Archief

Posts Tagged ‘Nederlands Gereformeerde Kerken’

Het gaat om jou

De gemeenteraadsverkiezingen liggen weer achter ons. In de voorbereiding daarop zond AVROTROS een serie televisieprogramma’s uit, die de lokale politiek belichtten. Dat gebeurde onder de titel ‘Ons Belang’. Die was wel passend, want in dorpen en steden lijkt het steeds vaker om de belangen van de burgers te gaan. In steeds meer gemeenten wordt de politiek door lokale partijen beheerst. Die onderscheiden zich niet in ideologie of levensbeschouwing: ze concentreren zich helemaal op de belangen van de inwoners of van een bepaald segment van de lokale bevolking.

Op een aanplakbord in mijn woonplaats Utrecht kwam ik de slogan tegen “Het gaat om jou”. Beter kan het maatschappelijke klimaat van onze dagen niet getypeerd worden. De belangen en het levensgeluk van de kiezer staan centraal. Levensbeschouwing en ideologie zijn heus niet verdwenen, maar zijn in de regel geen onderwerp van politiek debat.

“Het gaat om jou” – dat gaat de christelijke wereld niet voorbij. Ook daar wordt de individuele mens steeds belangrijker. Dat komt wellicht het meest pregnant naar voren in de evangelische beweging. Die heeft vanouds een sterke evangeliserende drive en neigt er daarom toe zich zoveel mogelijk bij moderne maatschappelijke trends aan te sluiten. Het vrijwel onvermijdelijke gevolg is dat ze ook zelf de invloed van die trends ondergaat.

In de politiek zijn de lijsttrekkers in toenemende mate de uithangborden van hun partij. Hun conterfeitsels staan levensgroot op de verkiezingsaffiches afgebeeld. De positie van voorgangers in de evangelische wereld is daarmee vergelijkbaar. Gemeenten lijken soms wel het persoonlijke project van zulke voorgangers, die hun optreden baseren op een persoonlijke roeping – die verder niemand kan of mag controleren, laat staan bekritiseren – en menen een bepaalde ‘bediening’ te hebben. Persoonlijke conflicten zijn dan bijna voorgeprogrammeerd en het uiteenvallen van gemeenten is dan ook een vaak voorkomend verschijnsel, vergelijkbaar met de vermenigvuldiging van fracties in gemeenteraden.

Het is dan niet zo verbazingwekkend dat ook de boodschap vaak nogal persoonlijk van aard is. Recent zei een predikant in een preek dat je de idealen van de moderne mens kunt samenvatten in drie woorden: geluk, gemak en genot. Die vinden hun weerslag in de boodschap van evangelische voorgangers. Het meest frappante voorbeeld daarvan is het welvaartsevangelie dat vooral in Afrika en de Verenigde Staten weerklank vindt. De boodschap is simpel: het geloof legt je geen windeieren. Wie gelooft, mag (materiële) voorspoed verwachten.

Dat welvaartsevangelie is niet typerend voor de evangelische beweging als geheel. De nadruk op gebedsgenezing is dat wel. Het is één van haar raisons d’être. Door genezing op het gebed laat God zijn macht zien en wordt de mens in zijn geloof bevestigd. Matthijs Vlaardingerbroek, een bekend spreker in evangelische kring, schrijft: “Als Nederlandse christenen lijken wij onbewust te smachten naar keiharde bewijzen van Gods bestaan en zijn kracht. Doen wij dit wellicht om onszelf houvast te geven?” Hij reageert daarmee op een verhaal dat blootlegt hoezeer die concentratie op gebedsgenezing tot theologische schreefgroei kan leiden.

Het gaat allemaal om een ‘wonderbaarlijke genezing’ tijdens Opwekking 2014. “Christenen op het festivalterrein baden voor Simon Ekkelboom, die met spierdystrofie in een rolstoel zat. Er gebeurde een wonder. Na het gebed kon hij namelijk opeens lopen. De pijn was weg. Z’n kleinzoon was zichtbaar aangeslagen. Toen Simon geen christen bleek te zijn werd hij bovendien terstond gedoopt.” Maar inmiddels is van die genezing nog maar weinig te merken. Ook in de kerk laat Ekkelboom zich inmiddels niet meer zien. Dat kerkbezoek viel hem altijd al zwaar. Jan Barendse, de voorganger van zijn gemeente, suggereert dat er wellicht verband bestaat tussen het feit dat Ekkelboom niet meer in de kerk komt en de terugkeer van de spierdystrofie. “Jan benadrukt dat Simon wellicht niet echt Jezus is gaan volgen en dat hij daardoor weer ziek is geworden. Of dat hij niet in “z’n genezing is gaan staan”. In pinksterkringen is dat een theologie die wel vaker wordt gepropageerd.”

In Zondag 23 vraagt de Heidelbergse Catechismus, nadat de Twaalf Artikelen zijn uitgelegd: “Wat hebt u er nu aan dat u dit alles gelooft?” De aanhanger van het welvaartsevangelie antwoordt daarop: “Dat we al tijdens ons leven van welvaart en voorspoed kunnen genieten”. Het antwoord van aanhangers van gebedsgenezing is niet principieel anders: “Dat we al tijdens ons leven van een goede gezondheid kunnen genieten”. Uiteraard wijzen ze op Jezus’ genezingen en zelfs opwekkingen van doden. Maar die hadden niet in de eerste plaats als doel mensen gelukkig te maken, maar de godheid en het daaruit voortvloeiende gezag van Jezus te onderstrepen. Er is alle reden kritisch te zijn over de nadruk op gebedsgenezing. Wil men in feite niet naar zich toe halen wat de gelovigen voor later in het vooruitzicht is gesteld?

Wie zichzelf tot het reformatorische christendom rekent, zoals de schrijver van deze weblog, heeft de neiging met een meewarig hoofdschudden van zulke verschijnselen kennis te nemen. Maar laten we die neiging onderdrukken. We kunnen beter de hand in eigen boezem steken en ons afvragen in hoeverre de trend om de mens en zijn geluk in het middelpunt te plaatsen, ook het gereformeerd kerkelijk leven beïnvloedt. Mijns inziens zijn er goede gronden deze vraag bevestigend te beantwoorden.

Dat blijkt soms uit heel simpele dingen, die op het eerste gezicht van ondergeschikt belang zijn. Neem nu de omgang met liturgie. Niet lang geleden vond in mijn gemeente een bezinning plaats over de liturgie en vooral de rol van de muziek daarin. Eerst werd geïnventariseerd welk muzikaal talent beschikbaar was. Dat leidde dan tot conclusies ten aanzien van de muziek die in kerkdiensten tot klinken zou moeten komen. Daarbij werd dan nog wel rekening gehouden met verschillende smaken van de kerkgangers, zodat naast ‘modern’ ook ‘traditioneel’ aan bod moet komen. Hier komt dus de wens van mensen om een aandeel in de liturgie te leveren, in feite centraal te staan. Die wens valt positief te waarderen, maar mag niet leidend worden in het beleid ten aanzien van de liturgie. Men is in deze bezinning aan de verkeerde kant begonnen. Eerst had aan de orde moeten komen wat de bijbel over de kerk zegt en wat dit voor het karakter van de kerkdienst betekent. Daaruit volgen dan consequenties voor de inrichting van de liturgie en daaruit weer de keuze van het te zingen liedrepertoire.

