Archief

Posts Tagged ‘Nationale Synode’

Kerkelijk polderen

Nederland stond ooit bekend als een land van consensus. Partijen of maatschappelijke organisaties met tegengestelde opvattingen of belangen probeerden elkaar te vinden en een zodanige overeenstemming te bereiken dat ieder er in elk geval op één of meerdere punten beter van werd. Het is niet zo vreemd dat uitgerekend in Nederland het streven naar consensus kernmerkend werd voor de politiek en de samenleving. Het was altijd een land van minderheden, waarin geen enkele partij kon domineren. In de jaren ’80 kwam de term poldermodel in zwang, toen werkgevers, vakbonden en overheid met elkaar overlegden over lonen en arbeidsvoorwaarden. Zelfs in het buitenland werd dit model als voorbeeldig beschouwd.

In latere jaren werd van die term het werkwoord polderen afgeleid. Dat werd vaak in kritische of zelfs afkeurende zin gebruikt. Vooral in de maatschappelijke beweging die aan het begin van deze eeuw ontstond – waarvoor vaak de zogenaamde ‘Fortuyn-revolte’ als oorzaak wordt aangewezen – werd polderen een synoniem voor pappen en nathouden, het onder het kleed vegen van problemen en het bagatelliseren van maatschappelijke tegenstellingen. Het verzet daartegen leidde tot een verscherping van de maatschappelijke en politieke meningsverschillen. De polarisatie uit de jaren ’70 van de vorige eeuw leek helemaal terug van weggeweest, ook al liepen de scheidslijnen anders dan toen en had de polarisatie een minder uitgesproken ideologisch karakter. Teugkijkend op de geschiedenis van het laatste decennium kan moeilijk worden beweerd dat de samenleving van de toenemende polarisatie beter is geworden.

Men zegt wel eens dat de kerk achterloopt op maatschappelijke ontwikkelingen. Die bereiken haar uiteindelijk wel, maar het duurt even. Daar zit wat in. Verschijnselen die in de samenleving al decennia als heel gewoon worden beschouwd – vooral op het vlak van de persoonlijke ethiek – doen zich inmiddels ook in kerkelijke kring voor, en niet alleen onder vrijzinnigen. Hetzelfde kan gezegd worden van de manier waarop met verschillen van mening wordt omgegaan. Je zou kunnen zeggen dat, waar de samenleving afscheid heeft genomen van het poldermodel, de kerk de ‘voordelen’ van het polderen heeft ontdekt.

Niet dat het poldermodel nu pas wordt toegepast. De aloude Nederlands Hervormde Kerk en ook de PKN, waarin ze is opgegaan, zijn voorbeelden bij uitstek van een kerkelijk poldermodel. Verschillende stromingen bestaan naast elkaar en hebben een soort van ‘modus vivendi’ gevonden, waarbij ze elkaar wat gunnen en tegelijk elkaar zo min mogelijk lastig vallen. Kleinere reformatorische kerken hebben de Hervormde Kerk altijd als een afschrikwekkend voorbeeld beschouwd en hun oordeel over de PKN was in de eerste jaren na haar ontstaan niet veel anders. Maar inmiddels zijn ook die kerken aan het polderen geslagen. De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben verschillende stromingen. Eenheid met andere kerken staat weliswaar op de agenda van synoden van de CGK, maar veel vooruitgang zit er niet in, aangezien enkele stromingen binnen de kerk dat eenheidsstreven, vooral met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), niet zien zitten.

