Archief

Posts Tagged ‘NGK’

GKV waarheen? (3)

In het eerste blog in deze serie maakte ik de stand van zaken binnen de GKV op. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten ten aanzien van de twee heetste hangijzers: de openstelling van de ambten voor vrouwen en de voorgenomen fusie met de NGK? In het tweede blog inventariseerde ik de verschillende alternatieven: als de GS niet het resultaat oplevert dat bezwaarde leden van de GKV wensen, wat dan? Welke alternatieven bieden zich dan aan? Daarbij richtte ik de blik ook naar de bezwaarden zelf. Wat zijn hun motieven om de GKV te verlaten en wat zoeken ze dan in een andere kerk?

Ik ben er in de voorgaande afleveringen steeds van uitgegaan dat de zaken die in geding zijn, een kerkelijke breuk rechtvaardigen. Maar niet iedereen deelt die opvatting. Er zijn ook kerkleden die, in weerwil van de bezwaren tegen bepaalde kerkelijke ontwikkelingen, van mening zijn dat de kerkelijke eenheid bewaard moet worden. Hebben ze daar gelijk in? Er zijn verschillende argumenten te bedenken die pleiten tegen een kerkelijke breuk. Die wil ik hier de revue laten passeren en wegen.

Het waarschijnlijk bekendste argument tegen een kerkelijke breuk is wel dat je een zieke moeder niet mag verlaten. Dit werd vroeger vooral gehanteerd in kringen van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Het beeld van de kerk als moeder is oud. Het werd gebruikt in de vroege kerk, en wel door Cyprianus, een bisschop uit de 3e eeuw. Van hem is de uitspraak “Wie de kerk niet als moeder heeft, kan God niet als Vader hebben”. In later tijden is die beeldspraak overgenomen, onder andere door Luther en Calvijn. Klaas Schilder gebruikte het als titel van een brochure (Ons aller Moeder). Het beeld komt in het Nieuwe Testament niet voor. Dat wil niet zeggen dat het niet Schriftuurlijk verantwoord is. Het is zeker bruikbaar om het belang van de kerk als voedster en verzorgster van de gelovigen te beklemtonen. Maar er zijn ook risico’s aan verbonden. Ik zie er drie.

Het eerste is dat dit beeld verabsoluteerd wordt en het denken over de kerk gaat beheersen. Hoe riskant dat is mag blijken uit het gebruik van het beeld van de gemeente als huisgezin van God. Ook daar is op zichzelf niets mis mee, maar als dat het zicht op de kerk gaat beheersen, kun je zo maar tot de conclusie komen dat er eigenlijk geen ruimte is voor de laatste fase van de tuchtoefening: het afsnijden van onbekeerlijke zondaars. Want kinderen die zich niet aan de regels houden moet je wel vermanen, maar zet je niet buiten de deur.

Elk beeld is onvolledig en werpt een bepaald licht op de zaak die wordt afgebeeld. In zijn verkondiging gebruikte Jezus verschillende beelden voor het koninkrijk van God. Die waren bedoeld om zijn toehoorders aan het denken te zetten. Maar geen daarvan geeft een volledige beschrijving van dat koninkrijk. Zo is het ook met het beeld van de kerk als moeder. Daarmee wordt een bepaald belangrijk aspect van de kerk naar voren gehaald. Maar het is geen driedimensionale afbeelding van de kerk.

Vervolgens suggereert het beeld van de kerk als moeder een bepaalde afstand tussen de kerk en haar leden. Een moeder en haar kind zijn immers twee verschillende personen. Nu is de kerk als instituut, met zijn kerkelijke vergaderingen, niet hetzelfde als haar leden. En het is waar dat de leden via de bediening van het evangelie en het catechetisch onderwijs gevoed worden, zoals kinderen door hun moeder. Maar daarbij dreigt uit beeld te verdwijnen dat de kerk een gebouw van levende stenen en het lichaam van Christus is. De kerk, dat zijn de leden samen. Daarom vergelijkt Paulus in 1 Corinthiërs 12 de gemeente met een lichaam dat uit heel verschillende leden bestaat die elkaar nodig hebben en niet zonder elkaar kunnen. Het is niet alleen de prediking en het onderwijs dat de leden voedt, de leden voeden ook elkaar. Dat is een belangrijk onderdeel van wat de belijdenis de gemeenschap van de heiligen noemt. Dus wanneer gelovigen zeggen dat de kerk ziek is, zeggen ze daarmee eigenlijk dat ze zelf ziek zijn. Als er hulp van een dokter nodig is, moet die niet alleen de moeder onderzoeken en haar eventueel geneesmiddelen voorschrijven, maar ook haar kinderen. Niet alleen de moeder heeft hulp nodig, maar het hele gezin.

Tenslotte roept ook het beeld van ziekte vragen op. Want ziekte is iets dat je overkomt. Daar kun je in de meeste gevallen zelf niets aan doen. Maar wanneer vrijzinnigheid de kerk binnendringt, is dat dan een ziekte die haar overkomt? Of is er wellicht toch iets meer en iets anders aan de hand? Je kunt, als je het beeld van ziekte per se wilt gebruiken, op z’n minst wijzen op de noodzaak je tegen infecties te beschermen. Kinderen worden ingeënt tegen ernstige ziekten. Terecht wordt gewaarschuwd tegen de toenemende neiging om vaccinaties maar achterwege te laten. Dat geldt ook voor de kerk. Paulus spreekt in Efeziërs 6 over de de noodzaak de wapens van God op te nemen om weerstand te kunnen bieden. Dat geldt niet alleen voor elke gelovige maar ook voor de kerk. De belijdenisgeschriften laten zien dat door zuivere prediking en door de bediening van de tucht de gezondheid van de kerk wordt beschermd. Zouden kerkelijke problemen niet eerder het gevolg kunnen zijn van gedoogbeleid dan van een ziekte die de kerk overvalt? Is de kerk niet eerder dader dan slachtoffer?

Degenen die het argument van de zieke moeder gebruiken, hechten veel waarde aan de eenheid van de kerk. Dat is terecht. We hoeven hier alleen maar te denken aan het zogenaamde hogepriesterlijk gebed van Jezus (Johannes 17), waarin hij hartstochtelijk bidt om de eenheid van wie bij Hem horen. Er zijn kerkleden die, ondanks hun bezwaren, van mening zijn dat de zaken in geding niet van zodanig gewicht zijn dat de eenheid van de kerk daarvoor op het spel mag worden gezet. Aangezien ik op dit weblog herhaaldelijk met argumenten heb betoogd dat hier wel degelijk fundamentele zaken in het geding zijn, acht ik me ontslagen van de plicht hierop nog eens uitvoerig in te gaan.

De kerkelijke eenheid is voor sommigen zo belangrijk dat ze zeer veel ruimte willen bieden aan verschillende opvattingen in de kerk. Soms lijkt het wel alsof men de idee van een leerstellig plurale kerk omarmt. Mijns inziens staat die visie zo haaks op wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen, dat ik haar verder onbesproken laat. Maar het lijdt geen twijfel dat een mildere vorm van pluraal denken zich in de GKV heeft genesteld. Dat komt al tot uiting in de voorgenomen fusie met de NGK. Daar krijgen de opvattingen van B. Telder, die door een Generale Synode als onschriftuurlijk zijn afgewezen, ruim baan. Ook de binding van ambtsdragers aan de belijdenis zal lang niet meer zo strikt zijn als die in de GKV ooit was en dat proces zal zich, als de voortekenen niet bedriegen, doorzetten. Dat er al gezinspeeld wordt op samensprekingen over kerkelijke eenheid met de PKN hoeft dan geen verbazing te wekken.

Ooit werden de GKV beschuldigd van ‘kerkisme’, omdat zoveel nadruk gelegd werd op het belang van de kerk. Dat verwijt was misplaatst. Kerkisme is dat de eenheid van de kerk zwaarder gaat wegen dan het alleenrecht van de waarheid. En dat is precies het proces dat zich voor onze ogen in de GKV voltrekt. Ten behoeve van kerkelijke eenheid wordt aanvaard dat over onderdelen van de leer – die soms ook vergaande gevolgen hebben voor de ethiek – en belangrijke aspecten van het kerkelijk leven verschillend wordt gedacht.

Er zijn nog andere, wellicht wat steekhoudender, redenen te bedenken waarom je zou kunnen besluiten toch maar lid van de GKV te blijven, met behoud van gevoelen.

