Archief

Posts Tagged ‘Mozes’

Eerst geloven

Archeologie is een fascinerende wetenschap. Wie wil nu niet allerlei zaken ontdekken over tijden waarvan we vrijwel niets weten, meestal omdat het ons aan schriftelijke bronnen ontbreekt? Soms komen bij nieuwbouwprojecten voorwerpen aan de oppervlakte die ons iets vertellen over het dagelijks leven van mensen die we hooguit uit de geschiedenisboekjes kennen maar van wie we ons geen enkele voorstelling kunnen maken. Dat worden dan ineens mensen van vlees en bloed. Deze en gene zou maar wat graag zelf aan opgravingen deelnemen, in de hoop de vondst van z’n leven te doen. Als er iets belangrijks gevonden wordt, haalt dat ook direct de media. Dat was een paar jaar geleden het geval toen door opgravingen het plaatsje Hardenberg, waarvan veel Nederlanders misschien nooit gehoord hadden, ineens op de kaart kwam te staan.

Maar archeologie heeft ook een andere kant. Er zijn gebieden in de wereld waar territoria het onderwerp van conflict tussen verschillende staten of volken zijn. En dan kunnen archeologische vondsten heel goed van pas komen om te bewijzen dat een bepaald gebied altijd al tot het territorium van een volk heeft behoord. Wie denkt hier niet direct aan het Midden-Oosten en dan in het bijzonder Israël? En inderdaad kunnen Israëlische archeologen het niet altijd laten, archeologische vondsten direct te claimen als bewijzen van de aanwezigheid van het Joodse volk in een bepaald gebied in oude tijden. Daarmee willen ze dan de bewering van de Palestijnen dat de Joden indringers zijn in een gebied dat altijd hun heeft toebehoord, weerleggen. Meer ‘neutrale’ collega’s reageren meestal met scepsis op zulke beweringen en het gebeurt nogal eens dat de aanvankelijke toeschrijvingen van archeologische vondsten later moeten worden gecorrigeerd.

Ik zette het begrip ‘neutraal’ zojuist tussen hoge komma’s. Dat deed ik niet voor niets. Want archeologie is geen waardevrije wetenschap. Dat is zeker het geval wanneer het om Israël gaat. Want dat is niet alleen het land waar de Joden wonen en een eigen staat hebben, het is ook het land van de bijbel. Hier hebben zich de meeste geschiedenissen afgespeeld die in de bijbel worden beschreven. En daarmee is de archeologie van Israël niet alleen maar politiek brandbaar, maar ook religieus/theologisch.

Nu en dan wordt iets gevonden dat wordt toegeschreven aan figuren die we uit de bijbel kennen. Recent ging het om een zegelring die aan Pontius Pilatus zou hebben toebehoord. De reacties op zulke toeschrijvingen zijn meestal vrij voorspelbaar. Er zijn archeologen die direct uiterst sceptisch reageren. Ze lijken er soms weinig tijd voor nodig te hebben om tot de conclusie te komen dat die toeschrijvingen ‘natuurlijk’ niet kunnen kloppen. Je kunt je niet helemaal aan de indruk onttrekken dat sommigen de gedachte dat een bepaalde archeologische vondst het bestaan van een bepaalde bijbelse figuur zou bevestigen, nauwelijks kunnen verdragen. Dat heeft alles te maken met hun visie op de Joodse geschiedenis en vooral de bijbelse geschiedschrijving. Het bestaan van een hoogontwikkelde cultuur in bijvoorbeeld de tijd van David en Salomo wordt betwijfeld of zelfs expliciet ontkend. Vanuit de overtuiging dat men pas laat de schrijfkunst machtig was, wordt het onwaarschijnlijk geacht dat bepaalde geschriften zijn ontstaan in de tijd die door veel Schriftgetrouwe exegeten als ontstaanstijd wordt aangenomen. Het is bepaald geen uitzondering dat archeologische vondsten worden beschouwd vanuit de eigen vooroordelen. Enige religiestress, zoals men dat tegenwoordig wel noemt, lijkt ook sommige archeologen niet vreemd te zijn.

