Archief

Posts Tagged ‘Monique Heger’

Kerk en politieke partij (2)

11 oktober 2011 1 reactie

We hebben de vorige keer gezien dat het ontbreken van een binding van een politieke partij aan één kerk haar niet vrijwaart van de gevolgen van kerkelijke onenigheid. Ik gebruikte in de eerste plaats de SGP als voorbeeld, die zich niet aan één bepaalde kerk bindt, maar wel de effecten van de ontwikkelingen op het erf van de ‘bevindelijke’ kerken en stromingen ervaart. En ik wees op het probleem rond de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie, die de – kerkelijke – achterban van de partij verdeelt.

Nu zou men in het laatste geval erop kunnen wijzen dat die verdeeldheid het logische gevolg is van de veelkleurigheid van de kerken waaruit de Christenunie haar leden betrekt. En daaraan zou dan de vraag gekoppeld kunnen worden: zou de Christenunie dat probleem ook gehad hebben, wanneer ze zich aan één bepaalde kerk of eventueel enkele kerken zou hebben gebonden? Het lijdt geen twijfel dat een probleem als dat van de Christenunie zich zo’n 40 jaar geleden binnen het GPV niet zou hebben voorgedaan. En dat kan inderdaad op het conto van de kerkgebondenheid geschreven worden. Iemand als Monique Heger zou, als ze van een vrijgemaakt Gereformeerde Kerk lid geweest was, door haar kerkenraad onder censuur zijn gesteld. Dat zou, bij volharding in haar levenswijze, uiteindelijk tot afsnijding hebben geleid dan wel tot haar onttrekking aan de kerk. Daardoor zou ze niet meer hebben voldaan aan één van de voorwaarden voor een plaats op de kandidatenlijst: het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV).

Maar dan hebben we het wel over de GKV van 40 jaar geleden. Dat is niet meer de GKV anno 2011. Monique Heger mag dan lid zijn van de Nederlands Gereformeerde Kerken, het zou onjuist zijn met de beschuldigende vinger naar dat kerkgenootschap te wijzen alsof de daar kennelijk legitieme opvattingen rond homosexuele relaties het probleem zouden hebben veroorzaakt. De reacties op het recente ontslag van een onderwijzer aan de gereformeerde basisschool in Oegstgeest, nadat hij een homosexuele relatie was aangegaan, laten zien dat ook binnen de GKV niet weinigen van mening zijn dat zo’n relatie aanvaardbaar is. Daaruit mag niet zonder meer de conclusie getrokken worden dat kerkenraden die mening delen en daarom censuurmaatregelen achterwege laten. Maar het is duidelijk dat slagvaardigheid op dit punt wordt ondermijnd wanneer het grondvlak hiervoor geen enkel begrip meer kan opbrengen. Ten aanzien van andere zaken is de relatie tussen wat nog aanvaardbaar wordt geacht en het beleid van kerkenraden niet te ontkennen.

Dat betekent dus dat de Christenunie het uiteindelijk dan zelf maar moet uitzoeken. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan. Zoals in de eerste aflevering al opgemerkt heeft de Christenunie een grondslag die identiek is aan die van veel christelijke kerken. Om het toe te spitsen op het onderhavige probleem: de Nederlands Gereformeerde Kerken verschillen in grondslag niet van de Christenunie. Stel dat het bestuur van een locale afdeling van deze partij tot de conclusie komt dat voor een partijlid dat een homosexuele relatie heeft, geen plaats op de kandidatenlijst is. Wat betekent dat dan voor de kerk waaruit de betrokkene afkomstig is en vooral voor andere leden van die gemeente? Wanneer dit standpunt wordt beargumenteerd vanuit de opvatting dat een homosexuele relatie onverenigbaar is met de grondslag, moet dan de conclusie niet zijn dat de betrokkene ook in strijd handelt met de grondslag van zijn eigen kerk? Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat hier sprake is van een omgekeerd ethisch conflict.