Ook binnen de laatstgenoemde kerken wordt druk gepolderd. Daar zijn veel voorbeelden van te geven. Ik denk dat elke lezer er wel een paar kan verzinnen. Ik heb in mijn weblog herhaaldelijk op zulke verschijnselen gewezen. Het lijkt erop dat kerkenraden koste wat kost iedereen binnen boord willen houden.
De norm is nog steeds dat de kinderen van de gelovigen gedoopt behoren te zijn. Wanneer een toenemend aantal kerkleden daarmee problemen heeft, wordt dat wel betreurd, maar consequenties blijven uit. Wanneer ouders dan hun kind niet willen laten dopen, moet daar maar iets op gevonden worden.
Kerkelijke afspraken worden geschonden, omdat kerkenraden niet de moed hebben gewoon eens “nee” te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een ‘kerkelijk gemengd’ bruidspaar zijn huwelijk kerkelijk wil laten bevestigen.
Ook de ‘Werkorde’ die aan de Generale Synode wordt voorgelegd, draagt de sporen van ‘kerkelijk polderen’. De kerkenraad roept de gemeente in openbare kerkdiensten samen, “als regel twee maal per zondag”. Daarmee wordt bij voorbaat een verklaring van ‘geen bezwaar’ uitgereikt aan kerkenraden die het nodig vinden de tweede dienst af te schaffen. Ook de catechismusprediking wordt in feite facultatief gesteld door een vergelijkbare formulering. De argumentatie is een klassiek voorbeeld van ‘poldermentaliteit’. “In een toelichting schrijven de deputaten dat bij de invulling van de kerkdiensten een ‘veel grotere verscheidenheid is gegroeid dan er in de jaren 1970 bij de opstelling van de huidige kerkorde was’. De reacties van 115 kerken en 13 deputaatschappen op het vorige concept maken duidelijk dat verschillend wordt gedacht over het vastleggen van de tweede kerkdienst en de catechismusprediking in de kerkorde. Daarop hebben deputaten besloten dit opener te formuleren.” (Nederlands Dagblad, 5.7.12). Het is de mentaliteit van “u vraagt en wij draaien”.
Het kan nauwelijks verwondering wekken dat de liturgische vrijheden die voorgaande synoden aan gemeenten hebben toegestaan, hebben geleid tot een lappendeken waarin geen duidelijk gereformeerd patroon meer te ontwaren valt.
Tenslotte wijs ik nog maar eens – bijna ten overvloede – op de ontwikkelingen rond de kerkplantingsgemeente Stroom in Amsterdam, waar kerkelijke vergaderingen zich in alle mogelijke bochten wringen om het zo mogelijk iedereen naar de zin te maken.

Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat in enkele decennia een kerk zo van karakter verandert. Het heeft ongetwijfeld met de toenemende kerkverlating te maken, waardoor men alles doet om te voorkomen dat nog meer mensen – en vooral jongeren – zich onttrekken. De drempel naar andere kerken is immers veel lager dan vroeger, en sociaal heeft het vrijwel geen gevolgen wanneer iemand van kerk verandert, zoals dat vroeger wel vaak het geval was.
Maar er lijkt toch meer aan de hand. De manier waarop enkele theologen meenden te moeten bezweren dat enkele kerkplantingsgemeenten, zoals Stroom, zonder meer als gereformeerd kunnen worden beschouwd, wijst al in een bepaalde richting. Er spreekt grote onzekerheid uit over wat nu eigenlijk gereformeerd mag heten. Dat lijkt me de kwaal waaraan de Gereformeerde Kerken lijden. Er zal niet zo gauw iemand te vinden zijn die met Pilatus vraagt: “Wat is waarheid?” Wie zal ontkennen dat de waarheid bestaat? Wanneer de vraag gesteld wordt of die waarheid ook te kennen en te formuleren is, wordt het een ander verhaal. Natuurlijk, over fundamentele zaken, zoals de verzoening door Christus, bestaat geen verschil van mening. Wanneer de kerk daarover ferme uitspraken doet in haar belijdenis, kan ze op instemming rekenen. Maar wanneer die belijdenis andere zaken aan de orde stelt blijft algemene instemming uit. En wanneer ze dan ook nog pretendeert de Schrift na te spreken en daarmee impliciet (of expliciet) daarvan afwijkende opvattingen als onschriftuurlijk verwerpt, wordt de weerstand nog groter. Sommige reacties op de vraag van het Nederlands Dagblad (20.10.12) of 450 jaar Heidelbergse Catechismus iets is om te vieren leggen daar getuigenis van af.

