Archief

Posts Tagged ‘ND’

Een kerk op dwaalwegen

Van 15 tot 17 juni j.l. heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) een aantal besluiten genomen die diepe sporen trekken binnen de kerkelijke gemeenschap. Besloten werd de ambten van diaken, ouderling en predikant open te stellen voor vrouwen. Terwijl het eerstgenoemde besluit vrijwel unaniem werd genomen, liet de stemverhouding ten aanzien van de twee andere zaken zien dat de kerken over deze kwesties diep verdeeld zijn. De reacties op de besluiten van voor- en tegenstanders bevestigden dat beeld. De komende maanden – en vooral na de zomervakantie, wanneer kerkenraden zich over de synodebesluiten zullen gaan buigen – zal menige discussie gevoerd worden, niet alleen binnen kerkenraden maar ook in de gemeenten. Volgens het Reformatorisch Dagblad hebben de GKV een wissel omgezet. Is dat een juiste analyse?

Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, de besluiten van de Generale Synode passen in een proces dat al jaren gaande is. Stukje bij beetje hebben de GKV hun koers verlegd. De veranderingen zijn vrijwel altijd op lokaal niveau begonnen. Gemeenten en kerkenraden hebben zich een steeds grotere mate van vrijheid toegeëigend om hun koers te bepalen in zaken, waarover tevoren altijd op het niveau van meerdere vergaderingen, en speciaal dat van generale synoden, werd gediscussieerd en besloten. Die betreffen niet alleen ontwikkelingen op liturgisch gebied – die wellicht het meest in het oog springen – maar ook zaken als de contacten met andere kerken en samenwerking op het gebied van evangelisatie, de pastorale omgang met ongehuwd samenwonenden en homosexuele relaties en de toelating van gasten aan het avondmaal. Hoewel er duidelijke kerkverbandelijke afspraken bestaan dat in de regel ’s zondags twee kerkdiensten plaatsvinden, dat in de morgendienst de wet gelezen wordt, dat alleen kerkverbandelijk toegelaten liturgische formulieren gebruikt worden en dat gemeenten alleen diegenen als lid aanvaarden die op hun grondgebied wonen, gaan ook daarin gemeenten hun eigen gang. Die grotere plaatselijke eigenzinnigheid heeft de vorige Generale Synode in feite van een stempel van goedkeuring voorzien door de aanvaarding van een nieuwe kerkorde, waarin veel minder is vastgelegd. Eerder werd de grotere diversiteit al gestimuleerd door bijvoorbeeld af te zien van duidelijke regels met betrekking tot het liedrepertoire.

Het feit dat de hierboven geschetste ontwikkelingen geleidelijk plaatsvonden en zich vaak op plaatselijk niveau voltrokken, verklaart ook, zoals ik op dit weblog al eens heb gesignaleerd, dat een expliciete verantwoording van gewijzigde standpunten en handelwijzen meestal ontbreekt. Dat is vooral dan een ernstige omissie, wanneer het gaat om zaken waarover nog maar enkele decennia geleden ferme tegenovergestelde standpunten werden gehuldigd en uitgedragen.

In dat licht is het winst dat de Generale Synode nu duidelijke uitspraken heeft gedaan. Daarmee hebben de GKV een bepaalde positie gemarkeerd die je, met de commentator van het Reformatorisch Dagblad, als het omzetten van een wissel mag beschouwen. Want met deze besluiten is in ieder geval ten aanzien van de toelating van vrouwen tot de ambten vastgelegd wat nu als het standpunt van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) mag gelden. Dat moet inderdaad zo geformuleerd worden, allerlei uitlatingen ten spijt die ten doel hebben de pil voor de tegenstanders wat te vergulden en hun vertrek uit de kerkelijke gemeenschap te voorkomen. In zijn interview met het Nederlands Dagblad trekt de preses van de GS, dr. M.H. Oosterhuis, een rookgordijn op.

Ten aanzien van de genomen besluiten over de toelating van de vrouw tot de ambten zegt hij: “We hebben heel lang geleefd bij de schijnzekerheid dat de Bijbel klip en klaar was over dit thema. De synode doet niets anders dan een stap terug zetten en erkennen dat het ingewikkelder ligt. Je mag elkaar niet binden aan iets waarover geen nadrukkelijke zekerheid bestaat. Je mag de ander niet binden aan jouw Bijbeluitleg.” Op deze weergave van wat zich heeft afgespeeld, valt wel wat aan te merken. Als de synode inderdaad van mening was de de bijbel geen helderheid over dit onderwerp geeft – wat op zichzelf ook een vorm van exegese is – had ze moeten uitspreken dat er meer tijd van studie en meningsvorming nodig was. Maar ze heeft duidelijk stelling genomen en dat is wat anders dan een stap terug zetten. Het is een stap vooruit, naar mijn overtuiging in de verkeerde richting.

En of de synode de kerken niet heeft gebonden aan een bepaalde uitleg van de bijbel is nog maar de vraag (*). Ze heeft uitgesproken “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling” (Besluit 5) en “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van verkondiging en onderwijs en daarmee tot het ambt van predikant” (Besluit 6). Nee, daarmee legt de synode niet een bepaalde exegese van specifieke bijbelteksten aan de kerken op. Maar haar besluiten zijn wel gebaseerd op een bepaalde lezing van de Schrift en een bepaalde weging van Schriftgedeelten en specifieke teksten. Hoeveel vrijheid is er binnen de kerken dan nog om uit te dragen dat de besluiten van de synode in strijd zijn met de Schrift en berusten op een principieel onjuiste lezing daarvan?

De synode besloot ook “ruimte te geven aan de plaatselijke kerken om zelf te bepalen of en zo ja op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten willen handelen” (Besluit 7). Dit besluit schept onvoldoende duidelijkheid. Het gebruik van het woord of suggereert dat kerkenraden mogen besluiten geen vrouwen tot de ambten toe te laten – niet maar tijdelijk, maar voor altijd. Hebben ze ook de vrijheid daarvoor principiële gronden aan te voeren en uit te spreken dat de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen in strijd is met de Schrift? Of worden ze dan – op grond van de synodebesluiten – tot de orde geroepen, bijvoorbeeld wanneer leden van de gemeente in beroep gaan tegen het beleid van hun kerkenraad?

Laten we aannemen dat kerkenraden inderdaad die vrijheid hebben. Het is de vraag of dat de vrede in de gemeente dient. De vrede in het kerkverband dient het in elk geval niet. Want een gemeente is geen eiland. Gemeenten zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, via attestaties, meerdere vergaderingen en kanselruil. Wat zijn de consequenties van de synodebesluiten voor het samenleven als kerkverband? Wie het spreken van de belijdenis over de kerk en de gemeenschap van de heiligen serieus neemt, kan zich uiteindelijk niet neerleggen bij allerlei ‘pragmatische’ oplossingen, die in andere kerkverbanden, zoals de PKN, worden gehanteerd. Het zou ook ongeloofwaardig zijn, gezien de kritiek op deze ‘oplossingen’ die in het nog niet zo verre verleden vanuit de GKV klonk. Ook hier lijkt een principiële verantwoording van een eventuele koerswijziging geen overbodige luxe.

Zo’n koerswijziging kan weinig anders inhouden dan de keuze voor het model van de plurale kerk. Dat betekent dat in de ene gemeente vanaf de kansel en in het pastoraat als Schriftuurlijk mag worden uitgedragen wat in een andere gemeente als in strijd met de Schrift wordt bestempeld. Het vereist nogal wat geestelijke rek- en strekoefeningen om dat in te passen in wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen.

Gezien de hier geschetste ontwikkelingen is het begrijpelijk dat leden van de GKV zich afvragen: wat nu?

