Archief

Posts Tagged ‘Nader Bekeken’

GKV waarheen? (2)

30 juni 2019 1 reactie

In het eerste deel van deze serie blogs onder de titel ‘GKV waarheen’ analyseerde ik de situatie waarin de GKV zich bevinden. Ik sprak m’n vermoeden uit dat de komende Generale Synode de door de GS-Meppel ingeslagen weg zal vervolgen. En dan komen die leden van de GKV die hiertegen overwegende bezwaren hebben, voor de vraag te staan: wat nu? Die wil ik in deze blog onder ogen zien en daarbij neem ik de verschillende ‘alternatieven’ onder de loep. Daarbij kan de positie van de bezwaarden zelf niet buiten schot blijven. Want wie zich afvraagt: waarheen?, moet zich ook de vraag stellen wat hem of haar uit de GKV drijft en wat hij of zij elders zoekt.

Ter voorkoming van misverstanden een paar opmerkingen vooraf.

In de eerste plaats: wie verwacht hier het definitieve antwoord te vinden op de vraag ‘wat nu?’, zal teleurgesteld worden. Ik heb geen pasklaar antwoord. De eerste reden daarvan is dat ik me zelf nog midden in een proces van overwegen en afwegen bevind. De tweede is dat het antwoord op die vraag van allerlei factoren afhangt, waarvan ik er enkele in het verloop van het volgende verhaal naar voren zal halen.

In de tweede plaats: ik schrijf niemand voor wat hem of haar te doen staat. Ik ben niet in die positie en, zoals gezegd, er zijn allerlei factoren in het spel die van persoon tot persoon kunnen verschillen. Dat betekent dat bezwaarde leden van de GKV tot verschillende keuzes kunnen komen. Het is te hopen dat ze daarover in openheid en eerlijkheid met elkaar van gedachten kunnen wisselen zonder elkaar de maat te nemen.

Dat wil ik hier dan ook niet doen. Ik zal me over diverse zaken duidelijk uitspreken en positie kiezen. Maar de lezer dient dit niet op te vatten als een veroordeling van de keuze die hij eventueel maakt. Met mijn positiekeuze draag ik hopelijk bij tot de gedachtenvorming.

Dan nu dus de vraag: wat kunnen bezwaarde leden van de GKV doen, wanneer ze tot de conclusie komen dat ze niet langer lid van de GKV kunnen blijven?

In vroeger tijden hebben leden van de GKV, die bezwaren hadden tegen de koers van hun kerk, hun heil gezocht in de CGK. Dat is logisch, want sinds hun ontstaan hebben de GKV naar kerkelijke eenheid met de CGK gestreefd, die ze als een echte gereformeerde kerkgemeenschap beschouwden. Daarbij werd vooral gekeken naar de koers zoals die door achtereenvolgende Generale Synodes werd uitgezet, en niet zozeer naar wat zich op plaatselijk niveau afspeelde. Het feit dat de CGK in elk geval drie stromingen kent, werd niet als een overwegend bezwaar beschouwd. Inmiddels zijn de twee kerken officieel in staat van vereniging. Maar de laatste jaren is dat proces van vereniging in het slop geraakt.

Een duidelijk teken daarvan was dat het voornemen te komen tot een Gereformeerde Theologische Universiteit door de laatste Generale Synode van de CGK werd afgewezen. Daarin zouden de theologische universiteiten van GKV en CGK opgaan, samen met de predikantenopleiding van de NGK, en in samenwerking met de Gereformeerde Bond in de PKN. Officieel werden organisatorische kwesties als reden voor het besluit aangevoerd, maar het lijdt weinig twijfel dat de recente ontwikkelingen in de GKV daarbij een rol gespeeld hebben. Verzet tegen kerkelijke eenwording was er altijd al. Die kwam van de kant van de bevindelijke vleugel, verenigd rond het tijdschrift Bewaar het Pand. Ook de ‘linkervleugel’ had reserves en zocht liever toenadering tot de NGK en de PKN. Het synodebesluit laat zien dat nu ook het ‘klassiek-gereformeerde’ midden twijfels heeft over het proces van eenwording met de GKV.

Dat heeft niet alleen te maken met bijvoorbeeld de besluiten van de laatste Generale Synode van de GKV als zodanig, maar ook – en wellicht vooral – met de vrees dat een vereniging van de beide kerken ertoe zal leiden dat vergelijkbare ontwikkelingen in de CGK zelf worden versterkt. Want ook binnen dat kerkverband zijn er gemeenten die zich aan de besluiten van achtereenvolgende generale synodes niet al te veel gelegen laten liggen. Een extra probleem vormen de zogenaamde ‘samenwerkingsgemeenten’. De CGK plukken de vruchten van ongelukkige besluiten in het verleden die groen licht gaven aan gemeenten die met één been in de CGK en met het andere been in de GKV of de NGK staan. Praktisch gezien is zoiets al problematisch, want zulke gemeenten hebben met verschillende kerkverbanden en daar geldende, soms heel verschillende, regels te maken. Maar dat probleem wordt nog groter wanneer de respectievelijke kerkverbanden zich van elkaar verwijderen, zoals nu het geval is.

Inmiddels zijn ook de CGK een kerkverband in verwarring. Daarmee is hun aantrekkelijkheid voor bezwaarde leden van de GKV aanzienlijk verminderd. Want de kans is reëel dat zij, wanneer ze zich bij een CGK zouden aansluiten, op kortere of langere termijn met precies dezelfde problemen geconfronteerd zullen worden als die ze met het verlaten van de GKV achter zich dachten te hebben gelaten. Ze komen dus, nu of later, van de regen in de drup.

Er zijn leden van de GKV die zich hebben aangesloten bij een Gereformeerde-Bondsgemeente. Daar vinden ze veelal de prediking die ze gewend waren binnen de GKV te horen (zij het wellicht met wat andere accenten). Ik vermoed echter dat van degenen die vanwege de recente besluiten rond de ambten overwegen de GKV te verlaten, weinigen die stap zullen maken. Het ligt ook niet voor de hand. Eén van de bezwaren is immers dat de GKV het karakter van een plurale kerk beginnen aan te nemen. In mijn vorige blog wees ik al op het ontwerp van een kerkorde voor de kerk die uit de vereniging van GKV en NGK zal ontstaan. Die laat de plaatselijke kerken veel vrijheid, wat ongetwijfeld tot grotere, ook inhoudelijke, verschillen zal leiden. Het feit dat de GS-Meppel gemeenten de vrijheid gaf, de besluiten betreffende de ambten al dan niet uit te voeren en ook geen beperkingen oplegde met betrekking tot de principiële motivatie daarvan, bevestigt de ontwikkeling naar meer pluraliteit.

In dat licht is de keus voor een Gereformeerde-Bondsgemeente nogal merkwaardig. Want daarmee maakt men deel uit van de Protestantse Kerk in Nederland, waarin de pluraliteit betreffende de geloofsleer nog vele malen groter is dan binnen de GKV of zelfs binnen de voorgenomen verenigde kerk. Wie van mening is dat je bij de vraag of je nog langer lid kunt zijn van de GKV, niet alleen naar de eigen gemeente moet kijken, maar naar het kerkverband als geheel, zou dit ook bij de PKN moeten doen. Het lijkt me, kortom, voor bezwaarde leden van de GKV geen begaanbare weg.