Eén aspect van de veranderingen die zich de laatste jaren in de GKV hebben voltrokken heeft naar mijn indruk niet de aandacht gekregen die het verdiende: de invoering van de nieuwe kerkorde in 2015. Wat mij hier vooral van belang lijkt is de bepaling dat gemeenteleden via de kerkelijke weg alleen die zaken aan de orde mogen stellen die hun persoonlijk raken. Daarvoor is vanuit praktisch oogpunt best begrip op te brengen, want van de mogelijkheid willekeurig welke kwestie aanhangig te maken kan misbruik gemaakt worden. Maar dat is nog geen reden zo radicaal te breken met wat altijd één van de kenmerken van gereformeerde kerken is geweest. Niet voor niets hebben ze altijd veel waarde gehecht aan het meervoud in de kerknaam. Daarmee werd tot uitdrukking gebracht dat de kerk begint op plaatselijk niveau. Gereformeerde kerken zijn een vrijwillig verband van zelfstandige kerken. Het kerkelijk leven speelt zich op het grondvlak af. Dat betekent ook dat elk kerklid in principe een gelijkwaardige positie in de kerk inneemt. De gedachte van een splitsing tussen ‘geestelijken’ en ‘leken’ is vreemd aan het gereformeerde kerkmodel. Het was één van de breukpunten tussen Rome en de Reformatie. Dit brengt echter ook mee dat elk kerklid – naar vermogen – een zekere verantwoordelijkheid draagt voor de gang van zaken in de kerk. Het is in de eerste plaats de taak van de kerkenraad toe te zien op het Schriftuurlijk karakter van de prediking, maar dat ontslaat de ambteloze leden van de gemeente niet te onderzoeken of het waar is wat hun wordt voorgehouden (naar Handelingen 17,11). En als je een verband van kerken vormt – wat in kerkelijke vergaderingen als classis en GS, maar ook in de openstelling van de kansel voor predikanten van elders tot uitdrukking komt – beperkt die taak zich logischerwijs niet tot de eigen gemeente. Daarin zit een belangrijk verschil tussen gereformeerde kerken en een hiërarchisch gestructureerde kerk.

Precies die verantwoordelijkheid voor de koers van de kerken gezamenlijk wordt de leden door de nieuwe kerkorde ontnomen. Het is niet meer mogelijk algemene zaken die de leer of de ethiek betreffen, binnen het kerkverband aan de orde te stellen. Tijdens een gesprek met vertegenwoordigers van mijn kerkenraad wees ik op de gevaren van een fusie met de NGK, vooral ten aanzien van het charismatisch gedachtegoed, dat daar vrij uitgedragen mag worden. Men deelde mijn zorg, maar mij werd toen gevraagd wat ik daartegen zelf zou doen. Ik antwoordde daarop dat die mogelijkheden er eigenlijk niet zijn, omdat de kerkorde mij als kerklid die heeft ontnomen. Het werd niet tegengesproken.

Men zou kunnen stellen dat dit gevolgen heeft voor de vraag of een kerkelijke breuk noodzakelijk is. Eén van de argumenten voor het verlaten van de kerk is immers dat je door te blijven, medeverantwoordelijk wordt voor en dus aanspreekbaar bent op wat zich daar afspeelt. Dat is in feite niet meer of alleen nog in heel beperkte mate het geval.

Naast allerlei overwegingen van principiële aard zijn er ook praktische kwesties. Ik heb al eerder gewezen op het probleem dat lang niet overal zich een alternatief voor de GKV aandient. In mijn vorige blog heb ik de verschillende opties onder de loep genomen. Dat leidde niet tot een duidelijke conclusie. De kerkelijke ontwikkelingen zijn daarvoor te gecompliceerd. Het is dan ook geen wonder dat er nogal wat leden van de GKV zijn – en daar ben ik er één van – die ertoe neigen de kerk te verlaten maar geen antwoord weten op de vraag: waar dan heen? Als er zich geen alternatief aandient, is de keuze in feite die tussen blijven en een kerkloos bestaan. Het eerste brengt, zoals ik in eerdere blogs heb betoogd, serieuze risico’s mee. Maar ook een kerkloos bestaan is riskant. Sterker nog: de keuze zou wel eens kunnen zijn tussen twee mogelijkheden die op grond van de Schrift en de belijdenis nauwelijks verdedigbaar zijn. Het is – wat gechargeerd – wat men in het Engels aanduidt als de keuze tussen “the devil and the deep blue see”. Ook persoonlijke en gezinsomstandigheden spreken hier een woordje mee.

Zouden we misschien een vergelijking mogen maken met de situatie in een land zonder kerken van gereformeerde belijdenis? Soms zijn gelovigen genoodzaakt voor kortere of langere tijd te verblijven in een land waar kerken zoals wij die kennen, niet bestaan of waar je zelfs blij mag zijn als er überhaupt een christelijke kerk te vinden is. Wat te doen? Zich afzijdig houden omdat de kerk niet is wat ze volgens de normen van de Schrift en de belijdenis zou moeten zijn? Of toch maar lid worden, met alle bezwaren vandien, vanuit de gedachte dat het toch van groot belang is contact te onderhouden met andere christenen en regelmatig te luisteren naar de bediening van het evangelie? Of zou het wellicht een optie kunnen zijn, formeel geen lid te zijn, maar wel de diensten te bezoeken en, zoveel als de desbetreffende gemeente het toestaat, aan het gemeentelijke leven deel te nemen?

Wellicht moeten we onder ogen zien dat – in elk geval voor een bepaalde tijd – leden van de GKV in een zodanige positie verkeren dat ze niet veel anders kunnen dan toch maar, met alle bezwaren, lid te blijven van de GKV. Het zou diegenen die wel de luxe van een alternatief hebben, sieren wanneer ze zich van de problemen en dilemma’s van zulke leden bewust zouden zijn en niet direct klaar staan met gemakkelijke oordelen. Wie geniet van het water in de oase, kan maar beter niet diegenen ter verantwoording roepen die noodgedwongen in de woestijn verblijven.

Hiermee sluit ik voorlopig deze serie af. In mijn vorige blog kondigde ik aan nog speciaal in te gaan op ontwikkelingen binnen de CGK. Daarvan zie ik op dit moment af, maar ik kom er ongetwijfeld op een later tijdstip op terug. Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat deze serie weblogs in zekere zin een open einde heeft. Ik heb niet alle vragen van een antwoord voorzien. Dat lijkt me op dit moment niet mogelijk en ik zie dat ook niet als mijn taak. Mijn doel was vooral argumenten en overwegingen aan te dragen die lezers wellicht kunnen helpen hun eigen standpunt te bepalen en beslissingen te nemen wanneer dat nodig is. Hopelijk ben ik daar enigszins in geslaagd.

GKV waarheen? (2)

30 juni 2019 1 reactie

In het eerste deel van deze serie blogs onder de titel ‘GKV waarheen’ analyseerde ik de situatie waarin de GKV zich bevinden. Ik sprak m’n vermoeden uit dat de komende Generale Synode de door de GS-Meppel ingeslagen weg zal vervolgen. En dan komen die leden van de GKV die hiertegen overwegende bezwaren hebben, voor de vraag te staan: wat nu? Die wil ik in deze blog onder ogen zien en daarbij neem ik de verschillende ‘alternatieven’ onder de loep. Daarbij kan de positie van de bezwaarden zelf niet buiten schot blijven. Want wie zich afvraagt: waarheen?, moet zich ook de vraag stellen wat hem of haar uit de GKV drijft en wat hij of zij elders zoekt.

Ter voorkoming van misverstanden een paar opmerkingen vooraf.

In de eerste plaats: wie verwacht hier het definitieve antwoord te vinden op de vraag ‘wat nu?’, zal teleurgesteld worden. Ik heb geen pasklaar antwoord. De eerste reden daarvan is dat ik me zelf nog midden in een proces van overwegen en afwegen bevind. De tweede is dat het antwoord op die vraag van allerlei factoren afhangt, waarvan ik er enkele in het verloop van het volgende verhaal naar voren zal halen.

In de tweede plaats: ik schrijf niemand voor wat hem of haar te doen staat. Ik ben niet in die positie en, zoals gezegd, er zijn allerlei factoren in het spel die van persoon tot persoon kunnen verschillen. Dat betekent dat bezwaarde leden van de GKV tot verschillende keuzes kunnen komen. Het is te hopen dat ze daarover in openheid en eerlijkheid met elkaar van gedachten kunnen wisselen zonder elkaar de maat te nemen.

Dat wil ik hier dan ook niet doen. Ik zal me over diverse zaken duidelijk uitspreken en positie kiezen. Maar de lezer dient dit niet op te vatten als een veroordeling van de keuze die hij eventueel maakt. Met mijn positiekeuze draag ik hopelijk bij tot de gedachtenvorming.

Dan nu dus de vraag: wat kunnen bezwaarde leden van de GKV doen, wanneer ze tot de conclusie komen dat ze niet langer lid van de GKV kunnen blijven?

In vroeger tijden hebben leden van de GKV, die bezwaren hadden tegen de koers van hun kerk, hun heil gezocht in de CGK. Dat is logisch, want sinds hun ontstaan hebben de GKV naar kerkelijke eenheid met de CGK gestreefd, die ze als een echte gereformeerde kerkgemeenschap beschouwden. Daarbij werd vooral gekeken naar de koers zoals die door achtereenvolgende Generale Synodes werd uitgezet, en niet zozeer naar wat zich op plaatselijk niveau afspeelde. Het feit dat de CGK in elk geval drie stromingen kent, werd niet als een overwegend bezwaar beschouwd. Inmiddels zijn de twee kerken officieel in staat van vereniging. Maar de laatste jaren is dat proces van vereniging in het slop geraakt.

Een duidelijk teken daarvan was dat het voornemen te komen tot een Gereformeerde Theologische Universiteit door de laatste Generale Synode van de CGK werd afgewezen. Daarin zouden de theologische universiteiten van GKV en CGK opgaan, samen met de predikantenopleiding van de NGK, en in samenwerking met de Gereformeerde Bond in de PKN. Officieel werden organisatorische kwesties als reden voor het besluit aangevoerd, maar het lijdt weinig twijfel dat de recente ontwikkelingen in de GKV daarbij een rol gespeeld hebben. Verzet tegen kerkelijke eenwording was er altijd al. Die kwam van de kant van de bevindelijke vleugel, verenigd rond het tijdschrift Bewaar het Pand. Ook de ‘linkervleugel’ had reserves en zocht liever toenadering tot de NGK en de PKN. Het synodebesluit laat zien dat nu ook het ‘klassiek-gereformeerde’ midden twijfels heeft over het proces van eenwording met de GKV.