Enkele weken geleden vond op het Malieveld in Den Haag een manifestatie plaats, waar allerlei ‘kerkelijke leiders’ schuld beleden over de kerkelijke verdeeldheid. Het is veelzeggend dat vertegenwoordigers van protestantse kerken en stromingen ‘broederlijk’ naast een rooms-katholieke bisschop stonden. Weliswaar werden de verschillen niet ontkend, maar van veel gewicht leken die uiteindelijk toch niet te zijn – in elk geval niet voldoende om kerkelijke gescheidenheid te rechtvaardigen. Enkele jaren geleden zagen we een vergelijkbaar verschijnsel, toen in Dordrecht de Nationale Synode bijeenkwam. Vertegenwoordigers van kerken, die qua geloofsleer sterk van elkaar verschilden, stelden een document op waaraan niemand zich een buil kon vallen. Dat de deelnemers aan de gebruikte formuleringen soms heel verschillende interpretaties gaven mocht de pret van de eenheid niet drukken.
Hieruit komt het beeld naar voren van een christelijke wereld waar verschillen in geloofsleer niet meer als fundamenteel en kerkscheidend worden beschouwd. Er lijkt een opvatting gegroeid dat iedereen een stukje van de waarheid heeft. De christelijke wereld, met al haar kerken en groepen, wordt dan een soort legpuzzel, die pas af is wanneer iedereen zijn eigen stukje van de waarheid bijpast.
Wie zal zich dan nog verwonderen over het kerkelijk indifferentisme, volgens welke het niet uitmaakt van welke kerk je lid bent?

En zo leidt het kerkelijk polderen tot kerkverlating – precies datgene wat het moest voorkómen.

Advertenties

KERkisme

Allerlei producten en diensten worden van een keurmerk voorzien. Daaraan kan de potentiële klant zien dat het aangebodene aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet. Ook de overheid vaardigt regelmatig verordeningen uit om misstanden te voorkomen. Wanneer op een bepaalde plek in een stad gebouwd gaat worden, moet eerst archeologisch onderzoek verricht worden om te voorkomen dat mogelijk belangwekkend historisch erfgoed vernietigd wordt. Voor sommige projecten is ook een Milieueffectrapportage verplicht. Daarin wordt in kaart gebracht wat de mogelijke gevolgen voor het milieu van een bepaald project zijn. Naar analogie van deze MER heeft de Nationale Synode, die vorig jaar voor de eerste keer bijeenkwam, de suggestie van een KER gedaan. Deze letters staan voor Katholiciteit Effect Rapportage. De bedoeling is dat kerken zich bij het nemen van besluiten afvragen wat de effecten daarvan voor de kerkelijke eenheid zouden kunnen zijn. De voorzitter van de Nationale Synode, ds. Gerrit de Fijter, onderstreepte in interviews dat het geen ‘keurmerk’ is, want er kan geen sprake van zijn dat sancties worden opgelegd bij ‘overtredingen’. De vraag is natuurlijk wel of in de praktijk zo’n KER niet toch als zodanig gaat functioneren.