Om even de geschiedenis op te halen: met ‘ethisch conflict’ werd in de jaren na de Vrijmaking bedoeld dat degenen die waren geschorst, niet in één partij (de Anti-Revolutionaire Partij) konden samenwerken met degenen die hen geschorst hadden of in elk geval hun schorsing hadden gebillijkt of zelfs gesteund. Het leven is immers één. Datzelfde probleem zou zich nu in omgekeerde zin kunnen voordoen. Kunnen twee leden van de Christenunie in de kerk samen aan de avondmaalstafel zitten, wanneer het bestuur van de partij over één van hen heeft uitgesproken dat hij handelt in strijd met de grondslag van de partij – en daarmee ook van zijn kerk?

Men zou kunnen denken dat deze situatie een ondersteuning is van de opvatting van iemand als prof. Douma, dat een politieke partij niet dezelfde grondslag moet hebben als de kerk. Hoezeer hij de gereformeerde confessie verdedigt en op haar waarde voor het kerkelijk leven niet wil afdingen – een politieke partij zou deze niet in haar grondslag moeten opnemen. Veel aspecten van die confessie spelen in de politiek immers nauwelijks een rol. In het vorige artikel gaf ik al een citaat van hem dienaangaande. En ook voor rooms-katholieken ziet hij plaats in de Christenunie, en die kunnen met de gereformeerde confessie natuurlijk helemaal niet uit de voeten. Maar zou daarmee het probleem waarmee de Christenunie worstelt, zijn opgelost?

Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk. Ik ben geneigd te denken dat een oplossing dan helemaal achter de horizon verdwijnt. De Schrift is voldoende, hoor je mensen vaak zeggen. Dat zijn vooral degenen die niet veel van belijdenissen moeten hebben. Maar de belijdenisgeschriften zijn niet uit de lucht komen vallen. Ze zijn de resultante van ontwikkelingen die om een reactie vroegen. Wanneer de waarheid van de Schrift wordt aangetast, is het de taak van de kerk hiertegen in het geweer te komen. En dan kan een belijdenisgeschrift een goed middel zijn om samen te vatten wat de kerk van alle eeuwen in de Schrift heeft gelezen. De opvatting dat de Schrift voldoende is – op zichzelf een waarheid als een koe – komt meestal van hen die belijdenisgeschriften te beperkt vinden en meer vrijheid voor hun eigen opvattingen verlangen.

Juist de gereformeerde belijdenis is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat een christelijke politieke partij bij de Schriftuurlijke les blijft. Dat geldt zeker ook ten aanzien van homosexuele relaties. Als iets duidelijk wordt uit de discussies over dit onderwerp is dat de Schrift eenzijdig gelezen wordt: bepaalde teksten worden tot niet relevant verklaard en uitgespeeld tegen andere teksten. Juist dan is de gereformeerde belijdenis van essentieel belang. Daarin worden expliciete uitspraken gedaan over de aard van de Schrift en haar gezag. En de manier waarop de kerk in die belijdenis de Schrift hanteert om tot geloofsuitspraken te komen kan als voorbeeld dienen voor de manier waarop moderne vragen vanuit de Schrift kunnen worden benaderd. Een tweede punt is dat in deze discussie het beeld van God in geding is. Christenen die van mening zijn dat een homosexuele relatie niet strijdig is met de wil van God hebben een beeld van Hem dat op z’n minst eenzijdig is. Hun beeld van God gaat fungeren als een mal: wat de Schrift over sexualiteit zegt wordt daarin geperst. Ook dat heeft alles te maken met de manier waarop de Schrift wordt gelezen.

De gereformeerde belijdenis is geen criterium voor het lidmaatschap van de Christenunie. Ze kan dat ook niet zijn en hoeft dat niet te zijn. Zelfs binnen de Gereformeerde Kerken hebben kerkleden altijd vrijheid gehad op allerlei punten die in de belijdenis aan de orde komen afwijkende opvattingen te koesteren. Wie de kinderdoop afwijst komt niet onder censuur te staan. Het probleem ontstaat wanneer hij zijn kind niet ten doop wil houden. En uiteraard kan hij geen ambt vervullen, want van een ambtsdrager mag worden verlangd dat hij de gereformeerde leer in al haar onderdelen onderschrijft en die uitdraagt en verdedigt. Maar binnen de Christenunie moet de belijdenis wel de maat zijn waaraan de politieke opvattingen worden gemeten en waaraan ook de argumentatie in het politieke debat moet worden getoetst.

