Archief

Posts Tagged ‘naastenliefde’

Orgaandonatie: Wie zwijgt stemt toe?

Met enige regelmaat is orgaandonatie een onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie. Ook recent werd daarover weer van mening gewisseld in de Tweede Kamer en in de pers. Politiek gezien draait alles om een voorstel van D66 een ‘actief donorregistratiesysteem’ in te voeren. Het is in de Tweede Kamer niet tot een stemming gekomen. Aangezien de CDA-fractie het voorstel unaniem afwees, was op voorhand duidelijk dat er geen meerderheid voor was. Dat het nu – opnieuw – afgewezen is, wil niet zeggen dat het op termijn niet weer op tafel komt. D66 zal ongetwijfeld blijven proberen dit systeem ingevoerd te krijgen. Zoals het er nu naar uitziet zal dat alleen lukken wanneer deze partij bereid is het voorstel substantieel te wijzigen. Maar de komende verkiezingen kunnen ook roet in het eten gooien. De PVV is bijvoorbeeld een tegenstander van het D66-voorstel en wanneer die bij de komende verkiezingen een substantiële winst zou behalen, zal de steun voor het D66-plan nog verder afkalven.

De problemen rond de donorregistratie zijn niet te ontkennen. Van overheidswege wordt gestimuleerd dat mensen laten weten of ze bereid zijn na hun dood organen voor transplantatie af te staan. Ze kunnen ook specificeren welke organen ze eventueel willen afstaan. Daarnaast is het uiteraard mogelijk ervoor te kiezen geen donor te zijn. Tenslotte kan men ook aangeven dat men de beslissing aan de nabestaanden wil overlaten. Maar desondanks zijn er nog heel veel mensen die geen keuze maken. Dat is de reden dat D66 het over een andere boeg wil gooien. Haar voorstel houdt in dat iedere burger op enkele momenten wordt gevraagd te laten weten wat zijn beslissing is. Hij kan dan dezelfde keuzen maken als in het huidige ‘geen-bezwaar-systeem’. Het verschil is dat wanneer hij geen keuze maakt – opzettelijk, uit slordigheid of vergeetachtigheid – hij geacht wordt toestemming te geven zijn bruikbare organen na zijn dood voor transplantatiedoeleinden te gebruiken.

Ook in christelijke kring is het nodige over dit onderwerp geschreven. Het belangrijkste argument ten gunste van orgaandonatie is het gebod tot naastenliefde. In een recente weblog schrijft ds. Ernst Leeftink: “Volgens mij moeten christenen in deze diskussie de woorden van Jezus onze Heer uit Matteüs 7:12 en Lukas 6:31 zwaar laten wegen: Behandel anderen steeds zoals je wilt dat ze jullie behandelen (NBV) / Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo (NV’51).” Wat opvalt is dat hij hier spreekt over “zwaar laten wegen”. Dat suggereert de ruimte om ook andere elementen in de overwegingen te betrekken. Hij trekt uit dit gebod ook niet de conclusie dat iedereen bereid moet zijn zijn organen na zijn dood ter beschikking te stellen. Daarvoor lijkt me ook weinig grond, al was het maar dat in bijbelse tijd orgaantransplantatie helemaal niet bestond. Er zijn allerlei onderwerpen die in de tijd dat de Schrift ontstond nog buiten beeld waren. In zulke gevallen moeten christenen die de bijbel als richtinggevend voor hun leven beschouwen, een vertaalslag maken. In dit geval betekent het dat gekeken moet worden hoe bijvoorbeeld over het lichaam en de dood wordt gesproken en over de relatie tussen mensen.

Vanuit dit perspectief is het dan wel merkwaardig dat Leeftink in een ander verband wel de term ‘onchristelijk’ gebruikt. Dat doet hij in het kader van zijn kritiek op het standpunt van de ChristenUnie. Die wil – kort samengevat – wel dringen maar niet dwingen. Leeftink merkt op: “Op http://www.donorregister.nl kan iedereen invullen of men wel of geen orgaandonor wil zijn. Maar het heeft onvoldoende geholpen. Na tien jaar neemt bijna 60% van de Nederlanders nog steeds niet z’n verantwoordelijkheid.” Door het D66-voorstel af te wijzen “stimuleert ze laksheid en ongeïnteresseerdheid. En bevordert ze gebrek aan naastenliefde.” Eerder schreef hij: “Die laksheid vind ik onchristelijk”. Kort gezegd: niemand is, ook niet op grond van de Schrift, verplicht zijn organen na zijn dood beschikbaar te stellen, maar wel om een keuze te maken. Dat is een vreemde positiekeuze. Hoe kan vanuit de Schrift het maken van een keuze als morele plicht gekwalificeerd worden? Wie van mening is dat het ieders vrijheid is eventueel ook orgaandonatie af te wijzen, kan niet hard maken dat het maken van een keuze – welke dan ook – een christelijke plicht is.