De reikwijdte lijkt bij voorbaat al beperkt te zijn. De Nederlandse kerken verschillen onderling sterk in geloofsleer en kerkelijke praktijk. De Fijter beseft dat daarin op korte termijn geen verandering zal komen. De KER zou zich daarom moeten beperken tot zaken als liturgie, sacramenten, zending, ambten, opleiding en buitenlandse contacten. Enige naïviteit kan hem niet ontzegd worden. Alle genoemde onderwerpen hebben op z’n minst aspecten die het wezen van het kerk-zijn raken. Neem nu de sacramenten. Tussen reformatorische kerken en evangelische gemeenten bestaan daarover fundamentele verschillen. De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) sprak in 2011 uit dat de “tweede doop” – daarmee wordt gerefereerd aan de praktijk van het ‘overdopen’ – “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden”. Zo’n uitspraak komt de toenadering tussen gereformeerden en evangelischen niet bepaald ten goede. De Katholiciteits Effect Rapportage zal hier wel negatief uitvallen. Soortgelijke voorbeelden zijn te vinden ten aanzien van zaken als de ambten en de liturgie. Voor wat het laatste betreft noemt De Fijter het Liedboek voor de Kerken. Hij wijst terecht op een grotere acceptatie in vergelijking met het moment waarop het Liedboek werd ingevoerd. Nu een nieuw Liedboek op stapel staat spreekt De Fijter de vrees uit dat er nóg een liedboek op de markt komt. “Het kan toch niet dat christenen zo verdeeld zijn?”, zegt hij in Trouw. Maar dat is wel de realiteit. De Fijter zal er wel op wijzen dat het nieuwe Liedboek voor elk wat wils biedt. Maar dat is nu precies het punt: niet elke kerk wil een liedboek waarin ook vrijzinnige gedachten vrij spel krijgen. De manier waarop een kerk tegen een liedboek aankijkt, heeft uiteindelijk alles te maken met wat ze over de kerk belijdt.

Hoezeer de visie op de kerk ook het streven naar een KER stempelt, blijkt uit een andere opmerking van De Fijter. “We hebben elkaar hard nodig. In een zo geseculariseerde samenleving kunnen we ons niet meer permitteren om ieder een eigen winkeltje overeind te houden, en onze eigen specialiteiten aan te bieden.” Het is een bekend argument: we kunnen ons geen verschillen veroorloven, want de secularisatie grijpt steeds verder om zich heen. Maar dan is direct de vraag wat christenen daar dan tegenover stellen. Kerkelijke verdeeldheid maakt geen goede indruk en maakt het christelijk geloof er voor eventueel geïnteresseerden niet aantrekkelijker op. Maar doet een kerk die intern verdeeld is en waarin iedereen in feite mag vinden wat hij wil dat dan wèl? Als De Fijters visie op de kerk aan de KER onderworpen wordt, moet het oordeel in elk geval negatief zijn. Wie kerken als ‘winkeltjes’ wegzet en de kerkelijke leer en praktijken als ‘specialiteiten’ beschouwt heeft in elk geval afscheid genomen van de belijdenis betreffende de kerk zoals die door de Nederlandse Geloofsbelijdenis – in overeenstemming met de Schrift – wordt verwoord.

Het is geen wonder dat de reacties die het Nederlands Dagblad van 23 augustus j.l. optekent, nogal zuinig zijn. Ds. Willem van ’t Spijker, voorzitter van het deputaatschap eenheid van de Christelijke Gereformeerde Kerken, zegt: “Ik acht het haalbaar dat christelijk-gereformeerden zich standaard de vraag gaan stellen of een besluit invloed heeft op de eenheid met gereformeerde belijders.” Dat laatste is al een belangrijke inperking – begrijpelijk, maar niet verenigbaar met het idee achter de KER van de Nationale Synode. Maar zelfs in die beperkte uitleg houdt hij nog een slag om de arm, verwijzend naar de verschillende opvattingen over kerkelijke eenheid binnen zijn eigen kerk. Ds. Joop Schelling, secretaris van het deputaatschap kerkelijke eenheid van de GKV, zegt sympathiek te staan tegenover het idee van de KER, maar: “Wel vraag ik me af of je dan ook rekening moet houden met andere kerken dan die waarmee je in gesprek bent over eenheid.” Dat is dezelfde beperking die Van ’t Spijker aanbrengt.