Dat heeft niet alleen te maken met bijvoorbeeld de besluiten van de laatste Generale Synode van de GKV als zodanig, maar ook – en wellicht vooral – met de vrees dat een vereniging van de beide kerken ertoe zal leiden dat vergelijkbare ontwikkelingen in de CGK zelf worden versterkt. Want ook binnen dat kerkverband zijn er gemeenten die zich aan de besluiten van achtereenvolgende generale synodes niet al te veel gelegen laten liggen. Een extra probleem vormen de zogenaamde ‘samenwerkingsgemeenten’. De CGK plukken de vruchten van ongelukkige besluiten in het verleden die groen licht gaven aan gemeenten die met één been in de CGK en met het andere been in de GKV of de NGK staan. Praktisch gezien is zoiets al problematisch, want zulke gemeenten hebben met verschillende kerkverbanden en daar geldende, soms heel verschillende, regels te maken. Maar dat probleem wordt nog groter wanneer de respectievelijke kerkverbanden zich van elkaar verwijderen, zoals nu het geval is.

Inmiddels zijn ook de CGK een kerkverband in verwarring. Daarmee is hun aantrekkelijkheid voor bezwaarde leden van de GKV aanzienlijk verminderd. Want de kans is reëel dat zij, wanneer ze zich bij een CGK zouden aansluiten, op kortere of langere termijn met precies dezelfde problemen geconfronteerd zullen worden als die ze met het verlaten van de GKV achter zich dachten te hebben gelaten. Ze komen dus, nu of later, van de regen in de drup.

Er zijn leden van de GKV die zich hebben aangesloten bij een Gereformeerde-Bondsgemeente. Daar vinden ze veelal de prediking die ze gewend waren binnen de GKV te horen (zij het wellicht met wat andere accenten). Ik vermoed echter dat van degenen die vanwege de recente besluiten rond de ambten overwegen de GKV te verlaten, weinigen die stap zullen maken. Het ligt ook niet voor de hand. Eén van de bezwaren is immers dat de GKV het karakter van een plurale kerk beginnen aan te nemen. In mijn vorige blog wees ik al op het ontwerp van een kerkorde voor de kerk die uit de vereniging van GKV en NGK zal ontstaan. Die laat de plaatselijke kerken veel vrijheid, wat ongetwijfeld tot grotere, ook inhoudelijke, verschillen zal leiden. Het feit dat de GS-Meppel gemeenten de vrijheid gaf, de besluiten betreffende de ambten al dan niet uit te voeren en ook geen beperkingen oplegde met betrekking tot de principiële motivatie daarvan, bevestigt de ontwikkeling naar meer pluraliteit.

In dat licht is de keus voor een Gereformeerde-Bondsgemeente nogal merkwaardig. Want daarmee maakt men deel uit van de Protestantse Kerk in Nederland, waarin de pluraliteit betreffende de geloofsleer nog vele malen groter is dan binnen de GKV of zelfs binnen de voorgenomen verenigde kerk. Wie van mening is dat je bij de vraag of je nog langer lid kunt zijn van de GKV, niet alleen naar de eigen gemeente moet kijken, maar naar het kerkverband als geheel, zou dit ook bij de PKN moeten doen. Het lijkt me, kortom, voor bezwaarde leden van de GKV geen begaanbare weg.

Sinds de eeuwwisseling heeft een aantal bezwaarde leden de GKV verlaten, daaronder ook een aantal (emeritus-)predikanten. Daaruit zijn twee verschillende kerkverbanden ontstaan. Het oudste van de twee is De Gereformeerde Kerk (hersteld) (DGK), die op dit moment uit tien gemeenten bestaat. Van recentere datum is de vorming van De Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), die uit twaalf gemeenten bestaat. Het ligt voor de hand dat veel bezwaarden, die nu nog lid zijn van de GKV, vooral naar deze kerkverbanden kijken bij hun inventarisatie van de alternatieven. Qua karakter lijken ze op de GKV, waarin men is opgegroeid en zoals die nog tot de eeuwwisseling bestond. Die vertrouwdheid is een belangrijke factor.

Daar staat wel wat tegenover. Allereerst is er het praktische bezwaar van de regionale spreiding, of, beter gezegd, het gebrek daaraan. Bij zo’n klein aantal gemeenten is te verwachten dat de afstand voor een aantal GKV-leden bezwaarlijk is. Dat maakt het elke zondag deelnemen aan de erediensten problematisch, en zeker de betrokkenheid bij het kerkelijk leven door de week. Denk hier ook aan zaken als bijbelstudievereniging en catechisatie. Dat laatste is uiteraard een factor die zwaar weegt voor bezwaarden met kinderen in de catechisatieleeftijd.

Dan is er het probleem van de gescheidenheid van de twee kerkverbanden. Er zijn al diverse pogingen ondernomen om tot eenheid te komen, maar die hebben tot nu toe geen resultaat opgeleverd. Of een recente hernieuwde poging wel tot eenwording zal leiden, moet worden afgewacht. Er zijn redenen daar sceptisch over te zijn, want de beide kerkverbanden zijn toch wel redelijk verschillend in wat ik maar ‘ligging’ zal noemen. De DGK heeft al een aantal interne conflicten achter de rug, die over andere dan echt substantiële zaken gingen. Dat men dat in de DGK waarschijnlijk anders ziet, laat zien wat het probleem is. Wat uit de DGK naar buiten komt, ook via publicaties in hun tijdschrift De Bazuin (dat ik overigens alleen uit citaten in de pers ken), wekt de indruk dat dit kerkverband vooral gedreven wordt door nostalgie naar oude tijden. Men probeert de GKV van zo’n 40, 50 jaar geleden opnieuw tot leven te wekken. Daar hoort ook een rigiditeit bij, waarvan destijds de GKV bepaald niet vrij waren. Nostalgie mag een begrijpelijke emotie zijn, het kan niet dienen als basis voor een kerkverband anno nu.

De GKN staan hier wat anders in, maar ook dat kerkverband is niet van nostalgische smetten vrij. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de terugkeer naar de bijbelvertaling van 1951. Het zal best waar zijn dat er de nodige kritiek uit te oefenen valt op de Nieuwe Bijbelvertaling – maar op welke eigenlijk niet? – maar dat moet geen reden zijn dan terug te keren tot een vertaling die ook bepaald niet smetteloos is en alleen al qua taalgebruik nauwelijks meer bruikbaar is. Wie de Nieuwe Bijbelvertaling niet wil gebruiken, kan dan beter z’n toevlucht nemen tot de Herziene Statenvertaling.

Wat betekent dit voor degenen die nog lid zijn van de GKV en overwegen over te stappen naar een ander kerkverband?

Om te beginnen: de verdeeldheid tussen DGK en GKN is niet bepaald een goede reclame voor elk van beide. Het maakt ze niet aantrekkelijker. Van een vereniging van deze twee zou een signaal kunnen uitgaan dat leden van de GKV ertoe kan overhalen dan toch naar deze ‘verenigde herstelde GKV’ over te stappen. Of toch niet? Ik wil hier niet nalaten ook kritisch naar de bezwaarden te kijken (en daarbij sluit ik mezelf in). Zij moeten bij zichzelf nagaan, wat hun motieven zijn. Waarom willen ze weg uit de GKV en wat zoeken ze dan als alternatief?

Ik heb er in mijn vorige blog al op gewezen dat de uitslag van de stemmingen op de GS-Meppel laat zien dat er verschillen zijn tussen bezwaarden. Er waren kennelijk afgevaardigden die bezwaar hadden tegen het voorstel betreffende de ambten, maar positief stonden tegenover de voorgenomen fusie met de NGK. Wie kijkt naar de samenstelling van de redactie van Nader Bekeken, een tijdschrift dat men wellicht kan beschouwen als spreekbuis van de bezwaarden binnen de GKV, ziet daar lieden van verschillende pluimage als het om de opvattingen over de ter discussie staande zaken betreft. Verschillende auteurs, die in de loop van de jaren hun bezwaren hebben geuit tegen bepaalde ontwikkelingen binnen de GKV, onderschrijven de besluiten van de GS-Meppel ten aanzien van de ambten. Eén van de redactieleden liet zelfs een boekje verschijnen, waarin hij – zij het met enige reserve – de synodebesluiten verdedigt. Dat dit geschrift in eerste instantie verscheen in de serie boekjes die nauw gelieerd is aan Nader Bekeken maar de herdruk elders werd ondergebracht, laat al zien dat het in het kamp van de bezwaarden bepaald geen koekoek één zang is. Een zekere mate van wrijving is onmiskenbaar.