Voor een definitief antwoord op die vraag lijkt de tijd me nog niet rijp. Dat geldt in elk geval voor mij. Als lid van een GKV zit ik nog midden in het proces van overweging en overdenking. De komende maanden is het vakantietijd en gebeurt er weinig op kerkelijk terrein. Dat geeft gelegenheid in alle rust de ontwikkelingen te overwegen. Pas na de vakantie zullen kerkenraden met de genomen besluiten aan de slag gaan en zullen ze wellicht daarover met de gemeente in gesprek gaan. Ik zet hieronder een paar elementen op een rijtje die in elk geval in mijn overwegingen een rol spelen.

Het is begrijpelijk dat de synodebesluiten over de ambten nu alle aandacht krijgen, want daarover heeft de Generale Synode uitspraken gedaan die nu als de officiële standpunten van de Gereformeerde Kerken mogen worden beschouwd. Maar er is meer aan de hand. Zoals hierboven al geschetst, maken deze besluiten deel uit van een proces. Het is dus nodig ze in een breder kader aan de orde te stellen. In dit verband wil ik wijzen op de besluiten die genomen zijn ten aanzien van de contacten met andere kerken. Er wordt nu gestreefd naar een fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Door een minderheid van de Deputaten Kerkelijke Eenheid is er terecht op gewezen dat de binding van ambtsdragers aan de belijdenis binnen de NGK de nodige vragen oproept. Ik voeg daaraan toe dat een fusie tussen GKV en NGK de ontwikkelingen waarover GKV’ers zich zorgen maken en waarvan ik er aan het begin van dit stuk een aantal heb opgesomd, niet zal afremmen maar eerder versnellen. Ik herinner ook aan de plannen om de contacten met de PKN te intensiveren (zie daarover mijn blog ‘Kerkelijke eenheid – kiezen of delen’).

Formeel is de enige manier om de genomen besluiten van tafel te krijgen een verzoek om revisie bij de eerstvolgende Generale Synode. Die weg moet inderdaad gevolgd worden, maar het is de vraag of die enig soelaas biedt. Een revisieverzoek heeft geen opschortende werking, dus de hiervoor geschetste problemen worden daarmee niet opgelost. Bovendien moeten er nieuwe argumenten aangedragen worden, maar veel argumenten voor en tegen zijn al onderwerp van discussie geweest, ook ter synode. Verschillende scribenten hebben er op gewezen dat achter de meningsverschillen over de toelating van de vrouw tot de ambten een hermeneutisch verschil van mening zit. Volgens hen is er geen eenstemmigheid over de vraag hoe de bijbel gelezen moet worden en welke rol onze cultuur in de exegese moet of mag spelen. Het lijkt me daarom van groot belang vooral dat onderwerp op de eerstkomende synode aan de orde te stellen. Daar moet dan de vraag aan gekoppeld worden op welke manier de Schrift normatief is op ethisch terrein. Want ook op dat vlak zijn verschuivingen waarneembaar.

Juist omdat de besluiten betreffende de ambten in een breder verband staan, moeten ze niet als een soort sjibbolet gaan fungeren. Of je er voor of tegen bent, is niet een soort lakmoesproef om te bepalen of iemand wel of niet ‘Schriftgetrouw’, ‘confessioneel betrouwbaar’ of ‘goed gereformeerd’ is. Er zijn nogal wat kerkleden die bezwaren hebben tegen een aantal ontwikkelingen in de GKV, maar over dit onderwerp (nog) geen afgeronde eigen visie hebben. Er zijn er ook die de toelating van de vrouw tot het ambt positief waarderen, maar problemen hebben met de daarvoor aangevoerde gronden en daarin bedenkelijke tendenzen waarnemen. Kortom, er is alle reden de communicatie gaande te houden.

Dat brengt me bij een belangrijk element in de overwegingen over wat ‘bezwaarde’ leden van de GKV te doen staat. We zijn als leden van de kerk voor elkaar verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid betreft in de eerste plaats onze eigen gemeente. Maar ze beperkt zich daar niet toe. Als kerken zijn we niet alleen formeel met elkaar verbonden, maar in de eerste plaats geestelijk. Kerken hebben zich vrijwillig tot een kerkverband aaneengesloten, omdat ze op hetzelfde geestelijke fundament staan. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de drie formulieren van eenheid – die uitdrukking is veelzeggend. Van die verantwoordelijkheid mogen we ons niet gemakkelijk afmaken, bijvoorbeeld door nu direct maar de uitgang van de kerk op te zoeken.

Maar verantwoordelijkheid heeft ook een andere kant, die je misschien voor de duidelijkheid aansprakelijkheid zou kunnen noemen. Gereformeerde kerken zijn niet van bovenaf, maar van onderop georganiseerd. Leden van gemeenten hebben daarmee de mogelijkheid de leer en de manier waarop de Schrift in prediking en pastoraat gehanteerd wordt, langs de kerkelijke weg aan de orde te stellen. De logische consequentie is dat ze daarmee ook aangesproken kunnen worden op wat de kerk leert en welke besluiten kerkelijke vergaderingen nemen. En daar wringt de schoen. Want als kerklid moet ik me de vraag stellen of, en zo ja, hoe lang en op welke punten ik op de kerkelijke leer en praktijk aangesproken wil worden. Beslissend is daarbij niet, of ik er zelf gelukkig mee ben, maar of ze in het licht van de Schrift en de belijdenis te verantwoorden zijn. Er kan een moment komen dat de last van die aansprakelijkheid te zwaar wordt.

De spanning tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid zal vooral gevoeld worden door diegenen die vanwege hun ambt – predikant of ouderling – geroepen zijn geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Maar ook wie geen ambt bekleedt, zal die spanning ervaren. Bovendien: de eerste verantwoordelijkheid van iedere gelovige is die voor zijn eigen geestelijk welbevinden. Dat kan ernstig geschaad worden wanneer men te lang meeloopt met een kerkelijke gemeenschap die zich op dwaalwegen begeeft.

(*) De besluiten van de GS betreffende “m/v en ambt” zijn hier te downloaden.

Advertenties

Slecht voorbeeld

Al decennia wordt er onderzoek gedaan naar jongeren en het geloof en jongeren in de kerk. Vele rapporten, artikelen, brochures en boeken zijn eraan gewijd. Dat wijst erop dat er een ‘jongerenprobleem’ bestaat. Elk jaar verlaten vele jongeren de kerk waarin ze zijn opgegroeid en dat gaat niet zelden gepaard met een afscheid van het christelijk geloof.

Met de ouderen loopt het zo’n vaart niet. Tenminste, dat zou je denken gezien de relatief geringe aandacht die aan het thema ‘ouderen en het geloof’ of ‘ouderen in de kerk’ wordt besteed. Misschien leeft hier en daar de gedachte dat ouderen er wel komen en dat aan hun geestelijk welbevinden geen speciale aandacht hoeft te worden gegeven. Er zijn nogal wat gemeenten waar men een jongerenpastoraat in het leven heeft geroepen en speciale ambtdragers voor de jongeren heeft aangesteld. Vergelijkbare voorzieningen voor ouderen zijn er veel minder, misschien uitgezonderd in die gemeenten waar het aantal ouderen substantieel is. Wellicht gaat dat veranderen wanneer de vergrijzing zich ook in de kerk steeds nadrukkelijker doet gevoelen.

In het licht van het bovenstaande is het opmerkelijk dat het Nederlands Dagblad een speciaal onderzoek wijdde aan de vraag hoe vijftigplussers met het geloof omgaan en of en in welk opzicht zich hun opvattingen en gedrag over een periode van 25 jaar hebben gewijzigd. Uit het onderzoek springen twee punten naar voren. Het eerste is dat bij een substantieel deel van degenen die de verstuurde enquête hebben ingevuld, het gedrag en de opvattingen ten aanzien van een aantal zaken nogal zijn veranderd. Het tweede is dat een aantal respondenten de vrees uitspreekt dat toekomstige generaties minder betrokken zullen zijn bij de kerk. De intrigerende vraag is of er een verband tussen het één en het ander bestaat. Ik wil proberen op die vraag een antwoord te vinden. Bij mijn analyse kan ik slechts uitgaan van de gegevens die de krant op 23 april j.l. publiceerde. Daarbij past dus enige voorzichtigheid want sommige gegevens zou je nader gespecificeerd willen zien om er iets meer over te kunnen zeggen.