Maar vooroordelen kunnen ook aan de andere kant het oordeel vertroebelen. Het valt wel op dat elke archeologische vondst die de historiciteit van een bijbels gegeven lijkt te ondersteunen, door christelijke media enthousiast onthaald wordt. Vaak zonder het oordeel van archeologen af te wachten, die een wat grotere afstand tot de materie of de vindplaats hebben, worden beweringen van de vinders als feit gemeld. Bij de hiervoor genoemde vondst van wat beweerd werd een zegelring van Pilatus te zijn, was dat ook het geval. Media als het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad maakten er zonder dralen melding van. Weliswaar werd in de berichtgeving de toeschrijving van enige reserves voorzien, maar in de koppen vielen die dan vaak grotendeels weg. En juist aansprekende koppen blijven bij de lezer hangen. De bewering dat het hier inderdaad om de zegelring van Pilatus zou gaan, is inmiddels niet meer te horen.

Het valt best te begrijpen dat christelijke media zo reageren. Ze spelen daarmee in op de belangstelling van de lezers. Die horen wel graag dat archeologische vondsten bewijzen dat wat ze in de bijbel lezen, inderdaad waar is. Oudere lezers zullen zich herinneren dat ooit een boek op de markt kwam met de uitdagende titel “De bijbel heeft toch gelijk”. De Duitse auteur, Werner Keller, publiceerde dit boek in 1955; het werd kort daarna in vertaling uitgebracht. Een herziene uitgave kwam in 1989 op de markt en ook die werd in het Nederlands vertaald. Voor de gemiddelde bijbellezer valt onmogelijk na te gaan of de beweringen in dit en vergelijkbare boeken wetenschappelijk gefundeerd zijn. Dat is niet erg, want het geloof dat de bijbel betrouwbaar is, ook in de beschrijving van historische personen en gebeurtenissen, hangt niet van archeologische vondsten of van geschreven buiten-bijbelse bronnen af. Alleen al de titel van het boek van Keller zou christenen die de bijbel lief is, kopschuw moeten maken. Dat de bijbel gelijk heeft, behoeft geen bewijs. Het getuigenis van de Schrift zelf is voldoende. Of je haar betrouwbaar acht hangt vooral af van de vraag of je de Auteur voor betrouwbaar houdt.

Dat neemt niet weg dat ook christenen graag een ‘neutrale’ bevestiging van hun geloof zouden zien. Het is een heel menselijke neiging om iets tastbaars te willen hebben dat het geloof kan versterken of sceptici over de streep zou kunnen trekken. ‘Eerst zien en dan geloven’: dat is een heel menselijke instelling, sinds het begin van de geschiedenis. En door de eeuwen heen hebben mensen gevraagd en gezocht naar bewijzen van Gods bestaan of van wat Hij zei. Het volk Israël maakte beelden in een poging zich de Onzienlijke concreet en tastbaar voor te stellen, van het gouden kalf onderweg naar het beloofde land tot de stierkalveren in Dan en Bethel bij de grondvesting van het tienstammenrijk. Na Jezus’ opstanding komen we het bij zijn leerling Thomas tegen: eerst zien en dan geloven.

Tot op de dag van vandaag is dat de wens van mensen die moeite hebben in God te geloven of dat geloof afwijzen. In het Nederlands Dagblad van 7 februari j.l. zegt Jan Slagter, oprichter/directeur van omroep MAX: “Ik hou er een simpele redenering op na: als God bestaat, kan Hij zich toch laten zien? Gelovigen zeggen: ‘God heeft Jezus gestuurd’, maar ik heb Hem nooit gezien. Jezus liep volgens de Bijbel over het water, dat heb ik ook nooit gezien. Waarom zo moeilijk? Als ik God was, zou ik zeggen: ‘Kom morgen om twaalf uur naar het Malieveld, dan kunnen jullie Mij allemaal zien.'”

Die gedachte kan ook gelovigen zo maar bekruipen, als ze geconfronteerd worden met mensen die weigeren zich aan Christus over te geven. Als Hij zich nu maar eens zou laten zien. Als Hij zich nu maar eens zou laten horen. Dan zou men wel overstag gaan. Zou het? De bijbel levert daarvoor geen bewijs. Integendeel. Tijdens Jezus’ rondwandeling op aarde zag men God, in de persoon van zijn zoon. In Johannes 14 zegt Hij: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?” Ze hebben Hem gezien, maar de meerderheid heeft Hem afgewezen. Zien doet niet geloven. In de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus dringt de eerste er op aan dat Abraham naar zijn broers zal gaan om hen voor het oordeel te waarschuwen. Maar Abraham antwoordt dat ze de profeten hebben. Wanneer iemand uit de doden opstaat, zal hen dat niet op andere gedachten brengen. En in het boek Openbaringen (hfst 16) lezen we dat de offerschalen met Gods woede op de aarde worden leeggegoten. God laat concreet zien dat Hij er is en wie Hij is. Maar de mensen bekeren zich niet. Ze lasteren God en breken niet met het leven dat ze leiden.