De crux van de kwestie zit in de consequentie van het niet maken van een keuze. In het D66-voorstel betekent dit dat uitgegaan wordt van toestemming. Oftewel: wie zwijgt, stemt toe. Leeftink vindt dat een logische stap. “Maar als iemand gewoon de moeite niet neemt om na herhaalde oproepen het donorregistratieformulier in te vullen, is het een hele logische stap om te zeggen: ‘Wie zwijgt, stemt toe'”. Mij ontgaat die logica. Want we raken hier aan de vraag wat de bevoegdheid van de overheid is en hoever die reikt. In Nederland is de overheid over het algemeen erg terughoudend in te grijpen in het persoonlijk leven van mensen, vooral als hun identiteit en diepste overtuigingen in het geding zijn. Polio is een uiterst besmettelijke ziekte en de overheid stimuleert de inenting van kinderen daartegen. Maar zoals bekend zijn er kringen in Nederland die op godsdienstige gronden zo’n inenting afwijzen. Zij worden daartoe niet gedwongen. Na de laatste uitbraak van polio werd opnieuw gepleit voor dwang. Maar tot nu toe heeft de overheid die aandrang altijd weerstaan. De overheid dringt wel maar dwingt niet. Er moeten hele zwaarwegende redenen zijn om tot dwang over te gaan, bijvoorbeeld wanneer de nationale volksgezondheid of de openbare orde in gevaar zijn. Zolang daarvan geen sprake is, ontbreekt een grond voor dwang.

Het leed van degenen die dringend een orgaan nodig hebben, mogen we niet onderschatten. Maar de nationale volksgezondheid is hier niet in het geding. Hier komen we bij een essentiële vraag die nogal gevoelig ligt maar niet over het hoofd gezien mag worden. Kunnen degenen die een orgaan nodig hebben, daarop wel aanspraak maken? Uiteraard hebben zij, net als elke zieke, recht op optimale zorg en op middelen die verlichting geven of zelfs tot genezing kunnen leiden. Wanneer er bijvoorbeeld dure kunstorganen of behandelmethoden zijn, komt in principe elke patiënt daarvoor in aanmerking. Hier mag geen onderscheid gemaakt worden op grond van draagkracht of sociale status. Maar daaruit vloeit niet het recht op menselijke organen voort. Vanuit belangenorganisaties wordt de indruk gewekt dat er een morele plicht bestaat voor mensen om na hun dood organen af te staan aan hen die ze nodig hebben. Maar zo’n recht bestaat niet. Juridisch uiteraard niet maar ook ethisch niet. Wanneer zelfs christelijke ethici in dit verband niet van een morele plicht durven spreken, valt niet aan te nemen dat er andere gronden te vinden zijn die zo’n opvatting rechtvaardigen. De ethicus Jochem Douma schreef eens: “Wie in elk mens een uniek beeld van God ziet, heeft niet voldoende respect voor het uniek persoonlijke, als hij het vanzelfsprekend vindt dat het lichaam na de dood ten bate van de gemeenschap gebruikt moet worden.”

Binnen de kerk mag en moet het onderwerp van de orgaandonatie aan de orde komen. Niet om daaruit dwingende conclusies te trekken. Bij een vertaalslag moet je altijd een slag om de arm houden. Maar wanneer we vanuit het bijbelse liefdegebod de bereidheid tot het afstaan van organen na het sterven als een daad van naastenliefde aanbevelen en niet meer dan dat, kan de overheid niet een stap verder gaan en dwang toepassen. Het is de verantwoordelijkheid van elke burger op grond van eigen levensbeschouwing een keuze te maken. Die kan de overheid voor niemand invullen. Het overheidsbeleid gaat altijd van een bepaalde ethiek uit, ook al wordt die zelden expliciet gemaakt. Die is dan de grond onder concrete overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld ten aanzien van sociale zekerheid of de opvang van vluchtelingen. Maar die ethiek kan niet aan de burger worden opgelegd. De overheid kan ertoe besluiten vluchtelingen op te vangen maar mag niet van individuele burgers vragen hun huis of hun tijd daarvoor ter beschikking te stellen. Na de recente aanslag in Orlando (VS) liep het storm bij de bloedbank. Het is mooi dat zoveel burgers bereid waren bloed te geven om de levens van gewonden te redden. Maar de overheid zou haar bevoegdheden ver overschrijden wanneer ze burgers zou dwingen bloed af te staan.