Sinds de eeuwwisseling heeft een aantal bezwaarde leden de GKV verlaten, daaronder ook een aantal (emeritus-)predikanten. Daaruit zijn twee verschillende kerkverbanden ontstaan. Het oudste van de twee is De Gereformeerde Kerk (hersteld) (DGK), die op dit moment uit tien gemeenten bestaat. Van recentere datum is de vorming van De Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), die uit twaalf gemeenten bestaat. Het ligt voor de hand dat veel bezwaarden, die nu nog lid zijn van de GKV, vooral naar deze kerkverbanden kijken bij hun inventarisatie van de alternatieven. Qua karakter lijken ze op de GKV, waarin men is opgegroeid en zoals die nog tot de eeuwwisseling bestond. Die vertrouwdheid is een belangrijke factor.

Daar staat wel wat tegenover. Allereerst is er het praktische bezwaar van de regionale spreiding, of, beter gezegd, het gebrek daaraan. Bij zo’n klein aantal gemeenten is te verwachten dat de afstand voor een aantal GKV-leden bezwaarlijk is. Dat maakt het elke zondag deelnemen aan de erediensten problematisch, en zeker de betrokkenheid bij het kerkelijk leven door de week. Denk hier ook aan zaken als bijbelstudievereniging en catechisatie. Dat laatste is uiteraard een factor die zwaar weegt voor bezwaarden met kinderen in de catechisatieleeftijd.

Dan is er het probleem van de gescheidenheid van de twee kerkverbanden. Er zijn al diverse pogingen ondernomen om tot eenheid te komen, maar die hebben tot nu toe geen resultaat opgeleverd. Of een recente hernieuwde poging wel tot eenwording zal leiden, moet worden afgewacht. Er zijn redenen daar sceptisch over te zijn, want de beide kerkverbanden zijn toch wel redelijk verschillend in wat ik maar ‘ligging’ zal noemen. De DGK heeft al een aantal interne conflicten achter de rug, die over andere dan echt substantiële zaken gingen. Dat men dat in de DGK waarschijnlijk anders ziet, laat zien wat het probleem is. Wat uit de DGK naar buiten komt, ook via publicaties in hun tijdschrift De Bazuin (dat ik overigens alleen uit citaten in de pers ken), wekt de indruk dat dit kerkverband vooral gedreven wordt door nostalgie naar oude tijden. Men probeert de GKV van zo’n 40, 50 jaar geleden opnieuw tot leven te wekken. Daar hoort ook een rigiditeit bij, waarvan destijds de GKV bepaald niet vrij waren. Nostalgie mag een begrijpelijke emotie zijn, het kan niet dienen als basis voor een kerkverband anno nu.

De GKN staan hier wat anders in, maar ook dat kerkverband is niet van nostalgische smetten vrij. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de terugkeer naar de bijbelvertaling van 1951. Het zal best waar zijn dat er de nodige kritiek uit te oefenen valt op de Nieuwe Bijbelvertaling – maar op welke eigenlijk niet? – maar dat moet geen reden zijn dan terug te keren tot een vertaling die ook bepaald niet smetteloos is en alleen al qua taalgebruik nauwelijks meer bruikbaar is. Wie de Nieuwe Bijbelvertaling niet wil gebruiken, kan dan beter z’n toevlucht nemen tot de Herziene Statenvertaling.

Wat betekent dit voor degenen die nog lid zijn van de GKV en overwegen over te stappen naar een ander kerkverband?

Om te beginnen: de verdeeldheid tussen DGK en GKN is niet bepaald een goede reclame voor elk van beide. Het maakt ze niet aantrekkelijker. Van een vereniging van deze twee zou een signaal kunnen uitgaan dat leden van de GKV ertoe kan overhalen dan toch naar deze ‘verenigde herstelde GKV’ over te stappen. Of toch niet? Ik wil hier niet nalaten ook kritisch naar de bezwaarden te kijken (en daarbij sluit ik mezelf in). Zij moeten bij zichzelf nagaan, wat hun motieven zijn. Waarom willen ze weg uit de GKV en wat zoeken ze dan als alternatief?

Ik heb er in mijn vorige blog al op gewezen dat de uitslag van de stemmingen op de GS-Meppel laat zien dat er verschillen zijn tussen bezwaarden. Er waren kennelijk afgevaardigden die bezwaar hadden tegen het voorstel betreffende de ambten, maar positief stonden tegenover de voorgenomen fusie met de NGK. Wie kijkt naar de samenstelling van de redactie van Nader Bekeken, een tijdschrift dat men wellicht kan beschouwen als spreekbuis van de bezwaarden binnen de GKV, ziet daar lieden van verschillende pluimage als het om de opvattingen over de ter discussie staande zaken betreft. Verschillende auteurs, die in de loop van de jaren hun bezwaren hebben geuit tegen bepaalde ontwikkelingen binnen de GKV, onderschrijven de besluiten van de GS-Meppel ten aanzien van de ambten. Eén van de redactieleden liet zelfs een boekje verschijnen, waarin hij – zij het met enige reserve – de synodebesluiten verdedigt. Dat dit geschrift in eerste instantie verscheen in de serie boekjes die nauw gelieerd is aan Nader Bekeken maar de herdruk elders werd ondergebracht, laat al zien dat het in het kamp van de bezwaarden bepaald geen koekoek één zang is. Een zekere mate van wrijving is onmiskenbaar.

Wie wat rondkijkt en volgt wat er binnen de kerken gebeurt, ziet voortdurend de bevestiging van het gebrek aan eenheid. Er is geen sprake van twee ‘kampen’, die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De grenzen lopen kriskras door elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier waarop met de liturgie wordt omgegaan. Sommige predikanten uit het bezwaarde kamp maken ruimhartig gebruik van Opwekking en andere liedbundels, die geen officiële status binnen de GKV hebben, terwijl andere daarin veel terughoudender zijn. Sommige predikanten, die je in een aantal opzichten als ‘behoudend’ kunt aanmerken, hechten aan het gebruik van kerkelijk vastgestelde formulieren bij de bediening van de sacramenten en ook van de vastgestelde teksten bij het voorlezen van de wet. Anderen gaan daar veel vrijer mee om. Ik noemde al het voorbeeld van de bijbelvertaling. Ik heb tot nu toe geen structureel verzet tegen de Nieuwe Bijbelvertaling opgemerkt. Er zijn er zelfs die zich voor de introductie daarvan hebben ingezet. Ook over de manier waarop de toelating van gasten tot het avondmaal moet worden geregeld, bestaat geen uniformiteit. Deze verschillen doen zich ook voor onder ‘ambteloze’ kerkleden, die zich tot de ‘bezwaarden’ rekenen.