Dat betekent bijvoorbeeld dat, wanneer rooms-katholieken al een rol in de Christenunie gaan spelen, zij zich voor een standpunt niet mogen beroepen op uitspraken van de paus of van concilies (vgl. artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Het betekent ook dat men in zijn argumentatie niet het Nieuwe Testament tegen het Oude mag uitspelen, wat zowel in rooms-katholieke als in evangelische kringen voorkomt. En ook voorkomt de gereformeerde belijdenis dat naast de Schrift persoonlijke openbaringen en ingevingen komen te staan – wat zeker onder evangelischen geen zeldzaamheid is.

Zónder belijdenis zal de Christenunie, zo valt te vrezen, overgeleverd zijn aan de neiging de Schrift in de mal van de emotiecultuur te persen. Mét belijdenis in haar grondslag is ze nog niet van haar probleem af. Het blijft dubieus wanneer een politieke partij een oordeel velt over de levenswijze van een potentiële kandidaat, zeker wanneer die levenswijze op zichzelf het uitdragen van het programma van de partij niet noodzakelijkerwijs onmogelijk maakt. Uiteindelijk kan de Christenunie niet verder springen dan haar kerkelijke polsstok lang is. De bal ligt daarom in het speelveld van de kerken. Die zullen toch eens kleur moeten bekennen – desnoods door middel van een belijdenisuitspraak – en moeten ophouden met pappen en nathouden. Maar dat kan alleen als ze eerst de emotiecultuur buiten de deur zetten.

Advertenties

Kerk en politieke partij (1)

De relatie tussen kerk en politieke partij was vroeger een heet hangijzer onder gereformeerden. Dat had alles te maken met het feit dat het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zijn leden vrijwel exclusief betrok uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Alleen bij hoge uitzondering werden leden van andere kerken toegelaten, met name uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Die nauwe binding is altijd omstreden geweest, al vormden de tegenstanders waarschijnlijk een minderheid. Met de tijd nam de weerstand toe, niet alleen van de kant van hen, die aan de kerk niet al te veel gewicht toekenden. Ook iemand als prof. J. Douma begon zich steeds kritischer uit te laten en ventileerde uiteindelijk de opvatting dat het GPV zijn ‘kerkgebondenheid’ moest loslaten. Waarschijnlijk vertegenwoordigde hij inmiddels de hoofdstroom binnen de GKV. De kerkelijke binding van het GPV werd al in 1996 losgelaten, ruim voordat de partij opging in de Christenunie. Daartegen werd wel bezwaar aangetekend, maar erg krachtig was het niet.

Inmiddels is het verschijnsel van de kerkgebondenheid vrijwel verleden tijd. Er zijn nauwelijks nog organisaties overgebleven die hun leden exclusief uit de GKV betrekken. Toch duikt het begrip nu en dan op. Recent was dat bijvoorbeeld het geval toen de historicus Ewout Klei promoveerde op de geschiedenis van het GPV. In zijn beschrijving komt de kerkgebondenheid van het GPV uiteraard uitvoerig aan de orde. En ook recensenten besteden er aandacht aan. In het nummer van juli/augustus van het tijdschrift Nader Bekeken wordt dit proefschrift gerecenseerd door prof. Douma, die deze gelegenheid te baat neemt nog eens afstand te nemen van de kerkgebondenheid. In het boek van Klei ziet hij een bevestiging van zijn overtuiging dat het geen goede greep is geweest dat het GPV besloot zich uitsluitend op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te richten.