In onze democratische rechtsstaat staat het iedere burger vrij zich bij een organisatie aan te sluiten, zoals een politieke partij of een vakbond. Maar ieder is ook vrij dat niet te doen. Iedere stemgerechtigde burger mag bij verkiezingen zijn stem uitbrengen maar is ook vrij van dat recht geen gebruik te maken. Opkomstplicht, laat staan stemplicht, zijn in strijd met de burgerlijke vrijheden. De overheid moet met heel sterke en zwaarwegende argumenten komen om burgers te dwingen tot keuzen die hem in zijn persoonlijk leven raken. In het geval van orgaandonatie zijn die argumenten er niet.

Confrontatie met de vraag naar organen en drang om een keuze te maken is een goede zaak. Maar met dwang overschrijdt de overheid haar bevoegdheden. “Wie zwijgt stemt toe” is geen basis voor overheidsbeleid. Juist een christelijke partij moet zich tegen die dwang verzetten in het belang van een rechtsstaat die de individuele vrijheden respecteert.

Advertenties

Een lege huls

We leven in een tijd van economische crisis. Het woord ‘bezuinigen’ ligt op de lippen van vrijwel elke politicus bestorven. Dat er bezuinigd moet worden staat vast. De vraag is alleen: waarop? En dan beklimmen politieke partijen en hun vertegenwoordigers hun stokpaardjes. De noodzaak tot bezuinigen wordt dan al gauw een stok om de hond te slaan waaraan men toch al een hekel had. VVD en PVV lopen te hoop tegen ontwikkelingssamenwerking en ook de publieke omroep moet flink gekortwiekt worden. De inmiddels demissionaire minister Van Bijsterveld, die verantwoordelijk is voor omroepzaken, heeft de publieke omroepen tot fusies gedwongen. Dat leidt onder andere tot het samengaan van KRO en NCRV.

Er zullen wel niet veel luisteraars en kijkers zijn die het idee hebben dat hiermee iets wezenlijks verloren gaat. Er zullen wel verschillen zijn in presentatie en er is ook nog zoiets als ‘nestgeur’, maar inhoudelijke verschillen zijn nauwelijks te ontwaren. De vraag is gewettigd waarom nu uitgerekend deze omroepen gaan fuseren. Zou de NCRV, bijvoorbeeld, niet net zo goed met de AVRO een nieuwe omroep kunnen vormen? De laatste is weliswaar levensbeschouwelijk ‘neutraal’ – wat dat dan ook mag zijn – maar men mag zich afvragen of de NCRV dat in feite ook niet is.

Op 1 april van dit jaar schreef Willem Pekelder, tv-recensent van Trouw, een artikel in zijn eigen krant, waarin hij KRO en NCRV verwijt geen raad te weten met hun christelijke wortels. De titel van zijn artikel is veelzeggend: “De lege huls van KRO en NCRV”. “Hilversum weet zich geen raad met het christendom. Om het omroepbestel te redden, zouden NCRV en KRO zich juist op dat punt moeten onderscheiden. Maar die huren liever een marketingbureau in.”

De KRO zet in op ‘leefstijlgroepen’. “Voor veel geld worden elke vijf jaar nieuwe imagocampagnes gelanceerd waarin de omroepverenigingen ons vertellen wat nu weer hun nieuwe gezichten en bijbehorende slogans zijn. (…) Met deze saus overgieten de omroepen hun programma’s, zodat ze, elk op hun eigen manier, naar het pijpen van de de leefstijlgroepen kunnen dansen.” Maar: “Zodra er iets ‘echt katholieks’ kan worden verteld, haakt de KRO af.”

Volgens hem is het met de NCRV nog treuriger gesteld. “De NCRV wil, onder Haagse dwang, een fusie aangaan met de KRO, maar is Human, de Humanistische Omroep, niet veel geschikter? Het programma ‘Man bijt hond’ kan zo meeverhuizen. En het enthousiasme van de NCRV over de jaarlijkse ‘Week van de euthanasie’ zou ook heel goed bij de humanisten passen. Toen NCRV-presentatrice Jetske van den Elsen kortgeleden uitlegde hoe je je moet laten ‘ontdopen’, was er geen twijfel meer mogelijk: dit is een filiaal van de Human. De NCRV-slogan ‘Wij geloven in de mensen’ past er perfect bij.”