Ik schreef dat dit op het eerste gezicht van ondergeschikt belang is. Op het eerste gezicht, inderdaad, want in feite is de liturgie een wezenlijk onderdeel van het kerkelijk leven. Dat geldt ook voor andere verschijnselen die hier genoemd moeten worden. In de kerken van de Reformatie geldt formeel nog steeds dat het lidmaatschap van de gemeente door geografische grenzen wordt bepaald. Maar in de praktijk wordt daarmee in toenemende mate de hand gelicht. Steeds meer gemeentegrenzen zijn geperforeerd, wat betekent dat kerkleden kunnen kiezen bij welke gemeente ze willen horen, afhankelijk van haar ‘ligging’. Dat was vroeger iets van de Nederlands Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken (synodaal), maar dit verschijnsel rukt ook op in de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Hoezeer het persoonlijke doorslaggevend is geworden, komt ook daarin naar voren dat nog maar weinigen de wenkbrauwen fronsen als gemeenteleden die gaan verhuizen, aankondigen dat ze in hun nieuwe woonplaats op zoek gaan naar een kerk die “bij hen past”.

Ook het bezoeken van kerkdiensten is een persoonlijke zaak geworden. Of men een kerkdienst bijwoont of niet, hangt voor een groeiend aantal kerkleden ervan af of men er behoefte aan heeft. Vooral de middagdiensten zijn daarvan het slachtoffer geworden. Het is in dit verband wel merkwaardig dat niet zelden ook diegenen, die beklemtonen hoe belangrijk de kerk als gemeenschap is en zich sterk maken voor bijvoorbeeld huiskringen, er geen probleem mee hebben de middagdiensten te verzuimen, terwijl de gemeenschap van de heiligen toch juist in de zondagse samenkomsten begint.

Het probleem met voorgangers, zoals de evangelische wereld die kent, hebben gereformeerde kerken niet. Daar werpt niemand zich als zodanig op, maar worden predikanten door een gemeente geroepen. Ook de binding aan de belijdenis voorkomt dat gemeenten ten prooi vallen aan de persoonlijke inzichten en ambities van voorgangers. Maar hoe lang blijft dat zo? Want in de gereformeerde wereld is de binding aan de belijdenis niet meer zo vanzelfsprekend als die ooit was en in elk geval heel wat minder strikt dan vooral in de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) het geval was. In de Nederlands Gereformeerde Kerken is men op dat punt altijd wat coulanter geweest en dat virus tast ook met haar verwante kerken aan. Het valt te verwachten dat de voorgenomen fusie tussen NGK en GKV dat proces zal versterken. Daarmee krijgen voorgangers grotere vrijheid hun persoonlijke inzichten uit te venten.

De GKV zijn op dit moment verwikkeld in een proces van bezinning over de vraag of de ambten van predikant en ouderling voor vrouwen opengesteld moeten worden. Die bezinning is het gevolg van een besluit van de laatste Generale Synode, die deze vraag bevestigend beantwoordde. In de discussie is ook de vraag aan de orde gesteld, of en in hoeverre opvattingen in de seculiere samenleving mede ten grondslag liggen aan de verschuiving in de meningen over dit onderwerp. Daarbij wordt vaak gewezen op de veranderde opvattingen over de rol van de vrouw. Dat valt niet uit te sluiten, maar er zijn redenen voor scepsis. Want theoretisch staan in de samenleving vrijwel alle functies open voor vrouwen, van een strikt gelijke behandeling is nog altijd geen sprake. Mannen en vrouwen worden nog niet altijd gelijk beloond voor gelijk werk. En er wordt niet voor niets gesproken over het ‘glazen plafond’, waardoor vrouwen moeilijk tot de hoogste echelons van bijvoorbeeld het bedrijfsleven doordringen.

Bovendien wordt daarmee het onderwerp van ‘man, vrouw en ambt’ geïsoleerd van andere verschijnselen. Veranderde opvattingen over de rol van de vrouw kunnen niet verklaren, waarom ook op andere gebieden de opvattingen die decennia lang met verve werden verdedigd, nu steeds meer aan erosie onderhevig zijn. Dat betreft de visie op ethische zaken, zoals homoseksualiteit, samenwonen versus trouwen en echtscheiding, maar ook de manier waarop de bijbel gelezen en uitgelegd moet worden (hermeneutiek) en de opvattingen over de historiciteit van wat in de eerste hoofdstukken over de oorsprong van de aarde en de schepping van de mens wordt meegedeeld.

Verschuivingen op hermeneutisch vlak spelen ongetwijfeld een sleutelrol. Daarin wordt aan de mens – de lezer en uitlegger van de bijbel – een grotere rol toegekend dan tevoren het geval was. Dat past in een trend, die zich ook op ethisch vlak manifesteert. Moet je mensen als norm voorhouden dat ze bij elkaar moeten blijven, ook als de liefde is verkild? En wanneer mensen van hetzelfde geslacht van elkaar houden, moeten we dan echt aannemen dat God bezwaar heeft tegen hun verbintenis? Wanneer je je in de gemeente, waarvan je lid bent, niet thuis voelt, vraagt God dan echt van je dat je daarvan toch lid blijft? En wanneer je als vrouw de gaven hebt om de gemeente te dienen in het ambt van predikant of ouderling, is het dan echt de wil van God dat je daarvan afziet, omdat Hij het ambt voor mannen heeft gereserveerd?

Dat ik dit zo formuleer zal wel protest oproepen bij degenen die de boven beschreven opvattingen huldigen. Velen van hen zullen oprecht zijn in hun wens recht te doen aan de Schrift. Maar uiteindelijk is dat niet doorslaggevend. Het gaat er niet om of je de Schrift recht wilt doen, maar of je dat daadwerkelijk doet. De argumenten voor de hier gereleveerde opvattingen zijn meestal niet houdbaar bij een zorgvuldige lezing en uitleg van de Schrift, zowel van afzonderlijke bijbelteksten als van de doorgaande lijn in de Schrift. De wens de gaven van vrouwen voor de gemeente, ook in de ambten, te kunnen inzetten, heeft onmiskenbaar groot gewicht in de discussie over ‘man, vrouw en ambt’. Net als in het bovengenoemde geval van de liturgie begint de bezinning daarmee aan de verkeerde kant.

Hier ligt het gevaar van een ‘nieuwe hermeneutiek’: dat de wens de vader van de exegese wordt. Het gaat om jou, tenslotte.

Advertenties

Geschiedenis als wapen

De kennis van de geschiedenis schijnt in Nederland niet erg goed ontwikkeld te zijn. Uit onderzoeken komt naar voren dat leerlingen in het middelbaar onderwijs soms de meest elementaire feiten uit de Nederlandse geschiedenis niet kennen. Of dat een typisch Nederlands verschijnsel is, weet ik niet. Het zal in andere Westeuropese landen met de kennis van de eigen geschiedenis wellicht niet substantieel beter zijn.

Geschiedenis lijkt in het bewustzijn van moderne burgers geen rol te spelen. Daarom werd in de jaren ’90 van de vorige eeuw met verbazing naar de ontwikkelingen op de Balkan gekeken. Gebeurtenissen uit het verleden, soms zelfs van eeuwen her, speelden een wezenlijke rol bij politieke beslissingen en konden zelfs aanleiding zijn tot militair optreden. In West-Europa konden maar weinigen zich voorstellen dat historische gebeurtenissen tot zoveel emoties konden leiden.