Uit de reactie van ds. Teun van der Leer, lid landelijke staf van de Baptistenunie, blijkt hoezeer ook de door De Fijter genoemde zaken christenen verdeeld houden en hoezeer die als fundamenteel worden ervaren. “Wie bepaalt trouwens de normen? De initiatiefnemers denken aan liturgie, sacramenten en ambten. Dat klinkt gereformeerd, zaken waar een baptist niet direct aan denkt. Wij denken eerder aan de oecumene van het hart, de persoonlijke geloofsbeleving, zending en evangelisatie.” Interessant is de reactie van Guido Sneep, secretaris Commissie contact en samenspreking van de Nederlands Gereformeerde Kerken. “Ik kan me voorstellen dat een katholiciteitsrapportage zin zou hebben gehad bij ons besluit de ambten open te stellen voor vrouwen. Niet alleen voor de andere kerken, maar ook voor ons. Dan hadden we misschien meer rekening gehouden met de fase waar de anderen zich bevinden (…)”. Daarbij kan echter ook de vraag van ds. Van der Leer gesteld worden: “Wie bepaalt trouwens de normen?” Wellicht zouden de NGK uiteindelijk besloten hebben het ambt voor de vrouw niet open te stellen, om het streven naar eenheid met GKV en CGK niet te frustreren. Maar als de normen van de Nationale Synode worden gehanteerd zouden wellicht eerder die kerken in de beklaagdenbank moeten zitten, die het ambt voor de vrouw gesloten houden. Daaruit blijkt dus dat een KER elke zin verliest, wanneer ze niet op duidelijke uitgangspunten is gebaseerd.

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) werden vroeger nogal eens beschuldigd van kerkisme, vanwege de nadruk op het geloofsstuk van de (ware) kerk. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat de belijdenis betreffende de kerk niet altijd op de goede manier gehanteerd is. Maar wie onverkort wil vasthouden aan wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis uitspreekt over de kerk, verdient het label kerkistisch allerminst. Kerkistisch zijn eerder diegenen, die kerkelijke eenheid als een doel in zichzelf beschouwen en het idee van kerkelijke afscheiding verwerpen vanuit het ideaal van de ‘vaderlandse kerk’. Daarmee wordt kerkelijke eenheid boven de Schriftuurlijke waarheid gesteld. Aan datzelfde euvel lijdt de suggestie van de Katholiciteits Effect Rapportage. Volgens De Fijter (Nederlands Dagblad, 20.8.12) is de verdeeldheid van de kerken een ketterij. Maar de idee van kerkelijke eenheid boven Schriftuurlijke waarheid is een nog grotere ketterij. De KER zoals de Nationale Synode die voorstelt is een vorm van kerkisme. Elke vorm van kerkisme – en dus ook het KERkisme – moet op grond van de Schrift en de gereformeerde belijdenis worden afgewezen.

P.S. Dit stuk werd al op 26 augustus afgesloten, maar bleef door omstandigheden liggen. Aangezien het onderwerp actueel blijft, heb ik het alsnog geplaatst.

Een schijn van eenheid

(N.B. Ik onderbreek mijn serie over “Kudde zonder herders” met een commentaar op activiteiten ten behoeve van kerkelijke eenheid.)

Veel gelovigen ergeren zich aan de kerkelijke verdeeldheid. Dat is terecht. Er worden dan ook heel wat activiteiten ontplooid om tot kerkelijke eenheid te komen. Ook dat is terecht. Het is bepaald geen ‘reclame’ voor het christelijk geloof – om het even in markttermen uit te drukken – wanneer christenen onderling zo verdeeld zijn dat ’s zondags gescheiden samenkomen en elkaar soms ook door de week niet weten te vinden.

Dat zoiets in de evangelisatie een handicap is, zal duidelijk zijn. Daarom moet er hard aan gewerkt worden dat christenen elkaar vinden. Belangrijker nog: het is een bijbelse opdracht. Jezus wil dat zijn volgelingen één zijn, zoals Hij in het ‘hogepriesterlijk gebed’ (Joh. 17) tot uitdrukking heeft gebracht. Dus wanneer gelovigen zich op allerlei manieren en op allerlei niveaus inspannen voor eenheid tussen christenen, doen ze een goed werk.

