Archief

Posts Tagged ‘Nederlands Hervormde Kerk’

Het gif van het nationalisme

Wie heeft het gedaan? Dat is de vraag die politici, pers en publieke opinie bezighoudt na de ramp met MH17 boven Oost-Oekraïne op donderdag 17 juli j.l. Dat hier sprake is van een daad van terrorisme wordt niet serieus betwijfeld. Of ooit kan worden vastgesteld wie de schuldigen zijn is de grote vraag. De omstandigheden waarin het onderzoek moet plaatsvinden geven weinig reden tot optimisme. Vooral in Nederland bestaat grote woede en verontwaardiging. Het verreweg grootste aantal slachtoffers was in het bezit van een Nederlands paspoort en dat maakt het begrijpelijk dat juist hier met argusogen en met ongeduld gekeken wordt naar de afwikkeling van deze ramp.

Het is waarschijnlijk niet realistisch te verwachten dat de achtergronden anders dan vanuit een – begrijpelijk – vooringenomen standpunt worden geanalyseerd. Toch zal het uiteindelijk er wel van moeten komen dat hier van wat meer afstand naar gekeken wordt. Dan mogen we niet de ogen sluiten voor de mogelijkheid dat de verschijnselen die tot deze ramp leidden niet zover van ons vandaan staan als we wellicht denken of graag zouden willen.

De ontwikkelingen in Oekraïne maken deel uit van een groter geheel. Uiteraard zijn er specifieke omstandigheden die met het land, de cultuur en de geschiedenis van Rusland en Oekraïne te maken hebben. Maar het zou van naïviteit getuigen te denken dat wat zich daar afspeelt elders niet zou kunnen voorkomen. We moeten onder ogen zien dat we ons in een tijdperk bevinden waarin het nationalisme herleeft. We dachten misschien dat die ideologie na de Tweede Wereldoorlog voorgoed ten grave gedragen was, maar de ontwikkelingen sinds de eeuwwisseling laten een tegenovergesteld beeld zien.

Na de val van het IJzeren Gordijn aan het eind van de jaren 1980 stonden landen, die lange tijd formeel zelfstandig waren maar in feite naar het pijpen van Moskou dansten, voor de taak hun eigen identiteit te hervinden. Dat ging niet altijd even gemakkelijk en de ontwikkelingen in Oost-Europa laten een zeer gavarieerd beeld zien. Enkele landen ontwikkelden zich tot redelijk stabiele democratieën, maar in andere kregen allerlei krachten de overhand die met de democratie niet veel op hadden. In enkele heeft zich een vorm van nationaal besef ontwikkeld dat gekenmerkt wordt door het verheerlijken van één specifieke culturele identiteit die gepaard gaat met een zich afzetten tegen wat daarvan afwijkt. De positie van de Roma in verschillende landen van het voormalig Oostblok is bepaald niet rooskleurig. Ook de Hongaarse minderheid in Roemenië wordt niet voor vol aangezien. En, zoals altijd wanneer het nationalisme zich laat gelden, groeit in verschillende landen ook het antisemitisme.

Dat het nationalisme ook gewelddadige vormen kan aannemen werd niet alleen in de beide wereldoorlogen van de 20e eeuw gedemonstreerd, maar nog recenter in de oorlog op de Balkan. Wat voor beschaving doorging bleek niet meer dan een dun laagje vernis dat afbladderde toen het gif van het nationalisme er vat op kreeg. Die oorlog liet zien waartoe nationalisme kan leiden, en de huidige ontwikkelingen in met name het oostelijke, door pro-Russische krachten beheerste deel van Oekraïne bevestigen dat beeld. Mensen die met elkaar in vrede leefden, komen ineens onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Ze zijn zelfs bereid elkaar het leven onmogelijk te maken, desnoods letterlijk, met wapengeweld. Het adagium “right or wrong, my country” wordt tot in het extreme doorgevoerd. De compromisloze vaderlandsliefde smoort elke vorm van kritiek op het eigen denken en handelen. Nationalisme is per definitie ondemocratisch en autoritair: wie vraagtekens zet bij de heersende ideologie en de wijze waarop deze wordt toegepast, krijgt al snel het label ‘landverrader’ opgeplakt. Nationalisme tast het vermogen tot empathie aan: mensen worden gereduceerd tot pionnen op een schaakbord. De ontmenselijking waartoe het nationalisme leidt werd recent wel heel schrijnend gedemonstreerd in de weinig piëteitvolle omgang van Oekraïnse separatisten met de slachtoffers van de vliegtuigramp en hun bezittingen.

Wij in het beschaafde Westen wenden ons vol walging hiervan af en spreken met een mengeling van verontwaardiging en minachting over deze praktijken. Wij zouden ons nooit tot zo’n niveau verlagen, zijn we wellicht geneigd te denken. Maar dan kennen we de geschiedenis niet. De Tweede Wereldoorlog begon in wat wij nu als West-Europa beschouwen. Er zijn nog maar weinig mensen die de gruwelen van die oorlog bewust hebben meegemaakt. Maar er wordt op allerlei, vaak indringende, manieren aandacht aan besteed. Voor een gebrek aan kennis van wat zich toen heeft afgespeeld is geen excuus. Wie zich daarvan rekenschap geeft zal niet zo hoog van de toren blazen over onze ‘beschaving’.

Nu zou men wellicht kunnen denken dat we sindsdien wijzer en wellicht zelfs beschaafder geworden zijn. We hebben toch van de oorlog geleerd? Dat is wel te hopen, maar het is de vraag of de lessen van de oorlog beklijven. Nee, bij ons worden geen etnische groepen of andere minderheden vervolgd en er lopen geen gewapende milities door de straten. Maar dat zijn slechts uiterlijke tekenen van een mentaliteit. De neiging de eigen groep superieur te achten en zich af te zetten tegen wie daartoe niet behoort is wellicht de mens eigen en dus van alle tijden. Dat neemt niet weg dat deze neiging zich soms als een sluipend gif door de aderen van de maatschappij verbreidt en na verloop van tijd het politieke en maatschappelijke klimaat gaat beïnvloeden. Dat is sinds het begin van deze eeuw het geval in verschillende Westeuropese landen en niet het minst in Nederland.