Wie wat rondkijkt en volgt wat er binnen de kerken gebeurt, ziet voortdurend de bevestiging van het gebrek aan eenheid. Er is geen sprake van twee ‘kampen’, die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De grenzen lopen kriskras door elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier waarop met de liturgie wordt omgegaan. Sommige predikanten uit het bezwaarde kamp maken ruimhartig gebruik van Opwekking en andere liedbundels, die geen officiële status binnen de GKV hebben, terwijl andere daarin veel terughoudender zijn. Sommige predikanten, die je in een aantal opzichten als ‘behoudend’ kunt aanmerken, hechten aan het gebruik van kerkelijk vastgestelde formulieren bij de bediening van de sacramenten en ook van de vastgestelde teksten bij het voorlezen van de wet. Anderen gaan daar veel vrijer mee om. Ik noemde al het voorbeeld van de bijbelvertaling. Ik heb tot nu toe geen structureel verzet tegen de Nieuwe Bijbelvertaling opgemerkt. Er zijn er zelfs die zich voor de introductie daarvan hebben ingezet. Ook over de manier waarop de toelating van gasten tot het avondmaal moet worden geregeld, bestaat geen uniformiteit. Deze verschillen doen zich ook voor onder ‘ambteloze’ kerkleden, die zich tot de ‘bezwaarden’ rekenen.

Nu zou men kunnen zeggen dat het hier niet om zaken gaat die de geloofsleer raken en dat ze dus van relatief minder belang zijn. Dat is ten dele waar, maar verschillende van die zaken hebben toch wel op de één of andere manier te maken met de wijze waarop je als kerken wilt samenleven. En het gebruik van Opwekking roept allerlei vragen ten aanzien van het karakter van de liturgie op, waarover je best een stevige discussie kunt hebben. Bovendien wekken deze zaken, die vrijwel iedereen raken, nogal eens sterke emoties op, waaraan een kerkelijke gemeenschap niet zonder meer voorbij kan gaan. Het lijkt me eerlijk gezegd een illusie dat alle bezwaarden die zich nu nog binnen de GKV ophouden – inclusief een aantal predikanten – zich moeiteloos laten invoegen in de DGK of de GKN dan wel een combinatie van die twee.

Er is nog een kwestie die hier aan de orde moet komen. Die betreft de betrokkenheid van de kerk op de samenleving. Ook op dat vlak hebben de GKV een ommezwaai gemaakt. Vroeger was het uitgangspunt dat de kerk zich niet mengde in maatschappelijke en politieke aangelegenheden. (In de praktijk gebeurde dit wel degelijk, zoals ik noteerde in een eerdere blog.) Daartoe aangezet door de prediking in de kerk, zouden haar leden in politiek en maatschappij actief moeten worden en daar hun geloof in praktijk moeten brengen. Inmiddels is dat uitgangspunt verlaten (mede doordat allerlei organisaties hun exclusieve band met de GKV hebben losgelaten). Kerken houden zich nu als kerk bezig met maatschappelijke vraagstukken, zoals eenzaamheid, armoede en integratie van allochtonen. Hulp aan vluchtelingen en asielzoekers is niet meer een activiteit van individuele kerkleden, maar wordt gestimuleerd vanuit de kerk, via de diaconie en door middel van preken en voorbeden. Ook uit de bestemming van collecten blijkt die betrokkenheid bij maatschappelijke en politieke kwesties; denk aan de voedselbank of Schuldhulpmaatje.

Er valt genoeg te bekritiseren aan de ontwikkelingen in de GKV, maar dit beschouw ik als een positieve ontwikkeling. Maar ik denk dat niet iedere ‘bezwaarde’ dat zo ziet. De vraag is dus hoe een ‘nieuwe’ kerkgemeenschap – of een uitbreiding van GKN en/of DGK – zich op dat vlak zal gedragen. Gezien het feit dat sommige bezwaarden hun stem aan de SGP geven, die een uitgesproken conservatief geluid laat horen, doet me vermoeden dat ook hier een bron van spanningen ligt.

Als ik de ontwikkelingen binnen de GKV en de ‘tegenbeweging’ analyseer, kan ik onmogelijk erg optimistisch zijn. Veel bezwaarde GKV-leden wachten op de eerstvolgende Generale Synode. Mij lijkt dit formeel correct, maar ook niet meer dan dat. Er is wel veel fantasie voor nodig om te geloven dat deze synode de gesignaleerde problemen zodanig zal aanpakken dat de GKV met recht de naam ‘gereformeerd’ mogen blijven dragen. De ontwerp-kerkorde van de gefuseerde GKV/NGK bevestigt deze ontwikkelingen en laat zien dat de gefuseerde kerk vooral op de NGK zal gaan lijken en nog maar weinig gemeen zal hebben met de GKV, zoals die tot het begin van deze eeuw was.

Op grond daarvan lijkt een breuk onafwendbaar. Maar zal dat leiden tot het ontstaan van één nieuwe gereformeerde kerk? Ik heb daarover grote twijfels. De conflictstof ligt voor het oprapen. Bij een kerkelijke breuk hebben niet alle ‘afgescheidenen’ per definitie dezelfde motieven. Bij sommigen bestaat er ook een algemene weerzin tegen modernisering. Naast alle terechte kritiek op ontwikkelingen binnen de GKV, valt een zekere verwantschap met het maatschappelijk en politiek populisme niet te ontkennen. Diegenen die worden gedreven door een – romantisch – verlangen naar de veiligheid en de duidelijkheid van de kerk van het verleden, zullen na een eventuele breuk in een nieuwe kerk – of die nu helemaal nieuw is of aansluiting vindt bij DGK en/of GKN – na korte of langere tijd teleurgesteld raken. Want het verleden komt niet weerom.

Conservatisme of zelfs reactie zijn geen goede recepten voor een ‘herstelde’ gereformeerde kerk. Het gaat er niet om te herstellen wat er eens was. Het gaat er om gereformeerde kerk te zijn in de samenleving van nu. Die stelt andere vragen en kent andere problemen. De uitdaging van de kerk is vanuit het blijvende Woord en de belijdenis die haar samenvat, daarop de antwoorden te vinden.

Het was mijn bedoeling het bij twee blogs over dit onderwerp te laten. Maar nu ik aan het slot van de tweede aflevering aangekomen ben, dringt zich de vraag op of een derde aflevering niet noodzakelijk is. De ontwikkelingen in de CGK staan niet stil. Er zijn geluiden die er op wijzen dat ook binnen de CGK de mogelijkheid van een kerkelijke breuk serieus wordt overwogen. Dat is nieuw, want alleen de gedachte al was binnen de CGK altijd zoiets als vloeken in de kerk. Het is belangrijk genoeg om daaraan apart aandacht te besteden. Wellicht kan de CGK een sleutelpositie gaan innemen in wat een kerkelijke herverkaveling zou kunnen worden. Ik verbind dit dan met de vraag die ik tot nu toe heb laten liggen: is een breuk inderdaad onvermijdelijk en zelfs gewenst? Of zijn er wellicht toch argumenten om gewoon lid te blijven van een kerk waartegen je zwaarwegende bezwaren hebt?

GKV waarheen? (1)

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) zijn een kerkverband in verwarring. Sinds de perikelen van de jaren ’70 van de vorige eeuw, die tot het ontstaan van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) leidden, bevond het kerkverband zich in relatief rustig vaarwater. Natuurlijk kwamen op kerkelijke vergaderingen, zoals Generale Synodes, wel zaken aan de orde die aanleiding gaven tot verschil in opvatting, maar die waren zelden van fundamentele aard. Sinds de eeuwwisseling is het vaarwater nogal troebel geworden. Er begon van alles te schuiven, vaak eerst in plaatselijke kerken en daardoor van een beperkte reikwijdte. Eén van de kenmerken van de veranderingen was dat ze vaak stilzwijgend plaatsvonden. Men confronteerde zich niet met de gangbare opvattingen en praktijken en voelde zich daarom ook niet geroepen nieuwe opvattingen en vormen te beargumenteren.

Die fase hebben de GKV achter zich gelaten. De meningsverschillen zijn de laatste jaren aan de oppervlakte gekomen en niemand kan meer doen alsof ze er niet zijn. Dat heeft drie oorzaken. De eerste is het besluit van de laatste Generale Synode (aan te duiden als GS-Meppel) de ambten van predikant, ouderling en diaken open te stellen voor vrouwen. De tweede is het besluit te streven naar een fusie op afzienbare termijn met de NGK. De derde is het besluit van de GS-Meppel een studie te laten verrichten naar de positie van homoseksuelen – en dan met name diegenen die een relatie aangaan – binnen de kerk. Terwijl dat laatste onderwerp op de eerstvolgende GS (GS-Goes, 2020), die in november a.s. wordt geopend, waarschijnlijk nog niet aan de orde zal komen, zullen de eerstgenoemde twee kwesties daar een centrale rol spelen. Dat heeft, voor wat de openstelling van de ambten betreft, vooral te maken met de bezwaren die door diverse kerken zijn ingebracht tegen het besluit van de GS-Meppel.

Inmiddels wordt er op allerlei niveaus gediscussieerd over dat besluit. Dat gebeurt niet alleen op landelijk niveau, via publicaties in allerlei vorm, maar ook in gemeenten, dankzij het feit dat de GS de gemeenten de vrijheid gaf de genomen besluiten al dan niet uit te voeren. Het heeft in veel gemeenten voor wrijving en verwijdering gezorgd. Niet alleen ‘bezwaarden’ vragen zich af: wat nu? Waar gaan we als kerken heen? Kunnen we de eenheid nog bewaren of bestaat die in feite al niet meer? En als er een breuk optreedt, wat dan? Een alternatief dient zich niet altijd direct aan. Niet weinige bezwaarden kunnen het de Gereformeerde Bond nazeggen, toen die met de aanstaande vorming van de PKN werd geconfronteerd: we kunnen niet mee en we kunnen niet weg.