Nu zou men kunnen zeggen dat het hier niet om zaken gaat die de geloofsleer raken en dat ze dus van relatief minder belang zijn. Dat is ten dele waar, maar verschillende van die zaken hebben toch wel op de één of andere manier te maken met de wijze waarop je als kerken wilt samenleven. En het gebruik van Opwekking roept allerlei vragen ten aanzien van het karakter van de liturgie op, waarover je best een stevige discussie kunt hebben. Bovendien wekken deze zaken, die vrijwel iedereen raken, nogal eens sterke emoties op, waaraan een kerkelijke gemeenschap niet zonder meer voorbij kan gaan. Het lijkt me eerlijk gezegd een illusie dat alle bezwaarden die zich nu nog binnen de GKV ophouden – inclusief een aantal predikanten – zich moeiteloos laten invoegen in de DGK of de GKN dan wel een combinatie van die twee.

Er is nog een kwestie die hier aan de orde moet komen. Die betreft de betrokkenheid van de kerk op de samenleving. Ook op dat vlak hebben de GKV een ommezwaai gemaakt. Vroeger was het uitgangspunt dat de kerk zich niet mengde in maatschappelijke en politieke aangelegenheden. (In de praktijk gebeurde dit wel degelijk, zoals ik noteerde in een eerdere blog.) Daartoe aangezet door de prediking in de kerk, zouden haar leden in politiek en maatschappij actief moeten worden en daar hun geloof in praktijk moeten brengen. Inmiddels is dat uitgangspunt verlaten (mede doordat allerlei organisaties hun exclusieve band met de GKV hebben losgelaten). Kerken houden zich nu als kerk bezig met maatschappelijke vraagstukken, zoals eenzaamheid, armoede en integratie van allochtonen. Hulp aan vluchtelingen en asielzoekers is niet meer een activiteit van individuele kerkleden, maar wordt gestimuleerd vanuit de kerk, via de diaconie en door middel van preken en voorbeden. Ook uit de bestemming van collecten blijkt die betrokkenheid bij maatschappelijke en politieke kwesties; denk aan de voedselbank of Schuldhulpmaatje.

Er valt genoeg te bekritiseren aan de ontwikkelingen in de GKV, maar dit beschouw ik als een positieve ontwikkeling. Maar ik denk dat niet iedere ‘bezwaarde’ dat zo ziet. De vraag is dus hoe een ‘nieuwe’ kerkgemeenschap – of een uitbreiding van GKN en/of DGK – zich op dat vlak zal gedragen. Gezien het feit dat sommige bezwaarden hun stem aan de SGP geven, die een uitgesproken conservatief geluid laat horen, doet me vermoeden dat ook hier een bron van spanningen ligt.

Als ik de ontwikkelingen binnen de GKV en de ‘tegenbeweging’ analyseer, kan ik onmogelijk erg optimistisch zijn. Veel bezwaarde GKV-leden wachten op de eerstvolgende Generale Synode. Mij lijkt dit formeel correct, maar ook niet meer dan dat. Er is wel veel fantasie voor nodig om te geloven dat deze synode de gesignaleerde problemen zodanig zal aanpakken dat de GKV met recht de naam ‘gereformeerd’ mogen blijven dragen. De ontwerp-kerkorde van de gefuseerde GKV/NGK bevestigt deze ontwikkelingen en laat zien dat de gefuseerde kerk vooral op de NGK zal gaan lijken en nog maar weinig gemeen zal hebben met de GKV, zoals die tot het begin van deze eeuw was.

Op grond daarvan lijkt een breuk onafwendbaar. Maar zal dat leiden tot het ontstaan van één nieuwe gereformeerde kerk? Ik heb daarover grote twijfels. De conflictstof ligt voor het oprapen. Bij een kerkelijke breuk hebben niet alle ‘afgescheidenen’ per definitie dezelfde motieven. Bij sommigen bestaat er ook een algemene weerzin tegen modernisering. Naast alle terechte kritiek op ontwikkelingen binnen de GKV, valt een zekere verwantschap met het maatschappelijk en politiek populisme niet te ontkennen. Diegenen die worden gedreven door een – romantisch – verlangen naar de veiligheid en de duidelijkheid van de kerk van het verleden, zullen na een eventuele breuk in een nieuwe kerk – of die nu helemaal nieuw is of aansluiting vindt bij DGK en/of GKN – na korte of langere tijd teleurgesteld raken. Want het verleden komt niet weerom.

Conservatisme of zelfs reactie zijn geen goede recepten voor een ‘herstelde’ gereformeerde kerk. Het gaat er niet om te herstellen wat er eens was. Het gaat er om gereformeerde kerk te zijn in de samenleving van nu. Die stelt andere vragen en kent andere problemen. De uitdaging van de kerk is vanuit het blijvende Woord en de belijdenis die haar samenvat, daarop de antwoorden te vinden.

Het was mijn bedoeling het bij twee blogs over dit onderwerp te laten. Maar nu ik aan het slot van de tweede aflevering aangekomen ben, dringt zich de vraag op of een derde aflevering niet noodzakelijk is. De ontwikkelingen in de CGK staan niet stil. Er zijn geluiden die er op wijzen dat ook binnen de CGK de mogelijkheid van een kerkelijke breuk serieus wordt overwogen. Dat is nieuw, want alleen de gedachte al was binnen de CGK altijd zoiets als vloeken in de kerk. Het is belangrijk genoeg om daaraan apart aandacht te besteden. Wellicht kan de CGK een sleutelpositie gaan innemen in wat een kerkelijke herverkaveling zou kunnen worden. Ik verbind dit dan met de vraag die ik tot nu toe heb laten liggen: is een breuk inderdaad onvermijdelijk en zelfs gewenst? Of zijn er wellicht toch argumenten om gewoon lid te blijven van een kerk waartegen je zwaarwegende bezwaren hebt?

Advertenties

Zoetsappig christendom

Het christelijk geloof is in Nederland op de terugtocht, zo hoor je vaak beweren. De feiten liegen niet: kerken lopen leeg, veel mensen weten vrijwel niets van het christelijk geloof en wie gelooft is inmiddels een vreemde vogel. Of valt het allemaal nog wel mee? Matthijs Haak, predikant van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Rotterdam-Delfshaven, schreef in een artikel in het Nederlands Dagblad van 4 januari 2014: “Je hoort zeggen dat God weer terug is in Nederland. Dat zijn comeback bijvoorbeeld te zien is in veel media-aandacht voor het christelijk geloof.” Hij wijst op een recensie van theologische boeken in het zeer seculiere NRC-Handelsblad. “Je mag weer geloven in God. Zelfs in Jezus. Die ommekeer hangt al langer in de lucht. Zo zei de alom gewaardeerde columnist J.L. Heldring bij zijn terugblik op vijftig jaar opinieschrijven dat God terug was van weggeweest (NRC Handelsblad 4 januari 2010).” Er valt ook te denken aan de waardering die seculiere politici ten toon spreiden voor de rol van kerken in de samenleving, bijvoorbeeld op het vlak van diaconale hulpverlening. Dat laatste kan gemotiveerd zijn door eigenbelang: dankzij diaconale hulp houdt de overheid geld in haar zak. Dat betekent niet dat die waardering niet oprecht gemeend kan zijn.