De opkomst van populistische partijen is daarvan een duidelijke manifestatie. Zulke partijen zijn er in soorten en maten. Zonder nu te willen beweren dat linkse partijen als de SP van alle nationalistische smetten vrij zijn, moet het gevaar in dit verband toch vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum gezocht worden. Juist degenen die zich daar bevinden zijn gevoelig voor de nationalistische verleiding. De afkeer van en het verzet tegen de aanwezigheid en invloed van andere culturen wordt hier bepaald niet onder stoelen of banken gestoken. Het is geen wonder dat juist hier een onmiskenbare bewondering voor de Russische president Putin valt te constateren. Men leze het internetforum van Elsevier of een site als De Dagelijkse Standaard. Dat heeft alles te maken met zijn door nationalisme gedreven binnen- en buitenlandse beleid. Daarbij speelt ook een rol dat hij het opneemt tegen Europa, voor veel nationalistisch-rechtse Nederlanders het symbool van het kwaad. Dat is immers per definitie multicultureel. Dat Putin geen democraat is, wordt eerder als een pluspunt dan als een negatieve factor beschouwd.

Het is waar dat in Nederland aan de afkeer van andere culturen niet op gewapende manier uiting wordt gegeven, ook al zijn er nu en dan incidenten die bepaald niet vreedzaam te noemen zijn. Maar verbaal geweld is ook een vorm van geweld en kan mede de voedingsbodem vormen voor fysiek geweld. Hier kan gewezen worden op de manier waarop de PVV gewend is politiek te bedrijven en haar aanhangers tegen burgers van andere culturen opzet. Even bedenkelijk is de pretentie namens ‘het volk’ te spreken, daarmee suggererend dat ‘het volk’ een mening heeft. Het gevaar ligt op de loer dat wie een andere mening heeft dan wordt gezien als niet behorend tot ‘het volk’. Dan is het maar een kleine stap naar de kwalificatie van zo iemand als een ‘landverrader’. Overdreven? Toch niet. Die term werd al jaren geleden in internetfora gebruikt ter kwalificatie van wie een voorstander was van de multiculturele samenleving.

‘Europa’ is lange tijd beschouwd als hèt middel om het nationalisme te beteugelen. Vooralsnog lijkt het daar niet op – het wakkert het nationalisme eerder aan. Dat is dus het medicijn niet. ‘Europa’ kan zelfs in zijn tegendeel verkeren. Het project Europa kan gemakkelijk ontaarden in een nieuwe vorm van nationalisme dat het continent omvormt tot een ‘fort Europa’ dat door ophaalbruggen en hoge muren ‘buitenstaanders’ buiten de deur houdt. Daarmee komen we dan van de regen in de drup.

Eén van de redenen dat het nationalisme zijn kop weer opsteekt is het verval van ideologieën die boven het nationale belang uitstijgen. In het verleden werd Nederland gekenmerkt door de verzuiling. Langs ideologische of religieuze lijnen was de maatschappij verdeeld in een aantal segmenten binnen welke een grote mate van homogeniteit bestond, die gepaard ging met een sterk saamhorigheidsgevoel. Daarvan is nog nauwelijks sprake. Als gevolg van de toegenomen mobiliteit is ook de locale of regionale samenbinding grotendeels verdwenen. Hoewel de zegeningen van het individualisme van de daken gepredikt worden, zijn de meeste mensen nog altijd op zoek naar een vorm van binding met anderen. In onze tijd blijft voor velen alleen nog het eigen volk en de eigen cultuur over. Daarmee gaat gepaard het beklemtonen van wat karakteristiek wordt geacht voor de nationale identiteit. De recente discussie over ‘Zwarte Piet’ laat zien dat dit gemakkelijk nogal ridicule vormen kan aannemen.

In veel christelijke kerken is in de afgelopen weken aandacht besteed aan de vliegtuigramp en de gevolgen. Dat is logisch en volkomen terecht. In zo’n situatie volstaat het niet kracht in onszelf of in de samenleving te zoeken. Maar hopelijk zullen de kerken – op een gepast tijdstip – ook aandacht besteden aan de context zoals die hierboven is geschetst. Ze hebben het beste medicijn tegen nationalisme in de aanbieding. Maar daarbij past dan wel een kanttekening. Want net zoals ideologieën als het socialisme niet altijd vrij geweest zijn van nationalistische smetten – zie de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog – hebben ook christelijke kerken niet altijd weerstand geboden aan de sirenenzang van de nationale zelfverheerlijking. Hier kan gewezen worden op de rol van Orthodoxe kerken in Rusland en Oekraïne en ook die van de Orthodoxe Kerk in Servië ten tijde van de Balkanoorlog. Kerken in de Verenigde Staten hebben zich niet zelden verregaand geïdentificeerd met de politieke doelen van de regering, bijvoorbeeld ten tijde van verschillende militaire conflicten in het Midden-Oosten. Het wordt voor een kerk al helemaal moeilijk een gepaste afstand te bewaren wanneer ze de positie van staatskerk heeft.

Daar is in ons land geen sprake van. Nederland heeft – ook in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – nooit zoiets als een ‘staatskerk’ gekend en ook de Nederlandse Hervormde Kerk had die positie niet, ook al was de koninklijke familie daar lid van. Maar dat wil niet zeggen dat kerken immuun zijn geweest voor de nationalistische verleiding. In de jaren ’30 zijn nogal wat predikanten daarvoor bezweken en van een sterke kerkelijke oppositie tegen het opkomende nationalisme, onder andere in de vorm van de NSB, is niet bepaald sprake geweest.

Na de oorlog werd in GPV-kring onbekommerd gesproken over ‘nationaal-gereformeerde politiek’. Daarbij was zeker geen sprake van nationalisme, zoals dat voor de oorlog bij de NSB werd aangetroffen of zoals dat nu in bepaalde rechtse kringen ingang heeft gevonden. Desondanks mogen daarbij wel kritische kanttekeningen worden gemaakt. In onze tijd zou zo’n term in ieder geval geheel ongepast zijn. Niet alleen zou die ongewenste associaties oproepen, er is ook geen enkele aanleiding het christelijk geloof specifiek met de ‘nationale’ cultuur te verbinden. In de eerste decennia na de oorlog had die cultuur nog in aanzienlijke mate een christelijke kleur. Die is inmiddels goeddeels verbleekt. Er is voor christenen weinig reden de Nederlandse cultuur op grond van hun religieuze overtuiging te verdedigen. Het is ironisch dat culturen die hun wortels buiten Nederland en zelfs voor een belangrijk deel buiten Europa hebben in een aantal opzichten die waarden hooghouden, die ooit kenmerkend waren voor de ‘Nederlands-christelijke’ cultuur. Er is daarom voor christenen bepaald geen reden zich tegen hun aanwezigheid in de Nederlandse samenleving te verzetten.