Wie zich niet door de Schrift laat overtuigen, zal ook niet door archeologische vondsten of door een stem uit de hemel overstag gaan. Daarvoor zit het ongeloof en het verzet tegen God te diep. Wie zoiets verwacht, peilt de kracht van het verzet onvoldoende en onderschat de macht en de invloed van Gods tegenstander.

Van heel veel door de bijbel vermelde personen en gebeurtenissen zijn geen archeologische of buiten-bijbelse schriftelijke ‘bewijzen’ gevonden. Dat kan gelovigen teleurstellen. God had er toch voor kunnen zorgen dat wat de bijbel zegt, door tastbare bewijzen wordt ondersteund? Natuurlijk had Hij dat kunnen doen. Maar kennelijk heeft Hij ervoor gekozen dat achterwege te laten. Hij wil dat we aan zijn Woord genoeg hebben. Hij wil op zijn Woord geloofd worden. Dat is ook dat wat de ‘geloofsgetuigen’ in Hebreeën 11 met elkaar verbindt. Ze vertrouwden op de belofte. Ze geloofden zonder te zien, omdat ze Hem betrouwbaar achtten.

Daarop komt het uiteindelijk aan. Eerst geloven. Het zien komt later wel.

Advertenties

Niets anders dan recht doen

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer worden de verkiezingsprogramma’s nagevlooid. Ze worden vanuit allerlei verschillende invalshoeken bekeken, bijvoorbeeld de economie, het beleid ten aanzien van de pensioenen of de opvattingen over de zorg. Daar komen interessante lijstjes uit. Kortgeleden werd ook een onderzoek gepubliceerd vanuit de vraag hoe de verschillende partijen met de rechtsstaat omgaan. Worden er voorstellen gedaan die een inbreuk maken op de rechtsstaat of staan in de verkiezingsprogramma’s plannen om die rechtsstaat te versterken? Het beeld was niet verheffend. Vrijwel alle partijen doen voorstellen die de rechtsstaat in meerdere of mindere mate verzwakken. Eén partij sprong er positief uit. De Christenunie doet geen enkel voorstel dat de rechtsstaat aantast, maar komt daarentegen met verschillende voorstellen die deze juist sterker maken.

De Christenunie is trots op deze uitkomst en met recht. Het gaat hier bepaald niet om een bijzaak, al zullen veel christelijke kiezers andere onderwerpen belangrijker vinden. Mijns inziens is er alle reden de bescherming van de rechtsstaat als een kerntaak van christelijke politiek te beschouwen.

Wat is precies een rechtsstaat? Op de site van Prodemos vinden we deze definitie: “Een rechtsstaat is een staat waarin vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. Bovendien geniet de burger bescherming van zijn rechten en vrijheden, tegen medeburgers én tegen de overheid.” Verschillende elementen zijn essentieel voor de rechtsstaat. Het eerste is dat het recht het hoogste gezag heeft. “In het woordenboek wordt de rechtsstaat omschreven als een ‘staat die het recht als hoogste gezag handhaaft’. De rechter bepaalt of iemand zich aan de wet heeft gehouden of niet. Als iemand de wet heeft overtreden, dan kan de rechter een straf en/of een verbod opleggen.” Vervolgens gaat het om vrijheden en grondrechten: “In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid beperkt door wetten, regels en gewoonten. De inwoners van die staat hebben fundamentele vrijheden en grondrechten.” De burger wordt beschermd tegen machtsmisbruik: “Het doel van de rechtsstaat is om de burgers te beschermen tegen machtsmisbruik van de overheid. Ook de overheid moet zich aan de wet houden en mag dus de vrijheden en rechten van de burgers niet zomaar beperken of afpakken.”