Bij het onderzoek passen wel een paar kanttekeningen. Daar is allereerst – zoals bij elk onderzoek van dit soort – de vraag of de geselecteerde groep geënqueteerden representatief is. Die vraag laat zich op basis van de publicatie in het ND niet beantwoorden. Bovendien is dit een technische kwestie waarover alleen ter zake kundigen een oordeel kunnen vellen. Vermelding verdient wel het feit dat slechts iets meer dan de helft van degenen die benaderd werden, de enquete hebben geretourneerd.

Vervolgens moet gewezen worden op het feit dat de geselecteerde groep erg omvangrijk is wat betreft de leeftijd: iedereen van 50 jaar en ouder. Daar valt dus iemand van 55 onder, maar ook iemand van 85. Daar zit 30 jaar tussen en daarmee behoren ze tot verschillende generaties. Het zou interessant zijn te weten hoe de antwoorden op de gestelde vragen verschillen per leeftijdscategorie. In de ND-publicatie zijn de antwoorden niet uitgesplitst, met uitzondering van die betreffende de kerkgang.

Zo’n uitsplitsing is met name van belang omdat daardoor meer inzicht verkregen kan worden over de periode in het leven van de respondenten waarin zich eventuele veranderingen hebben voltrokken. Gevraagd werd naar veranderingen in gedrag en opvattingen over een periode van 25 jaar. Daarin kan veel gebeuren. Wanneer iemand van 55 andere opvattingen heeft dan 25 jaar geleden ligt het voor de hand te veronderstellen dat de omslag zich op middelbare leeftijd heeft voltrokken. Dat is de tijd dat veel mensen opgroeiende kinderen hebben en dat kan grote invloed hebben op de ontwikkeling van meningen en gedragingen. Iemand kan mogelijkerwijs precies vertellen wat het verschil tussen ware en valse kerk is, maar houdt hij die opvatting staande wanneer zijn kinderen ‘gemengd’ trouwen en elders kerkelijk onderdak vinden?

Je zou ook graag willen weten onder invloed van welke factoren veranderingen hebben plaatsgevonden. Waren het persoonlijke ervaringen? Heeft het te maken met wat men gehoord of gelezen heeft? Heeft men zich door argumenten laten overtuigen of was het gevoel de doorslaggevende factor? Juist de kwesties waarover de respondenten hun mening moesten geven – ongehuwd samenwonen, homoseksuele relaties, de vrouw in het ambt en de kerkgang – laten zich niet reduceren tot een simpel ‘ja’ of ‘nee’ dan wel ‘voor’ of ‘tegen’. Daar zou je graag willen weten hoe men tot een antwoord komt en welke argumenten men daarvoor gebruikt. Er worden wel enkele deelnemers aan het woord gelaten, maar die zijn op geen enkele manier representatief.

Zeker voor de kerk lijkt het me van wezenlijk belang te weten te komen op welke manier mensen tot hun standpuntbepaling komen. Uit artikelen in de pers komt herhaaldelijk naar voren hoezeer wat goed voelt doorslaggevend is. Toen het Nederlands Dagblad nog de mogelijkheid bood digitaal op artikelen te reageren, bleek hoe vaak mensen zich door hun gevoel laten leiden. Degenen bij wie dat het geval is accepteren niet dat wat goed voelt wellicht naar Schriftuurlijke normen niet goed genoemd mag worden. Niet zelden geeft het eigen voorstellingsvermogen de doorslag: ik kan me niet voorstellen dat God een homoseksuele relatie in liefde en trouw zou afkeuren – om maar eens een voorbeeld te noemen.

Natuurlijk zijn er ook die zich serieus met een onderwerp bezighouden en zich in de literatuur die daarover verschenen is, oriënteren. Er is tegenwoordig van alles te krijgen en wat men niet in bladen of boeken vindt, kan men op het internet tegenkomen, tot aan pennevruchten van hier verder niet bekende auteurs uit verre landen aan toe. Dat is onvermijdelijk: ook in dit opzicht is de wereld een dorp geworden. Het is ook niet verkeerd. De vraag is wel of men altijd voldoende kritische zin meebrengt bij het tot zich nemen van wat uit allerlei bronnen opwelt. Kritisch lezen – en dat betekent in dit geval: met een door de Schrift aangereikte bril – is niet ieder gegeven. Juist daarom is het belangrijk dat meningsvorming over ‘hete hangijzers’ niet alleen maar in de binnenkamer plaatsvindt, maar ook – en vooral – in de gemeenschap van de kerk.

En daar zit een groot probleem. De antwoorden op de vraag naar de kerkgang laten zien dat het niet meer vanzelfsprekend is dat alle kerkdiensten – voorzover mogelijk – worden bezocht. In toenemende mate lijkt men zelf te willen uitmaken of het zinvol is aan een kerkdienst deel te nemen. Daarmee komt dus de meningsvorming in de gemeenschap van de kerk onder druk te staan. Weliswaar staan daar dan andere dingen tegenover – bijvoorbeeld samenkomsten van een kleine groep, zoals een huiskring – maar daar komt slechts een gedeelte van de gemeente waartoe men behoort. Bovendien is in zulke structuren het gevaar reëel dat het vooral gelijkgezinden zijn die elkaars gezelschap zoeken. Dat staat diametraal tegenover wat kenmerkend is voor de kerk: een gemeenschap van mensen die in allerlei opzichten heel verschillend zijn en uit zichzelf nooit elkaar zouden hebben opgezocht maar door God zelf bij elkaar zijn gezet.

Vooral de middagdienst staat onder druk. In veel gemeenten laat de deelname daaraan ernstig te wensen over. Sommige kerkenraden leggen het hoofd in de schoot: overtuigd dat het schip niet meer te keren is, schaffen ze de middagdienst af. Dat was traditioneel het moment waarop de leer van de Schrift – gewoonlijk aan de hand van de Heidelbergse Catechismus – werd uiteengezet en verkondigd. Wanneer de middagdiensten verder in verval raken of van de zondagse agenda worden afgevoerd, zal de verkondiging van de leer van de kerk nog verder worden ondermijnd. Daarmee verdwijnt ook de mogelijkheid de gemeenteleden te begeleiden in de confrontatie met wat op de al dan niet christelijke markt aan meningen wordt aangeboden. Naarmate ook christenen meer en meer bezwijken voor de verleiding zich aan te passen aan wat volgens de dominante maatschappelijke opvattingen normaal is, moet in de prediking de confrontatie met die heersende meningen worden aangegaan. Waar de verkondiging en uitleg van de leer van de kerk in verval raakt, moet men zich over de middelpuntvliedende krachten in de meningsvorming van de gemeenteleden niet verbazen.

De vraag is overigens wel of een frequenter kerkbezoek tot een grotere eenheid in gedrag en denken zou leiden. Want dan moeten voorgangers wel duidelijke taal spreken en de Schrift en de belijdenis aan het woord laten komen. Ze moeten – naar de eis van hun ambt – geestelijk leiding geven. Ze waken immers over de zielen van de hun toevertrouwde gelovigen, volgens het bevestigingsformulier voor predikanten. Maar gevreesd moet worden dat nogal wat voorgangers het op dit punt laten afweten. Wie per artikel in de pers een pleidooi voert voor een grotere invloed van het charismatische denken in de gereformeerde kerken, zoals onlangs in het Nederlands Dagblad te lezen was, stuurt hen de verkeerde kant op.