Ik wil hier een poging doen de stand van zaken op te nemen en m’n gedachten laten gaan over de te verwachten ontwikkelingen. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten en wat zullen de consequenties van eventuele besluiten zijn?

Allereerst de kwestie betreffende de openstelling van de ambten. Voor de goede orde: het gaat daarbij vooral om de ambten van predikant en ouderling. Over de openstelling van het ambt van diaken bestaat een vrij grote overeenstemming.

Ik zie hier vier opties.

De eerste is dat de GS tot de conclusie komt dat het besluit van de GS-Meppel principieel onjuist was en dat op grond van de Schrift de ambten van predikant en ouderling aan mannen voorbehouden zijn. Dat zal vèrgaande consequenties hebben. Het betekent dat er geen basis is voor de ambtsuitoefening van die vrouwen die al als ouderling functioneren. Zij zullen hun ambt per direct moeten neerleggen. Dat is uiteraard een pijnlijke zaak. Maar nog pijnlijker is de principiële kant. Want toen zij bevestigd werden, hebben zij “ja” gezegd, toen hun gevraagd werd of ze ervan overtuigd waren dat God hun tot die taak geroepen had. Dat moet dan achteraf als een vergissing worden aangemerkt. Daarbij blijft het niet. Want zo’n besluit impliceert dat de opvattingen van de voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen als onschriftuurlijk moeten gelden. Wat betekent dit voor het functioneren van predikanten en hoogleraren die zulke opvattingen publiek hebben uitgedragen? Er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen dat een zodanig besluit als een splijtzwam zal gaan werken. Alleen al om die reden kunnen we er gevoeglijk van uitgaan dat zo’n besluit niet genomen zal worden.

De tweede optie is dat wordt uitgesproken dat uit de discussies blijkt dat er veel onzekerheid bestaat over de correcte uitleg van teksten die met het onderwerp te maken hebben. De synode zou, vanuit de overweging dat een grote mate van consensus in deze kwestie gewenst is, kunnen besluiten een studie-deputaatschap te benoemen dat zich nog eens over de exegese van relevante Schriftplaatsen gaat buigen en met name over die, welke aanleiding geven tot fundamentele verschillen van inzicht. Je zou dit de veilige optie kunnen noemen. Definitieve besluiten worden niet genomen, noch in de ene noch in de andere richting. De discussie op allerlei niveaus kan worden voortgezet zonder consequenties voor de deelnemers. Het ligt voor de hand dat, zolang geen nieuw besluit wordt genomen, geen vrouwen in de ambten worden bevestigd. Die vrouwen die al een ambt bekleden, zouden hun termijn kunnen volmaken.

De derde optie is dat de synode uitspreekt dat het besluit weliswaar juist is maar dat de argumentatie te wensen overlaat. Ze zou uit haar midden een aantal afgevaardigden aan het werk kunnen zetten om een deugdelijker onderbouwing van de genomen besluiten te formuleren. Dit is de meest problematische optie. Het komt er in feite op neer dat de synode zegt: vrouwen mogen wel in de ambten benoemd worden, maar we weten eigenlijk niet zo goed waarom. Je zou dit ook de meest gênante optie kunnen noemen. Hiermee deelt de synode zichzelf en haar voorgangster een brevet van onvermogen uit.

De vierde optie heeft met de eerste gemeen dat ze de helderste is. De synode bevestigt het besluit van de GS-Meppel en meent dat de onderbouwing toereikend is en recht doet aan de Schrift. Maar daarmee is de kous niet af. De vraag die ze daarbij niet kan ontlopen, is of ze het kan volhouden dat alle meningen gelijke rechten hebben binnen de kerken. Want als de discussie sinds de laatste GS iets laat zien is het dat dit leidt tot ongemak, wrijving en gewetensconflicten. De synode ontkomt er niet aan zich af te vragen of deze verdeeldheid nog past binnen de bandbreedte van wat we als kerken onder ‘gemeenschap van de heiligen’ verstaan. Een bevestiging van de besluiten zal onvermijdelijk – en ook hier ligt een parallel met de eerste optie – tot verdere verdeeldheid leiden en wellicht tot een formele breuk binnen het kerkverband.

Welke optie is de meest waarschijnlijke? Ik zou het niet weten. De eerste is, zoals ik al suggereerde, de minst waarschijnlijke. De consequenties daarvan zullen zo ingrijpend zijn dat men het niet zal aandurven, zo’n besluit te nemen. Uiteraard hangt de uitkomst af van de vraag hoe de synode is samengesteld. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat er voldoende draagvlak zal zijn voor een zo vèrgaand besluit. Het feit dat tenminste twee vrouwelijke ouderlingen zijn afgevaardigd naar de GS-Goes maakt dat nog onwaarschijnlijker. Het zal dus wel één van de andere drie worden. Vooralsnog geef ik de laatste de meeste kans.

Er is nog een tweede kwestie die de gemoederen bezighoudt, al neemt die in de discussies in de pers en op vergaderingen een minder prominente plaats in. Dat laatste zou wel eens z’n oorzaak daarin kunnen vinden dat de fusie met de NGK minder verzet oproept dan de openstelling van de ambten voor vrouwen. Het is opvallend dat tijdens de GS-Meppel de stemverhoudingen bij deze twee onderwerpen verschilde. Het aantal stemmen tegen de fusie tussen GKV en NGK was kleiner dan dat tegen het voorstel betreffende de ambten. Daaruit moet de conclusie getrokken worden dat er afgevaardigden waren, die bezwaar hadden tegen de toelating van vrouwen tot de ambten, maar niet tegen de fusie met de NGK. En dat is vreemd. Want binnen de NGK is de uitoefening van de ambten van predikant en ouderling door vrouwen geen onderwerp van discussie meer. Het is inmiddels ingeburgerd en de kans dat het na een fusie met de GKV nog weer ter discussie zal worden gesteld, lijkt me vrij klein. Degenen die verschillend stemden, zullen zich toch wel gerealiseerd hebben dat met een fusie precies datgene de kerk binnenkomt, wat ze door hun tegenstem bij het voorstel over ‘vrouw en ambt’ buiten de deur wilden houden?

Maar daarbij blijft het niet. Zoals ik in eerdere weblogs heb betoogd, komen met de fusie ook andere zaken de kerk binnen die je juist zou moeten weren. Dat betreft de te zwakke binding aan de belijdenis en – daarmee annex – een te grote vrijheid van plaatselijke kerken op het gebied van de geloofsleer en de ethiek, alsmede de vrijheid de leer van ds. B. Telder uit te dragen en, niet te vergeten, het gedachtegoed van New Wine, dat op een aantal punten niet verenigbaar is met de gereformeerde geloofsleer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Het voorstel voor een kerkorde van de verenigde kerk onderstreept dat die kerk meer op de huidige NGK zal gaan lijken dan op de GKV, zoals die tot aan het begin van deze eeuw was.

Het feit dat tegen deze fusie zo weinig weerstand wordt geboden, is bepaald verontrustend. Kennelijk zien verreweg de meeste voorgangers en kerkenraden hier geen problemen. En van degenen bij wie dat wel het geval is, is lang niet iedereen bereid daaraan de consequentie te verbinden dat die fusie dan maar niet door moet gaan. Ik weet op dit moment niet of tegen het principebesluit tot een fusie door gemeenten bezwaren zijn ingebracht en ook niet wat de synode op dit punt eventueel nog zou moeten besluiten. Vooralsnog lijken de kansen dat er nog zand in de machine wordt gestrooid, niet erg groot. De trein zal dus wel voortrazen tot een stadium is bereikt dat er in feite geen weg terug meer is.

Wanneer inderdaad zal gebeuren wat ik hierboven als het meest waarschijnlijke heb aangemerkt, zullen leden van de GKV die zich met deze ontwikkelingen niet kunnen verenigen, des te nadrukkelijker voor de vraag komen te staan: wat nu? Daarover gaat de tweede aflevering van deze serie.

Kerkelijke betonrot

28 december 2017 1 reactie

De besluiten van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) met betrekking tot de toelating van vrouwen tot de ambten van predikant, ouderling en diaken liggen zo’n half jaar achter ons. Ze hebben veel pennen in beweging gebracht, aanleiding gegeven tot bijeenkomsten van verontruste kerkleden en geleid tot de lancering van een website, die de bezinning op de genomen besluiten wil stimuleren. Op plaatselijk niveau zijn kerkenraden met de besluiten aan de slag gegaan en dat heeft tot heel verschillende uitkomsten geleid.

Terwijl sommige kerkenraden besloten direct tot uitvoering van de synodebesluiten over te gaan, maakten anderen pas op de plaats of besloten het proces van revisie in te gaan. Dat laatste is de kerkrechtelijk juiste weg, wanneer men bezwaren heeft tegen besluiten van kerkelijke vergaderingen. In die zin valt daartegen geen bezwaar te maken. Tegelijk roept dit proces de nodige vragen op. In de afgelopen maanden is bij mij de scepsis ten aanzien van dit proces toegenomen. Dat heeft niet alleen te maken met twijfel aan de uitkomst ervan; daarover valt nauwelijks iets met zekerheid te zeggen. Het betreft ook het proces zelf en de gevolgen ervan voor de eenheid binnen gemeenten en binnen het kerkverband.