Het hier geschetste beeld is heel herkenbaar. Nederland had ooit veel christelijke organisaties, die op allerlei terreinen van het maatschappelijke leven actief waren, van scholen tot vakbonden. Veel van die organisaties zijn inmiddels gefuseerd. Soms waren dat fusies tussen protestantse en rooms-katholieke organisaties (denk aan het CNV en het CDA), soms ook ging een christelijke organisatie in een ‘algemene’ op. Maar ook nog bestaande christelijke organisaties hebben vaak een karakter waarin maar weinig specifiek christelijks is te ontdekken. Veel scholen zijn alleen nog door hun naam als christelijk te herkennen, maar nauwelijks of niet meer in de inhoud van het onderwijs. Veel ouders kiezen dan ook voor zulke scholen vanwege hun kwaliteit en niet vanwege hun ‘christelijke’ karakter. Het is dan geen wonder dat het bestaansrecht van zulke scholen ter discussie wordt gesteld. Naarmate er meer bezuinigd zal moeten worden, zullen ongetwijfeld ook op het vlak van het onderwijs vragen gesteld worden. Moet de overheid christelijk onderwijs subsidiëren, wanneer het zich niet principieel van het openbaar onderwijs onderscheidt?

Dat seculieren de zin van christelijke organisaties ter discussie stellen is logisch. Zij zien meestal de zin van religie helemaal niet en begrijpen niet wat daarvan de betekenis is. Daarover hoeven we ons niet te verbazen of op te winden. Ernstiger is – en dat is de strekking van Pekelders artikel – dat de christelijke organisaties zelf met hun ‘christelijkheid’ in de knoop zitten. De bovengenoemde omroepen zijn niet de enige. Het Nederlands Dagblad kopte op 2 juni: “CDA formuleert ‘christelijke’ standpunten wollig”. De partij presenteerde het verkiezingsprogramma onder de titel ‘Iedereen’. Dat is niet zo verschillend van de slogans die KRO en NCRV gebruiken: ‘Samen op de wereld’ en ‘Goed leven’. De partij richt zich niet meer alleen op christenen. Dat hoeft helemaal geen probleem te zijn: veel christelijke idealen kunnen ook weerklank vinden bij niet-christenen, zij het vanuit andere motieven. Maar dat is nog geen reden de eigen motivatie te verzwijgen en de eigen idealen zo te formuleren dat de christelijke oorsprong ervan onder het kleed verdwijnt. Christelijke organisaties lijken bevangen door de angst expliciet te verwijzen naar de bron waaruit ze zijn voortgekomen. Nu past het christenen zeker bescheiden te zijn, vooral wanneer men regelmatig wordt geconfronteerd met situaties in eigen kring die zich maar moeilijk met het christelijk geloof laten rijmen. Maar dat is geen reden dan maar helemaal in je schulp te kruipen en het belang van het christelijk geloof zodanig te relativeren dat er niets van overblijft.

Met de titel ‘Iedereen’ wil het CDA tot uitdrukking brengen dat iedereen meetelt. Dat is een uitstekend uitgangspunt voor een politieke partij, zeker in een tijd waarin mensen of groepen mensen door bepaalde partijen achteruitgesteld worden. Dezelfde motivatie drijft ook KRO en NCRV, en ook daartegen is niets in te brengen. Het is zelfs de taak van een christelijke omroep te proberen iedereen te bereiken. Het uitgangspunt dat iedereen meetelt mag er echter niet toe leiden dat dan alle opvattingen en leefstijlen gelijkgesteld worden en alle principiële verschillen worden uitgewist. Het valt te vrezen dat veel ‘christelijke’ organisaties zich hebben laten wijsmaken dat het niet gepast is de eigen overtuiging als de waarheid te presenteren. Die opvatting werd in een artikel in Trouw van 25 mei j.l. verwoord in een artikel van Herman van Koetsveld, theoloog en predikant, en Enis Odaci, voorzitter van de stichting Humanislam. Volgens hen worden jodendom, islam en christendom verbonden door één centraal begrip: liefde. “De liefde voor God is de liefde voor ieder mens naast je, als fundament voor een samenleving van recht, welzijn, vrede en compassie. De tijd is rijp om vanuit dit ‘gemeenschappelijke woord’ de godsdiensten grondig te hervormen. (…) Allereerst zullen wij moeten leren de religieuze claim op de waarheid los te laten. Het is eenvoudig vast te stellen dat er talloze manieren zijn om God, of het goddelijke, te zoeken. Niet alleen als een fenomeen, maar ook als een geestelijke werkelijkheid.”