Wellicht is hier ook enige angst in het spel. Voorgangers durven misschien niet meer openlijk te zeggen waar het op staat, uit angst dat gemeenteleden bij wie de boodschap verkeerd valt, afhaken. Wie vanaf de kansel verkondigt dat het bijwonen van twee diensten per zondag de regel is en dat die gewoonte heel goed vanuit de Schrift te beargumenteren valt, zal niet op algemeen applaus hoeven te rekenen. Hij mag blij zijn dat aanvaard wordt dat hij het zegt. Of ernaar geluisterd, laat staan gehandeld wordt, is een heel andere vraag. Het is tegenwoordig niet meer gebruikelijk over een verschil van mening met argumenten te debatteren. Men geeft er de voorkeur aan zich van de boodschap niets aan te trekken.

Dat heeft ook met het toegenomen individualisme te maken: ieder mag voor zichzelf uitmaken wat hij vindt en hoe hij zich gedraagt. Dat maakt concrete prediking en huisbezoek nogal problematisch. Sommige ambtsdragers vallen degenen die zulke opvattingen huldigen, ook nog bij. Nog niet zo lang geleden was in het Nederlands Dagblad een ingezonden brief van een voorzitter van een kerkenraad te lezen – niet op persoonlijke titel, maar onder vermelding van zijn kerkelijke functie – waarin met zoveel woorden werd betoogd dat je uit de bijbel eigenlijk geen algemeen geldende regels kunt afleiden.

De kern van het individualisme is dat ieder individu zelfstandig zijn normen en waarden bepaalt die dan ook alleen voor hemzelf gelden. Je kunt niet tegen een ander zeggen: “gij zult”, maar zo’n uitspraak wordt ook niet van anderen geaccepteerd. Nu zal men zelden openlijk zeggen dat men de kerkelijke gemeenschap niet belangrijk vindt. Er bestaat in de maatschappij als geheel een duidelijk verlangen naar gemeenschap. Het is één van de drijvende krachten achter het populisme. Maar daarbij zoekt men dan wel een gemeenschap die voldoet aan bepaalde voorwaarden: het moet wel een gemeenschap zijn van gelijkgezinden. Voor het rechts-radicale populisme betekent dit dat wie geen Nederlandse wortels heeft die minstens drie generaties terug reiken, er niet bij hoort. Een gemeenschap op voorwaarden: dat is ook een gemeente waarvan de voorganger gemeenteleden die het kerkenraadsbeleid bekritiseren, dringend adviseert maar op te krassen – en dat is dan nog een gekuiste weergave. Daarmee verwordt de kerk tot een secte.

Die staat diametraal tegenover wat het wezenlijke is van de kerk volgens de gereformeerde kerkorde, die overigens geworteld is in de Schrift. Daarin zitten mensen die elkaar niet hebben uitgezocht en elkaar misschien niet eens sympathiek vinden. Maar ze hebben wel boodschap aan elkaar en willen van elkaar leren. Waar die wil ontbreekt, verwordt de gemeente tot een groep van mensen die nog wel een aantal fundamentele leerstellingen delen, maar zich verder in leer en leven zodanig van elkaar verwijderen dat het woord ‘gemeenschap’ niet meer echt van toepassing is.

Veel geënqueteerden spraken als hun verwachting uit dat toekomstige generaties minder kerkelijk betrokken zijn. Ik zou graag willen weten hoeveel van hen minder frequent de kerkdiensten bezoeken en of hun opvattingen in de loop van de tijd zijn losgeraakt van wat hun kerk belijdt. Want wanneer men zelf het verkeerde voorbeeld geeft, moet men zich niet beklagen wanneer volgende generaties een stap verder gaan of de uiteindelijke consequenties trekken. Sommigen lieten weten dat hun minder frequente kerkbezoek hun geloof niet heeft verzwakt. Maar om welk geloof gaat het dan? Het geloof waarvan men de inhoud hoogstpersoonlijk – zonder inbreng van de kerkelijke gemeenschap – bepaalt? Niet de individuele gelovige maakt uit wat geloof is. Dat wordt in de gemeenschap van de kerk bepaald. Aan de kerk is het Woord toevertrouwd, hier vindt de ‘bediening van de verzoening’ – om een oude term van stal te halen – plaats en hier worden de sleutels van het hemelrijk gehanteerd.

Er is een uitdrukking die zegt: “Goed voorbeeld doet goed volgen”. Dat geldt ook voor de manier waarop men gelooft en zich beweegt binnen de kerkelijke gemeenschap. Het omgekeerde is echter ook waar: slecht voorbeeld doet slecht volgen. Daarom moet ieder zich afvragen of hij wel een voorbeeld geeft dat navolgenswaard is. Wie de regelmatige kerkgang laat verslonzen, moet zich niet verbazen dat jongeren nog veel minder vaak de kerk van binnen zien. Er zal best een jongerenprobleem zijn, maar wellicht is dat voor een deel – en in toenemende mate – een ouderenprobleem.

Een kudde zonder herders? (4)

Na een onderbreking sluit ik met deze vierde aflevering de serie onder de titel “Een kudde zonder herders?” af. Waar ging het ook al weer over? Prof. Douma wees er op zijn website op dat veel lezers van gereformeerde persorganen het gevoel hebben dat zij geen begeleiding meer krijgen. Uit zijn verdere betoog valt op te maken dat hij doelt op leiding. In het vervolg neemt hij dan De Reformatie en het Nederlands Dagblad op de korrel.

In het eerste artikel wees ik erop dat de leiding die in het verleden werd gegeven door bladen als De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad – voorganger van het Nederlands Dagblad – niet berustte op enig ambtelijk gezag, maar op de brede aanvaarding van de leiding die de scribenten in de genoemde bladen gaven. In het tweede artikel betoogde ik dat de taak leiding te geven berust bij de ambtsdragers in de kerkelijke gemeenten, die daartoe door God zelf geroepen zijn. In het derde artikel ging het vervolgens over de manier waarop de gemeente daarmee moet omgaan en vooral hoe ze moet reageren wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven.

Het is nu tijd terug te keren naar het betoog van Douma. Hij noemt enkele voorbeelden van bijdragen in De Reformatie en het Nederlands Dagblad waarin – naar zijn mening – geen leiding wordt gegeven of een verkeerde weg wordt gewezen. Doet hij de desbetreffende bladen en de betrokken scribenten recht?

Douma noemt allereerst enkele voorbeelden van artikelen in De Reformatie waarin naar zijn mening verhullend gesproken wordt, bijvoorbeeld over de zonde van het ongehuwd samenwonen en de manier waarop daarmee in de tuchtoefening moet worden omgegaan. Uit een reactie van de schrijver van het artikel over het genoemde onderwerp en het antwoord van Douma daarop blijkt dat het verschil uiteindelijk minder groot is dan aanvankelijk het geval leek. Dat is ook bij een ander door hem genoemd artikel het geval. In beide gevallen moet wel geconstateerd worden dat sommige auteurs blijkbaar niet in staat zijn een duidelijke visie te formuleren die geen aanleiding is voor misverstanden. Of zou de oorzaak zijn dat de auteurs een beetje bang zijn al te scherp uit de hoek te komen? Natuurlijk, wie iets aan papier toevertrouwt, moet voorzichtig zijn. Het geschrevene kan zomaar z’n doel missen. Maar wanneer het geschrevene onduidelijkheid tot gevolg heeft of misverstanden veroorzaakt, mist het zijn doel evenzeer.