Maar de afstand tot de mentaliteit van de bewoners van de Balkan is niet zo groot als die lijkt. Publicaties over de Tweede Wereldoorlog geven nog geregeld aanleiding tot debatten, waarbij ook de emotie niet geschuwd wordt. En in politieke en maatschappelijke discussies kan het zomaar gebeuren dat naar de oorlog of een gebeurtenis uit die tijd verwezen wordt ter ondersteuning van het eigen standpunt dan wel om de opvatting van tegenstanders verdacht te maken.

In kerkelijke kring is de aandacht voor de geschiedenis traditioneel groter. Dat geldt misschien niet meer voor de jongere generaties – zeg 30 jaar en jonger -, maar nog wel voor mensen van middelbare leeftijd en ouder. Terwijl in het Nederlandse maatschappelijke en politieke debat de Tweede Wereldoorlog als een soort ijkpunt geldt – waarbij mensen en situaties bij voorkeur gekwalificeerd worden als “goed” of “fout” -, zo bestaan ook in kerkelijke kring gebeurtenissen die als zodanig functioneren. Zeker tot de jaren ’60 van de 20e eeuw was binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) de Vrijmaking zo’n ijkpunt. In de daarop volgende decennia werd die steeds meer vervangen door de breuk die zich in de jaren ’60 in die kerken voltrok en die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken heeft geleid. Ironisch genoeg is juist het conflict dat tot de breuk leidde, een voorbeeld van het hanteren van de Vrijmaking als ijkpunt. Want de beoordeling van de Vrijmaking was één van de zaken waarover de meningen sterk uiteenliepen en die een niet onbelangrijke rol speelden in het conflict.

Nog altijd wekken geschriften over deze breuk de nodige emoties op. Dat is recent gebleken toen Wim Berkelaar, als historicus verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de VU in Amsterdam, een column schreef op Protestant.nl. De titel was ronduit provocerend: “Het religieuze geweld van professor Kamphuis”. Daarin betoogt hij dat Kamphuis zich schuldig maakte aan “gewetensdwang” en “religieus geweld”. Geen wonder dat dit tot heftige reacties leidde, zowel op de desbetreffende site als in het Nederlands Dagblad. Behalve de gebruikte kwalificaties wekte ook het moment van verschijnen van deze column verontwaardiging. Het was immers nog maar ruim een maand geleden dat Kamphuis was overleden.

Dat een publicatie over het conflict van de jaren ’60 veel emoties wekt valt te begrijpen. Veel mensen die het bewust hebben meegemaakt, zijn immers nog in leven. Velen hebben aan die periode emotionele verwondingen overgehouden. De onmiskenbare emotie waarmee Berkelaar schrijft, is minder begrijpelijk. Zelf is hij opgegroeid in de Gereformeerde Kerken (synodaal) en dat in een tijd waarin het conflict tussen ‘vrijgemaakten’ en ‘synodalen’ allang van zijn scherpste kantjes was ontdaan. In het Nederlands Dagblad van 28 januari schrijft hoofdredacteur Peter Bergwerff dat hij Berkelaar heeft gevraagd wat hem heeft bewogen op zo’n felle toon Kamphuis aan te klagen. “Die existentiële betrokkenheid van Berkelaar kwam voort uit zijn individualisme en zijn afkeer van groepen en groepsdwang. Die afkeer was gevoed door zijn intensieve studie van het communisme. Het doet hem gruwen van alle collectivisme. Ook in de kerk.”

Het is goed wanneer een historicus warm loopt voor de geschiedenis of voor een bepaald onderwerp in het bijzonder. Daardoor is hij geneigd echt te gaan graven om alles te weten te komen wat wetenswaardig is. Maar er schuilt ook een gevaar in, zeker wanneer hij zich identificeert met een bepaalde persoon of een bepaalde kant in een conflict. Daardoor kan de evenwichtigheid in het onderzoek ernstig in gevaar komen. Er zijn niet weinig historische studies verschenen, waarin de auteur niet de neiging heeft kunnen onderdrukken naar de door hem gewenste uitkomst toe te schrijven en te weinig aandacht te besteden aan wat die conclusies zou kunnen ondergraven.

Neutraliteit bestaat niet. Elke historicus heeft opvattingen die een rol kunnen spelen in zijn onderzoek. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang hij zich daarvan bewust is en bereid is zich door collega’s te laten corrigeren. Recentelijk zijn we nog eens met de neus op de wenselijkheid daarvan gedrukt door de manipulaties van onderzoeksgegevens door de Tilburgse psycholoog Stapel. Dat moet eens te meer huiverig maken voor onderzoek vanuit vooropgezette doelstellingen.

Berkelaar maakt het nog bonter. Het is ironisch dat hij aan het eind van zijn column pleit voor de instelling van een ‘waarheidscommissie’ door de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Uit de door hem geformuleerde doelstelling blijkt dat voor hem de ‘waarheid’ al vaststaat: “om het geweld van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in kaart te brengen”. Het gaat er dus niet om vast te stellen òf van “gewetensdwang” en “religieus geweld” sprake was, maar hoe die werden uitgeoefend. Zelfs de vraag wie zich daaraan heeft schuldig gemaakt heeft Berkelaar in zijn column al beantwoord.

De eerste taak van de historicus is niet een oordeel te vellen over mensen. Hij moet vooral zoveel mogelijk relevante feiten opsporen, die analyseren en met elkaar in verband brengen en het geheel vervolgens in een bredere context plaatsen. Het eerste doel van historisch onderzoek is, kortom, het inzicht in een bepaald onderwerp te vergroten. Een eerlijk oordeel is immers alleen mogelijk wanneer alle relevante feiten gewogen en in hun betekenis begrepen worden. Ook de politiek stelt soms een onderzoekscommissie in, zoals bijvoorbeeld naar de gebeurtenissen in Srebrenica. Het rapport van die onderzoekscommissie zou elke waarde hebben verloren wanneer de onderzoekers al bij voorbaat te kennen hadden gegeven dat bepaalde hoofdrolspelers zich volgens hen zouden hebben schuldig gemaakt aan onaanvaardbaar gedrag. En wanneer een historicus op grond van zijn onderzoek een oordeel wil vellen, dient hij wel duidelijk te maken wat de maat is waaraan hij gebeurtenissen en personen wil meten.

Berkelaar heeft zich zelf geen kandidaat gesteld voor een uit te voeren onderzoek naar de breuk van de jaren ’60. Daarvoor heeft hij zich in elk geval al bij voorbaat gediskwalificeerd. Maar ook zijn reputatie als historicus in het algemeen staat op het spel. Hij velt oordelen zonder ervan blijk te geven dat die gebaseerd zijn op gedegen onderzoek en begrip van het onderwerp. Zijn oordelen zijn bovendien gebaseerd op een maatstaf waarover de lezer in het ongewisse wordt gelaten.

Wie zich als historicus door zijn persoonlijk vooroordeel laat leiden en alles en iedereen langs die meetlat legt, misbruikt de geschiedenis als wapen in zijn persoonlijke strijd. Dat staat anderen vrij, maar een historicus kan dat alleen maar doen ten koste van zijn geloofwaardigheid.

Jacob Kamphuis, oecumenicus

Over de doden niets dan goeds, zegt een van oorsprong Latijnse uitdrukking. Dat betekent dat men na iemands overlijden zijn fouten en gebreken zo veel mogelijk ongenoemd laat. Daar komt in de praktijk meestal niet veel van terecht. Want over de meeste doden valt wel iets in negatieve of in elk geval kritische zin te zeggen. Dat geldt zeker wanneer iemand een belangrijke rol in het openbare leven heeft gespeeld. Daar is op zichzelf niets tegen, zolang daarbij rekening wordt gehouden met tijd en plaats. Er is een tijd om kritiek te leveren en een tijd om zich van kritiek te onthouden. Dat geldt ook bij het overlijden van Jacob Kamphuis op 13 december j.l.