Vervolgens worden de vier belangrijkste onderdelen van de rechtsstaat opgesomd: grondrechten, scheiding van de machten, legaliteitsbeginsel en onafhankelijke rechtspraak. Die worden vervolgens nader uitgewerkt. Wie daarover meer wil weten, kan op de desbetreffende site terecht. Mij gaat het hier nu om de vraag waarom de verdediging van de rechtsstaat voor een christelijke politieke partij een kernpunt zou moeten zijn.

Je kunt dit beargumenteren vanuit eigenbelang. Veel christenen zullen er op die manier tegenaan kijken. Juist minderheden hebben veel profijt van de rechtsstaat, omdat die hun rechten en vrijheden garandeert die het gevaar lopen aangetast te worden wanneer een anders-godsdienstige of seculiere meerderheid die maar lastig of onzinnig vindt. Het wordt al wat anders wanneer hun er op gewezen wordt dat diezelfde vrijheden dan ook aan andere (godsdienstige) minderheden toekomen. Daarvoor krijgt een christelijk politicus wat minder handen op elkaar. Toch is dit een direct uitvloeisel van wat Jezus zijn leerlingen voorhoudt: behandel anderen zo als je zelf behandeld wilt worden. Dat is dus positief geformuleerd en niet vanuit zelfbehoud, in de zin van: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook anderen niet.

Maar christelijke politiek gaat niet over belangen van een bepaalde groep burgers. Een christelijke partij is geen belangenpartij of zou dat in elk geval niet moeten zijn. Christelijke politiek streeft naar het goede voor alle mensen. Dat is in overeenstemming met de boodschap die de profeet Jeremia aan het Joodse volk in Babylonische ballingschap voorhield. Wie zich realiseert dat christenen zich in een vergelijkbare situatie bevinden – zij het in overdrachtelijke zin – kan hieraan de motivatie ontlenen om een beleid te ontwikkelen met het oog op de hele samenleving. Niet voor niets noemde het voormalige GPV – één van de partijen die opging in de Christenunie – haar politiek ‘nationaal gereformeerd’. Dat had niets met nationalisme te maken, maar daarmee wilde die partij duidelijk maken dat ze het belang van de gehele bevolking op het oog had.

De bescherming en verdediging van de rechtsstaat moet daarom uitgaan boven het eigenbelang. Er zijn goede principiële argumenten aan te voeren voor de stelling dat dit een centraal element van christelijke politiek moet zijn. Rechtvaardigheid, gerechtigheid, recht doen – die begrippen vormen een rode draad door het Oude Testament. Vooral in het optreden van de profeten komt dit herhaaldelijk naar voren. Eén van de bekendste teksten is Micha 6,8: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God”. Deze tekst wordt vaak gebruikt om te pleiten voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld. De zogenaamde Micha-campagne heeft om die reden zijn naam met deze profeet gesierd. Maar het belang van deze tekst reikt verder. Je zou deze tekst als een oudtestamentische samenvatting van de Tien Geboden kunnen beschouwen.

Als we het over rechtvaardigheid hebben gaat het niet maar alleen om economische en sociale rechtvaardigheid. Micha spreekt over “recht doen”: dat heeft alles met de inrichting van de staat en de samenleving te maken. Recht doen betekent ervoor zorgen dat iedere burger letterlijk tot zijn recht kan komen, dat wil ook zeggen: zijn recht kan halen. In de zogenaamde mozaïsche wetgeving – de wetten en regels die Mozes namens God voorhoudt als kenmerken van het goede leven – vinden we allerlei concrete aanwijzingen hoe elk mens recht gedaan moet worden. Mozes vermaant het volk in de rechtspraak de rijke niet naar de ogen te zien en de arme niet voor te trekken. Dat kan worden vertaald naar één van de principes van de rechtsstaat: iedere burger is gelijk voor de wet. Dat raakt in de eerste plaats de manier waarop recht gesproken wordt, maar ook de toegang tot het recht. Heel concreet betekent dit dat geen financiële belemmeringen mogen worden opgeworpen die tot gevolg hebben dat wie over onvoldoende financiële middelen beschikt, niet dezelfde juridische mogelijkheden heeft als wie wat beter in de slappe was zit.