Moet de christelijke kerk dan met haar rug naar de samenleving gaan staan? Bepaald niet. Van de culturele verwantschap mag dan weinig zijn overgebleven, er is nog wel steeds een historische verbondenheid. Die brengt verantwoordelijkheid mee. De kerk moet de samenleving aanspreken op haar christelijk-historische wortels zoals die bijvoorbeeld in het Wilhelmus tot uitdrukking komen. Juist hier vinden we het tegengif tegen elke vorm van nationalisme. Het lied is ontstaan in een tijd dat het begrip ‘natie’ nog nauwelijks bestond. De wortel van het nationalisme ligt in de 19e eeuw en toen zijn ook veel volksliederen ontstaan. In Nederland hebben we het enige tijd met ‘Wien Neerlands bloed’ moeten doen. Als dat nog steeds ons volkslied was, zouden we allang hebben moeten weigeren dat aan te heffen. Door de aderen van dat lied vloeit vooral het gif van het nationalisme.

Twee jaar geleden schreef ik in dit weblog een stuk over het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Ik schreef toen: “Het [Wilhelmus] is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).”

Laten we bij gepaste gelegenheden het Wilhelmus ook in de kerk met overtuiging zingen. Laten we dan het zesde en vooral het veertiende couplet niet vergeten. Dat laatste eindigt zo: “Tot God wilt u begeven, Zijn heilzaam Woord neemt aan. Als vrome christen leven, ’t zal hier haast zijn gedaan”. We hebben hier immers geen blijvende stad en ons vaderland heeft geen geografische grenzen, hoge muren of ophaalbruggen. Ons vaderland is elders.

Advertenties

Minder emotie

Nauwelijks waren de golven van emotie over de huisvesting van Benno L. in Leiden tot bedaren gekomen of een nieuwe golf overspoelde de samenleving. Geert Wilders zweepte zijn aanhang op om luidkeels te roepen om vermindering van het aantal Marokkanen in Nederland. Het zal wel niet lang duren voordat een andere gebeurtenis deze overschaduwt en weer een nieuwe emotionele oprisping veroorzaakt.

We zijn er inmiddels al wat aan gewend geraakt. Nederlanders stonden altijd bekend als nogal nuchter en niet snel van hun stuk te brengen. Daarin onderscheidden ze zich van de volken uit meer zuidelijke regionen: Italianen en Spanjaarden golden als nogal heetgebakerd. Er hoefde daar maar iets te gebeuren of de vlam sloeg in de pan. Inmiddels zijn die verschillen tot minieme proporties teruggebracht. Aangenomen dat die verschillen ooit bestaan hebben. Want het is maar helemaal de vraag of emotie zo’n paar decennia geleden en vele eeuwen daarvoor echt zo’n geringe rol speelden. Als gereformeerden herinneren we ons ongetwijfeld – zij het uit de geschiedenisboekjes – de beeldenstorm. Die was niet bepaald een uiting van nuchtere bezonnenheid. En om bij de kerkgeschiedenis te blijven: in de tijd van de Contrareformatie en eeuwen later rond de Afscheiding hebben zich taferelen afgespeeld die in emotionele intensiteit niet onderdoen voor wat tegenwoordig op ons televisiescherm aan ons voorbijtrekt.

Het is ook geen typisch Nederlands verschijnsel dat we meemaken. Toen in 1997 de Britse prinses Diana verongelukte leidde dat in Groot-Brittannië tot emotionele ontladingen die velen voor onmogelijk hadden gehouden. Waar was de beroemde Britse stiff upper lip gebleven? Maar ook dat was gedeeltelijk gezichtsbedrog. De ouderen herinneren zich ongetwijfeld het verzet tegen het bewind van de Conservatieve minister-president Margaret Thatcher: het felle optreden van de Engelse vakbonden onder leiding van de beruchte Arthur Scargill. Het verschil was dat het daarbij vooral om emotionele uitbarstingen ging van wat de Engelsen als de lower classes beschouwden.

In noordelijke landen geldt emotionaliteit in de publieke ruimte als een kenmerk van lager-opgeleiden en minder-verdienenden. Tegenwoordig worden die geassocieerd met partijen als de SP en de PVV. Emotionaliteit is daarmee een kenmerk geworden van het populisme. Dat klopt ten dele wel: argumenten die gebaseerd zijn op feiten en een rationele analyse daarvan vinden in die kringen meestal geen gunstig onthaal. De internetfora van de kranten bewijzen het: een auteur komt op grond van feiten en langs logische weg tot een conclusie die een deel van de lezers niet zint, en de fiolen van toorn worden over hem of haar uitgegoten. Daarbij wordt geheel afgezien van enige inhoudelijke weerlegging van de aangevoerde feiten of de gevolgde redenering.

Maar het verschijnsel is breder. Op alle niveaus is sprake van een emotionalisering van de samenleving en de manier waarop meningsverschillen worden uitgedragen. De oproep om vermindering van het aantal Marokkanen werd gevolgd door een regen aan aanklachten tegen Wilders – vaak geregisseerd – waarbij weinigen zich afvroegen in welke mate dit ertoe zou bijdragen dat hij daadwerkelijk vervolgd zou worden. Die aanklachten functioneerden vooral als uitlaatklep voor de emoties die Wilders met zijn actie had opgeroepen.

Het is gemakkelijk hierover de staf te breken. Maar waar sterke emoties leven is het nuttig dat daaraan uiting kan worden gegeven. In vroeger tijden waren het – in elk geval in Nederland – vaak politieke of maatschappelijke leidslieden die zulke emoties in de achterban van hun ‘zuil’ kanaliseerden en probeerden die concreet te maken in politiek handelen. Maar de zuilen zijn teloor gegaan en hooguit in de links- of rechts-populistische hoek bevinden zich politici die zich de rol van spreekbuis toeëigenen. Alleen de omzetting in een concreet politiek programma dat een kans van slagen heeft wil wat minder lukken.

De emotionalisering van de samenleving heeft veel schaduwkanten. Generalisaties – zoals het over één kam scheren van alle Nederlanders met Marokkaanse wortels – en gemakzuchtige conclusies over oorzaak en gevolg – criminaliteit van Marokkaanse jongeren is een direct uitvloeisel van hun cultuur – worden gretig verspreid en vinden even gretig aftrek. Daardoor wordt de bestrijding van de gesignaleerde – werkelijke of vermeende – problemen niet bevorderd.

Ook in de kerkelijke samenleving spelen emoties een grote rol. Ik wees al op de beeldenstorm. Zover hoeven we niet terug te gaan. Wanneer zich in kerken meningsverschillen voordoen, komen emoties al gauw bovendrijven. Een recent voorbeeld is het proces waaruit de Hersteld Hervormde Kerk is voortgekomen. Medestrijders, vooral binnen de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk, werden verbitterde tegenstanders en bij de discussies over de toekomst van de kerk is menig hard woord gevallen. Oudere leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zal dat niet onbekend voorkomen, want in de jaren ’60, toen de kerkelijke conflicten uiteindelijk leidden tot een splitsing die resulteerde in het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken, stonden broeders vaak lijnrecht tegenover elkaar en werden de meningsverschillen bepaald niet alleen met zakelijke argumenten uitgevochten.