Wat beogen kerkenraden, die in revisie gaan tegen de genomen besluiten? Ik heb geen inzicht in de activiteiten die op dit punt al zijn ondernomen of worden voorbereid, maar ik zie hier twee opties. De eerste is dat men de eerstvolgende reguliere Generale Synode verzoekt uit te spreken dat de toelating van vrouwen tot de ambten van predikant en ouderling strijdig is met de Schrift (naar mijn indruk is er weinig bezwaar tegen de uitoefening van het ambt van diaken door vrouwen). Daarmee vraagt men de synode in feite uit te spreken dat de vorige GS het principieel bij het verkeerde eind had. De kans dat het tot zo’n uitspraak komt, lijkt me nihil. Het zou dramatische gevolgen hebben en zeker tot een breuk leiden. Want zo’n uitspraak impliceert dat al die afgevaardigden, die op de laatst gehouden synode de voorstellen betreffende de toelating van vrouwen tot de ambten hebben gesteund, daarmee onschriftuurlijk gehandeld hebben en dat hun opvattingen als onschriftuurlijk worden bestempeld. Wat zal dat betekenen voor hun positie binnen de kerken?

Het maximaal haalbare lijkt me de tweede optie: de komende GS vragen uit te spreken dat het door de laatste GS genomen besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat de aangevoerde gronden niet als argument ten gunste van de genomen besluiten kunnen dienen, ten dele ook doordat daaraan onjuiste of niet overtuigende exegeses ten grondslag liggen. Daarmee wordt de situatie van vóór de Generale Synode hersteld en kan een nieuw traject van studie en bezinning worden ingegaan. Daarbij doet zich uiteraard wel het probleem voor dat een aantal gemeenten inmiddels vrouwelijke ambtsdragers heeft. Wat zijn de consequenties voor hun positie? Bovendien hebben ze bij hun bevestiging verklaard ervan overtuigd te zijn dat God zelf hen tot hun ambt heeft geroepen. Moet dit achteraf dan als op z’n minst twijfelachtig worden beschouwd? Nog problematischer wordt de situatie, als vóór de eerstvolgende reguliere synode vrouwen als predikant zijn bevestigd.

Het is niet ondenkbaar dat dit ertoe zal leiden dat de synode zal terugschrikken voor de consequenties van een intrekking van de genomen besluiten, zelfs wanneer ze daartoe op principiële gronden geneigd zou zijn. Het gevaar is niet denkbeeldig dat de praktijk de principes zal verdringen. Daarom is het niet onbegrijpelijk dat in elk geval enkele kerkenraden streven naar het bijeenroepen van een bijzondere synode om de bezwaren tegen de besluiten van de GS te bespreken.

Desondanks lijkt me dit niet de meest aangewezen weg. Terwijl op een reguliere synode meerdere kwesties aan de orde komen, zal het bij een bijzondere synode maar over één kwestie gaan. Mindere vergaderingen moeten daarvoor de afgevaardigden aanwijzen. Het ligt voor de hand dat men zich bij de keuze zal laten leiden door de vraag welke opvatting eventuele afgevaardigden in deze kwestie toegedaan zijn. Een sterke polarisatie is onvermijdelijk en daaruit zullen ongetwijfeld partijschappen voortkomen. Dat zal de eenheid binnen de kerken – die toch al flinke averij heeft opgelopen – wellicht onherstelbaar beschadigen. Een bijzondere synode zal een kerkscheuring dichterbij brengen, nog helemaal afgezien van de besluiten die zo’n synode zal nemen.

Laten we geen illusies koesteren over de gevolgen van een proces van revisie, hoe dit ook eindigt. De Generale Synode heeft zich met haar besluiten over vrouw en ambt in een wespennest gestoken. Iedereen weet dat je daar niet ongeschonden uitkomt.

Maar we moeten nog een spade dieper steken. Laten we aannemen dat men in goede harmonie tot de conclusie komt dat de Generale Synode overhaast en op twijfelachtige gronden een besluit heeft genomen en dat het nodig is ons eerst nog eens uitvoerig over deze kwestie te bezinnen. Dan is daarmee de kou nog niet uit de lucht. Want diverse tegenstanders van de GS-besluiten zijn van mening dat aan de soms heel tegengestelde interpretaties van Schriftgedeelten en individuele teksten een verschil in hermeneutiek ten grondslag ligt. Daarmee krijgt de kwestie een heel andere dimensie. Maar zolang men het er niet over eens kan worden of en zo ja, in welke zin sprake is van verschillen op hermeneutisch vlak, wordt het vrijwel onmogelijk tot een consensus in de onderhavige kwestie te komen. Dan zal verdere discussie over vrouw en ambt geen helderheid brengen, maar alleen tot nog grotere spraakverwarring leiden.

Ik heb al eerder gewezen op allerlei andere verschijnselen die zorgen baren. Daartoe behoort de voorgenomen fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). De tendensen, waarover ‘bezwaarde’ kerkleden zich zorgen maken, zullen hierdoor alleen maar versterkt worden. De samenwerking met de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) biedt daaraan geen tegenwicht. Dat is deels het gevolg van het feit dat de problemen die binnen de GKV spelen, ook in dat kerkverband te signaleren zijn. Daarnaast is door de laatste GS-besluiten die samenwerking onder druk komen te staan. Als puntje bij paaltje komt zal de GKV de eenheid met de NGK zwaarder laten wegen dan de banden met de CGK.

De GKV lijden aan iets dat men kan vergelijken met betonrot. Dat is een verschijnsel, waarbij de wapening in beton begint te roesten, wat er uiteindelijk toe leidt dat het beton gaat barsten. We zien het voor onze ogen gebeuren. Dat proces is niet eenvoudig tegen te houden door besluiten betreffende de vrouw en het ambt in te trekken. Dat is slechts het topje van de ijsberg.

De afgelopen maanden ben ik steeds sceptischer geworden over het proces van revisie. Kerkrechtelijk klopt het allemaal en ik ben de laatste om te zeggen dat dit proces niet moet worden ingezet. Maar ik zou de verwachtingen willen temperen. De kans dat de gewraakte besluiten worden ingetrokken, lijkt me klein. Maar ook als dat gebeurt, is dat nog geen teken van een ommekeer en van een terugkeer van een weg die al jaren geleden is ingeslagen. Daaraan lagen overigens meestal geen formele besluiten ten grondslag en mede daardoor bleef een principiële verantwoording uit. Sterker nog, door allerlei opinieleiders binnen de GKV wordt in woord en geschrift glashard ontkend dat de GKV wezenlijk veranderd zijn. Dan wordt het vrijwel onmogelijk fundamentele zaken aan de orde te stellen en is een echt hervormingsproces heel ver weg.

Van alle kanten wordt beweerd dat men hoopt en ernaar streeft, de eenheid van de kerk te bewaren. Dat lijkt in toenemende mate een illusie. Er is een tijd om te scheuren en een tijd om te herstellen. Wanneer de wil om te herstellen in Schriftuurlijke en confessionele zin ontbreekt, zou de tijd van scheuren wel eens dichterbij kunnen zijn dan men verwacht.

Categorieën:christendom, kerk Tags: , , ,

Een kerk op dwaalwegen

Van 15 tot 17 juni j.l. heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) een aantal besluiten genomen die diepe sporen trekken binnen de kerkelijke gemeenschap. Besloten werd de ambten van diaken, ouderling en predikant open te stellen voor vrouwen. Terwijl het eerstgenoemde besluit vrijwel unaniem werd genomen, liet de stemverhouding ten aanzien van de twee andere zaken zien dat de kerken over deze kwesties diep verdeeld zijn. De reacties op de besluiten van voor- en tegenstanders bevestigden dat beeld. De komende maanden – en vooral na de zomervakantie, wanneer kerkenraden zich over de synodebesluiten zullen gaan buigen – zal menige discussie gevoerd worden, niet alleen binnen kerkenraden maar ook in de gemeenten. Volgens het Reformatorisch Dagblad hebben de GKV een wissel omgezet. Is dat een juiste analyse?

Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, de besluiten van de Generale Synode passen in een proces dat al jaren gaande is. Stukje bij beetje hebben de GKV hun koers verlegd. De veranderingen zijn vrijwel altijd op lokaal niveau begonnen. Gemeenten en kerkenraden hebben zich een steeds grotere mate van vrijheid toegeëigend om hun koers te bepalen in zaken, waarover tevoren altijd op het niveau van meerdere vergaderingen, en speciaal dat van generale synoden, werd gediscussieerd en besloten. Die betreffen niet alleen ontwikkelingen op liturgisch gebied – die wellicht het meest in het oog springen – maar ook zaken als de contacten met andere kerken en samenwerking op het gebied van evangelisatie, de pastorale omgang met ongehuwd samenwonenden en homosexuele relaties en de toelating van gasten aan het avondmaal. Hoewel er duidelijke kerkverbandelijke afspraken bestaan dat in de regel ’s zondags twee kerkdiensten plaatsvinden, dat in de morgendienst de wet gelezen wordt, dat alleen kerkverbandelijk toegelaten liturgische formulieren gebruikt worden en dat gemeenten alleen diegenen als lid aanvaarden die op hun grondgebied wonen, gaan ook daarin gemeenten hun eigen gang. Die grotere plaatselijke eigenzinnigheid heeft de vorige Generale Synode in feite van een stempel van goedkeuring voorzien door de aanvaarding van een nieuwe kerkorde, waarin veel minder is vastgelegd. Eerder werd de grotere diversiteit al gestimuleerd door bijvoorbeeld af te zien van duidelijke regels met betrekking tot het liedrepertoire.