Vele jaren was hij actief als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool – zoals die toen nog heette – van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen, eerst in kerkgeschiedenis en kerkrecht en vervolgens in de dogmatiek. Lange tijd was hij ook in veel opzichten het ‘gezicht’ van zijn kerken, niet in de eerste plaats als hoogleraar, maar vooral als vruchtbaar auteur van artikelen, met name in De Reformatie. In de kerkstrijd die de Gereformeerde Kerken in de jaren ’60 van de vorige eeuw verscheurde en die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken leidde, speelde hij een centrale rol. Vooral dat laatste heeft hem de naam bezorgd de deuren van zijn kerken naar de buitenwereld gesloten te willen houden. Ten onrechte.

Niet voor niets zette ik boven dit artikel als typering oecumenicus. Want Kamphuis was een man met een brede blik. Hij had een grote en intense belangstelling voor de cultuur waarin hij en zijn kerken zich bevonden. Daarom confronteerde hij zich met filosofische en literaire uitingen van die cultuur. Maar de betiteling als oecumenicus verdient hij vooral omdat de heilige, algemene, christelijke kerk – zoals de Apostolische Geloofsbelijdenis daarover spreekt – in het middelpunt van zijn aandacht stond.

Wanneer die belijdenis in een kerkdienst wordt uitgesproken of gezongen, wordt dat vaak ingeleid met de woorden: “We belijden in gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen”. En daarnaar ging Kamphuis’ belangstelling uit. Dat kwam tot uiting in zijn werk als hoogleraar. Als kerkhistoricus met een grote dogmatische belangstelling en als dogmaticus met kerkhistorische bagage trok hij lijnen van het verleden naar het heden. Daarmee onderstreepte hij de continuïteit in het kerkvergaderend werk van Christus. Hij liet daarin ook de actualiteit van het verleden voor het heden zien. In dit aspect van zijn werk stond de kerk van alle eeuwen centraal. In zijn emeritaatsperiode gaf hij daaraan een vervolg toen hij zich via het GemeenteNproject inzette voor de kerk van de toekomst. Door middel van dit project werden jonge gelovigen gestimuleerd zich in te zetten voor de kerk.

Daarnaast had hij ook oog voor de kerk van alle plaatsen. Zijn interesse bleef niet beperkt tot de kerk zoals die zich in Nederland manifesteert. In zijn veelvuldige contacten met gelovigen en kerken over de grenzen – bijvoorbeeld in Oost-Europa – gaf hij blijk van een echte oecumenische instelling. Hoezeer hij de gereformeerde belijdenis en het gereformeerde kerkrecht in Nederland tegen aanvallen verdedigde, hij realiseerde zich – juist als kerkhistoricus – heel goed dat God met zijn kinderen in verschillende landen en culturen verschillende wegen kan gaan. Een neerlandocentrische visie was hem vreemd.

Zijn inzet in de kerkstrijd van de jaren ’60 is daarmee niet in tegenspraak. Integendeel. Het begrip ‘oecumene’ is in de loop van de 20e eeuw in de greep gekomen van degenen die het gezag van de Schrift ter discussie stelden en vraagtekens plaatsten bij haar eenduidigheid en blijvende geldigheid. Belijdenissen konden hooguit als specifieke interpretaties van de Schrift worden beschouwd, die op gelijke hoogte staan met andere, soms geheel tegengestelde interpretaties. Met echte oecumene, die de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen handhaaft en bevordert, heeft dat niets te maken. In die zin is Kamphuis’ verdediging van de ‘gereformeerde religie’ – zoals prof. J. Douma in het Nederlands Dagblad van 15 december j.l. het noemde – bij uitstek een blijk van oecumenische gezindheid. Wie de gereformeerde religie – wat niets anders is dan de leer van apostelen en profeten – tegen aanvallen verdedigt, komt daarmee ook op voor de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen. Die eenheid wordt verbroken wanneer ieder de vrijheid gelaten wordt in de Schrift te lezen wat hem uitkomt. Een binding aan de gereformeerde leer is geen benepenheid en geen vorm van kerkisme, maar een daad van oecumenische betekenis.

Vooral in zijn oecumenische gezindheid en werk ligt de blijvende betekenis van Jacob Kamphuis.

Kerk en politieke partij (2)

11 oktober 2011 1 reactie

We hebben de vorige keer gezien dat het ontbreken van een binding van een politieke partij aan één kerk haar niet vrijwaart van de gevolgen van kerkelijke onenigheid. Ik gebruikte in de eerste plaats de SGP als voorbeeld, die zich niet aan één bepaalde kerk bindt, maar wel de effecten van de ontwikkelingen op het erf van de ‘bevindelijke’ kerken en stromingen ervaart. En ik wees op het probleem rond de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie, die de – kerkelijke – achterban van de partij verdeelt.

Nu zou men in het laatste geval erop kunnen wijzen dat die verdeeldheid het logische gevolg is van de veelkleurigheid van de kerken waaruit de Christenunie haar leden betrekt. En daaraan zou dan de vraag gekoppeld kunnen worden: zou de Christenunie dat probleem ook gehad hebben, wanneer ze zich aan één bepaalde kerk of eventueel enkele kerken zou hebben gebonden? Het lijdt geen twijfel dat een probleem als dat van de Christenunie zich zo’n 40 jaar geleden binnen het GPV niet zou hebben voorgedaan. En dat kan inderdaad op het conto van de kerkgebondenheid geschreven worden. Iemand als Monique Heger zou, als ze van een vrijgemaakt Gereformeerde Kerk lid geweest was, door haar kerkenraad onder censuur zijn gesteld. Dat zou, bij volharding in haar levenswijze, uiteindelijk tot afsnijding hebben geleid dan wel tot haar onttrekking aan de kerk. Daardoor zou ze niet meer hebben voldaan aan één van de voorwaarden voor een plaats op de kandidatenlijst: het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV).

Maar dan hebben we het wel over de GKV van 40 jaar geleden. Dat is niet meer de GKV anno 2011. Monique Heger mag dan lid zijn van de Nederlands Gereformeerde Kerken, het zou onjuist zijn met de beschuldigende vinger naar dat kerkgenootschap te wijzen alsof de daar kennelijk legitieme opvattingen rond homosexuele relaties het probleem zouden hebben veroorzaakt. De reacties op het recente ontslag van een onderwijzer aan de gereformeerde basisschool in Oegstgeest, nadat hij een homosexuele relatie was aangegaan, laten zien dat ook binnen de GKV niet weinigen van mening zijn dat zo’n relatie aanvaardbaar is. Daaruit mag niet zonder meer de conclusie getrokken worden dat kerkenraden die mening delen en daarom censuurmaatregelen achterwege laten. Maar het is duidelijk dat slagvaardigheid op dit punt wordt ondermijnd wanneer het grondvlak hiervoor geen enkel begrip meer kan opbrengen. Ten aanzien van andere zaken is de relatie tussen wat nog aanvaardbaar wordt geacht en het beleid van kerkenraden niet te ontkennen.