Nu zou men kunnen beweren dat emoties een uiting zijn van een sterke betrokkenheid. Daar zit wat in. Wanneer het om zaken gaat waaraan mensen groot belang hechten, is het niet te verwachten dat men daarmee op een afstandelijke manier omgaat. In die zin is het geen slechte zaak wanneer emotie een rol speelt. Maar het is wel te betreuren dat dit vaak een echte inhoudelijke uitwisseling van meningen, waarbij de deelnemers ook elkaar recht doen en geen karikaturen scheppen, ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. De manier waarop in de politiek en de samenleving wordt omgegaan met wat ik maar kortheidshalve de ‘Marokkanenproblematiek’ noem, is daar een treffend voorbeeld van. De tegenstellingen zijn aangescherpt en de opponenten hebben zich zo diep ingegraven dat elke dialoog onmogelijk is dan wel niet verder komt dan een dialoog tussen doven. Dat kan ook bij kerkelijke conflicten gebeuren.

De ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn daar bepaald niet vrij van. Critici van de richting die deze kerken lijken te zijn ingeslagen, geven op soms emotionele wijze uiting aan hun bezorgdheid. De buitenlandse kerken die voortgekomen zijn uit emigratie naar met name Canada en Australië zijn daarvan een welsprekend voorbeeld. Zij laten er weinig twijfel over bestaan dat een eventueel besluit van de Generale Synode van de GKV, de ambten van predikant en ouderling open te stellen voor vrouwen, een breekpunt is en tot het einde van de zusterkerkrelatie zal leiden. Vertegenwoordigers van de GKV ervaren dat als “oecumene met het mes op tafel”, zoals ds. J.M. van Leeuwen, één van de Deputaten Buitenlandse Kerken, het formuleert (Nederlands Dagblad, 8.4.14). Wanneer betrokkenen de dialoog als zodanig ervaren, wordt een zakelijke – dat wil zeggen: op feiten gebaseerde – analyse van de meningsverschillen niet gemakkelijker.

Vergelijkbare processen spelen zich op het niveau van plaatselijke gemeenten af. Gemeenteleden wenden zich tot hun kerkenraad met brieven waarin zij hun bezwaren tot uitdrukking brengen. Daar wordt in hun beleving op een manier mee omgegaan waaruit onbegrip ten aanzien van de ernst van de bezwaren spreekt of zelfs onwil om die bezwaren serieus te nemen. Het resultaat is soms dat de bezwaarden gefrusteerd afhaken en zich van het gemeentelijk leven isoleren of zelfs de kerk de rug toekeren.

Kan het anders? Vooropgesteld moet worden dat alle ‘partijen’ de oprechte wil moeten hebben elkaar te vinden. Daarmee bedoel ik niet een soort waterig compromis in het midden of aanvaarding van het feit dat we over bepaalde zaken nu eenmaal verschillend denken (Nederlands Dagblad, 9.4.14). Daarmee wordt geen enkel probleem opgelost. Het gaat erom dat alle betrokkenen duidelijk uitspreken dat ze ervan overtuigd zijn dat ze bij elkaar horen en dat ze elkaar niet kwijt willen. Daarmee wordt voorkomen dat de betrokken ‘partijen’ het gevoel krijgen door de andere te worden afgeschreven als ‘nieuwlichters’ die de weg kwijt zijn dan wel als eeuwige criticasters die ‘niet van deze tijd’ zijn.

Het is best te begrijpen dat leden van een kerk emotioneel reageren op (onderdelen van) het beleid van hun kerkenraad of de opvattingen die vanaf de kansel worden verkondigd. Maar het is zelden effectief wanneer die emoties schriftelijk op die kerkenraad of op voorgangers worden afgereageerd. Brieven aan de kerkenraad zouden geen vergaarbak van frustraties moeten zijn. Het is veel nuttiger en uiteindelijk voor de geadresseerde veel onaangenamer en lastiger, wanneer de scribent zich beperkt tot het opsommen van voor iedereen natrekbare feiten en een logisch samenhangende presentatie daarvan.

Het probleem met emoties is dat ze elke discussie doodslaan. Een gevoel kan immers wel goed of fout zijn, maar nooit waar of onwaar. Wat ‘goed’ of ‘fout’ is, hangt uiteindelijk af van het vertrekpunt dat men kiest. Een gevoel kun je niet weerleggen. Juist in de kerk is nuchterheid gevraagd en een zorgvuldige omgang met feiten en argumenten. Alleen op die manier kan de communicatie tussen opponenten openblijven en daarmee de mogelijkheid tot toenadering. En wanneer het daar niet van komt, kunnen alle betrokkenen in elk geval een goed geweten hebben dat ze zich daarvoor hebben ingespannen en dat ze elkaar recht gedaan hebben.

Minder emotie – dat zou een zegen zijn, niet alleen voor de samenleving, maar ook voor de kerk.

Kerkelijk polderen

Nederland stond ooit bekend als een land van consensus. Partijen of maatschappelijke organisaties met tegengestelde opvattingen of belangen probeerden elkaar te vinden en een zodanige overeenstemming te bereiken dat ieder er in elk geval op één of meerdere punten beter van werd. Het is niet zo vreemd dat uitgerekend in Nederland het streven naar consensus kernmerkend werd voor de politiek en de samenleving. Het was altijd een land van minderheden, waarin geen enkele partij kon domineren. In de jaren ’80 kwam de term poldermodel in zwang, toen werkgevers, vakbonden en overheid met elkaar overlegden over lonen en arbeidsvoorwaarden. Zelfs in het buitenland werd dit model als voorbeeldig beschouwd.

In latere jaren werd van die term het werkwoord polderen afgeleid. Dat werd vaak in kritische of zelfs afkeurende zin gebruikt. Vooral in de maatschappelijke beweging die aan het begin van deze eeuw ontstond – waarvoor vaak de zogenaamde ‘Fortuyn-revolte’ als oorzaak wordt aangewezen – werd polderen een synoniem voor pappen en nathouden, het onder het kleed vegen van problemen en het bagatelliseren van maatschappelijke tegenstellingen. Het verzet daartegen leidde tot een verscherping van de maatschappelijke en politieke meningsverschillen. De polarisatie uit de jaren ’70 van de vorige eeuw leek helemaal terug van weggeweest, ook al liepen de scheidslijnen anders dan toen en had de polarisatie een minder uitgesproken ideologisch karakter. Teugkijkend op de geschiedenis van het laatste decennium kan moeilijk worden beweerd dat de samenleving van de toenemende polarisatie beter is geworden.