Het feit dat de hierboven geschetste ontwikkelingen geleidelijk plaatsvonden en zich vaak op plaatselijk niveau voltrokken, verklaart ook, zoals ik op dit weblog al eens heb gesignaleerd, dat een expliciete verantwoording van gewijzigde standpunten en handelwijzen meestal ontbreekt. Dat is vooral dan een ernstige omissie, wanneer het gaat om zaken waarover nog maar enkele decennia geleden ferme tegenovergestelde standpunten werden gehuldigd en uitgedragen.

In dat licht is het winst dat de Generale Synode nu duidelijke uitspraken heeft gedaan. Daarmee hebben de GKV een bepaalde positie gemarkeerd die je, met de commentator van het Reformatorisch Dagblad, als het omzetten van een wissel mag beschouwen. Want met deze besluiten is in ieder geval ten aanzien van de toelating van vrouwen tot de ambten vastgelegd wat nu als het standpunt van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) mag gelden. Dat moet inderdaad zo geformuleerd worden, allerlei uitlatingen ten spijt die ten doel hebben de pil voor de tegenstanders wat te vergulden en hun vertrek uit de kerkelijke gemeenschap te voorkomen. In zijn interview met het Nederlands Dagblad trekt de preses van de GS, dr. M.H. Oosterhuis, een rookgordijn op.

Ten aanzien van de genomen besluiten over de toelating van de vrouw tot de ambten zegt hij: “We hebben heel lang geleefd bij de schijnzekerheid dat de Bijbel klip en klaar was over dit thema. De synode doet niets anders dan een stap terug zetten en erkennen dat het ingewikkelder ligt. Je mag elkaar niet binden aan iets waarover geen nadrukkelijke zekerheid bestaat. Je mag de ander niet binden aan jouw Bijbeluitleg.” Op deze weergave van wat zich heeft afgespeeld, valt wel wat aan te merken. Als de synode inderdaad van mening was de de bijbel geen helderheid over dit onderwerp geeft – wat op zichzelf ook een vorm van exegese is – had ze moeten uitspreken dat er meer tijd van studie en meningsvorming nodig was. Maar ze heeft duidelijk stelling genomen en dat is wat anders dan een stap terug zetten. Het is een stap vooruit, naar mijn overtuiging in de verkeerde richting.

En of de synode de kerken niet heeft gebonden aan een bepaalde uitleg van de bijbel is nog maar de vraag (*). Ze heeft uitgesproken “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling” (Besluit 5) en “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van verkondiging en onderwijs en daarmee tot het ambt van predikant” (Besluit 6). Nee, daarmee legt de synode niet een bepaalde exegese van specifieke bijbelteksten aan de kerken op. Maar haar besluiten zijn wel gebaseerd op een bepaalde lezing van de Schrift en een bepaalde weging van Schriftgedeelten en specifieke teksten. Hoeveel vrijheid is er binnen de kerken dan nog om uit te dragen dat de besluiten van de synode in strijd zijn met de Schrift en berusten op een principieel onjuiste lezing daarvan?

De synode besloot ook “ruimte te geven aan de plaatselijke kerken om zelf te bepalen of en zo ja op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten willen handelen” (Besluit 7). Dit besluit schept onvoldoende duidelijkheid. Het gebruik van het woord of suggereert dat kerkenraden mogen besluiten geen vrouwen tot de ambten toe te laten – niet maar tijdelijk, maar voor altijd. Hebben ze ook de vrijheid daarvoor principiële gronden aan te voeren en uit te spreken dat de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen in strijd is met de Schrift? Of worden ze dan – op grond van de synodebesluiten – tot de orde geroepen, bijvoorbeeld wanneer leden van de gemeente in beroep gaan tegen het beleid van hun kerkenraad?

Laten we aannemen dat kerkenraden inderdaad die vrijheid hebben. Het is de vraag of dat de vrede in de gemeente dient. De vrede in het kerkverband dient het in elk geval niet. Want een gemeente is geen eiland. Gemeenten zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, via attestaties, meerdere vergaderingen en kanselruil. Wat zijn de consequenties van de synodebesluiten voor het samenleven als kerkverband? Wie het spreken van de belijdenis over de kerk en de gemeenschap van de heiligen serieus neemt, kan zich uiteindelijk niet neerleggen bij allerlei ‘pragmatische’ oplossingen, die in andere kerkverbanden, zoals de PKN, worden gehanteerd. Het zou ook ongeloofwaardig zijn, gezien de kritiek op deze ‘oplossingen’ die in het nog niet zo verre verleden vanuit de GKV klonk. Ook hier lijkt een principiële verantwoording van een eventuele koerswijziging geen overbodige luxe.

Zo’n koerswijziging kan weinig anders inhouden dan de keuze voor het model van de plurale kerk. Dat betekent dat in de ene gemeente vanaf de kansel en in het pastoraat als Schriftuurlijk mag worden uitgedragen wat in een andere gemeente als in strijd met de Schrift wordt bestempeld. Het vereist nogal wat geestelijke rek- en strekoefeningen om dat in te passen in wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen.

Gezien de hier geschetste ontwikkelingen is het begrijpelijk dat leden van de GKV zich afvragen: wat nu?

Voor een definitief antwoord op die vraag lijkt de tijd me nog niet rijp. Dat geldt in elk geval voor mij. Als lid van een GKV zit ik nog midden in het proces van overweging en overdenking. De komende maanden is het vakantietijd en gebeurt er weinig op kerkelijk terrein. Dat geeft gelegenheid in alle rust de ontwikkelingen te overwegen. Pas na de vakantie zullen kerkenraden met de genomen besluiten aan de slag gaan en zullen ze wellicht daarover met de gemeente in gesprek gaan. Ik zet hieronder een paar elementen op een rijtje die in elk geval in mijn overwegingen een rol spelen.

Het is begrijpelijk dat de synodebesluiten over de ambten nu alle aandacht krijgen, want daarover heeft de Generale Synode uitspraken gedaan die nu als de officiële standpunten van de Gereformeerde Kerken mogen worden beschouwd. Maar er is meer aan de hand. Zoals hierboven al geschetst, maken deze besluiten deel uit van een proces. Het is dus nodig ze in een breder kader aan de orde te stellen. In dit verband wil ik wijzen op de besluiten die genomen zijn ten aanzien van de contacten met andere kerken. Er wordt nu gestreefd naar een fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Door een minderheid van de Deputaten Kerkelijke Eenheid is er terecht op gewezen dat de binding van ambtsdragers aan de belijdenis binnen de NGK de nodige vragen oproept. Ik voeg daaraan toe dat een fusie tussen GKV en NGK de ontwikkelingen waarover GKV’ers zich zorgen maken en waarvan ik er aan het begin van dit stuk een aantal heb opgesomd, niet zal afremmen maar eerder versnellen. Ik herinner ook aan de plannen om de contacten met de PKN te intensiveren (zie daarover mijn blog ‘Kerkelijke eenheid – kiezen of delen’).

Formeel is de enige manier om de genomen besluiten van tafel te krijgen een verzoek om revisie bij de eerstvolgende Generale Synode. Die weg moet inderdaad gevolgd worden, maar het is de vraag of die enig soelaas biedt. Een revisieverzoek heeft geen opschortende werking, dus de hiervoor geschetste problemen worden daarmee niet opgelost. Bovendien moeten er nieuwe argumenten aangedragen worden, maar veel argumenten voor en tegen zijn al onderwerp van discussie geweest, ook ter synode. Verschillende scribenten hebben er op gewezen dat achter de meningsverschillen over de toelating van de vrouw tot de ambten een hermeneutisch verschil van mening zit. Volgens hen is er geen eenstemmigheid over de vraag hoe de bijbel gelezen moet worden en welke rol onze cultuur in de exegese moet of mag spelen. Het lijkt me daarom van groot belang vooral dat onderwerp op de eerstkomende synode aan de orde te stellen. Daar moet dan de vraag aan gekoppeld worden op welke manier de Schrift normatief is op ethisch terrein. Want ook op dat vlak zijn verschuivingen waarneembaar.

Juist omdat de besluiten betreffende de ambten in een breder verband staan, moeten ze niet als een soort sjibbolet gaan fungeren. Of je er voor of tegen bent, is niet een soort lakmoesproef om te bepalen of iemand wel of niet ‘Schriftgetrouw’, ‘confessioneel betrouwbaar’ of ‘goed gereformeerd’ is. Er zijn nogal wat kerkleden die bezwaren hebben tegen een aantal ontwikkelingen in de GKV, maar over dit onderwerp (nog) geen afgeronde eigen visie hebben. Er zijn er ook die de toelating van de vrouw tot het ambt positief waarderen, maar problemen hebben met de daarvoor aangevoerde gronden en daarin bedenkelijke tendenzen waarnemen. Kortom, er is alle reden de communicatie gaande te houden.

Dat brengt me bij een belangrijk element in de overwegingen over wat ‘bezwaarde’ leden van de GKV te doen staat. We zijn als leden van de kerk voor elkaar verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid betreft in de eerste plaats onze eigen gemeente. Maar ze beperkt zich daar niet toe. Als kerken zijn we niet alleen formeel met elkaar verbonden, maar in de eerste plaats geestelijk. Kerken hebben zich vrijwillig tot een kerkverband aaneengesloten, omdat ze op hetzelfde geestelijke fundament staan. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de drie formulieren van eenheid – die uitdrukking is veelzeggend. Van die verantwoordelijkheid mogen we ons niet gemakkelijk afmaken, bijvoorbeeld door nu direct maar de uitgang van de kerk op te zoeken.