Er zit nog een kant aan. Rechten en vrijheden gelden in gelijke mate voor alle burgers. Grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst – inclusief de vrijheid daaraan publiek uiting te geven – en de vrijheid van onderwijs zijn niet tot bepaalde groepen in de samenleving beperkt. Wie deze vrijheden voor christenen verdedigt kan niet tegelijkertijd ervoor pleiten die aan andere minderheden, zoals moslims, te onthouden. Vanuit dit principe is er ook geen reden van immigranten die de Nederlandse nationaliteit willen ontvangen, te verlangen een participatieverklaring te ondertekenen terwijl geboren Nederlanders daarvan gevrijwaard blijven.

De zojuist genoemde aspecten betreffen vooral de grondrechten. Wie de politieke en maatschappelijke discussies van de laatste jaren heeft gevolgd, zal weten dat deze nogal onder druk staan. Maar ook een ander substantieel element van de rechtsstaat wordt bedreigd: de onafhankelijke rechtspraak. Politici reageren op hun politiek onwelgevallige rechterlijke uitspraken door de onafhankelijkheid van de rechters ter discussie te stellen. Daarmee wordt maar niet de positie van specifieke rechters ondergraven, maar het fundament van de rechtsstaat. Juist in een sterk verdeelde samenleving zou de onafhankelijke rechtspraak een bindmiddel moeten zijn. Wanneer (belangen)conflicten ontstaan, kan een beroep op de rechter gedaan worden om recht te spreken volgens de normen die de wet daarvoor aanreikt. Doordat wetten door een democratisch gekozen parlement zijn vastgesteld, bezitten ze legitimiteit. Natuurlijk valt niet uit te sluiten dat rechterlijke uitspraken door de politieke opvattingen van rechters gekleurd worden. Maar onze rechtsstaat kent allerlei mogelijkheden van beroep, waardoor eventuele eenzijdigheden kunnen worden gecorrigeerd. Het is dus van groot belang dat de mogelijkheden tot een beroep op hogere rechters niet wordt beperkt. Van even groot belang is dat de burger die zich tekort gedaan voelt, een beroep op bovennationale organen kan doen, die toetsen of wetten de rechten van individuele burgers of groepen van burgers niet aantasten. Dat is een belangrijke verdedigingslinie tegen de aantasting van bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid.

Ieder mens is een schepsel van God. Daarin ligt de uiteindelijke motivatie om aan hem of haar recht te doen. Recht is meer dan politiek; het is ook ethiek. In het recht doen aan alle mensen komt tot uiting of we nederig de weg van onze God willen gaan.

Preek als wegwijzer

In de Apostolische Geloofsbelijdenis belijdt de kerk dat ze een gemeenschap van heiligen is. Daarin onderscheidt ze zich in toenemende mate van de samenleving die in sterke mate is geïndividualiseerd. Die gemeenschap komt vooral tot uiting in samenkomsten – van klein tot groot – van haar leden. Erediensten nemen daarbij een speciale plaats in. Alleen daar komt iedereen die tot die gemeenschap behoort, onafhankelijk van status, afkomst of karakter.

De eredienst heeft oude papieren. Al direct na Jezus’ hemelvaart lezen we dat zijn volgelingen bijeen zijn. Na de Pinksterdag is het één van de opvallendste kenmerken van de ‘nieuwe’ godsdienst: de aanhangers zijn eendrachtig bijeen, breken het brood en loven God. Maar we kunnen nog verder teruggaan, naar de tempeldienst van het Oude Testament. Uiteindelijk komen we bij Enos terecht, de kleinzoon van Adam en Eva. “In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen” (Gen. 4,26).

Wanneer de eredienst zo’n centrale plaats in het leven van christenen heeft, is het geen wonder dat daarover regelmatig van gedachten wordt gewisseld. Er wordt over gesproken en geschreven en er zijn maar weinig mensen die er geen mening over hebben. In reformatorische kring is altijd veel aandacht geweest voor de rol van de preek in de eredienst. De opkomst van de liturgische beweging, die de bestaande gebruiken ten aanzien van de inrichting van de eredienst aan fundamentele kritiek onderwierp, werd kritisch tegemoet getreden. De grotere aandacht voor met name de muzikale elementen in de eredienst werd als een bedreiging voor de preek gezien. Die zou daardoor aan belang inboeten, aan kracht verliezen en worden gereduceerd tot slechts één onderdeel van de eredienst.