Je hoeft geen overtuigd christen te zijn om in te zien dat deze redenering innerlijk tegenstrijdig is. De liefde wordt in feite geproclameerd als een nieuw dogma dat de typisch christelijke, islamitische en joodse dogma’s vervangt. De drie genoemde godsdiensten moeten hun claim op de waarheid laten vallen, maar de auteurs stellen daar een nieuwe claim tegenover, namelijk de liefde als “fundament voor een samenleving van recht, welzijn en compassie”. Het probleem is dat iedereen onder liefde iets anders verstaat. Zolang het begrip niet concreet wordt ingevuld, is het als fundament voor de samenleving ondeugdelijk.

De uitwerking die ze er zelf aan geven, is een hoogst persoonlijke toepassing die met veel aplomb naar voren wordt gebracht als iets waarover iedereen het vanzelfsprekend eens is en die daarom geen nadere argumentatie behoeft. Zo’n argumentatie ontbreekt dan ook in het artikel. In feite is maar weinig van wat ze beweren zonneklaar en onomstreden.

Vraag aan een zaal vol mensen wie er tegen ‘de liefde’ is en er zal geen enkele hand omhoog gaan. Maar daarmee is nog niet gezegd dat die ook daadwerkelijk in het samenleven van mensen functioneert. Veel mensen zijn best bereid tot naastenliefde. Maar die moet dan wel wederkerig zijn. Wanneer ze niet beantwoord wordt, is het met de naastenliefde meestal snel gedaan. Wanneer het aan de mens zelf wordt overgelaten het begrip liefde in te vullen, wordt het een speelbal van persoonlijke, hoogst subjectieve gevoelens.

De liefde kan ook zo worden ingevuld dat geen grenzen worden gesteld en bijna alles met de mantel van de liefde wordt bedekt. Dat is logisch, wanneer in de liefde de mens en zijn behoeften en verlangens in het middelpunt staan, ook wanneer die helemaal niet zo gezond zijn, voor de betrokkene zelf of voor de samenleving. De opvoeding draagt daar de sporen van. Er wordt de laatste tijd nogal eens geklaagd over ‘betutteling’ door de overheid, bijvoorbeeld als het gaat om drankgebruik of eetgewoonten, met name van jongeren. Die ‘betutteling’ is het gevolg van het feit dat ouders geen grenzen (durven) stellen. Liefde is vaak de motivatie voor vrijwel onbeperkte vrijheid en tolerantie, met alle gevolgen van dien.

Liefde, in het bijzonder naastenliefde, is een uitstekend uitgangspunt voor christelijke organisaties, of dat nu politieke partijen, maatschappelijke instellingen, scholen of omroepen betreft. Het betekent dat men het goede voor alle mensen zoekt, en dat is niets anders dan een bijbelse opdracht. Maar dat betekent dan ook dat die naastenliefde vanuit de bron, de Schrift, moet worden ingevuld. Jezus vat de Tien Geboden van het Oude Testament samen in de bekende tweeslag: het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste. Het tweede heeft haar wortel in en wordt ingevuld vanuit het eerste. Daarmee staat de naastenliefde altijd in het kader van de geboden van God, die het welzijn van de mens op het oog hebben.

De naastenliefde wist de grenzen tussen goed en kwaad niet uit, integendeel. Het lijkt heel menslievend iedereen te laten doen wat hem goeddunkt. Die ‘liefde’ is vaak een schaamlap voor wat in feite ongeïnteresseerdheid is. Echte naastenliefde laat mensen niet hun gang gaan in wat volgens de Schrift tot hun ondergang leidt. De mogelijkheden corrigerend op te treden in de samenleving zijn beperkt en maatschappelijke organisaties en politieke partijen kunnen vaak niet meer dan zaken aan de orde stellen en proberen anderen van de juistheid van hun inzichten te overtuigen. Maar dat kan alleen wanneer ze zelf ervan overtuigd zijn dat de bron waaruit ze putten, niet zomaar een mening is maar een geopenbaarde waarheid.

Wanneer naastenliefde wordt losgemaakt van haar bron wordt ze tot een lege huls. Ze kan niet dienen als fundament voor de samenleving, want ze is op zand gebouwd: het zand van het ‘geloof in de mens’. Om als fundament te kunnen functioneren dient ze gebouwd te zijn op de rots. En die rots is Christus (1 Cor. 10,4). Hij presenteert zichzelf als “de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14,6). Wanneer christenen de waarheid claimen, doen ze dat niet uit eigen beweging, maar in navolging van hem. Daarover valt geen compromis te sluiten. Dat is ook in het belang van de samenleving. Van Koetsveld en Odaci hopen dat godsdienst de “voedingsbodem (kan) worden voor een toekomst die gegrondvest is op de beginselen van de humaniteit”. Echte humaniteit ligt in de navolging van Christus. Dat is de boodschap die christelijke organisaties niet mogen verzwijgen.