De vraag is dan wel: welk christendom is weer “in”? Ds. Haak relativeert die herleefde aandacht voor het christelijk geloof. Hij geeft verschillende voorbeelden waaruit een versmalling of zelfs vertekening van het christelijke geloof naar voren komt. “Het blijkt (…) dat zelfs (geloven in) Jezus weer sexy is. Maar om wélke Jezus gaat het? Nu de kerk weinig meer voorstelt, dogma’s als onwenselijk aanvoelen en ieder het geloof invult zoals hij het zelf ziet, wordt dat een heel spannende vraag.”

Het christelijk geloof is onlosmakelijk verbonden met de kerk. Ook al zijn er tegenwoordig steeds meer christenen die zeggen wel te geloven, maar niets te hebben met de kerk, vanuit de Schrift gezien zijn die twee niet te scheiden. Dat is in de ogen van veel ‘buitenstaanders’ trouwens ook het geval. Men wijst het christelijk geloof af door te wijzen op – feitelijke of vermeende – misstappen van de kerk. Dat men daarbij de verschillende kerken niet uit elkaar kan houden valt te begrijpen. Daarom slaan de misstanden in één kerk terug op alle kerken. Ook het gedrag van christenen met wie niet-gelovigen zelf in aanraking komen of over wie ze iets lezen of horen speelt een rol in de beeldvorming.

Het is voor kerken en individuele christenen dan verleidelijk zich in hun uitlatingen en gedrag voorzichtig op te stellen en alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. Daar kan de angst achter zitten niet meer voor vol te worden aangezien en niet meer op voet van gelijkheid te kunnen deelnemen aan het openbare leven en de daar plaatsvindende meningsvorming. Dat zal niet zo gauw worden toegegeven. Eerder wordt het principieel beargumenteerd: men moet alles vermijden wat mensen ervan zou kunnen weerhouden zich aan Christus en het christelijk geloof gewonnen te geven.

Maar aan welke Christus moet men zich gewonnen geven? Als alles wat aanstoot zou kunnen geven moet worden vermeden, wordt het christelijk geloof dan niet erg zoetsappig? Waar blijven de scherpe randen die ook in de prediking van Jezus ruimschoots aanwezig waren? Houden we dan nog iets anders over dan een feel good christendom?

Het is mooi wanneer de kerk haar diaconale taak serieus neemt en die niet beperkt tot het goeddoen aan de gelovigen maar ook daar te hulp schiet waar niet-gelovigen in de knel komen. Maar mag het daarbij blijven? De diaconale taak van de kerk is altijd nauw verbonden geweest met haar diepste overtuiging dat alleen Christus redding brengt in een geschonden bestaan. Sterker nog: daarin ligt haar diepste motivatie voor haar diaconale werk. Dat komt al in de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen naar voren. Er is geen scheiding tussen de verkondigende en de diaconale taak van de kerk. Eén van de eerste diakenen, Stefanus, moest zijn vrijmoedige getuigenis met de dood bekopen.

Het is mooi wanneer de overheid haar waardering uitspreekt voor de maatschappelijke betrokkenheid van christelijke kerken. Maar van die waardering zou wel eens weinig over kunnen blijven wanneer de kerk haar aanspreekt op de manier waarop zij met haar kwetsbare onderdanen omgaat. Of wanneer de kerk zaken ter discussie stelt die inmiddels als maatschappelijke verworvenheden gelden. De kerk mag wel pleisters plakken, maar wordt verder geacht te zwijgen. De vraag van ds. Haak, die eerder geciteerd werd, is dus een heel relevante: als het over Jezus gaat, over wèlke Jezus gaat het dan? Over iemand die mensen een aai over de bol geeft of over iemand die ook zegt: Zondig niet meer?

Waartoe de angst voor een slechte naam van de kerk kan leiden bleek in december van het vorige jaar. Leden van een hervormde wijkgemeente in Zeist riepen hun broeders en zusters op twee supermarkten te boycotten, aangezien deze besloten hadden op zondag de deuren te openen. De oproep kwam in de pers terecht en de verontwaardiging was algemeen. Eén van de winkeliers repte van ‘chantage’ en een poging hem en zijn bedrijf kapot te maken. Nu kan over zo’n actie van alles gezegd worden, ook in kritische zin. Maar de maatschappelijke verontwaardiging was op z’n minst nogal hypocriet. Actiegroepen roepen regelmatig op tot een boycot van winkels vanwege de verkoop van producten die het milieu schaden of die onder erbarmelijke omstandigheden in een Derde-Wereldland zijn geproduceerd. Nog niet zo lang geleden nagelde zelfs een minister een winkelketen publiek aan de schandpaal. En daarbij gaat het dan om oproepen aan iedereen, terwijl de desbetreffende hervormden zich alleen op de eigen gemeente richtten.

Je zou mogen verwachten dat christelijke opiniemakers hier voor enige nuance zouden zorgen en in elk geval het goed recht van de actievoerders zouden verdedigen. In plaats daarvan meende Marco van der Straten, hoofdredacteur van Visie, het programmablad van de EO, dat hij de geprangde winkelier in bescherming moest nemen. Daarbij vond hij het niet eens nodig kennis te nemen van de feiten, aangezien hij meende dat de actievoerders hun visie wilden opleggen aan diegenen die er geen moeite mee hebben op zondag boodschappen te doen. In dit verband sprak hij van “intolerantie”. Ernstiger is dat hij de manier waarop Jezus met de sabbat omgaat voor zijn karretje spande. Daar blijkt hij niet veel van begrepen te hebben. Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat, in antwoord op de kritiek van de Farizeeën, met de uitspraak dat de mens heer is over de sabbat – en daarmee bedoelde hij niet zomaar ieder mens, maar zichzelf. En dat is nu precies de reden waarom christenen als deze Zeister hervormden protest aantekenden tegen de zondagopenstelling van twee supermarkten. Jezus verdedigde zijn recht goed te doen op de sabbat. Dat is iets heel anders dan spullen verkopen om de kas te spekken.

Wie goed oplet komt steeds vaker gevallen tegen waarin christenen op een soms krampachtige manier hun best doen alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. De motieven daarvoor mogen dan heel respectabel zijn, de vraag is welk beeld van het christelijk geloof en de christelijke kerk daarmee wordt geschapen. ‘Buitenstaanders’ zouden zich weleens kunnen gaan afvragen hoe serieus christenen hun eigen geloof eigenlijk nemen.

In Trouw schrijft Beatrijs Ritsema over ‘Moderne manieren’. Ze beantwoordt vragen van lezers die haar advies willen in allerlei zaken die met de omgang tussen mensen te maken heeft. Op 5 januari beantwoordde ze een brief van iemand die met een groep mensen van de kerk was gaan klussen bij een moslimfamilie. “Toen we het klussen onderbraken voor de lunch met allerlei lekkernijen, wilde iemand van ons clubje graag bidden. Dat heeft ze ook gedaan en enkele groepsleden deden mee. Ik voelde me behoorlijk opgelaten, omdat moslims er andere gebedsmomenten op nahouden en door ons werden uitgesloten. Hadden we het bidden niet beter achterwege kunnen laten?”