Dat betekent dus dat de Christenunie het uiteindelijk dan zelf maar moet uitzoeken. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan. Zoals in de eerste aflevering al opgemerkt heeft de Christenunie een grondslag die identiek is aan die van veel christelijke kerken. Om het toe te spitsen op het onderhavige probleem: de Nederlands Gereformeerde Kerken verschillen in grondslag niet van de Christenunie. Stel dat het bestuur van een locale afdeling van deze partij tot de conclusie komt dat voor een partijlid dat een homosexuele relatie heeft, geen plaats op de kandidatenlijst is. Wat betekent dat dan voor de kerk waaruit de betrokkene afkomstig is en vooral voor andere leden van die gemeente? Wanneer dit standpunt wordt beargumenteerd vanuit de opvatting dat een homosexuele relatie onverenigbaar is met de grondslag, moet dan de conclusie niet zijn dat de betrokkene ook in strijd handelt met de grondslag van zijn eigen kerk? Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat hier sprake is van een omgekeerd ethisch conflict.

Om even de geschiedenis op te halen: met ‘ethisch conflict’ werd in de jaren na de Vrijmaking bedoeld dat degenen die waren geschorst, niet in één partij (de Anti-Revolutionaire Partij) konden samenwerken met degenen die hen geschorst hadden of in elk geval hun schorsing hadden gebillijkt of zelfs gesteund. Het leven is immers één. Datzelfde probleem zou zich nu in omgekeerde zin kunnen voordoen. Kunnen twee leden van de Christenunie in de kerk samen aan de avondmaalstafel zitten, wanneer het bestuur van de partij over één van hen heeft uitgesproken dat hij handelt in strijd met de grondslag van de partij – en daarmee ook van zijn kerk?

Men zou kunnen denken dat deze situatie een ondersteuning is van de opvatting van iemand als prof. Douma, dat een politieke partij niet dezelfde grondslag moet hebben als de kerk. Hoezeer hij de gereformeerde confessie verdedigt en op haar waarde voor het kerkelijk leven niet wil afdingen – een politieke partij zou deze niet in haar grondslag moeten opnemen. Veel aspecten van die confessie spelen in de politiek immers nauwelijks een rol. In het vorige artikel gaf ik al een citaat van hem dienaangaande. En ook voor rooms-katholieken ziet hij plaats in de Christenunie, en die kunnen met de gereformeerde confessie natuurlijk helemaal niet uit de voeten. Maar zou daarmee het probleem waarmee de Christenunie worstelt, zijn opgelost?

Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk. Ik ben geneigd te denken dat een oplossing dan helemaal achter de horizon verdwijnt. De Schrift is voldoende, hoor je mensen vaak zeggen. Dat zijn vooral degenen die niet veel van belijdenissen moeten hebben. Maar de belijdenisgeschriften zijn niet uit de lucht komen vallen. Ze zijn de resultante van ontwikkelingen die om een reactie vroegen. Wanneer de waarheid van de Schrift wordt aangetast, is het de taak van de kerk hiertegen in het geweer te komen. En dan kan een belijdenisgeschrift een goed middel zijn om samen te vatten wat de kerk van alle eeuwen in de Schrift heeft gelezen. De opvatting dat de Schrift voldoende is – op zichzelf een waarheid als een koe – komt meestal van hen die belijdenisgeschriften te beperkt vinden en meer vrijheid voor hun eigen opvattingen verlangen.

Juist de gereformeerde belijdenis is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat een christelijke politieke partij bij de Schriftuurlijke les blijft. Dat geldt zeker ook ten aanzien van homosexuele relaties. Als iets duidelijk wordt uit de discussies over dit onderwerp is dat de Schrift eenzijdig gelezen wordt: bepaalde teksten worden tot niet relevant verklaard en uitgespeeld tegen andere teksten. Juist dan is de gereformeerde belijdenis van essentieel belang. Daarin worden expliciete uitspraken gedaan over de aard van de Schrift en haar gezag. En de manier waarop de kerk in die belijdenis de Schrift hanteert om tot geloofsuitspraken te komen kan als voorbeeld dienen voor de manier waarop moderne vragen vanuit de Schrift kunnen worden benaderd. Een tweede punt is dat in deze discussie het beeld van God in geding is. Christenen die van mening zijn dat een homosexuele relatie niet strijdig is met de wil van God hebben een beeld van Hem dat op z’n minst eenzijdig is. Hun beeld van God gaat fungeren als een mal: wat de Schrift over sexualiteit zegt wordt daarin geperst. Ook dat heeft alles te maken met de manier waarop de Schrift wordt gelezen.

De gereformeerde belijdenis is geen criterium voor het lidmaatschap van de Christenunie. Ze kan dat ook niet zijn en hoeft dat niet te zijn. Zelfs binnen de Gereformeerde Kerken hebben kerkleden altijd vrijheid gehad op allerlei punten die in de belijdenis aan de orde komen afwijkende opvattingen te koesteren. Wie de kinderdoop afwijst komt niet onder censuur te staan. Het probleem ontstaat wanneer hij zijn kind niet ten doop wil houden. En uiteraard kan hij geen ambt vervullen, want van een ambtsdrager mag worden verlangd dat hij de gereformeerde leer in al haar onderdelen onderschrijft en die uitdraagt en verdedigt. Maar binnen de Christenunie moet de belijdenis wel de maat zijn waaraan de politieke opvattingen worden gemeten en waaraan ook de argumentatie in het politieke debat moet worden getoetst.

Dat betekent bijvoorbeeld dat, wanneer rooms-katholieken al een rol in de Christenunie gaan spelen, zij zich voor een standpunt niet mogen beroepen op uitspraken van de paus of van concilies (vgl. artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Het betekent ook dat men in zijn argumentatie niet het Nieuwe Testament tegen het Oude mag uitspelen, wat zowel in rooms-katholieke als in evangelische kringen voorkomt. En ook voorkomt de gereformeerde belijdenis dat naast de Schrift persoonlijke openbaringen en ingevingen komen te staan – wat zeker onder evangelischen geen zeldzaamheid is.

Zónder belijdenis zal de Christenunie, zo valt te vrezen, overgeleverd zijn aan de neiging de Schrift in de mal van de emotiecultuur te persen. Mét belijdenis in haar grondslag is ze nog niet van haar probleem af. Het blijft dubieus wanneer een politieke partij een oordeel velt over de levenswijze van een potentiële kandidaat, zeker wanneer die levenswijze op zichzelf het uitdragen van het programma van de partij niet noodzakelijkerwijs onmogelijk maakt. Uiteindelijk kan de Christenunie niet verder springen dan haar kerkelijke polsstok lang is. De bal ligt daarom in het speelveld van de kerken. Die zullen toch eens kleur moeten bekennen – desnoods door middel van een belijdenisuitspraak – en moeten ophouden met pappen en nathouden. Maar dat kan alleen als ze eerst de emotiecultuur buiten de deur zetten.

Kerk en politieke partij (1)

De relatie tussen kerk en politieke partij was vroeger een heet hangijzer onder gereformeerden. Dat had alles te maken met het feit dat het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zijn leden vrijwel exclusief betrok uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Alleen bij hoge uitzondering werden leden van andere kerken toegelaten, met name uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Die nauwe binding is altijd omstreden geweest, al vormden de tegenstanders waarschijnlijk een minderheid. Met de tijd nam de weerstand toe, niet alleen van de kant van hen, die aan de kerk niet al te veel gewicht toekenden. Ook iemand als prof. J. Douma begon zich steeds kritischer uit te laten en ventileerde uiteindelijk de opvatting dat het GPV zijn ‘kerkgebondenheid’ moest loslaten. Waarschijnlijk vertegenwoordigde hij inmiddels de hoofdstroom binnen de GKV. De kerkelijke binding van het GPV werd al in 1996 losgelaten, ruim voordat de partij opging in de Christenunie. Daartegen werd wel bezwaar aangetekend, maar erg krachtig was het niet.