Naar aanleiding van de opmerkingen van Douma over enkele artikelen in De Reformatie maak ik nog twee algemene opmerkingen. In de eerste plaats: wanneer een predikant een artikel schrijft, is hij niet minder gebonden aan de Schrift en de belijdenis dan wanneer hij op de kansel staat. Dat betekent dat ook hier de kerkenraad de taak heeft toezicht te houden op wat hij naar voren brengt. Wanneer een gemeentelid meent dat zijn predikant in bijvoorbeeld De Reformatie een artikel heeft geschreven dat niet in overeenstemming is met de Schrift, is hij gerechtigd hem – en eventueel zijn kerkenraad – daarop aan te spreken.
Het tweede is dat in het aanvankelijk door Douma bekritiseerde artikel de hedendaagse cultuur een belangrijke rol speelt. De neiging zich aan te sluiten bij de ‘post-christelijke’ cultuur is vooral op het terrein van de kerkplanting nogal sterk. Het is een onderwerp dat belangrijk genoeg is om er nog eens apart op terug te komen.

In zijn beschouwing over de koers van het Nederlands Dagblad schetst Douma eerst hoe de krant zich van een exclusief op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gericht blad heeft ontwikkeld tot een blad dat als ondertitel “christelijk betrokken” draagt. Als journalisten werden ook leden van andere kerken aangetrokken. Douma schrijft: “Toch leek het er voor een korte tijd op dat het gereformeerde karakter een stempel op de krant zou blijven drukken. Helaas is daar weinig van terecht gekomen. Juister lijkt het mij daarom de krant maar gewoon ‘christelijk betrokken’ te noemen, wat ook op de voorpagina staat. En wat ‘christelijk betrokken’ betekent, is zeer rekbaar, zoals uit menig artikel en ook uit de sfeer van de krant blijkt.”

Douma specificeert dan zijn kritiek op de koers van de krant. Hij gaat allereerst in op de manier waarop ‘religieus nieuws’ wordt ingevuld. Daaronder vallen allerlei nieuwsberichten en artikelen die niets met ‘gereformeerd’ te maken hebben. Daar heeft hij op zich gelijk in; zijn voorbeelden zijn welsprekend genoeg. Maar: moet ‘religie’ worden ingevuld als ‘gereformeerd’? De genoemde artikelen hebben zeker wat met ‘religie’ te maken, zoals dat begrip in de maatschappij gehanteerd wordt. Ik kan me best voorstellen dat Douma aan de genoemde bijdragen geen behoefte heeft. Maar dat is geen criterium. Het feit dat ik economisch nieuws oversla, is voor mij geen reden te zeggen dat het er niet in zou moeten staan.

Ik haal twee door Douma genoemde voorbeelden aan. “In een rubriek ‘Religie overal en nergens’ krijgen soms bekende Nederlanders aandacht, zoals Brigitte Kaandorp. We lezen van haar dat ze wel eens naar de kerk gaat (16-10-2009). Val je er fris in, aldus Brigitte, dan is het een leuk, informatief uur op de zondagochtend. Je hoort nog eens wat! In een andere rubriek lezen we van twee glamourfiguren dat ze in hun boekenkast de Bijbel, de koran en andere heilige boeken naast elkaar hebben staan (16-07-2010). Hun oudste zoon is buddhist, en de moeder wil ook nog graag een christelijk en een islamitisch kind, Voor haar hoeft er overigens geen God te zijn.”
Is dat informatief? In zekere zin wel. Ondanks het feit dat in de toonaangevende kranten en tijdschriften vooral negatief over religie en geloof wordt geschreven, praten allerlei figuren die een publieke rol vervullen, onbekommerd over hun eigen religieuze overtuiging. Dat zou de gedachte kunnen doen postvatten dat het met de antireligieuze gezindheid van deze ‘post-christelijke’ tijd nogal meevalt. Je hoort het ook beweren in kringen waar men zich met evangelisatie en kerkplanting bezighoudt: de moderne mens staat weer open voor geloof. Maar is dat waar? Ik denk dat juist zulke artikelen als hier aangehaald nuttig zijn om die bewering te relativeren. Mijns inziens behoort het juist tot de taak van een christelijke krant alles wat zich als ‘religieus’ of ‘gelovig’ aandient, nader te onderzoeken. En dan blijkt al gauw dat niet alles wat zich als ‘religieus’ aandient die naam verdient en dat het meestal zeer ver afstaat van het christelijk geloof. Het komt meestal neer op een soort ‘geloof’ waarin de mens centraal staat en zijn behoeften bevredigd worden. Staan de aanhangers van zo’n geloof ook open voor een geloof dat van de mens afwijst en dat verplichtingen meebrengt? Artikelen als die waarnaar Douma verwijst kunnen dienen om al te veel optimisme op dat punt te temperen.

“Het Nederlands Dagblad is, zeker op pag. 2, gewoon een doorgeefluik geworden van allerlei nieuws uit oude en nieuwe dozen, zonder nog enige functie te hebben voor de opbouw van het gereformeerde geloof.” Dat is in directe zin misschien waar. Maar moet nieuws worden gebruikt om het gereformeerde geloof op te bouwen? Zijn daar niet in de eerste plaats de opiniërende artikelen voor bedoeld? En zou de opbouw van het gereformeerde leven niet eerder de taak van ambtsdragers zijn en van kerkelijke bladen?

Douma noemt vervolgens voorbeelden van een zijns inziens onrechtvaardige beoordeling van historische gebeurtenissen. Daarbij constateert hij een zekere – en soms grote mate van – afstandelijkheid tegenover het eigen verleden. De door hem aangehaalde voorbeelden betreffen vrijwel uitsluitend bijdragen van columnisten. Mijns inziens is het niet terecht die de redactie van het Nederlands Dagblad aan te wrijven. Er zijn wel vragen te stellen over het beleid ten aanzien van columnisten. Deze genieten terecht de nodige vrijheid, en één van de taken van de columnist is, de lezer te prikkelen. Maar daar zijn wel grenzen aan. Douma noemt in elk geval één voorbeeld waarbij de columnist ver over de schreef ging van wat in een christelijke krant aanvaardbaar is. De redactie had hier behoren in te grijpen.
Er bestaat binnen gereformeerde kring een wat men wel eens ‘weg-met-ons-mentaliteit’ noemt, waarbij men nauwelijks anders dan in negatief-kritische zin over het eigen verleden kan spreken. Die neiging kom je in het Nederlands Dagblad zeker ook tegen. Maar ik zou dat niet als typerend voor de krant willen bestempelen. De door mij al eerder genoemde biografie van Pieter Jongeling van ND-journalist Herman Veenhof is wel kritisch, maar zeker niet negatief.

Zijn er dan geen kritische noten te kraken? Zeker wel. Het is goed dat de redactie op de opiniepagina vogels van verschillende pluimage aan het woord laat. Maar ze zou wel eens wat kritischer mogen zijn ten aanzien van de plaatsing van artikelen. Er staan nogal eens stukken in die haaks staan op de gereformeerde belijdenis – die nog altijd tot de grondslag van de krant behoort – en die geen weerwoord krijgen. Wanneer geen scribent van buiten zich daarvoor meldt, dan zou de redactie die taak zelf op zich moeten nemen. Ook in de hoofdartikelen zou, zeker als het om kerkelijke zaken gaat, weleens duidelijker en confessioneler positie kunnen worden gekozen.

Dat de verbreding van de krant invloed heeft op de inhoud is onvermijdelijk. Maar was er een alternatief? Aan het eind van zijn beschouwing over het Nederlands Dagblad laat Douma merken wel degelijk oog te hebben voor de situatie waarin de krant zich bevindt. Hij wijst erop dat jongeren in de kerk niet meer warm te krijgen zijn voor een abonnement. Men kan natuurlijk betreuren dat het Nederlands Dagblad medewerkers aantrekt van buiten de GKV. Maar wanneer de verbreding van de krant niet was doorgevoerd, zou het ND nu wellicht niet meer bestaan of zich hebben moeten omvormen tot een weekblad.