Klei beschrijft in zijn boek – dat ik overigens nog niet gelezen heb – hoe de ontwikkeling van het GPV tot een echte politieke partij werd belemmerd door allerlei conflicten die binnen de GKV plaatsvonden. En toen het GPV eenmaal een zetel in de Tweede Kamer had bemachtigd, was dat zeker niet het einde van de onenigheden. In de jaren ’70 had de scheuring binnen de GKV, die tot het ontstaan van de Nederlands-Gereformeerde Kerken leidde, directe gevolgen voor het GPV.

Het kan niet ontkend worden dat de troebelen die het GPV gedurende zijn geschiedenis parten speelden, nauw samenhingen met de binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Door die binding was het niet meer dan logisch dat kerkelijke conflicten directe gevolgen hadden voor de partij. Daarnaast gaf het ook theologen de gelegenheid hun stempel op allerlei discussies te drukken, en het effect daarvan was zeker niet altijd positief. Daarbij moet met name gedacht worden aan het verzet tegen de formulering van een politiek programma. Sommigen beschouwden het GPV toch vooral als de politieke arm van de kerk, die als hoofdtaak had te laten zien wat de ware kerk in Nederland was.

Maar kunnen de genoemde verschijnselen uitsluitend op het conto van de kerkgebondenheid van het GPV worden geschreven? Zouden de gesignaleerde problemen aan het GPV voorbij zijn gegaan, wanneer al veel eerder dan in 1996 besloten was de partij open te stellen voor leden van andere kerken?

Laten we eerst eens naar een andere partij kijken, de SGP. Die betrekt haar leden vrijwel uitsluitend uit de zogenaamde ‘bevindelijke’ kerkgenootschappen en uit de ‘bevindelijke’ vleugels van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederlands Hervormde Kerk (later de PKN). Van een binding aan één kerk is nooit sprake geweest. Dat heeft haar echter niet gevrijwaard van kerkelijke invloed.
De historicus Henk Post heeft beschreven hoe de breuk die in 1953 binnen de Gereformeerde Gemeenten plaatsvond, ook binnen de SGP voor grote spanningen zorgde. Het feit dat binnen het ‘bevindelijke’ kerkelijke landschap over diverse zaken verschillend visies leven – bijvoorbeeld ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij – heeft ook binnen de SGP zijn sporen nagelaten. Tot op de dag van vandaag kijken bepaalde groepen binnen de SGP de Tweede-Kamerfractie kritisch over de schouder.
In dit verband moet er ook op gewezen worden dat de SGP bij de samenstelling van kandidatenlijsten kijkt naar de kerkelijke kleur van kandidaten. Weliswaar bestaat er, voorzover mij bekend, geen formele regel die voorziet in een evenwichtige verdeling van de beschikbare plaatsen over vertegenwoordigers van verschillende kerken. Maar een kandidatenlijst waarop bijvoorbeeld de nummers 1 tot 8 alle tot de Gereformeerde Gemeenten behoren is absoluut ondenkbaar.
In het GPV mogen theologen zich vroeger duidelijk hebben laten horen, de invloed van predikanten binnen de SGP is altijd veel groter en duidelijker zichtbaar geweest dan in het GPV. Het is nog niet zo lang geleden dat de SGP in de Tweede Kamer werd vertegenwoordigd door predikanten. En nog altijd zijn hier en daar predikanten voorzitter van de plaatselijke SGP-afdelingen of zelfs gemeenteraadslid. Dat binnen de Christenunie theologen geen opvallende rol spelen heeft niet zozeer te maken met de lossere band tussen de partij en de verschillende kerken, maar met veranderingen in de visie op de positie van theologen en vooral dienstdoende predikanten. Ook in discussies over maatschappelijke vraagstukken binnen de achterban van de Christenunie spelen ze een geringere rol dan in de jaren ’50 en ’60 binnen de Gereformeerde Kerken.