Maar wie schriftuurlijk-kritisch de diverse activiteiten op dit gebied in ogenschouw neemt, ontdekt dat er nogal wat kaf tussen het koren zit. De afgelopen week trokken twee berichten de aandacht die dat bevestigen.

Later dit jaar wordt een zogeheten Nationale Synode gehouden. Daaraan doen kerken van allerlei snit mee, die nogal verschillen in geloofsleer. Het is de bedoeling dat ze elkaar toch vinden op basis van een document dat door leden van verschillende kerken is voorbereid en onder de titel ‘Credo’ is gepresenteerd. Vorige week deelde het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) mee dat het bij deze Nationale Synode aanwezig zal zijn.

Het tweede bericht betreft een symposium van christelijke studenten dat vrijdag 8 oktober in Utrecht plaatsvond. In een artikel in het Nederlands Dagblad van 7 oktober zetten twee bestuursleden van de christelijke studentenvereniging CSFR zich nogal af tegen de kerkelijke leiders. Die zouden niet in staat zijn effectief aan eenheid te werken. Maar ze hebben meer gemeen met de kerkelijke organisatoren van de Nationale Synode dan ze misschien zelf in de gaten hebben, zoals nog zal blijken.

In het Nederlands Dagblad van 8 oktober deelt de voorzitter van het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid van de GKV mee dat men unaniem besloten heeft aan de Nationale Synode deel te nemen. Dat is opvallend, want vanuit de GKV zijn nogal wat kritische geluiden te vernemen tegen deze Nationale Synode. In een artikel in het Nederlands Dagblad d.d. 23.12.09 heeft prof. J. van Bruggen het ‘Credo’ van de ‘nationale synode’ kritisch onder de loep genomen. Daarbij heeft hij een aantal verschillen tussen dit document en de Apostolische Geloofsbelijdenis geconstateerd. Daaruit heeft hij de conclusie getrokken dat het ‘Credo’ geen ‘groeibelijdenis’ is, zoals de opstellers beweren, maar een ‘afbraakbelijdenis’, waarin elementen van de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar ook van de Geloofsbelijdenis van Nicea ontbreken.

Je zou mogen verwachten dat het Deputaatschap zich met zulke kritiek confronteert en argumenten geeft waarom men meent dat deelname aan de Nationale Synode verantwoord is. Dat is, voorzover mij bekend, niet gebeurd. Er is niet alleen kritiek geleverd op de inhoud van het ‘Credo’. Er is ook op gewezen dat de beslissing tot deelname een breuk betekent met de oecumenische opstelling die de GKV tot nu toe hebben gekozen. “Als we bereid zijn met vrijzinnige kerken om de tafel gaan zitten om onze eenheid te betuigen, dan betekent dit een overduidelijke streep door ons vrijgemaakt-gereformeerde verleden”, schrijft prof. J. Douma op zijn website.

Wil het Deputaatschap zich daarmee niet confronteren? Is er opnieuw sprake van een koerswijziging binnen de GKV die ingrijpend is maar zich vooral in stilzwijgen voltrekt? Dat zou wel gemakkelijk zijn: men hoeft zich niet in te spannen om uit te leggen waarom zonder vorm van proces terzijde wordt geschoven wat ooit met principiële argumenten is verdedigd. Bij zulke gewichtige zaken zou een grondige discussie gewenst zijn, en wel daar waar zulke discussies thuishoren, namelijk in kerkelijke vergaderingen.
Het Deputaatschap maakt zich wel erg gemakkelijk van de geleverde kritiek af. De voorzitter, ds. H. Messelink, beperkt zich ertoe op te merken dat er tegenover de kritiek ook enthousiaste reacties staan, die minder in de openbaarheid zijn gekomen. Wordt ook in de kerk het beleid door de vox populi bepaald?