Nee, vindt Ritsema. “Als de leden van uw klusgroepje gewend zijn om te bidden voor het eten, moeten ze dat vooral doen. Dat kan overal, dus ook in het huis van moslims.” Dat geldt te meer omdat de briefschrijfster zelf meedeelde dat de vrouw des huizes de overeenkomsten tussen islam en christendom beklemtoonde. Iemand reageerde: “Een moslim kan het juist waarderen dat je als christen serieus bent. Het wordt dus ook meestal als een positief gebaar ervaren dat men de gelegenheid neemt om te bidden. Zowel in de brief als in meerdere reacties hieronder komt het beeld naar voren dat niet de gastvrouw er een probleem van maakt, maar juist anderen.” Daarmee slaat de schrijver de spijker op de kop. Moslims nemen hun geloof meestal heel serieus. Het zou de waardering voor het christelijk geloof wel eens eerder kunnen bevorderen dan schaden wanneer christenen dat ook doen. Bijvoorbeeld door eerlijk en consequent uit te komen voor die aspecten die veel mensen – en, als ze eerlijk zijn, van nature ook henzelf – tegen de borst stuiten.

De neiging zich aan te passen aan wat algemeen aanvaard is en te vermijden wat irritatie zou kunnen opwekken is kennelijk sterk. Die dateert niet van vandaag of gisteren. In Nader Bekeken (december 2013) schreef ds. Henk Drost dat hij bij zijn intrede in een nieuwe gemeente geïnterviewd werd en daarbij liet weten dat hij geloofde in het laatste oordeel. “Interessant was de reactie die met name van de kant van de evangelisatiecommissie van die gemeente kwam. Die waren niet erg ingenomen met mijn eerlijkheid. Ze vonden dat het een negatieve insteek was. Ze vonden dat we als kerken moeten werken aan een positief imago. Blijkbaar past het laatste oordeel daar niet in”.

Maar de kerk en het christelijk geloof worden echt niet aantrekkelijker door de kool en de geit te sparen, zoals Sake Stoppels, docent gemeenteopbouw aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, kortgeleden opmerkte (ND, 12.2.14). Voor een houding als “hier sta ik, ik kan ook anders” zullen weinig mensen respect kunnen opbrengen. Natuurlijk wekt het weerstand, wanneer de kerk belijdt en zonder mitsen en maren uitdraagt dat pasgeboren kinderen gedoopt behoren te worden. Ze vergroot haar aantrekkingskracht niet wanneer ze haar overtuiging bijstelt en kinder- en geloofsdoop als keuzemenu aanbiedt. De kerk loopt in de ogen van de wereld achter, wanneer ze vrouwen de toegang tot het ambt ontzegt. Maar degenen die daartegen de wapens opnemen worden echt niet ontvankelijk voor de boodschap van de kerk wanneer die het ambt voor vrouwen openstelt om de moderne samenleving niet te mishagen. Wellicht zijn er goede argumenten om de tot nu toe verdedigde overtuigingen ten aanzien van de doop of het ambt bij het vuilnis te zetten, maar dat zullen dan toch echt andere argumenten moeten zijn dan zulke die ontleend zijn aan wat ‘men’ aanvaardbaar vindt.

Stoppels roept gemeenten op een “sterk profiel” te kiezen. Dat kan niets anders zijn dan de onversneden boodschap van de Schrift. Net als de meeste medicinale drankjes is die niet zoetsappig, maar wel heilzaam en geneeskrachtig.

U verdient eerherstel

Ik ben netjes opgevoed, al zeg ik het zelf. Mensen die ik niet persoonlijk ken, spreek ik met u aan. Dat geldt ook voor de jongeman of jongedame achter de kassa bij de supermarkt, ook al is die kennelijk de 20 nog niet gepasseerd. Wanneer zo iemand vraagt: “wil je de kassabon?”, antwoord ik: “alstublieft”.

Als ik me voorstel noem ik m’n voor- èn achternaam. Dat schijnt tegenwoordig nogal ongebruikelijk te zijn. In mijn gemeente wordt vóór de dienst de aanwezigen verzocht degenen die in hun directe omgeving zitten een hand te geven en kennis te maken. Ik probeer dat te vermijden, want ik vind dat een nogal zinloze exercitie. Soms lukt dat niet. Dan zegt iemand: “Hoi, ik ben Jan”. Dat is fijn voor hem maar niet erg informatief voor mij. Er zijn tenslotte wel meer hondjes die Fikkie heten. Je gaat bijna denken dat we terug zijn in het tijdperk toen de meeste mensen geen achternaam hadden.

Waar vroeger het tutoyeren en het aanspreken met de voornaam beperkt bleef tot de kring van familie en vrienden, gebeurt het tegenwoordig te pas en te onpas. Ik heb een abonnement op Nader Bekeken. Sinds enkele maanden weet ik nu hoe alle scribenten van voren heten. Heel interessant, maar worden de artikelen daar beter van? Krijg ik daardoor het idee dat ik hen nu beter ken? Ik dacht het niet.

We schijnen het tutoyeren en het gebruik van voornamen als winst te moeten beschouwen. Men vindt blijkbaar dat de samenleving daar leuker van wordt. Daar ben ik niet zo zeker van. Gemakkelijker wordt ze er in elk geval niet van. Mensen hebben rituelen en vaste patronen nodig om hun weg in de samenleving te kunnen vinden. Spreek je iemand die zich met de voornaam voorstelt zomaar met je aan of gebruik je toch maar u? En geeft dat de vrijheid dan ook maar zijn of haar voornaam te gebruiken of wordt het toch meneer en mevrouw? Onze koning vindt dat iedereen hem maar moet aanspreken zoals men zelf wil en waar men zich comfortabel bij voelt. Maar juist die houding heeft tot gevolg dat mensen zich oncomfortabel voelen. Die uitspraak valt daarom in de categorie ‘een beetje dom’.

Uiteraard gaan de hier geschetste tendenzen de kerk niet voorbij. Ze moet tenslotte met de tijd meegaan. En dus nemen veel voorgangers de vrijheid hun toehoorders met je en jij aan te spreken, of die nu 20 dan wel 80 zijn. Niemand heeft hun ooit gevraagd of ze dat wel goed vinden. Het is dan ook geen wonder dat de predikanten zelf ook getutoyeerd worden en met hun voornaam worden aangesproken. Veel van hen willen dat zelfs. Is dat winst? Wordt de kerkelijke samenleving daar leuker van? Daar ben ik niet zo zeker van. Beter wordt ze er in elk geval niet van.