Men zegt wel eens dat de kerk achterloopt op maatschappelijke ontwikkelingen. Die bereiken haar uiteindelijk wel, maar het duurt even. Daar zit wat in. Verschijnselen die in de samenleving al decennia als heel gewoon worden beschouwd – vooral op het vlak van de persoonlijke ethiek – doen zich inmiddels ook in kerkelijke kring voor, en niet alleen onder vrijzinnigen. Hetzelfde kan gezegd worden van de manier waarop met verschillen van mening wordt omgegaan. Je zou kunnen zeggen dat, waar de samenleving afscheid heeft genomen van het poldermodel, de kerk de ‘voordelen’ van het polderen heeft ontdekt.

Niet dat het poldermodel nu pas wordt toegepast. De aloude Nederlands Hervormde Kerk en ook de PKN, waarin ze is opgegaan, zijn voorbeelden bij uitstek van een kerkelijk poldermodel. Verschillende stromingen bestaan naast elkaar en hebben een soort van ‘modus vivendi’ gevonden, waarbij ze elkaar wat gunnen en tegelijk elkaar zo min mogelijk lastig vallen. Kleinere reformatorische kerken hebben de Hervormde Kerk altijd als een afschrikwekkend voorbeeld beschouwd en hun oordeel over de PKN was in de eerste jaren na haar ontstaan niet veel anders. Maar inmiddels zijn ook die kerken aan het polderen geslagen. De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben verschillende stromingen. Eenheid met andere kerken staat weliswaar op de agenda van synoden van de CGK, maar veel vooruitgang zit er niet in, aangezien enkele stromingen binnen de kerk dat eenheidsstreven, vooral met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), niet zien zitten.

Ook binnen de laatstgenoemde kerken wordt druk gepolderd. Daar zijn veel voorbeelden van te geven. Ik denk dat elke lezer er wel een paar kan verzinnen. Ik heb in mijn weblog herhaaldelijk op zulke verschijnselen gewezen. Het lijkt erop dat kerkenraden koste wat kost iedereen binnen boord willen houden.
De norm is nog steeds dat de kinderen van de gelovigen gedoopt behoren te zijn. Wanneer een toenemend aantal kerkleden daarmee problemen heeft, wordt dat wel betreurd, maar consequenties blijven uit. Wanneer ouders dan hun kind niet willen laten dopen, moet daar maar iets op gevonden worden.
Kerkelijke afspraken worden geschonden, omdat kerkenraden niet de moed hebben gewoon eens “nee” te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een ‘kerkelijk gemengd’ bruidspaar zijn huwelijk kerkelijk wil laten bevestigen.
Ook de ‘Werkorde’ die aan de Generale Synode wordt voorgelegd, draagt de sporen van ‘kerkelijk polderen’. De kerkenraad roept de gemeente in openbare kerkdiensten samen, “als regel twee maal per zondag”. Daarmee wordt bij voorbaat een verklaring van ‘geen bezwaar’ uitgereikt aan kerkenraden die het nodig vinden de tweede dienst af te schaffen. Ook de catechismusprediking wordt in feite facultatief gesteld door een vergelijkbare formulering. De argumentatie is een klassiek voorbeeld van ‘poldermentaliteit’. “In een toelichting schrijven de deputaten dat bij de invulling van de kerkdiensten een ‘veel grotere verscheidenheid is gegroeid dan er in de jaren 1970 bij de opstelling van de huidige kerkorde was’. De reacties van 115 kerken en 13 deputaatschappen op het vorige concept maken duidelijk dat verschillend wordt gedacht over het vastleggen van de tweede kerkdienst en de catechismusprediking in de kerkorde. Daarop hebben deputaten besloten dit opener te formuleren.” (Nederlands Dagblad, 5.7.12). Het is de mentaliteit van “u vraagt en wij draaien”.
Het kan nauwelijks verwondering wekken dat de liturgische vrijheden die voorgaande synoden aan gemeenten hebben toegestaan, hebben geleid tot een lappendeken waarin geen duidelijk gereformeerd patroon meer te ontwaren valt.
Tenslotte wijs ik nog maar eens – bijna ten overvloede – op de ontwikkelingen rond de kerkplantingsgemeente Stroom in Amsterdam, waar kerkelijke vergaderingen zich in alle mogelijke bochten wringen om het zo mogelijk iedereen naar de zin te maken.

Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat in enkele decennia een kerk zo van karakter verandert. Het heeft ongetwijfeld met de toenemende kerkverlating te maken, waardoor men alles doet om te voorkomen dat nog meer mensen – en vooral jongeren – zich onttrekken. De drempel naar andere kerken is immers veel lager dan vroeger, en sociaal heeft het vrijwel geen gevolgen wanneer iemand van kerk verandert, zoals dat vroeger wel vaak het geval was.
Maar er lijkt toch meer aan de hand. De manier waarop enkele theologen meenden te moeten bezweren dat enkele kerkplantingsgemeenten, zoals Stroom, zonder meer als gereformeerd kunnen worden beschouwd, wijst al in een bepaalde richting. Er spreekt grote onzekerheid uit over wat nu eigenlijk gereformeerd mag heten. Dat lijkt me de kwaal waaraan de Gereformeerde Kerken lijden. Er zal niet zo gauw iemand te vinden zijn die met Pilatus vraagt: “Wat is waarheid?” Wie zal ontkennen dat de waarheid bestaat? Wanneer de vraag gesteld wordt of die waarheid ook te kennen en te formuleren is, wordt het een ander verhaal. Natuurlijk, over fundamentele zaken, zoals de verzoening door Christus, bestaat geen verschil van mening. Wanneer de kerk daarover ferme uitspraken doet in haar belijdenis, kan ze op instemming rekenen. Maar wanneer die belijdenis andere zaken aan de orde stelt blijft algemene instemming uit. En wanneer ze dan ook nog pretendeert de Schrift na te spreken en daarmee impliciet (of expliciet) daarvan afwijkende opvattingen als onschriftuurlijk verwerpt, wordt de weerstand nog groter. Sommige reacties op de vraag van het Nederlands Dagblad (20.10.12) of 450 jaar Heidelbergse Catechismus iets is om te vieren leggen daar getuigenis van af.