Inmiddels is er ook in die kerken veel veranderd. De liturgie is op de schop gegaan, er wordt meer aandacht aan de muzikale onderdelen besteed en ook andere elementen in de liturgie – bijvoorbeeld de sacramenten – krijgen meer aandacht dan voorheen. Heeft dat de positie van de preek aangetast? Het antwoord op die vraag hangt waarschijnlijk van de persoonlijke ervaringen af alsmede van wat men van de preek verwacht. Het lijdt weinig twijfel dat de preken in het algemeen korter geworden zijn. Dat hoeft op zichzelf niet te betekenen dat ze aan inhoud verliezen. Sommige predikanten hebben de gave met weinig woorden veel te zeggen, zoals ik zelf regelmatig mag ervaren. Een lange preek heeft niet per definitie meer diepgang; daarvan zal iedereen waarschijnlijk wel een voorbeeld kunnen noemen.

Hoewel aan andere elementen in de liturgie een groter gewicht wordt toegekend dan vroeger lijkt de preek voor de meeste kerkgangers nog steeds de kern van de eredienst te zijn. Wanneer een predikant beroepen moet worden, gaat de gemeente in de eerste plaats kritisch naar zijn preken luisteren. Wanneer die – om welke reden dan ook – niet aanspreken of als onvoldoende worden beschouwd, is de kans klein dat de desbetreffende predikant beroepen wordt, wat zijn overige kwaliteiten ook mogen zijn. Tenslotte is de preek zo ongeveer het enige van een predikant waarmee elk gemeentelid te maken krijgt.

Met de kwaliteit van de preek staat of valt voor de meeste kerkleden de eredienst. Het is de vraag of dat terecht is. In de eredienst staat het Woord van God centraal. Dat komt in de eerste plaats tot uiting in de Schriftlezing. In Jesaja 55 zegt God dat het woord dat uit Zijn mond komt, niet vruchteloos naar Hem terugkeert. Wanneer de preek tegenvalt betekent dat nog niet dat de dienst als geheel niet gezegend zou kunnen zijn. De Schriftlezing komt altijd op de eerste plaats; de preek is daarvan een afgeleide. In die zin heeft prof. Kees de Ruijter gelijk wanneer hij het gewicht van de preek reduceert, zoals hij recent tijdens een studiedag deed (Nederlands Dagblad, 11.4.15). (Dat is overigens bepaald geen originele gedachte). Daarmee is de preek nog niet noodzakelijkerwijs gereduceerd tot “preekje”, zoals een scribent in het Nederlands Dagblad suggereerde (17.4.15).

De eredienst is geen ‘preekdienst’, maar ‘Woorddienst’. Dat betekent dat in de hele eredienst het Woord centraal moet staan. Het gaat in de liturgie immers, zoals De Ruijter zegt, om “het eren van de naam van God”. Dat gebeurt allereerst door Hem aan het woord te laten. Maar dat beperkt zich niet tot de Schriftlezing en de preek. Elk onderdeel van de liturgie is Woordverkondiging. Of zou dat althans moeten zijn. Het probleem in discussies over de prediking en de liturgie is dat de preek vaak geïsoleerd behandeld wordt. Dat gebeurt zowel wanneer de vrees geuit wordt dat de preek aan gewicht verliest als wanneer gepleit wordt voor een reductie van haar gewicht ten behoeve van andere elementen van de liturgie.

Wie wil voorkomen dat preek en liturgie concurrenten worden, moet streven naar een eenheid tussen beide. Er hoeft geen enkel bezwaar tegen te bestaan wanneer er in de dienst veel gezongen wordt, zelfs niet wanneer de preek daardoor iets korter moet uitvallen. Voorwaarde is dan wel dat in die liederen de Woordverkondiging wordt voortgezet. Juist daar wringt in reformatorische kerken steeds vaker de schoen. Want er zijn sinds het begin van deze eeuw allerlei liederen in de liturgie binnengeslopen die ongeschikt zijn als Woordverkondiging. Er worden uit allerlei bundels liederen geselecteerd die – in het ergste geval – op gespannen voet staan met de leer van de Schrift – die ook de leer van de kerk is – of in elk geval qua woordgebruik en toonhoogte nogal ver afstaan van de Schrift. Wie streeft naar een eenheid in de liturgie tussen Schriftlezing, prediking en liederen zou in elk geval het boek van de psalmen centraal moeten stellen. Dichter bij de Schrift dan de psalmen kan geen enkel lied komen. Daarnaast zijn er ook andere liederen – bijvoorbeeld in het Liedboek voor de Kerken – die nauw aansluiten bij de Schrift en soms zelfs specifiek refereren aan een bepaald Schriftgedeelte. Juist de noodzaak van een eenheid in de liturgie en het vermijden van een heilloze concurrentie tussen prediking en lied pleit voor een kerkverbandelijk vaststellen van een canon van voor de eredienst geschikte liederen.