Het is duidelijk dat die verbreding impliceert dat men zijn verwachtingen moet bijstellen. Wie gewend was aan een krant die geestelijk leiding gaf, zal het moeilijk vinden te wennen aan het huidige redactionele beleid. Maar zoals in de eerste aflevering werd opgemerkt is er geen sprake van dat de redactie van een krant de taak zou hebben leiding te geven in een kerkelijke gemeenschap. De herders van de kudde zijn niet gevestigd aan de Hermesweg in Barneveld, maar in de kerkelijke gemeente.

P.S. Ik was van plan ook nog in te gaan op de kritische opmerkingen van Douma over de ChristenUnie. Daar zie ik op dit moment van af. Ik kom er hopelijk binnenkort op terug in het kader van een beschouwing over de rol van de belijdenis in de ChristenUnie en de consequenties daarvan voor het lidmaatschap en het passieve kiesrecht.

Het gebed van Cees Vork

Cees Vork is leider van de gebedsbeweging ‘Op de Bres voor Nederland‘. Naar aanleiding van het aantreden van het nieuwe kabinet schreef hij in het Nederlands Dagblad een artikel onder de titel “Met dit nieuwe kabinet zijn gebeden verhoord”. Daarin schrijft hij: “In Romeinen 13 vers 1 lezen we dat de overheid door God wordt bepaald. Vanuit deze gedachte kunnen we stellen dat de nieuwe regering onder leiding van minister-president Rutte door God is gewild en bepaald. Dit is belangrijk om te aanvaarden. In ons democratisch bestel gaan we ervan uit dat de meerderheid bepaalt welke overheid er komt. De Bijbel zegt echter dat God de bepaler is van overheden.”

Dat klinkt allemaal heel mooi. Toch heb ik het idee dat hij dit artikel niet geschreven zou hebben – of niet met deze inhoud – wanneer het kabinet een andere samenstelling had gehad, bijvoorbeeld met alleen ‘paarse’ partijen. De kop van het artikel wijst ook al in die richting. “De Bijbel roept gelovigen op te bidden voor de hooggeplaatsten en leert ons ook dat God gebeden hoort en verhoort.” Maar het maakt wel uit hoe je bidt en wat de inhoud van dat gebed is. Wanneer je Vorks artikel verder leest, is er alle reden kritisch te zijn over wat kennelijk de inhoud van zijn gebed is geweest.

“Een gebedspunt dat regelmatig naar voren kwam, was het gebed dat er vele christelijke politici plaats zouden nemen in de nieuwe regering. Als we nu kijken naar de samenstelling van dit nieuwe kabinet constateren we dat een groot gedeelte christelijke wortels heeft vanuit de protestantse en katholieke traditie. Ook minister-president Rutte is actief verbonden met de kerk. Kunnen we dit zien als een gebedsverhoring?” Die laatste vraag lijkt me een retorische, want uit de strekking van Vorks artikel blijkt dat zijn antwoord op die vraag “ja” is. Maar moet het daarom gaan, of er christelijke politici in het kabinet zitten?

Het past mensen niet over het geloof van andere mensen te oordelen. Je kunt alleen afgaan op wat er in de praktijk van blijkt. Laten we aannemen dat een substantieel deel van de leden van het kabinet “christelijke wortels” heeft. Heeft de samenleving daar iets aan? Veel ongelovigen, zelfs atheïsten, hebben “christelijke wortels”, maar daardoor laten ze zich hooguit inspireren om zich er tegen af te zetten. Van Mark Rutte wordt beweerd dat hij “actief verbonden” is met de kerk. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer dat op geen enkele manier zijn politieke denken of handelen beïnvloedt?

De aanwezigheid van christenen als zodanig heeft geen betekenis. Waar het om gaat is in hoeverre het regeringsbeleid beantwoordt aan de normen die de Schrift stelt. En daartoe behoort het bevorderen van recht en gerechtigheid. Dat wordt op de site van ‘Op de Bres voor Nederland’ zelfs expliciet als gebedspunt genoemd: “Bid om een eerlijke verdeling van de kosten in verband met de bezuinigingen.” Valt dat van dit kabinet te verwachten? Het regeerakkoord wijst in de omgekeerde richting. Wat heeft de samenleving aan een kabinet met christenen, wanneer de gevolgen van de financieel-economische crisis vooral bij de lagere inkomensgroepen gelegd worden?

Een tweede gebedspunt wordt genoemd: “Dank en bid dat het rijke Europa hulp blijft geven aan landen die hulp nodig hebben vanwege armoede en rampen.” Valt te verwachten dat met de komst van dit kabinet deze bede is verhoord? Voor wat Nederland betreft lijkt het er niet op. Eerder valt te verwachten dat de geldkraan wordt dichtgedraaid. Nederland zal onder dit kabinet steeds meer met de rug naar de buitenwereld gaan staan. Het kabinetsbeleid zal, zowel ten aanzien van het sociaal beleid in het binnenland als het ontwikkelingsbeleid in internationaal verband, uitgaan van het liberale principe dat iedereen z’n eigen broek moet ophouden.

“Er is gebeden dat de nieuwe regering een sterke band met Gods volk Israël zou hebben. Ook hierin zien we een tastbare gebedsverhoring. Ook Geert Wilders, die dit kabinet gedoogsteun geeft, heeft een duidelijke pro-Israëlvisie,” schrijft Vork. Is een kritiekloze bewondering voor de Israëlische politiek, zoals Geert Wilders die tentoonspreidt, in overeenstemming met de Schrift? Zouden recht en gerechtigheid die de regering behoort te bevorderen, ook in internationaal verband, niet vragen om een iets genuanceerder benadering?

Zou het met de eenzijdige, onschriftuurlijke gerichtheid op Israel te maken kunnen hebben dat op de site geen enkele oproep te vinden is te bidden voor een rechtvaardige behandeling van de islamitische minderheid in ons land? Juist onder dit kabinet is die in gevaar. Van het nieuwe kabinet gaat vooral de boodschap uit dat moslims hooguit worden getolereerd, maar niet geaccepteerd. Heeft dat iets met christelijke politiek te maken?

Over de opdracht zorgvuldig met de schepping om te gaan, zowel nationaal als wereldwijd, hebben we het dan nog niet eens gehad. Ook op dat punt valt van dit kabinet niet veel goeds te verwachten.

Tenslotte: christenen in de politiek dienen zich er niet alleen voor in te spannen dat het regeringsbeleid zoveel mogelijk beantwoordt aan wat volgens de Schrift van de overheid mag worden verwacht. Ze behoren ook in hun manier van politiek bedrijven als christenen herkenbaar te zijn. De laatste maanden is daar in elk geval van de kant van het CDA niet veel van gebleken. De manier waarop met de ‘dissidenten’ in en buiten de fractie is omgesprongen, was niet bepaald een getuigenis van christelijke politiek. En het feit dat deze partij bereid is gedoogsteun te aanvaarden van een beweging die gebrek aan wellevendheid en respect tot handelsmerk van haar manier van politiek bedrijven heeft gemaakt, is dat evenmin. Volgens Vork zitten er in de fractie van de PVV “diepgelovige mensen”. Heeft de samenleving daar iets aan, wanneer ze deel uitmaken van een politieke beweging die groepen in de samenleving tegen elkaar opzet en er geen enkele behoefte aan heeft tegenstellingen te overbruggen?

Is dit kabinet een verhoring van het gebed? Het hangt er maar vanaf waarom je gebeden hebt. Vooralsnog lijkt het vanuit christelijk perspectief eerder een straf dan een zegen.

Discriminatie of evangelisatie?