Enkele weken geleden vond op het Malieveld in Den Haag een manifestatie plaats, waar allerlei ‘kerkelijke leiders’ schuld beleden over de kerkelijke verdeeldheid. Het is veelzeggend dat vertegenwoordigers van protestantse kerken en stromingen ‘broederlijk’ naast een rooms-katholieke bisschop stonden. Weliswaar werden de verschillen niet ontkend, maar van veel gewicht leken die uiteindelijk toch niet te zijn – in elk geval niet voldoende om kerkelijke gescheidenheid te rechtvaardigen. Enkele jaren geleden zagen we een vergelijkbaar verschijnsel, toen in Dordrecht de Nationale Synode bijeenkwam. Vertegenwoordigers van kerken, die qua geloofsleer sterk van elkaar verschilden, stelden een document op waaraan niemand zich een buil kon vallen. Dat de deelnemers aan de gebruikte formuleringen soms heel verschillende interpretaties gaven mocht de pret van de eenheid niet drukken.
Hieruit komt het beeld naar voren van een christelijke wereld waar verschillen in geloofsleer niet meer als fundamenteel en kerkscheidend worden beschouwd. Er lijkt een opvatting gegroeid dat iedereen een stukje van de waarheid heeft. De christelijke wereld, met al haar kerken en groepen, wordt dan een soort legpuzzel, die pas af is wanneer iedereen zijn eigen stukje van de waarheid bijpast.
Wie zal zich dan nog verwonderen over het kerkelijk indifferentisme, volgens welke het niet uitmaakt van welke kerk je lid bent?

En zo leidt het kerkelijk polderen tot kerkverlating – precies datgene wat het moest voorkómen.

Kerk en politieke partij (1)

De relatie tussen kerk en politieke partij was vroeger een heet hangijzer onder gereformeerden. Dat had alles te maken met het feit dat het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zijn leden vrijwel exclusief betrok uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Alleen bij hoge uitzondering werden leden van andere kerken toegelaten, met name uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Die nauwe binding is altijd omstreden geweest, al vormden de tegenstanders waarschijnlijk een minderheid. Met de tijd nam de weerstand toe, niet alleen van de kant van hen, die aan de kerk niet al te veel gewicht toekenden. Ook iemand als prof. J. Douma begon zich steeds kritischer uit te laten en ventileerde uiteindelijk de opvatting dat het GPV zijn ‘kerkgebondenheid’ moest loslaten. Waarschijnlijk vertegenwoordigde hij inmiddels de hoofdstroom binnen de GKV. De kerkelijke binding van het GPV werd al in 1996 losgelaten, ruim voordat de partij opging in de Christenunie. Daartegen werd wel bezwaar aangetekend, maar erg krachtig was het niet.

Inmiddels is het verschijnsel van de kerkgebondenheid vrijwel verleden tijd. Er zijn nauwelijks nog organisaties overgebleven die hun leden exclusief uit de GKV betrekken. Toch duikt het begrip nu en dan op. Recent was dat bijvoorbeeld het geval toen de historicus Ewout Klei promoveerde op de geschiedenis van het GPV. In zijn beschrijving komt de kerkgebondenheid van het GPV uiteraard uitvoerig aan de orde. En ook recensenten besteden er aandacht aan. In het nummer van juli/augustus van het tijdschrift Nader Bekeken wordt dit proefschrift gerecenseerd door prof. Douma, die deze gelegenheid te baat neemt nog eens afstand te nemen van de kerkgebondenheid. In het boek van Klei ziet hij een bevestiging van zijn overtuiging dat het geen goede greep is geweest dat het GPV besloot zich uitsluitend op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te richten.

Klei beschrijft in zijn boek – dat ik overigens nog niet gelezen heb – hoe de ontwikkeling van het GPV tot een echte politieke partij werd belemmerd door allerlei conflicten die binnen de GKV plaatsvonden. En toen het GPV eenmaal een zetel in de Tweede Kamer had bemachtigd, was dat zeker niet het einde van de onenigheden. In de jaren ’70 had de scheuring binnen de GKV, die tot het ontstaan van de Nederlands-Gereformeerde Kerken leidde, directe gevolgen voor het GPV.

Het kan niet ontkend worden dat de troebelen die het GPV gedurende zijn geschiedenis parten speelden, nauw samenhingen met de binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Door die binding was het niet meer dan logisch dat kerkelijke conflicten directe gevolgen hadden voor de partij. Daarnaast gaf het ook theologen de gelegenheid hun stempel op allerlei discussies te drukken, en het effect daarvan was zeker niet altijd positief. Daarbij moet met name gedacht worden aan het verzet tegen de formulering van een politiek programma. Sommigen beschouwden het GPV toch vooral als de politieke arm van de kerk, die als hoofdtaak had te laten zien wat de ware kerk in Nederland was.

Maar kunnen de genoemde verschijnselen uitsluitend op het conto van de kerkgebondenheid van het GPV worden geschreven? Zouden de gesignaleerde problemen aan het GPV voorbij zijn gegaan, wanneer al veel eerder dan in 1996 besloten was de partij open te stellen voor leden van andere kerken?

Laten we eerst eens naar een andere partij kijken, de SGP. Die betrekt haar leden vrijwel uitsluitend uit de zogenaamde ‘bevindelijke’ kerkgenootschappen en uit de ‘bevindelijke’ vleugels van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederlands Hervormde Kerk (later de PKN). Van een binding aan één kerk is nooit sprake geweest. Dat heeft haar echter niet gevrijwaard van kerkelijke invloed.
De historicus Henk Post heeft beschreven hoe de breuk die in 1953 binnen de Gereformeerde Gemeenten plaatsvond, ook binnen de SGP voor grote spanningen zorgde. Het feit dat binnen het ‘bevindelijke’ kerkelijke landschap over diverse zaken verschillend visies leven – bijvoorbeeld ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij – heeft ook binnen de SGP zijn sporen nagelaten. Tot op de dag van vandaag kijken bepaalde groepen binnen de SGP de Tweede-Kamerfractie kritisch over de schouder.
In dit verband moet er ook op gewezen worden dat de SGP bij de samenstelling van kandidatenlijsten kijkt naar de kerkelijke kleur van kandidaten. Weliswaar bestaat er, voorzover mij bekend, geen formele regel die voorziet in een evenwichtige verdeling van de beschikbare plaatsen over vertegenwoordigers van verschillende kerken. Maar een kandidatenlijst waarop bijvoorbeeld de nummers 1 tot 8 alle tot de Gereformeerde Gemeenten behoren is absoluut ondenkbaar.
In het GPV mogen theologen zich vroeger duidelijk hebben laten horen, de invloed van predikanten binnen de SGP is altijd veel groter en duidelijker zichtbaar geweest dan in het GPV. Het is nog niet zo lang geleden dat de SGP in de Tweede Kamer werd vertegenwoordigd door predikanten. En nog altijd zijn hier en daar predikanten voorzitter van de plaatselijke SGP-afdelingen of zelfs gemeenteraadslid. Dat binnen de Christenunie theologen geen opvallende rol spelen heeft niet zozeer te maken met de lossere band tussen de partij en de verschillende kerken, maar met veranderingen in de visie op de positie van theologen en vooral dienstdoende predikanten. Ook in discussies over maatschappelijke vraagstukken binnen de achterban van de Christenunie spelen ze een geringere rol dan in de jaren ’50 en ’60 binnen de Gereformeerde Kerken.