Moeten we tot de conclusie komen dat de preek niet wordt bedreigd en dat er geen gevaar bestaat dat ze wordt gereduceerd tot “preekje”? Zeker niet. Er is alle reden de ontwikkelingen op dit vlak kritisch te volgen. Er zijn zeker tekenen dat de prediking niet altijd voldoende serieus genomen wordt. Sommige predikanten lijken zich als entertainer te zien die met allerlei fratsen moet proberen zijn publiek aan zich te binden. Sommigen drukken een zodanig sterk persoonlijk stempel op de dienst dat ze het gevaar lopen tussen de gelovigen en God in te gaan staan. Het is ook onmiskenbaar dat het belang van de preek soms gereduceerd wordt, vaak gepaard gaande met een relativering van het ambt van de predikant.

“Ik kom nu nog veel preken tegen die de tekst uitleggen en niet ingaan op de werkelijkheid van de gemeente in het hier en nu”, zegt prof. De Ruijter. Dat zal dan wel, maar ik heb die ervaring niet. Ik ken wel voorbeelden van het omgekeerde: het leven in het hier en nu staat centraal en de voorganger verkondigt een boodschap waarbij de gekozen tekst slechts als kapstok dient en uit zijn historische context wordt gelicht. Dat lijkt me een groter gevaar, want dan is de boodschap op drijfzand gebaseerd.

Woordverkondiging is breder dan de prediking. Maar dat betekent niet dat de preek een quantité négligeable is. In de Schrift komt het belang van de prediking herhaaldelijk aan de orde. Het Formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords, zoals dat functioneert in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), bevat diverse verwijzingen naar de apostolische brieven. Ook in de beschrijvingen van het leven van de eerste gemeenten in het boek Handelingen komt het belang van de prediking naar voren. We kunnen zelfs terug gaan naar het Oude Testament. In Deuteronomium neemt Mozes afscheid van het volk met een lange redevoering, die men als een oudtestamentische preek kan beschouwen. Hij scherpt het volk de bepalingen van de wet nog eens in en past die toe. De profeten krijgen directe opdrachten en openbaringen van God, maar verwijzen voortdurend naar de Schrift – in hun tijd de boeken van Mozes. De profeet Ezechiël krijgt een zware opdracht: hij wordt tot wachter over Gods volk aangesteld (Ez. 3,16-21). Het zieleheil van Zijn kinderen hangt voor een deel van zijn inspanningen af. Dat was een specifieke opdracht voor Ezechiël en kan niet één op één naar voorgangers in onze tijd worden overgezet. Maar wel wordt hieruit duidelijk hoe zwaar de verantwoordelijkheid van voorgangers is.

In het al genoemde bevestigingsformulier wordt de gemeente opgeroepen haar voorganger te gehoorzamen en zich aan hem te onderwerpen, “want hij waakt over uw zielen en zal voor God rekenschap moeten afleggen”. De te bevestigen predikant wordt voorgehouden dat hij – samen met de ouderlingen – de sleutels van het hemelrijk bedient. Eén van die sleutels is, volgens Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus, “de verkondiging van het evangelie”. De preek van Mozes is daarvan een indrukwekkend voorbeeld.

Van wijlen prof. C. Trimp is de uitspraak opgetekend: “Wij zijn niet op weg naar de eeuwige preek, maar wel naar de eeuwige lofzang.” Daaruit mag niet worden afgeleid dat de preek van ondergeschikt belang is. Regelmatige prediking is noodzakelijk als wegwijzer naar de eeuwige lofzang. Want anders lopen we het gevaar onderweg te verdwalen en het doel te missen.