ouderwets’. George Orwell laat groeten.