Zo duidelijk is het verband tussen de troebelen binnen het GPV en zijn binding aan de Gereformeerde Kerken dus niet. Het lijkt me dat elke christelijke partij, wat haar relatie met één kerk dan wel verschillende kerken ook is, de invloed van kerkelijke conflicten ondergaat. En dan maakt het niet zoveel uit of die conflicten zich binnen één kerk afspelen dan wel de kerkelijke grenzen overschrijden. Met dat laatste heeft de Christenunie te maken. Dat blijkt met name uit de discussie over de vraag of leden van de partij die een homosexuele relatie hebben, de partij in politieke organen kunnen vertegenwoordigen. Kandidaten moeten de standpunten van de partij op een geloofwaardige en overtuigende manier uitdragen. Kunnen zij dat? In zijn bovengenoemde recensie gaat Douma daarop in.

Aan zijn proefschrift heeft Ewout Klei onder andere een stelling toegevoegd over dit onderwerp. De positie van homoseksuelen in de Christenunie lijkt op die van de niet-vrijgemaakten in het GPV: officieel is er een beetje ruimte voor ze, feitelijk is die ruimte er niet! (Douma gebruikt geen aanhalingstekens; ik weet dus niet of hij hier letterlijk citeert.) Douma wijst de parallel af. “Als ik (evenals Klei) vind dat de deuren van het GPV voor andere christenen dan vrijgemaakten al veel eerder dan in 1996 geopend hadden moeten worden, is er nog geen grond hetzelfde te zeggen als het over homoseksueel levende christenen gaat in de Christenunie. De Christenunie wil voor het gezin opkomen en keurt het homohuwelijk af. Wie kan een christelijke partij verbieden intern geen kandidaten voor te dragen voor publieke politieke functies als het over (homoseksueel) samenwonende kandidaten gaat?”

Hier maakt Douma zich er mijns inziens iets te gemakkelijk van af. De aanvaarding van kandidaten met een homosexuele relatie maakt het opkomen voor het gezin niet per definitie ongeloofwaardig. In zijn functie als minister van Jeugd en Gezin hanteerde André Rouvoet een definitie van het gezin waaronder ook een gezin met homosexuele partners viel. Zijn programmaministerie kende aan de zorg voor kinderen een centrale plaats toe. Het was voor hem een uitgemaakte zaak dat de overheid kinderen geen aandacht en zorg mag onthouden omdat die in een gezinsverband leven dat niet in overeenstemming is met wat christenen op grond van de Schrift onder ‘gezin’ verstaan.
De afwijzing van het homohuwelijk is ook geen sterk argument. Recent publiceerde het Nederlands Dagblad een interview met Monique Heger, die ooit als gemeenteraadslid voor de Christenunie moest opstappen vanwege het aangaan van een lesbische relatie en die sindsdien tevergeefs probeert weer een plek op een kandidatenlijst te krijgen. Ondanks haar relatie wijst ze het homohuwelijk resoluut van de hand. Dit is ook in overeenstemming met de argumentatie van de Christenunie tegen het homohuwelijk. Daaraan ligt niet de afwijzing van homosexuelen of van homosexuele relaties ten grondslag, maar de overtuiging dat het huwelijk exclusief bestemd is voor één man en één vrouw.

Het is niet zo eenvoudig een uitweg uit dit dilemma te vinden. Douma ziet als één van de grondfouten van het GPV dat de grondslag van de partij identiek was met die van de kerk. Hij wijst erop dat veel onderdelen van de confessie in de politieke praktijk helemaal niet aan de orde komen. “Als het onderwerp kinderdoop nooit aan de orde komt in de politiek, waarom kan een baptist dan niet meewerken aan een politiek program van actie, dat wel christelijk, maar daarom nog niet kerkelijk gekleurd is.” Eerder heeft hij ervan blijk gegeven dat hij ook ruimte ziet voor rooms-katholieken in de Christenunie. Dat kan uiteraard alleen wanneer de gereformeerde belijdenis uit de grondslag van de partij wordt geschrapt. Ik heb het vermoeden dat zonder de confessie de discussie over de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie alleen maar gecompliceerder wordt en wellicht geheel zal vastlopen. Daarover ga ik een volgende keer verder doordenken.

De eenheid van de kerk

De kerk van Christus is uniek. Ze is, zoals artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis het formuleert, “een heilige vergadering van de ware gelovigen”. Zij is “met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof.” Het is dus een verzameling van heel verschillende mensen die niet elkaar hebben uitgezocht, op grond van sympathie of gemeenschappelijke interesses of belangen, maar die zijn samengebracht door de Geest van God.

In de kerken van de Reformatie is daaraan concrete uitwerking gegeven door het uitgangspunt dat de grenzen tussen plaatselijke gemeenten uitsluitend geografisch van aard zijn. Gelovigen behoren tot een bepaalde gemeente op grond van de plaats waar ze wonen, niet op grond van de kleur of ligging van een gemeente. In de Protestantse Kerk in Nederland is dat uitgangspunt verlaten: ieder mag zich voegen bij een gemeente van eigen smaak. Daarin wordt de praktijk voortgezet die in de Nederlands Hervormde Kerk al vele jaren bestond.

In kleinere gereformeerde kerken wordt formeel nog aan de geografische scheiding tussen plaatselijke gemeenten vastgehouden. Maar soms vertoont die praktijk scheuren. In de Christelijke Gereformeerde Kerken bestaat het verschijnsel van de geperforeerde kerkgrenzen. Leden van die kerken kunnen zich bij een naburige kerkelijke gemeente aansluiten, wanneer haar ‘ligging’ meer met de eigen opvattingen overeenstemt. De praktijk is weliswaar niet geformaliseerd, maar wordt wel getolereerd. In de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) is daarvan – voorzover ik weet – niet op grote schaal sprake. In sommige steden met meer dan één gemeente wordt soms toegestaan dat iemand na verhuizing van zijn gemeente lid kan blijven. Bij frequente verhuizingen, vooral van studenten, valt daar vanuit pastoraal oogpunt wel wat voor te zeggen. Maar het kan niet worden uitgesloten dat ook andere motieven een rol spelen, zoals het klimaat in een bepaalde gemeente.