In het dagblad Trouw loopt momenteel een serie over Respect. In de eerste bijdrage gaat Peter Henk Steenhuis uitvoerig in op het begrip respect. Hij laat zien dat dit oorspronkelijk betekende ontzag of eerbied. “De patiënt keek tegen de arts op omdat de man ervoor gestudeerd had en gezondheid een belangrijk goed was. Zo had je ook respect voor een predikant: die vertegenwoordigde iets wat voor jouw leven van belang was.” Inmiddels wordt dit begrip op een heel andere manier gehanteerd. Steenhuis verwijst naar een ethicus, volgens wie respect tegenwoordig “is gericht op een onvervreemdbare waardigheid die wij allemaal bezitten. Die waardigheid zou je ook kunnen vertalen als ‘autonomie van ieder mens, die we in acht moeten nemen’.”

Hij signaleert vervolgens een andere betekenis, die nog eens in twee tegengestelde aspecten uiteenvalt: “het respect voor de onvervreemdbare waardigheid (wij zijn allemaal gelijkwaardig) en dat voor het bijzondere dat wij allemaal menen te bezitten: wij zijn allemaal als individu ongelijkwaardig en dienen zo behandeld te worden.” Die twee aspecten zijn in feite onverenigbaar. Niettemin lijkt me dat ze wel iets gemeenschappelijks hebben: ze zijn beide ik-gericht. In beide gevallen wordt respect gevraagd of zelfs geëist, niet gegeven. Respect eisen gaat de meeste mensen wel goed af, respect betonen veel minder.

Ook de kerk wordt daarmee geconfronteerd. Tegen geloven wordt geen bezwaar gemaakt, maar de kerk moet vooral niet de pretentie hebben te beschikken over de waarheid en waarden en normen uit te dragen die voor iedereen gelden. Daarmee zou ze zich niet alleen verheffen boven andere krachten in de samenleving, maar laat ze het bovendien ontbreken aan respect voor andersdenkenden.

Ook binnen de kerk wordt respect gevraagd en soms zelfs opgeëist. Kerkleden vinden het in toenemende mate moeilijk broeders en/of zusters aan te spreken op hun opvattingen of gedragingen. Er is een sfeer ontstaan waarin iedereen zelf moet bepalen wat hij gelooft en hoe hij zijn leven inricht. Kritiek daarop wordt steeds minder geaccepteerd. Daarmee hebben ook ambtsdragers te maken. Het feit dat ze een ambt bekleden speelt nauwelijks meer een rol in de manier waarop wordt omgegaan met wat zij – naar hun overtuiging op grond van de Schrift – naar voren brengen.

Het valt echter te vrezen dat ze dit soms zelf ook in de hand werken. Durven ze zich nog als ambtsdrager te presenteren en geloven ze nog dat het ambt hun gezag verleent? Het feit dat steeds meer predikanten zich met de voornaam laten aanspreken en laten tutoyeren wijst er niet op dat ze een sterk besef van hun ambt en het daarmee gepaard gaande gezag hebben. De nadruk op de gelijkheid tussen ambtsdragers en de ‘ambteloze burgers’ in de kerk ondermijnt het besef dat ambtsdragers met gezag bekleed zijn en dat ze daarmee principieel niet gelijk zijn aan anderen.

Het gebruik van de achternaam of de ambtstitel – zoals ‘dominee’ – en de aanspraak met u worden tegenwoordig als afstandelijk gezien. Dat lijkt me niet terecht. Afstandelijkheid zit ‘m niet in de aanspraak maar in de omgang: ook mensen die elkaar met u en met de achternaam aanspreken kunnen vriendschappelijk en zelfs vertrouwelijk met elkaar omgaan.

Een ambtsdrager mag zich tegenover de gemeente en individuele gemeenteleden niet afstandelijk gedragen. Maar dat betekent niet dat enige afstand niet gewenst is. Dat heeft niet alleen te maken met de gevaren die in een te grote vertrouwelijkheid schuilen. Een gebrek aan afstand maakt het ook moeilijk gemeenteleden te vermanen wanneer dat nodig is. Het spreekwoord zegt: “Het is een vriend die mij mijn feilen toont”. In dat geval wordt iemand aangesproken door iemand die principieel zijn gelijke is. Hij kan de kritiek aanvaarden, omdat die van een vriend afkomstig is. Hij kan ook de vriendschap op het spel zetten door de kritiek te verwerpen. Bij het optreden van een ambtsdrager ligt dit principieel anders. Een gemeentelid dient deze kritiek niet te aanvaarden omdat die van een vriend – en dus van zijn gelijke – komt, maar omdat de ambtsdrager – op grond van de van God ontvangen roeping – de taak heeft hem te vermanen. Dat vermaan moet broederlijk zijn en vanuit de Schrift geargumenteerd worden, maar mag niet vrijblijvend zijn. Daarvoor is dan wel nodig dat zijn gezag aanvaard wordt.

Er is daarom alle reden het besef van de betekenis van het ambt en het daarmee gepaard gaande gezag te herstellen. Maar dan moeten ambtsdragers – en dat geldt in het bijzonder voor predikanten – hun gezag niet laten uithollen door al te familiair te worden. Om een echte herder te zijn hoeft een predikant zich niet met zijn voornaam te laten aanspreken en zich te laten tutoyeren. U verdient eerherstel, zeker in de kerk.

Evangelische schutkleur

27 juni 2012 1 reactie

Andries Knevel, presentator van de Evangelische Omroep, organiseerde op 18 juni j.l. een symposium over de vraag of de tegenstelling tussen reformatorisch en evangelisch achterhaald is. Zelf had hij die vraag al bevestigend beantwoord, zoals blijkt uit een interview met het Nederlands Dagblad (16.6.12). Zijn antwoord is vooral gebaseerd op de feiten zoals hij die waarneemt. Daartoe behoren de toegenomen contacten tussen vertegenwoordigers van beide stromingen. Op de pinksterconferentie Opwekking lopen gereformeerden en evangelischen door elkaar alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Jongeren maken zich niet druk over zaken die voor ouderen belangrijk zijn. “Voor oudere christenen doen de theologische verschillen er nog toe, maar jongeren interesseren zich niet meer voor verschillen op het gebied van verbond, verkiezing of de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging. Voor hen spelen culturele, sociologische aspecten een veel belangrijker rol. Zij zijn bezig met de vraag ‘ben ik een geliefd kind van God?’. Ze geven een andere expressie aan hun geloof, zingen uit de Opwekkingsbundel, kennen een zintuiglijke liturgie, en incorporeren postmoderne cultuuruitingen.” Op de vraag of hij dan geen verschillen ziet, antwoordt Knevel: “Kinderdoop versus volwassendoop en de waardering van de kerk der eeuwen, denk ik. Het instituut, met canon en credo, met synodes aan de ene kant, en aan de andere kant vrije gemeenten die soms in een los verband bij elkaar komen, maar waarbij het verband geen zeggenschap heeft over de theologie in een willekeurige gemeente.”

De door Knevel gesignaleerde feiten zijn niet te ontkennen. Maar de conclusies die hij daaruit trekt zijn nogal gemakzuchtig. De geringe belangstelling van jongeren voor zulke kwesties kan toch moeilijk als argument voor de irrelevantie van de verschillen dienen. Veel jongeren zien de gevaren van drankgebruik niet in. Is dat een reden hen hun gang te laten gaan? Knevel lijkt de door hem gesignaleerde verschillen bijna als bijzaken te beschouwen. Daarmee miskent hij hun belang en reikwijdte.