Inmiddels is het verschijnsel van de kerkgebondenheid vrijwel verleden tijd. Er zijn nauwelijks nog organisaties overgebleven die hun leden exclusief uit de GKV betrekken. Toch duikt het begrip nu en dan op. Recent was dat bijvoorbeeld het geval toen de historicus Ewout Klei promoveerde op de geschiedenis van het GPV. In zijn beschrijving komt de kerkgebondenheid van het GPV uiteraard uitvoerig aan de orde. En ook recensenten besteden er aandacht aan. In het nummer van juli/augustus van het tijdschrift Nader Bekeken wordt dit proefschrift gerecenseerd door prof. Douma, die deze gelegenheid te baat neemt nog eens afstand te nemen van de kerkgebondenheid. In het boek van Klei ziet hij een bevestiging van zijn overtuiging dat het geen goede greep is geweest dat het GPV besloot zich uitsluitend op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te richten.

Klei beschrijft in zijn boek – dat ik overigens nog niet gelezen heb – hoe de ontwikkeling van het GPV tot een echte politieke partij werd belemmerd door allerlei conflicten die binnen de GKV plaatsvonden. En toen het GPV eenmaal een zetel in de Tweede Kamer had bemachtigd, was dat zeker niet het einde van de onenigheden. In de jaren ’70 had de scheuring binnen de GKV, die tot het ontstaan van de Nederlands-Gereformeerde Kerken leidde, directe gevolgen voor het GPV.

Het kan niet ontkend worden dat de troebelen die het GPV gedurende zijn geschiedenis parten speelden, nauw samenhingen met de binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Door die binding was het niet meer dan logisch dat kerkelijke conflicten directe gevolgen hadden voor de partij. Daarnaast gaf het ook theologen de gelegenheid hun stempel op allerlei discussies te drukken, en het effect daarvan was zeker niet altijd positief. Daarbij moet met name gedacht worden aan het verzet tegen de formulering van een politiek programma. Sommigen beschouwden het GPV toch vooral als de politieke arm van de kerk, die als hoofdtaak had te laten zien wat de ware kerk in Nederland was.

Maar kunnen de genoemde verschijnselen uitsluitend op het conto van de kerkgebondenheid van het GPV worden geschreven? Zouden de gesignaleerde problemen aan het GPV voorbij zijn gegaan, wanneer al veel eerder dan in 1996 besloten was de partij open te stellen voor leden van andere kerken?

Laten we eerst eens naar een andere partij kijken, de SGP. Die betrekt haar leden vrijwel uitsluitend uit de zogenaamde ‘bevindelijke’ kerkgenootschappen en uit de ‘bevindelijke’ vleugels van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederlands Hervormde Kerk (later de PKN). Van een binding aan één kerk is nooit sprake geweest. Dat heeft haar echter niet gevrijwaard van kerkelijke invloed.
De historicus Henk Post heeft beschreven hoe de breuk die in 1953 binnen de Gereformeerde Gemeenten plaatsvond, ook binnen de SGP voor grote spanningen zorgde. Het feit dat binnen het ‘bevindelijke’ kerkelijke landschap over diverse zaken verschillend visies leven – bijvoorbeeld ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij – heeft ook binnen de SGP zijn sporen nagelaten. Tot op de dag van vandaag kijken bepaalde groepen binnen de SGP de Tweede-Kamerfractie kritisch over de schouder.
In dit verband moet er ook op gewezen worden dat de SGP bij de samenstelling van kandidatenlijsten kijkt naar de kerkelijke kleur van kandidaten. Weliswaar bestaat er, voorzover mij bekend, geen formele regel die voorziet in een evenwichtige verdeling van de beschikbare plaatsen over vertegenwoordigers van verschillende kerken. Maar een kandidatenlijst waarop bijvoorbeeld de nummers 1 tot 8 alle tot de Gereformeerde Gemeenten behoren is absoluut ondenkbaar.
In het GPV mogen theologen zich vroeger duidelijk hebben laten horen, de invloed van predikanten binnen de SGP is altijd veel groter en duidelijker zichtbaar geweest dan in het GPV. Het is nog niet zo lang geleden dat de SGP in de Tweede Kamer werd vertegenwoordigd door predikanten. En nog altijd zijn hier en daar predikanten voorzitter van de plaatselijke SGP-afdelingen of zelfs gemeenteraadslid. Dat binnen de Christenunie theologen geen opvallende rol spelen heeft niet zozeer te maken met de lossere band tussen de partij en de verschillende kerken, maar met veranderingen in de visie op de positie van theologen en vooral dienstdoende predikanten. Ook in discussies over maatschappelijke vraagstukken binnen de achterban van de Christenunie spelen ze een geringere rol dan in de jaren ’50 en ’60 binnen de Gereformeerde Kerken.

Zo duidelijk is het verband tussen de troebelen binnen het GPV en zijn binding aan de Gereformeerde Kerken dus niet. Het lijkt me dat elke christelijke partij, wat haar relatie met één kerk dan wel verschillende kerken ook is, de invloed van kerkelijke conflicten ondergaat. En dan maakt het niet zoveel uit of die conflicten zich binnen één kerk afspelen dan wel de kerkelijke grenzen overschrijden. Met dat laatste heeft de Christenunie te maken. Dat blijkt met name uit de discussie over de vraag of leden van de partij die een homosexuele relatie hebben, de partij in politieke organen kunnen vertegenwoordigen. Kandidaten moeten de standpunten van de partij op een geloofwaardige en overtuigende manier uitdragen. Kunnen zij dat? In zijn bovengenoemde recensie gaat Douma daarop in.

Aan zijn proefschrift heeft Ewout Klei onder andere een stelling toegevoegd over dit onderwerp. De positie van homoseksuelen in de Christenunie lijkt op die van de niet-vrijgemaakten in het GPV: officieel is er een beetje ruimte voor ze, feitelijk is die ruimte er niet! (Douma gebruikt geen aanhalingstekens; ik weet dus niet of hij hier letterlijk citeert.) Douma wijst de parallel af. “Als ik (evenals Klei) vind dat de deuren van het GPV voor andere christenen dan vrijgemaakten al veel eerder dan in 1996 geopend hadden moeten worden, is er nog geen grond hetzelfde te zeggen als het over homoseksueel levende christenen gaat in de Christenunie. De Christenunie wil voor het gezin opkomen en keurt het homohuwelijk af. Wie kan een christelijke partij verbieden intern geen kandidaten voor te dragen voor publieke politieke functies als het over (homoseksueel) samenwonende kandidaten gaat?”