Wanneer gelovigen de vrije keus wordt gelaten bij welke gemeente ze zich aansluiten, wordt het unieke karakter van de christelijke kerk ondermijnd. Dat gebeurt ook wanneer de praktijk van geperforeerde grenzen wordt getolereerd. Waartoe de praktijk van een kerkkeuze op grond van persoonlijke voorkeur kan leiden is te zien aan de evangelische wereld. Opgaan, blinken en verzinken – dat is het lot van veel evangelische gemeenten. Wie steeds zoekt naar wat hem persoonlijk aanspreekt en naar mensen met wie hij door één deur kan, wordt altijd teleurgesteld. En dan kan de zoektocht opnieuw beginnen.

Maar ook op een andere manier kan de eenheid van de gemeente worden bedreigd. Al vele jaren breken kerken – en niet alleen gereformeerde – zich het hoofd over de vraag hoe jongeren bij geloof en kerk kunnen worden gehouden. In 1985 publiceerde Piet van der Ploeg zijn geruchtmakende boek Het lege testament. En na hem hebben anderen boeken en artikelen over dit onderwerp geschreven, er zijn conferenties belegd en plannen gemaakt met als inzet: hoe kunnen we voorkomen dat jongeren geloof en kerk vaarwel zeggen?

Dat dit een reëel probleem vormt zal niemand ontkennen. En er is niets tegen wanneer men zich bezint op manieren om de kerkverlating onder jongeren tegen te gaan. Maar er is hier wel sprake van een sterke mate van eenzijdigheid. Ook onder andere leeftijdsgroepen komt kerkverlating voor. Zo daaraan al aandacht wordt besteed is die niet vergelijkbaar met die voor jongeren. Hoe zit het met de ouderen, degenen die vroeger als ‘bejaard’ werden aangeduid? Het lijkt wel alsof men ervan uitgaat dat die er wel komen. Maar zou ook hun geloof niet bedreigd kunnen worden? Dat zal wel een andere bedreiging zijn dan die waaraan jongeren blootgesteld worden, maar die hoeft daarom nog niet minder reëel te zijn.

Wanneer kerken een jongerenbeleid te ontwikkelen, hoe ziet dat er dan uit? Vaak is dat gebaseerd op wat jongeren zelf willen, bijvoorbeeld ten aanzien van de liturgie. Maar dat is een hachelijke onderneming. Zoals ik in mijn vorige artikel al schreef is er nauwelijks nog sprake van een cultuur: die heeft grotendeels plaatsgemaakt voor subculturen. En dat geldt zeker voor de wereld van de jongeren. De jongeren bestaan niet: niet elke jongere wil een bandje in de kerk in plaats van een orgel en niet elke jongere zingt liever opwekkingsliederen dan Geneefse psalmen. Degenen naar wie men zich geneigd is te richten zijn degenen die zich laten horen en zien. Die vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs alle jongeren. Ik kan me ook niet helemaal aan de indruk onttrekken dat wat als wensen van jongeren wordt gepresenteerd niet zelden de wensen van de dertigers en veertigers weerspiegelt, die op jongeren geprojecteerd worden.

In het Nederlands Dagblad van 14 januari j.l. stond een belangwekkend artikel van Ria Havinga-Brand onder de veelzeggende kop: “Jeugdbeleid slaat plank mis”. Hierin schetst ze hoe in de afgelopen decennia kerken zich hebben uitgesloofd om het de jongeren naar de zin te maken. Ze noemt voorbeelden uit de Rooms-Katholieke Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland, en wijst op de Nederlands Gereformeerde Kerk waar het gemeenteleven steeds beter op jongeren is afgestemd. Het refrein is: het heeft niets uitgehaald. Ondanks al die inspanningen blijven jongeren afhaken. En terwijl in de reformatorische wereld de neiging bestaat jaloers naar de evangelische wereld te kijken, heeft men ook daar problemen om jongeren vast te houden.

In haar artikel haalt ze de al genoemde Piet van der Ploeg aan, die de kerk tot zelfonderzoek oproept. “Het echte probleem is de afnemende gereformeerdheid onder de gereformeerden”. Ria Havinga-Brand komt tot deze overweging: “De toekomst van de kerk zou wel eens zeer gebaat kunnen zijn bij een insteek op verbondenheid met God, tussen generaties en aan de inhoud en kwaliteit van het geloof. Hiervoor is het ontwikkelen en onderhouden van een sterke geloofsidentiteit nodig. Aansluiten bij de seculiere cultuur of de jongerencultuur veroorzaakt daarentegen verlies van identiteit en werkt niet voldoende om jongeren voor de kerk te behouden. Kerken moeten investeren in de kwaliteit van het kerkelijk onderwijs, ouders ondersteunen bij de geloofsopvoeding en verbindingen leggen tussen generaties.”

Daarmee slaat ze mijns inziens de spijker op de kop. Binnen de gereformeerde wereld bestaat de neiging minder nadruk te leggen op de geloofsleer en daar de scherpe kantjes wat af te slijpen. En terwijl de gereformeerde belijdenisgeschriften de verschillen met anderen beklemtonen, zijn er predikanten die zich daartegen publiekelijk afzetten, zoals recent nog weer eens gebleken is. Maar verwatering van de identiteit maakt een organisatie niet aantrekkelijker. De geschiedenis van veel christelijke organisaties en het christelijk onderwijs sinds de Tweede Wereldoorlog laat dat duidelijk zien. Een gebouw, waarvan de fundamenten verrot zijn, blijft niet overeind staan door er een nieuwe gevel tegenaan te zetten.

In de prediking en de catechese moet dus niet minder, maar juist meer over de leer gesproken worden. Er is alle reden erop toe te zien dat de leer van de kerk, bijvoorbeeld aan de hand van de Heidelbergse Catechismus, regelmatig aan de orde komt. En wanneer iemand in het openbaar belijdenis van zijn geloof wil afleggen, mag toch wel eerst gevraagd worden wat hij of zij dan wel gelooft. Het gaat om de Heer en om de leer. Die horen bij elkaar.

De eenheid van de kerk wordt niet onderhouden door alles waarover christenen van mening verschillen tussen haken te plaatsen en als irrelevant te bestempelen, zoals Reinier Sonneveld in het Nederlands Dagblad van 29 januari j.l. doet. Dan wordt de kerk een snoepautomaat waarin iedereen iets van zijn gading kan vinden. Het gaat er in de kerk niet om het iedereen zoveel mogelijk naar de zin te maken. Het gaat om “de zin van Christus”. Daarin ligt haar eenheid.