“De afwijzing van de kinderdoop staat zelden op zichzelf. (…) Naar mijn overtuiging is de kinderdoop (…) niet maar een zwerfkei tussen allerlei theologische thema’s, maar een exponent van onze theologische grondstructuur”, aldus ds. A.J. Mensink, predikant in de PKN en lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Hij wijst erop dat de afwijzing van de kinderdoop vaak gepaard gaat met een visie op de erfzonde en de vrije wil die haaks staat op de gereformeerde belijdenis. De visie op de doop heeft ook alles te maken met zaken als verbond en uitverkiezing. Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat de vraag waarmee jongeren zich volgens Knevel vooral bezighouden, namelijk “ben ik een geliefd kind van God?”, helemaal niet zo ver afstaat van thema’s als verkiezing en verbond, waaraan volgens hem vooral ouderen grote waarde hechten. Zolang jongeren daarop geen Schriftuurlijk zicht hebben, zullen ze geen antwoord op hun vraag vinden.

Ook de visie op de kerk is geen ‘zwerfkei’. In het evangelische denken speelt de kerkgeschiedenis geen grote rol. Dat heeft veel met het sterk individualistische karakter van de evangelische beweging te maken. De kerkgeschiedenis maakt duidelijk dat de gelovigen onderdeel zijn van een gemeenschap die de eeuwen omspant. De kerkgeschiedenis begint niet bij ons. Ze leert ons dus bescheiden te zijn – niet bepaald een in het oog lopende eigenschap van de evangelische wereld. Wie de kerkgeschiedenis niet kent, kan er ook niets van leren. Wat we ervan kunnen leren is bijvoorbeeld dat veel wat als modern wordt aangeprezen, oude papieren heeft. We kunnen leren hoe dwalingen in het verleden de kop opstaken en hoe de gemeenschap van de heiligen zich daartegen heeft gewapend. De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn het resultaat van de strijd van de kerk tegen dwalingen. De belijdenissen bewijzen zich nog steeds als nuttige middelen om de kerk te vrijwaren van leervrijheid. Ze voorkomen dat de gemeente het slachtoffer wordt van de gedachtenspinsels van een voorganger. Daarbij speelt ook het kerkverband een belangrijke rol, als middel om zulke voorgangers hun plaats te wijzen en de gemeente te beschermen. Dat gebeurt ook door een Schriftuurlijke visie op het ambt, die voorkomt dat ieder die dat wil zich zomaar als ‘geestelijk leider’ kan opwerpen zonder door de gemeente geroepen te zijn.

Uit de verslagen van het symposium kreeg ik de indruk dat alleen diegenen aan het woord kwamen die de tegenstellingen tussen gereformeerd en evangelisch als achterhaald of in ieder geval als niet-fundamenteel en niet-kerkscheidend beschouwen. Je zou haast denken dat Knevel alleen degenen had uitgenodigd van wie hij verwachtte dat ze zijn eigen antwoorden van een steviger fundament zouden voorzien. Het zou interessant zijn geweest wanneer ook bijvoorbeeld prof. J.C. Maris, net als Knevel christelijk-gereformeerd, aan het woord zou zijn gekomen. Die zou voor flink wat tegenspraak hebben gezorgd. Dat mag tenminste worden geconcludeerd uit een lezing die hij enige tijd geleden heeft gehouden en waarvan het maandblad Nader Bekeken (mei 2012) een uitgebreide samenvatting publiceerde. Daarin zet hij de onderwerpen waarover evangelischen en gereformeerden van mening verschillen, op een rijtje. Hij laat zien dat die verschillen substantieel zijn en bepaald niet van marginaal belang. Hij komt tot die conclusie omdat hij de opvattingen die in evangelische kring gangbaar zijn confronteert met de gereformeerde religie, zoals die o.a. in de belijdenisgeschriften tot uitdrukking komt.

Wanneer we concluderen dat de tegenstellingen tussen evangelisch en gereformeerd wel degelijk fundamenteel van aard zijn, volgt daaruit niet dat gereformeerden zich van contacten met de evangelische wereld zouden moeten onthouden, zo dat al mogelijk zou zijn. Prof. Maris doet dat, niettegenstaande zijn duidelijke stellingname, ook niet. Integendeel: hij is van mening dat gereformeerden het één en ander van de evangelischen kunnen leren. Daarmee staat hij geheel in de gereformeerde traditie. Die wil zich immers altijd (laten) reformeren, wanneer vanuit de Schrift onjuistheden of eenzijdigheden worden aangewezen. De vraag is wel of gereformeerden de dingen die ze van evangelischen zouden kunnen leren, niet ook in hun eigen traditie zouden kunnen vinden. Maar die kennen ze waarschijnlijk niet.

Gereformeerden moeten de contacten met evangelischen niet uit de weg gaan. Maar dan moeten ze hun gereformeerde belijdenis niet thuis laten. Ze moeten ook in hun spreken en handelen laten zien wat die belijdenis voor hen betekent. Ze moeten zich zeker niet aanpassen aan wat in evangelische kring gebruikelijk is. In het al genoemde interview laat Andries Knevel zien hoe het niet moet.

Hoewel hij lid is van een christelijke gereformeerde kerk ziet hij er geen enkel bezwaar in op zondagmorgen een dienst van een evangelische gemeente te bezoeken. Iemand die is opgegroeid met de Nederlandse Geloofsbelijdenis zou toch moeten weten dat kerkelijk shoppen niet in overeenstemming is met wat die over de kerk belijdt. Knevel bezoekt niet alleen bijeenkomsten buiten het kerkverband waartoe hij behoort, hij gaat er zelfs in diensten voor. Dat doet hij kennelijk niet in zijn eigen kerkverband: in het interview noemt hij alleen PKN- en evangelische gemeenten. Daaruit mogen we wel concluderen dat hem in zijn eigen kerkverband geen preekbevoegdheid is verleend. Waaraan ontleent hij dan het recht de kansel te beklimmen om het Woord te bedienen? De Nederlandse Geloofsbelijdenis wijst ambtelijk optreden zonder “wettige verkiezing door de kerk” af (art. 31). Ze spreekt uit dat ieder “de tijd (moet) afwachten dat hij door God geroepen wordt, om daarin het overtuigend bewijs te hebben dat zijn roeping van de Here komt”. God roept door middel van zijn gemeente tot het ambt. Die belijdenis is aan evangelischen niet besteed. In die wereld kan iedereen zich opwerpen als “dienaar van het Woord”, omdat hij zich geroepen voelt. Het is kenmerkend voor het individualistische karakter van de evangelische beweging.