Naarmate de vorming van een ‘rechts’ kabinet waaraan ook de PVV op één of andere manier bijdraagt, dichterbij komt, lopen de emoties steeds hoger op. In kranten en tijdschriften en niet het minst op internetsites gaan voor- en tegenstanders van zo’n kabinet elkaar te lijf, niet zelden met grof geschut. Ook in christelijke kring is de verdeeldheid groot.

Dat bleek nog eens duidelijk na de verkiezingen. Al bij de eerste consultatieronde liet de SGP weten eventueel wel gedoogsteun te willen verlenen aan een zodanig kabinet. Ook in de reacties op de informatieronde van Ruud Lubbers viel de open houding van de SGP tegenover een ‘rechts’ kabinet op. Dat staat in schril contrast met de afkeer van de PVV en vooral van het meeregeren door de PVV, die de ChristenUnie ten toon spreidt. De verklaring van senator Egbert Schuurman op de site van de partij spreekt wat dat betreft duidelijke taal. Een krant vermeldde in dit verband dat de ChristenUnie geldt als de felste politieke tegenstander van de PVV.

Inmiddels heeft een Comité voor de Rechtsstaat een oproep doen uitgaan naar de leden van de Tweede-Kamerfracties van VVD en CDA, waarin hun wordt gevraagd een coalitie af te wijzen, waarbij de PVV op enigerlei wijze betrokken is, met een verwijzing naar standpunten van de PVV, die op gespannen voet staan met het wezen van de rechtsstaat. Op het discussieforum van het Nederlands Dagblad werd daarop overwegend zeer negatief gereageerd. Weliswaar kan men er niet zonder meer vanuit gaan dat iedereen die reageert christen is, uit de reacties kan toch worden opgemaakt dat dit voor de meesten wel geldt. En dan valt het op hoe negatief wordt gesproken over de islam, en hoever men bereid is te gaan om het vermeende gevaar van de ‘islamisering’ tegen te gaan. Daarbij worden opvattingen geventileerd die je ook in kringen van de PVV kunt horen.

Nu is er voor christenen geen enkele reden positief te zijn over de islam. Wie ervan overtuigd is dat het christelijk geloof het enig ware geloof is en dat niemand tot de Vader kan komen dan door de Zoon, kan niet anders dan de islam als een valse godsdienst bestempelen. Maar wat betekent dat in de praktijk? Is dat een vrijbrief om de aanhangers van dat geloof te beledigen of hen als tweederangsburgers te behandelen? Geeft dat het recht hun vrijheden te ontzeggen die men voor zichzelf – als christenen – wel opeist? Laten we even aannemen dat Nederland inderdaad het gevaar loopt te ‘islamiseren’. Hoe ga je dat gevaar dan tegen?

Het merkwaardige is dat degenen die altijd roepen dat de scheiding van kerk en staat betekent dat de staat zich niet moet bemoeien met de kerk, in het geval van de islam ineens bepleiten dat de overheid zich wel bemoeit met de moskee. Er moet nauwkeurig voor gewaakt worden dat daar geen opvattingen worden uitgedragen die haaks staan op wat wij in Nederland aanvaardbaar vinden. Maar in de kringen van christenen die met de PVV sympathiseren blijft het meestal akelig stil, als het gaat om de geestelijke strijd tegen de islam. Binnen christelijke kerken zijn weliswaar mensen actief ten behoeve van de evangelieverkondiging onder moslims en er zijn gemeenten die speciaal iemand hebben aangesteld om zich hiermee bezig te houden, maar ik heb niet de indruk dat deze activiteiten op erg veel sympathie kunnen rekenen van degenen die in de PVV een bondgenoot zien in de strijd tegen de ‘islamisering’.

Voor een geestelijke strijd tegen de islam moet je natuurlijk niet bij de PVV zijn. Ondanks het feit dat ze er prat op gaat de ‘joods-christelijke cultuur’ van Nederland te verdedigen tegen de ‘aanvallen’ van de islam, moet deze beweging als volstrekt nihilistisch beschouwd worden. De PVV is niet gebaseerd op een levensbeschouwing en heeft moslims dus niets te bieden. Nu is het niet de taak van een politieke partij mensen tot een bepaald geloof te bekeren. Maar het is evenmin haar taak een bepaald geloof te bestrijden en de aanhangers daarvan het belijden van dat geloof onmogelijk te maken.

Wanneer dat geloof leidt tot maatschappelijke misstanden, dan moeten die aangepakt worden. Maar dat betekent niet dat dan aan het achterliggende geloof beperkingen opgelegd mogen worden. Er wordt beweerd dat de islam een politieke ideologie is. Dat is echter geen wetenschappelijk vaststelbaar feit maar een subjectieve interpretatie. Van de islam wordt misbruik gemaakt voor het bereiken van politieke doeleinden. Maar dat is in de loop van de geschiedenis met het christelijk geloof ook gebeurd. Daaruit trekt niemand de conclusie dat het christelijk geloof zelf een politieke ideologie is.

De geestelijke strijd tegen de islam is de taak van de kerk. En juist degenen die zich zoveel zorgen maken over een dreigende ‘islamisering’, zouden zich hiervoor actief moeten inzetten. Bekering tot het christelijk geloof is immers het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’. Maar dan zitten we wel met een probleem. Want als je iemand wilt bekeren, zul je eerst contact moeten leggen en dat vervolgens moeten onderhouden en ontwikkelen. Iedereen begrijpt dat zo’n contact niet ontstaat en zeker geen stand houdt, wanneer wederzijds respect ontbreekt. En daar zit ‘m de kneep. PVV-sympathisanten hebben geen respect voor moslims, en hun wijze van optreden en hun uitlatingen roepen bij moslims begrijpelijkerwijs geen respect op.

Daaruit moet geconcludeerd worden dat degenen die in Wilders en zijn beweging een bondgenoot zien, in feite het meest effectieve wapen tegen de ‘islamisering’ buiten werking stellen. Naarmate de opvattingen van Wilders meer aanhang krijgen, wordt de evangelieverkondiging onder moslims moeilijker. En het is bepaald niet denkbeeldig dat degenen die moslims benaderen met het evangelie zich steeds vaker expliciet van de PVV en haar strijd tegen de islam zullen moeten distantiëren.

De politieke strijd tegen de islam en de evangelieverkondiging onder moslims laten zich niet verenigen. De uiteindelijke vraag voor christelijke PVV-sympathisanten is daarom wat het zwaarst weegt: het eigen tijdelijke welzijn of het eeuwige welzijn van de moslim.

Preken voor het leven

In gereformeerde kring is altijd veel aandacht geweest voor de prediking. Over preken werd gesproken, na de dienst, op bijbelstudieverenigingen. En nog steeds mag het onderwerp zich in grote belangstelling verheugen. Wanneer een predikant moet worden beroepen, komen allerlei eisen en verlangens op tafel. Maar zijn preken zijn toch nog steeds een belangrijk, misschien zelfs wel doorslaggevend argument voor het al dan niet uitbrengen van een beroep.

Intussen worden aan preken wel andere eisen gesteld dan vroeger. Ieder heeft zo zijn eigen wensen. Al te moeilijk mag het niet zijn. En de voorganger moet ook zo preken dat het gemiddelde gemeentelid er iets aan heeft voor de komende week. Hij moet uiteraard de jeugd aanspreken, ook al is ook in de kerk de vergrijzing inmiddels zichtbaar. En dan is er nog de evangelisatie: eigenlijk moet er zo gepreekt worden dat ook toevallige bezoekers snappen waar het over gaat. Kortom, de taak van de prediker is er niet eenvoudiger op geworden.

De vraag is dan wel of daarmee de prediking op haar juiste waarde wordt geschat. Wim Dekker, hoofd vorming en educatie van de “IZB – vereniging voor zending in Nederland” (vroeger functionerend binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, tegenwoordig de PKN), schreef daarover een artikel in het Nederlands Dagblad van 8 april j.l. Het had als opschrift: “Het besef is verbleekt dat in de kerk doden worden opgewekt”.