Om eenheid tussen christenen te bereiken – of zelfs af te dwingen – gaan sommigen vrij ver. Dat laat de tweede activiteit zien, het al genoemde symposium van studenten. Het artikel in het Nederlands Dagblad waarnaar ik al verwees, is in veel opzichten onthullend. Het laat zien wat de de studenten(verenigingen) verstaan onder de eenheid die ze nastreven.

De term kerkelijke eenheid is in het artikel opvallend afwezig. De schrijvers beschouwen kerkelijke organisaties dan ook vooral als hinderpalen voor de eenheid tussen christenen. Tegenover het “institutionele van de kerk” stellen ze de netwerksamenleving waarvan studenten deel uitmaken. “Dat er diverse kerkelijke structuren naast elkaar bestaan, zegt niet zoveel, omdat onderling de relaties gewoon aangegaan kunnen worden. De identiteit halen we veel meer uit wat bindt, dan uit de zaken waarin we verschillen.”
Ze laten geen onduidelijkheid bestaan over de basis waarop eenheid moet worden gebouwd. “Naast de netwerksamenleving speelt ook de belevingscultuur een rol. De beleving van de concrete relaties op basis van een gedeeld geloof en ervaren eenheid, is veel belangrijker dan dat alles rationeel theoretisch op orde is. Ofwel, relaties en verbondenheid door gedeelde beleving van het geloof staan meer centraal dan de kerkelijke leer en structuur.”

Zonder enige argumentatie wordt de leer van de kerk bij het grofvuil gezet en ingeruild voor de beleving van de gelovigen. Die maakt uiteindelijk uit wat bij elkaar hoort. De zeer oude kreet “niet de leer, maar de Heer” blijkt ineens verrassend actueel te zijn. De studenten-scribenten zouden die zomaar kunnen onderschrijven. Deze leus en de consequenties die daaruit zijn getrokken hebben in de kerkgeschiedenis een spoor van verwoesting getrokken. De gevolgen zijn in het huidige kerkelijke en maatschappelijke landschap aan te wijzen.

Het is een valse tegenstelling. Want de Heer en de leer hebben alles met elkaar te maken. Leerde Jezus niet tijdens zijn rondwandeling op aarde, tot verbazing en ergernis van zijn toehoorders? En waar lezen we dat Hij het belangrijker vond dat je gelooft dan wat je gelooft? Hij verkondigde niets anders dan wat in de Schriften stond. De leer van Jezus is geen andere dan de leer van de Schrift, de leer van apostelen en profeten. Die leer hebben de Gereformeerde Kerken samengevat en in de drie Formulieren van Eenheid opgeschreven.
Die gereformeerde leer, dat is de leer van de Schrift, moet het ijkpunt voor het streven naar kerkelijke eenheid zijn. Niet een door particulieren samengesteld ‘Credo’, dat geen weergave van de leer van de hele Schrift is en waarin angstvallig wordt verzwegen wat verdeeldheid zou kunnen zaaien. Het gevoel kan al evenmin als ijkpunt gelden. Het menselijk gevoel is een onbetrouwbaar kompas en is veranderlijk als het weer. Gevoel is ook persoonlijk en niet geschikt tot het stichten van gemeenschap.

De organisatoren van de Nationale Synode en de dames en heren studenten streven naar een eenheid boven geloofsverdeeldheid. Met alle onderlinge verschillen trekken ze in wezen aan hetzelfde touw. Natuurlijk maakt het geen goede indruk op ‘de wereld’ wanneer christenen verdeeld zijn. Maar zou een schijn van eenheid tussen christenen, die met dezelfde bijbel in de hand allemaal een andere kant opgaan, wel een goede indruk maken?

In het hogepriesterlijk gebed legt Jezus een verbinding tussen de eensgezindheid van zijn volgelingen en de eensgezindheid tussen Vader en Zoon. Dat betekent: één van zin en één van streven. Met deze Nationale Synode en dit studentikoze activisme komt dit hoge ideaal geen stap dichterbij.