Hoezeer Knevel zich daaraan heeft aangepast blijkt uit zijn formuleringen. Wanneer gevraagd wordt of zijn bezoek van een evangelische bijeenkomst samengaat met zijn lidmaatschap van de christelijke gereformeerde kerk volgt geen antwoord vanuit de Schrift of de belijdenis. Hij verdedigt zijn kerkelijk shoppen vanuit zijn persoonlijke beleving. “Ik bevind me zondagochtend zeer wel in Crossroads, waar ik met vreugde Engelstalige opwekkingsliederen zing, en waar de liturgie expressief en zintuiglijk is”. De vorm speelt voor hem een belangrijke rol en ook daarin is zijn persoonlijke voorkeur doorslaggevend. In zijn eigen gemeente bedwingt hij de neiging bij bepaalde psalmen “mijn handen in de lucht te steken. (…) Dan denk ik: dat moet ik maar niet doen. Om anderen niet voor het hoofd te stoten”. Afgezien van de vraag of iemand zich daaraan inderdaad zou stoten: waarom is dat zo belangrijk? Is dat een reden je heil elders te zoeken? Waarom hebben bepaalde christenen die bijna onbedwingbare neiging hun handen in de lucht te steken? Gaan ze soms ook op de knieën, wanneer de regel “wij knielen voor uw zetel neer” wordt aangeheven? Het eerste heb ik wel eens meegemaakt, het tweede nog nooit…

Wie meent dat de evangelische wereld de correctie van de gereformeerde religie nodig heeft, moet die religie – die niets anders is dan een (menselijke) weergave van de leer van de Schrift – zelf hooghouden en uitdragen. Wie als gereformeerde een evangelische schutkleur aanneemt, helpt zijn evangelische broeders en zusters niet verder.

Gereformeerd blijven

Alvorens de serie “Geloven doe je samen” voort te zetten, wil ik eerst enige aandacht besteden aan twee recente initiatieven. Binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bestaat al jaren verontrusting over de koers die de kerken varen. Dat heeft geleid tot allerlei publicaties, zowel op papier als op internet. Daarbij gaat het soms om activiteiten van individuele kerkleden, met name weblogs en websites. Deze weblog is daar één van. Ook door theologen worden activiteiten op dit terrein ontplooid. Verschillende predikanten hebben een eigen website, waarop ze commentaren op actuele kerkelijke ontwikkelingen publiceren. En dan is er een site als http://www.gereformeerdblijven.nl, waarin een aantal predikanten samenwerken. En laten we tenslotte niet de papieren werkelijkheid vergeten: het tijdschrift Nader Bekeken, weliswaar niet in de eerste plaats opgericht om kerkelijke ontwikkelingen van kritisch commentaar te voorzien, maar door de stand van zaken gedwongen zich daarmee bezig te houden.

De initiatieven van de twee laatstgenoemden verdienen de aandacht. In de eerste plaats wijs ik op het feit dat enige tijd geleden Nader Bekeken (*) op een aantal adressen van leden van de GKV werd bezorgd. Namens het bestuur van de Stichting Woord en Wereld, die het blad uitgeeft, schrijft ds. J. Wesseling bij de extra oplage dat er van alles in beweging is en dat het blad daarop wil inspelen door “positief en blijmoedig te blijven schrijven over wat gereformeerd is, vanuit een hartelijke binding aan de formulieren van eenheid en de gereformeerde kerkorde”. Het bestuur wil graag meer mensen – en in het bijzonder jongere generaties – “bereiken en enthousiasmeren met ons verlangen om opgewekt, eigentijds en met bezieling gereformeerd te zijn”.

Het blad is breed van opzet en in zekere zin met De Reformatie te vergelijken. We treffen Schriftstudies en boekbesprekingen aan, maar ook verdiepende artikelen, terwijl in enkele bijdragen kritische noten gekraakt worden over actuele ontwikkelingen op het kerkelijk erf. Bij de scribenten vinden we verschillende namen die ook aan websites verbonden zijn, die de ontwikkelingen in de GKV kritisch volgen. Daaruit mag geconcludeerd worden dat er inhoudelijke overeenkomsten bestaan tussen de redactie van Nader Bekeken en bijvoorbeeld de website gereformeerdblijven. Dat sluit niet uit dat er nuanceverschillen tussen de scribenten bestaan.

Dat is ook het geval bij degenen die bijdragen zullen leveren aan een vorige week gelanceerde website: gereformeerdekerkblijven. De website gereformeerdblijven is hierin opgegaan, en twee theologen die hun kritische commentaren op hun eigen website publiceerden, dr. H.J.C.C.J. Wilschut en prof. dr. J. Douma, hebben zich hierbij aangesloten. Op de homepage staat te lezen: “Ondanks reliëf delen deze drie sites dezelfde intentie. De Gereformeerde Kerken in Nederland zijn ons lief. Helaas signaleren wij tekenen van verval, die het gereformeerd karakter van de kerken onder druk zetten. Ook die zorg delen wij met elkaar. Vanwege die gezamenlijke liefde en zorg hebben wij de handen in elkaar geslagen en onze krachten gebundeld in een nieuwe site.”

Het is een goede zaak wanneer mensen die in principe hetzelfde nastreven, hun krachten bundelen. Dat kan de werfkracht alleen maar ten goede komen en zal hopelijk het gesprek over de aan de orde gestelde zaken bevorderen. Dat tussen redacteuren en medewerkers (nuance)verschillen bestaan – of “reliëf”, zoals gereformeerdekerkblijven het uitdrukt – is eerder een voordeel dan een nadeel. “Gereformeerd” is niet koekoek éénzang en “gereformeerd blijven” betekent niet het einde van elke discussie. Zoals ds. Wesseling schrijft: “Ten diepste wil ‘gereformeerd’ voor niets anders staan dan voor gezond en evenwichtig bijbels. Het licht van het evangelie schijnt over de volle breedte van het leven. En zo blijkt de inhoud van de gezonde, bijbelse leer maar al te vaak verrassend actueel”.

In dat kader past dat de website gereformeerdekerkblijven ook studiemateriaal wil bieden waarin thema’s worden behandeld die voor het gereformeerde leven van belang zijn. ‘Gereformeerd zijn’ betekent: in beweging blijven om steeds opnieuw te ontdekken wat de Schrift over het leven – ook het kerkelijk leven – te zeggen heeft en hoe de belijdenis daarbij behulpzaam kan zijn.

Beide publicaties hebben als intentie “positief” te schrijven over gereformeerd zijn en gereformeerd blijven. Het is te hopen dat het de scribenten lukt die intentie te laten doorklinken, ook als er kritische noten gekraakt moeten worden. Om die op hun positieve waarde te kunnen schatten zijn er welwillende lezers nodig. Maar aan welwillendheid begint het in kerkelijke kring steeds meer te ontbreken. Net zoals in politiek en maatschappij laat de tolerantie van de ‘toleranten’ steeds vaker te wensen over.

Wanneer de dialoog op kerkverbandelijk niveau niet op gang komt, kunnen in elk geval diegenen die het gereformeerd karakter van de kerk aan het hart gaat, hun eigen kerkenraad aanspreken. Het materiaal dat gereformeerdekerkblijven en Nader Bekeken aanbieden, kan daarbij ongetwijfeld van pas komen. Alle reden dus beide nauwlettend te volgen.

(*) Op Nader Bekeken kan men zich via de site van Woord en Wereld abonneren.