Een citaat geeft Dekkers visie op de prediking goed weer. “Gereformeerde mensen hadden een diep besef van verlorenheid, dat God eraan te pas moest komen om je uit je verlorenheid op te rapen en dat Hij dat bij voorkeur deed door de prediking. Gereformeerde mensen beseften dat je daarna nooit klaar was, maar dat God een leven lang werk met je hield en dat je daarom zo vaak mogelijk in de werkplaats van God moest verschijnen en die werkplaats is de kerk, waar de Geest werkt door het Woord.”

Dekker meent dat deze opvatting in verregaande mate is verdwenen en dat als gevolg daarvan aan de kerkdienst “van alles geknutseld” wordt. Dat is geen oplossing, want “als ik niet voor mijn eeuwig heil naar de kerk moet, dan zijn er altijd wel weer andere dingen belangrijk”. Op de tegenwerping dat deze kwestie niet erg relevant is wanneer het erom gaat ‘buitenstaanders’ te bereiken, antwoordt Dekker: “Maar mijn stelling is, dat geen mens van buiten geboeid zal worden door iets dat in wezen vrijblijvend en gemoedelijk is.” Hij roept gereformeerde mensen op weer te gaan geloven dat onder de preek doden worden opgewekt. “Dat is dan tevens de beste dienst die ze aan welke zoeker dan ook kunnen bewijzen.”

Heeft Dekker gelijk met zijn analyse van de situatie en met zijn visie op de prediking? Hetzelfde artikel stond in het Reformatorisch Dagblad met een wat andere titel: “Wervende preek moet vol gloed en aandrang zijn”. De koppen zijn waarschijnlijk van de redacties van de respectievelijke bladen, maar die van het ND is pregnanter en geeft scherper aan waar het Dekker om gaat.

Waarschijnlijk nodigt zo’n titel ook eerder uit tot tegenspraak dan die in het RD. Een in de kolommen van het ND niet geheel onbekende scribent reageerde dan ook op raillerende wijze. Het kernpunt van zijn kritiek is dat de preek wordt overschat, omdat de Geest ook op andere wijzen werkt en niet alleen in de kerkdiensten.

Het is waar dat het allemaal begint bij het Woord zelf. Dat keert nooit leeg weer. Dat betekent dat de preek niet teveel belang mag worden toegekend. Een preek kan soms teleurstellen, maar daarmee verliest de kerkdienst nog niet zijn waarde zolang het Woord klinkt. En veel christenen in deze wereld moeten het zonder regelmatige prediking stellen.

Het is ook waar dat de Geest niet alleen via de kerkdiensten werkt. Opvoeding, onderwijs, bijbelstudie – individueel en in verenigingsverband -, huisbezoeken, het zijn allemaal middelen die de Geest gebruikt. Dat laat onverlet dat de verkondiging van het Woord door hen die daartoe geroepen zijn, een sleutelrol speelt in het kerkelijk leven.

Dat woord ‘sleutelrol’ kan hier letterlijk genomen worden. In zondag 31 van de Heidelbergse Cathechismus wordt de verkondiging van het evangelie één van de sleutels van het hemelrijk genoemd, waardoor het koninkrijk van de hemel voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten wordt. Dat brengt grote verantwoordelijkheid mee voor de prediker en voor zijn toehoorders. Het is daarom terecht dat Dekker het zo formuleert als hij doet.

Dat betekent dat aan slordige kerkgang zwaar getild moet worden. Ik ben er niet zeker van dat dit ook het geval is. Ik ben waarschijnlijk niet de enige die constateert dat vooral het bezoek van de middagdiensten sterk is teruggelopen. Of door kerkenraden daaraan, bijvoorbeeld op huisbezoek, ook aandacht wordt besteed, onttrekt zich aan mijn waarneming. Ik heb niet de indruk dat het altijd en overal als een bijzonder urgent probleem wordt gezien.

De opmerking van Dekker dat de veranderde visie op de prediking leidt tot “geknutsel” aan de eredienst is heel herkenbaar. En dat geknutsel is ook sterk aan mode onderhevig. Jaren geleden was het ineens “in” allerlei voorwerpen de kansel op te slepen, soms zo voor de hand liggende dingen dat je je afvroeg of de voorganger dacht dat er alleen kinderen in de kerk zaten.

Maar dat is nu helemaal uit. Nu wordt vooral gestreefd naar variatie. Wanneer elke dienst volgens een vast patroon verloopt, komt de sleur erin en haakt een deel van de gemeente af. Nieuwe muziekstijlen, bij voorkeur beïnvloed door de popmuziek, moeten de jongeren enthousiast maken. De Geneefse psalmen, met hun ‘gedragen’ melodieën, zijn te weinig dynamisch. En steeds weer dezelfde teksten, die gaan na verloop van tijd het ene oor in en het andere uit. Dus worden de Tien Geboden, wanneer het zo uitkomt, maar eens vervangen door iets anders, eventueel van eigen makelij. En desnoods zetten we de gemeente aan het discussiëren. Niet te lang natuurlijk, want dat gaat ook vervelen.

Dat zulke middelen het meestal maar een paar jaar uithouden laat zien dat ze niet werken. De vroeger bekende reclameslogan ‘Geen fratsen, dat scheelt’ is ook op de kerkdiensten van toepassing. Wanneer het besef ontbreekt dat de heilige Geest door middel van de kerkdiensten het geloof wil werken zullen ook allerlei modieuze fratsen geen mens in de kerk krijgen. En als aan kerkdiensten geen hogere eisen worden gesteld dan dat ze “ergens over gaan”, zoals ik een tijd geleden uit een gesprek van jongeren opving, dan valt niet te verwachten dat men sterke aandrang voelt elke zondag twee keer in “de werkplaats van God” te verschijnen.

Dekker spreekt in zijn artikel niet alleen de toehoorders aan, hij richt zich ook op de voorgangers. Niet alleen bij de toehoorders, maar ook bij de predikers is het besef verbleekt “dat onder de prediking doden worden opgewekt. Wanneer de predikers dit niet meer beseffen, verdwijnen gloed en aandrang uit hun preken, het wordt vooral onderhoudend en gemoedelijk, bemoedigend en vertrouwd: het was wel weer mooi vanmorgen. Maar het was helemaal niet mooi, want er is niets gebeurd!”

Het zal wel waar zijn dat predikanten de druk voelen van de wensen die in de gemeente leven ten aanzien van de prediking. En je moet wel ruggegraat hebben om daarvoor niet te buigen, wanneer je ervan overtuigd bent dat je dan tekort doet aan wat je opdracht is. En wanneer je kerkenraad dan ook nog geneigd is te buigen als een knipmes, wanneer gemeenteleden hun wensen op tafel leggen, wordt je leven er niet eenvoudiger op.

Het helpt wanneer predikanten zich realiseren dat ze niet in de eerste plaats verantwoording schuldig zijn aan de gemeente, maar aan hun Zender. Een preek is geen verzoeknummer. Predikers moeten de vermaning van Paulus aan het adres van Timotheüs (2 Tim 4,2) ter harte nemen: “Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet”.

Die boodschap omvat “oude” en “nieuwe” dingen, zoals Jezus zelf aangeeft, wanneer Hij een “schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden” vergelijkt met “een huismeester die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen te voorschijn haalt” (Mt 13,53). Nieuwe dingen komen alleen te voorschijn, wanneer de prediker studeert en het resultaat daarvan in zijn prediking vertaalt. Maar ook “oude dingen” moeten blijven klinken, want – zoals Dekker terecht stelt – Gods werk aan zijn kinderen duurt hun leven lang.

In de eredienst moet het inderdaad “ergens over gaan”. Als het over dood en leven gaat, dan gaat het ergens over en dan gebeurt er wat.