Hier maakt Douma zich er mijns inziens iets te gemakkelijk van af. De aanvaarding van kandidaten met een homosexuele relatie maakt het opkomen voor het gezin niet per definitie ongeloofwaardig. In zijn functie als minister van Jeugd en Gezin hanteerde André Rouvoet een definitie van het gezin waaronder ook een gezin met homosexuele partners viel. Zijn programmaministerie kende aan de zorg voor kinderen een centrale plaats toe. Het was voor hem een uitgemaakte zaak dat de overheid kinderen geen aandacht en zorg mag onthouden omdat die in een gezinsverband leven dat niet in overeenstemming is met wat christenen op grond van de Schrift onder ‘gezin’ verstaan.
De afwijzing van het homohuwelijk is ook geen sterk argument. Recent publiceerde het Nederlands Dagblad een interview met Monique Heger, die ooit als gemeenteraadslid voor de Christenunie moest opstappen vanwege het aangaan van een lesbische relatie en die sindsdien tevergeefs probeert weer een plek op een kandidatenlijst te krijgen. Ondanks haar relatie wijst ze het homohuwelijk resoluut van de hand. Dit is ook in overeenstemming met de argumentatie van de Christenunie tegen het homohuwelijk. Daaraan ligt niet de afwijzing van homosexuelen of van homosexuele relaties ten grondslag, maar de overtuiging dat het huwelijk exclusief bestemd is voor één man en één vrouw.

Het is niet zo eenvoudig een uitweg uit dit dilemma te vinden. Douma ziet als één van de grondfouten van het GPV dat de grondslag van de partij identiek was met die van de kerk. Hij wijst erop dat veel onderdelen van de confessie in de politieke praktijk helemaal niet aan de orde komen. “Als het onderwerp kinderdoop nooit aan de orde komt in de politiek, waarom kan een baptist dan niet meewerken aan een politiek program van actie, dat wel christelijk, maar daarom nog niet kerkelijk gekleurd is.” Eerder heeft hij ervan blijk gegeven dat hij ook ruimte ziet voor rooms-katholieken in de Christenunie. Dat kan uiteraard alleen wanneer de gereformeerde belijdenis uit de grondslag van de partij wordt geschrapt. Ik heb het vermoeden dat zonder de confessie de discussie over de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie alleen maar gecompliceerder wordt en wellicht geheel zal vastlopen. Daarover ga ik een volgende keer verder doordenken.

Gereformeerd Appèl

In 1992 werd een beweging opgericht die zich Gereformeerd Appèl noemde. Ze bestaat uit leden van drie kleine reformatorische kerken: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Ze doet regelmatig van zich spreken, vooral aan het begin van een nieuw seizoen, in augustus/september, wanneer een openbare bijeenkomst plaatsvindt, waar leden van de diverse kerken het woord voeren. Daar wordt ook gebeden om eenheid, met name van de drie genoemde kerken.

Het streven naar kerkelijke eenheid is een nobel streven. Sterker nog, het is voluit bijbels. Want Christus wil dat allen die in Hem geloven één zijn. Dat komt nergens zo duidelijk en indringend tot uiting als in het zogenaamde ‘hogepriesterlijk gebed’, dat is opgetekend in Johannes 17. “Ik bid niet alleen voor hen [de leerlingen], maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden”. Eenheid van allen die in Christus geloven is dus een belangrijk instrument voor evangelisatie. Dan moet die eenheid wel zichtbaar zijn. De ‘oecumene van het hart’ is dat niet. En evangelisatieactiviteiten waarbij de kerkelijke verdeeldheid onder het tapijt wordt geveegd zijn tot onvruchtbaarheid gedoemd.

Op het streven van het Gereformeerd Appèl is dus niets aan te merken. Integendeel, het verdient krachtige steun. Het is wel belangrijk dat daarbij de juiste toon wordt aangeslagen. Dat lijkt niet altijd het geval te zijn. Ik heb weleens de indruk gekregen dat het Gereformeerd Appèl zich soms gedroeg als een actiegroep die de kerken onder druk wilde zetten om toch vooral haast te maken.
Er is uiteraard niets op tegen wanneer leden van de desbetreffende kerken laten merken hoezeer de kerkelijke verdeeldheid hen aan het hart gaat. Maar daarbij moet vermeden worden dat men zich gaat afzetten tegen wat al gauw als ‘kerkelijke elite’ wordt aangeduid. De suggestie wordt gewekt dat die het proces van kerkelijke eenwording eerder vertraagt dan versnelt. De vergelijking met het politieke populisme, dat ‘het volk’ opzet tegen ‘de elite’, dringt zich bijna onvermijdelijk op.

Op 23 augustus meldde het Reformatorisch Dagblad dat het Gereformeerd Appèl zich wil verbreden. Ook leden van andere kerken zouden hierbij betrokken moeten worden. Klaas van Breugel, voorzitter van de werkgroep van het Gereformeerd Appèl, denkt aan “een brede gebedsbeweging, waarin broeders en zusters hun verdriet en pijn over de verdeeldheid delen, waar de schuld die wij tegenover elkaar en tegenover de Heere hebben belijden, waar wordt gebeden voor leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Welke andere kerken hij op het oog heeft, wordt duidelijk uit een bericht in het Nederlands Dagblad van 24 augustus: gedacht wordt aan de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Bond in de PKN.

Dat roept vragen op.

Van Breugel wil dat de leden van die kerken de pijn en het verdriet over de verdeeldheid delen. Wordt die ook altijd gevoeld? Daar ben ik niet zo zeker van. Er moet schuld beleden worden. Waarover dan? Kerkelijke verdeeldheid kan inderdaad zonde zijn en dan is schuldbelijdenis op haar plaats. Maar is àlle kerkelijke verdeeldheid zonde waarvoor schuld beleden moet worden?

Er is ook verdeeldheid die het gevolg is van principiële verschillen. In de NGK doen zich allerlei ontwikkelingen voor die bij de GKV en de CGK op ernstige bezwaren stuiten. Daarbij kan gedacht worden aan de toelating van de vrouw tot het bijzondere ambt, de visie op homosexualiteit, de hier en daar bestaande praktijk om kinderen tot het avondmaal toe te laten en de vrijheden ten aanzien van kerkverbandelijke regels en afspraken die sommige gemeenten zich permitteren.
Vrijgemaakt-gereformeerden en christelijke gereformeerden nemen daar terecht afstand van. Wanneer daardoor kerkelijke eenheid niet van de grond komt is dat bepaald geen reden voor schuldbelijdenis. Die zou eerder op haar plaats zijn wanneer zulke zaken terwille van de kerkelijke eenheid met de mantel van de liefde zouden worden bedekt.

Het is natuurlijk prachtig samen te bidden om kerkelijke eenheid. Maar daarbij moeten we de zin voor de realiteit niet verliezen. Als we samen met leden van de Gereformeerde Bond bidden om kerkelijke eenheid, waar bidden we dan om? Iedereen onder het dak van de PKN, waar in de praktijk volledige leervrijheid bestaat? Iets anders zit er niet in, aangezien de Gereformeerde Bond herhaaldelijk duidelijk heeft gemaakt dat afscheiding van de PKN geen optie is.
Er lijkt ook weinig reden aan te nemen dat leden van de Gereformeerde Gemeenten warmlopen voor kerkelijke eenheid met GKV, CGK en NGK. Hun geestverwanten binnen de CGK verzetten zich met kracht tegen de ‘kleine oecumene’. Van leden van de Gereformeerde Gemeenten kan nauwelijks een positievere houding verwacht worden. En dan laat ik hier nog de principiële verschillen tussen de Gereformeerde Gemeenten en de drie reformatorische kerken buiten beschouwing.

De verbreding van het Gereformeerd Appèl leidt onvermijdelijk tot verwatering. Dat blijkt ook uit de persberichten. Volgens Van Breugel moet gebeden worden voor “leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Hoe waardevol dat op zich ook is, dat is toch iets anders dan kerkelijke eenheid. In het ND lezen we: “De verbreding is in deze tijd gemakkelijker omdat kerkelijke eenheid niet alleen draait om het samenvoegen van instituten. ‘Het voeren van het geloofsgesprek is belangrijk geworden. Daarom willen wij ons niet langer beperken tot bepaalde kerken.'”