Zo duidelijk is het verband tussen de troebelen binnen het GPV en zijn binding aan de Gereformeerde Kerken dus niet. Het lijkt me dat elke christelijke partij, wat haar relatie met één kerk dan wel verschillende kerken ook is, de invloed van kerkelijke conflicten ondergaat. En dan maakt het niet zoveel uit of die conflicten zich binnen één kerk afspelen dan wel de kerkelijke grenzen overschrijden. Met dat laatste heeft de Christenunie te maken. Dat blijkt met name uit de discussie over de vraag of leden van de partij die een homosexuele relatie hebben, de partij in politieke organen kunnen vertegenwoordigen. Kandidaten moeten de standpunten van de partij op een geloofwaardige en overtuigende manier uitdragen. Kunnen zij dat? In zijn bovengenoemde recensie gaat Douma daarop in.

Aan zijn proefschrift heeft Ewout Klei onder andere een stelling toegevoegd over dit onderwerp. De positie van homoseksuelen in de Christenunie lijkt op die van de niet-vrijgemaakten in het GPV: officieel is er een beetje ruimte voor ze, feitelijk is die ruimte er niet! (Douma gebruikt geen aanhalingstekens; ik weet dus niet of hij hier letterlijk citeert.) Douma wijst de parallel af. “Als ik (evenals Klei) vind dat de deuren van het GPV voor andere christenen dan vrijgemaakten al veel eerder dan in 1996 geopend hadden moeten worden, is er nog geen grond hetzelfde te zeggen als het over homoseksueel levende christenen gaat in de Christenunie. De Christenunie wil voor het gezin opkomen en keurt het homohuwelijk af. Wie kan een christelijke partij verbieden intern geen kandidaten voor te dragen voor publieke politieke functies als het over (homoseksueel) samenwonende kandidaten gaat?”

Hier maakt Douma zich er mijns inziens iets te gemakkelijk van af. De aanvaarding van kandidaten met een homosexuele relatie maakt het opkomen voor het gezin niet per definitie ongeloofwaardig. In zijn functie als minister van Jeugd en Gezin hanteerde André Rouvoet een definitie van het gezin waaronder ook een gezin met homosexuele partners viel. Zijn programmaministerie kende aan de zorg voor kinderen een centrale plaats toe. Het was voor hem een uitgemaakte zaak dat de overheid kinderen geen aandacht en zorg mag onthouden omdat die in een gezinsverband leven dat niet in overeenstemming is met wat christenen op grond van de Schrift onder ‘gezin’ verstaan.
De afwijzing van het homohuwelijk is ook geen sterk argument. Recent publiceerde het Nederlands Dagblad een interview met Monique Heger, die ooit als gemeenteraadslid voor de Christenunie moest opstappen vanwege het aangaan van een lesbische relatie en die sindsdien tevergeefs probeert weer een plek op een kandidatenlijst te krijgen. Ondanks haar relatie wijst ze het homohuwelijk resoluut van de hand. Dit is ook in overeenstemming met de argumentatie van de Christenunie tegen het homohuwelijk. Daaraan ligt niet de afwijzing van homosexuelen of van homosexuele relaties ten grondslag, maar de overtuiging dat het huwelijk exclusief bestemd is voor één man en één vrouw.

Het is niet zo eenvoudig een uitweg uit dit dilemma te vinden. Douma ziet als één van de grondfouten van het GPV dat de grondslag van de partij identiek was met die van de kerk. Hij wijst erop dat veel onderdelen van de confessie in de politieke praktijk helemaal niet aan de orde komen. “Als het onderwerp kinderdoop nooit aan de orde komt in de politiek, waarom kan een baptist dan niet meewerken aan een politiek program van actie, dat wel christelijk, maar daarom nog niet kerkelijk gekleurd is.” Eerder heeft hij ervan blijk gegeven dat hij ook ruimte ziet voor rooms-katholieken in de Christenunie. Dat kan uiteraard alleen wanneer de gereformeerde belijdenis uit de grondslag van de partij wordt geschrapt. Ik heb het vermoeden dat zonder de confessie de discussie over de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie alleen maar gecompliceerder wordt en wellicht geheel zal vastlopen. Daarover ga ik een volgende keer verder doordenken.