Kerkelijke eenheid is een Schriftuurlijke eis, christelijke samenwerking over kerkgrenzen heen is dat niet. Door voor het laatste te kiezen beperkt het Gereformeerd Appèl zich tot pijnbestrijding, maar laat hij de kwaal onbehandeld. Met Christus’ bede “Laat hen allen één zijn” heeft dat niet veel te maken.

Geloven doe je samen (3)

In het tweede artikel in deze serie werd betoogd dat de kerk als gemeenschap van de heiligen zich in eerste instantie op plaatselijk vlak manifesteert maar daartoe niet beperkt blijft. De kerk is, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat in artikel 27 formuleert, “niet gevestigd in, gebonden aan of beperkt tot een bepaalde plaats”. Daarmee komt dus in de eerste plaats het kerkverband in beeld: een verband van plaatselijke kerken die elkaar als kerk van Christus erkennen en zich daarom iets aan elkaar gelegen willen laten liggen. Ze willen elkaar steunen, van advies dienen en, waar nodig, corrigeren. Maar de kerk van Christus is niet alleen niet aan een plaats gebonden, ze beperkt zich ook niet tot een specifiek land. De kerk manifesteert zich wereldwijd. Dat betekent dat kerken die op hetzelfde fundament staan, ook over nationale grenzen op elkaar betrokken zijn.

Uiteraard heeft het contact tussen kerken in verschillende landen een ander karakter dan dat tussen kerken binnen één – nationaal – kerkverband. In de regel is van meerdere vergaderingen geen sprake. Er worden van tijd tot tijd weliswaar internationale conferenties gehouden, maar die hebben geen formele status en daardoor ook geen enkel gezag. Ze doen dan ook geen uitspraken waaraan nationale kerken gebonden zijn. De reden daarvan is niet zozeer een principiële – er is geen enkele reden waarom kerken zich volgens nationale grenzen zouden moeten organiseren – maar eerder een praktische. De afstanden zijn vaak te groot voor regelmatige bijeenkomsten, verschillen in taal en cultuur spelen een rol en ook de maatschappelijke context is verschillend. Dat betekent dat niet elke kerk zich voor precies dezelfde vragen gesteld ziet.

Desalniettemin zijn er allerlei onderwerpen waarover kerken uit verschillende landen en zelfs continenten heel goed van gedachten kunnen wisselen. Ook al resulteren contacten niet in bindende uitspraken, dat mag er niet toe leiden dat nationale kerken de uitkomsten van overleg zonder meer naast zich neerleggen. Tenslotte staan die kerken op hetzelfde fundament van apostelen en profeten en niet zelden delen ze ook dezelfde belijdenis. Het is daarom goed wanneer – bijvoorbeeld op generale synodes – de afgevaardigden van buitenlandse kerken aan het woord komen. Het is heel goed mogelijk dat ze die gelegenheid benutten enkele kritische noten te kraken over de kerk waarbij ze op bezoek zijn.

Zulke afgevaardigden doen er goed aan zich te realiseren dat ze vanaf een zekere afstand oordelen. Enige terughoudendheid mag dan wel gevraagd worden. Dat geldt dan natuurlijk wel naar twee kanten. Voor de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – om me daartoe nu te beperken – mag het niet plezierig zijn wanneer buitenlandse afgevaardigden zich openlijk afvragen of deze kerken de naam gereformeerd nog wel verdienen, zij zouden ook hun eigen neiging buitenlandse kerken als star en conservatief te brandmerken moeten bedwingen. Juist hier bestaat de neiging kritiek van vertegenwoordigers van bijvoorbeeld de gereformeerde kerken uit Canada en Australië met een schouderophalen naast zich neer te leggen. Dat is onverstandig. Kritiek die op basis van het gemeenschappelijk fundament geleverd wordt, verdient het eerlijk gewogen te worden. Ook bij de besluitvorming op de Generale Synode zou de inbreng vanuit buitenlandse zusterkerken serieus genomen moeten worden.

Als de kerk zich niet tot één land beperkt, dan is het een bijbelse opdracht internationale contacten te onderhouden. Maar een kerk die internationaal zoekt naar kerken waarmee zij op hetzelfde fundament staat, zou haar plicht verzaken wanneer ze niet tegelijkertijd in eigen land zou streven naar contact met geestverwanten, met als doel dat één wordt wat bijeen hoort. Dat is een moeizaam en langdurig proces, zoals de ‘kleine oecumene’ laat zien. De weg naar eenheid ligt bezaaid met voetangels en klemmen. Daartoe behoren cultuurverschillen, klimaat en traditie en niet het minst ook de realiteit van verschillende stromingen binnen kerken van de Reformatie. Daarbij kan gedacht worden aan de Christelijke Gereformeerde Kerken binnen welke sommige kerken zich eerder tot bevindelijke kerkgenootschappen dan tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) aangetrokken voelen. En terwijl binnen de laatstgenoemde kerken niet weinigen van mening zijn dat ook eenheid met de Nederlands Gereformeerde Kerken mogelijk is, laten deze een dermate grote verscheidenheid aan opvattingen en kerkelijke praktijken zien dat die eenheid weleens een wensdroom zou kunnen blijven.

De eenheid tussen kerken van de Reformatie is er niet mee gediend wanneer ze alle hun eigen gang gaan zonder zich van de andere iets aan te trekken. In dit verband moet het betreurd worden dat de Generale Synode van de GKV niet bereid was onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en eventuele vrijgave voor kerkelijk gebruik van de Herziene Statenvertaling. Binnen de CGK is deze vrijgegeven voor kerkelijk gebruik en een grotere openheid van de GKV ten aanzien van het eventuele gebruik van deze vertaling in de eredienst zou het toenaderingsproces tussen beide kerken ten goede zijn gekomen. Het zou ook een middel kunnen zijn om de toenadering tot de Hersteld Hervormde Kerk te stimuleren. Eenheid met dat kerkverband zit er voorlopig niet in, maar contacten met de HHK zouden weleens meer perspectieven kunnen bieden dan die met de NGK.

Geloven doe je samen: dat betekent dat gelovigen zich samen bezinnen op actuele vragen waarvoor ze zich gesteld zien. Dat heeft alleen zin wanneer er een gemeenschappelijk fundament is. Dat geldt zowel voor individuele gelovigen als voor kerken en kerkverbanden. Er mag vanuit gereformeerd perspectief het één en ander aan te merken zijn op de Hersteld Hervormde Kerk – zaken die deze kerk uit haar ‘moederkerk’ heeft meegenomen – maar daarmee heeft ze zich niet gediskwalificeerd als een gesprekspartner bij de bezinning over actuele vragen. Gezien de daar te constateren trouw aan de Schrift en het streven die – ook in zaken van het dagelijks leven – het laatste woord te laten hebben, zouden vanuit deze kerk weleens zinvollere bijdragen aan die bezinning kunnen worden geleverd dan vanuit de Nederlands Gereformeerde Kerken. Net zoals vrijgemaakt-gereformeerden rekening zouden moeten houden met de opvattingen van hun christelijke gereformeerde broeders, zouden de broeders uit de Hersteld Hervormde Kerk eveneens nadrukkelijk in beeld moeten komen, ook in het proces van bezinning en besluitvorming op het niveau van kerkelijke vergaderingen.