Maar verantwoordelijkheid heeft ook een andere kant, die je misschien voor de duidelijkheid aansprakelijkheid zou kunnen noemen. Gereformeerde kerken zijn niet van bovenaf, maar van onderop georganiseerd. Leden van gemeenten hebben daarmee de mogelijkheid de leer en de manier waarop de Schrift in prediking en pastoraat gehanteerd wordt, langs de kerkelijke weg aan de orde te stellen. De logische consequentie is dat ze daarmee ook aangesproken kunnen worden op wat de kerk leert en welke besluiten kerkelijke vergaderingen nemen. En daar wringt de schoen. Want als kerklid moet ik me de vraag stellen of, en zo ja, hoe lang en op welke punten ik op de kerkelijke leer en praktijk aangesproken wil worden. Beslissend is daarbij niet, of ik er zelf gelukkig mee ben, maar of ze in het licht van de Schrift en de belijdenis te verantwoorden zijn. Er kan een moment komen dat de last van die aansprakelijkheid te zwaar wordt.

De spanning tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid zal vooral gevoeld worden door diegenen die vanwege hun ambt – predikant of ouderling – geroepen zijn geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Maar ook wie geen ambt bekleedt, zal die spanning ervaren. Bovendien: de eerste verantwoordelijkheid van iedere gelovige is die voor zijn eigen geestelijk welbevinden. Dat kan ernstig geschaad worden wanneer men te lang meeloopt met een kerkelijke gemeenschap die zich op dwaalwegen begeeft.

(*) De besluiten van de GS betreffende “m/v en ambt” zijn hier te downloaden.

Tien Geboden voor Twintigers

Is Nederland anno 2016 nog wel een echte samenleving? Het lijkt er steeds minder op. Recent zijn allerlei rapporten verschenen die wijzen op de groeiende kloof tussen vooral hoger en lager opgeleiden en mensen met een hoog inkomen en hen die het met veel minder moeten doen. Er is in toenemende mate sprake van langs elkaar heen leven in plaats van samen leven.

De christelijke kerk is één van de weinige plekken waar mensen met verschillende achtergronden elkaar tegenkomen. Of ze nu veel of weinig opleiding hebben genoten en veel of weinig verdienen, ze vormen samen een gemeenschap. Misschien komen ze elkaar door de week nooit tegen. Maar zondags zitten ze in dezelfde kerk; daar klopt het hart van de gemeenschap van de heiligen.

Dat wil niet zeggen dat alle categorieën mensen die men wellicht kan onderscheiden, daar in gelijke mate vertegenwoordigd zijn. Recent bracht het tijdschrift Onderweg een themanummer uit, gewijd aan de twintigers. In zijn inleiding schrijft hoofdredacteur Ad de Boer dat hem opgevallen was dat in zijn groeiende (NGK-)gemeente deze categorie slecht vertegenwoordigd is. Nu kan zoiets toeval zijn. In mijn gemeente zijn de twintigers ruimschoots vertegenwoordigd maar die bevindt zich dan ook in een studentenstad en studenten behoren meestal tot deze leeftijdsgroep. In het inleidende artikel staat een statistiek van zes – niet nader genoemde – GKV-gemeenten die een ander beeld laat zien. Niettemin komt uit de verschillende artikelen naar voren dat De Boer niet alleen staat in zijn observaties. Twintigers haken vaak af of houden op z’n minst de kerk op een afstand.

Door middel van o.a. een aantal vraaggesprekken wordt de problematiek van allerlei kanten belicht. Een samenvattende analyse ontbreekt. Dat is jammer omdat het beeld dat van de twintigers geschetst wordt, nogal diffuus is. De ene twintiger is de andere niet. Om te beginnen wordt de groep in twee subgroepen opgedeeld die sterk van elkaar verschillen. De eerste omvat ‘jongvolwassenen’ (18 tot 23), de tweede ‘starters’ (vanaf 23). Maar ook binnen die subgroepen zijn de verschillen substantieel. Neem nu de opvattingen over liturgie. Sommigen houden van vrijheid en experimenten, anderen geven de voorkeur aan een prikkelarme dienst die volgens een vrij vast stramien verloopt. Dat is nog niet alles. Want in de borst van menige twintiger huizen twee zielen. De twintiger wordt getypeerd als ‘hyperindividualistisch’. “Het draait bij twintigers vooral om het ik (…). Niet een god, maar zijzelf zijn het centrum van het leven”. Tegelijkertijd zoeken twintigers verbinding. Dat lijkt me zoiets als het zoeken naar een vierkante cirkel.

Maar wellicht is het juist die grote differentiatie die verklaart dat een samenvattende analyse ontbreekt. Twintigers lijken weinig meer met elkaar gemeen te hebben dan dat ze tot dezelfde leeftijdscategorie behoren. Dat reduceert dan ook de waarde van de ‘tien geboden’ voor de omgang met twintigers die aan het eind van het themanummer worden gegeven. Die kunnen in sommige gevallen wellicht van pas komen maar kunnen even zo goed het doel helemaal missen. Zou men hieruit niet de conclusie moeten trekken dat het effectiever is iedere twintiger die problemen heeft met de kerk, individueel te benaderen?

Maar dan moet je wel iets in handen hebben. Een duidelijk principieel kader is wel gewenst om de problematiek te analyseren en op grond daarvan een gedragslijn te ontwikkelen. Helaas ontbreekt zo’n kader in dit themanummer, ook al worden hier en daar kritische noten gekraakt. Het lijkt erop dat de denk- en leefwereld van de twintigers als oriëntatiepunt wordt genomen. Je zou wellicht kunnen spreken van een subcultuur. Tot de kenmerken daarvan behoren dat bidden, bijbellezen en kerkgang niet vanzelfsprekend zijn. Twintigers hechten veel waarde aan duidelijke preken waarin hun handvatten worden aangereikt voor het leven van elke dag. Maar tegelijkertijd wordt het niet op prijs gesteld wanneer een bepaalde opvatting of gedragslijn wordt voorgeschreven. “Iedereen mag zijn eigen geloof, mening en leefstijl hebben”. Ook hier zien we weer de dubbelzinnigheid en het gebrek aan consistentie die kenmerkend zijn voor deze leeftijdsgroep.

Die subcultuur lijkt te worden beschouwd als iets dat onveranderlijk is. Daaraan moet de kerk zich dan kennelijk aanpassen; ze moet naar een manier van kerk-zijn zoeken die daarbij aansluit. Dat wordt ook gesuggereerd door de formulering van het thema op de omslag: “Hoe betrekken we de kerk bij twintigers?” Het getuigt van een nogal defaitistische instelling. Het is waar dat culturen diep geworteld zijn en dat het tijd, energie en veel overredingskunst kost om cultureel bepaalde gewoonten en opvattingen te veranderen. Zendelingen kunnen daarover meepraten. Maar dat is geen reden die cultuur dan maar als een gegeven te aanvaarden. Eén van de kernwaarden van het christelijk geloof is dat de Schrift het eerste en het laatste woord heeft. Culturen en subculturen – of die zich nu tot individuen of groepen beperken dan wel een ‘nationale’ eigenaardigheid zijn – staan onder de kritiek van de Schrift.

Misschien denken de samenstellers van het themanummer in de lijn van de uitspraak van een voormalig minister: als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Maar hij ging dan in elk geval er nog van uit dat er iets is dat moet. Dat is tegenwoordig geen populaire boodschap meer. Er wordt veel nadruk gelegd op de vrijheid waarin christenen mogen leven. Dat is terecht maar misschien niet de meest urgente boodschap voor onze tijd. Vooral veel jongeren interpreteren dit als vrijheid van – vul maar in. Dat het vooral een vrijheid tot is blijft onderbelicht. Goed is wat goed voelt. Als men zich al aan een bepaalde kerk wil binden, moet dat een kerk zijn die bij iemand past. In feite gaat Onderweg daarin mee.

Wanneer een tijdschrift dat kerkelijke opbouw tot doel heeft een analyse geeft van wat kenmerkend is voor twintigers, zou je toch mogen verwachten dat de beschreven denk- en leefwereld ook aan een kritische beschouwing wordt onderworpen. ‘Tien geboden’ voor de omgang met twintigers kunnen heel nuttig zijn. Veel belangrijker is de vraag hoe de kerk omgaat met die elementen van hun subcultuur die zich niet laten verenigen met de manier waarop God gediend wil worden. ‘Hyperindividualisme’ past niet bij iemand die bij Christus wil horen. De hyperindividualist denkt dat hij het centrum van het universum is. Dan moet de kerk zeggen: dat ben jij niet. Het individualisme staat haaks op de mens als beeld van God die immers uit is op relaties met mensen. Hij verzamelt ook geen individuen maar een kerk – een gemeenschap van heiligen. Elke gelovige is verplicht zich daar in te voegen, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt (art 28). Dat geldt voor jongeren niet minder dan voor ouderen.

Het gaat twintigers vooral om de band die je met God hebt, lees ik in Onderweg. Ze hebben gelijk. Maar die band kan niet zonder bijbellezen, bidden en kerkgang. Daarom zijn dat dingen die moeten. God wil een relatie met de gelovigen onderhouden. Dat doet hij via de Schrift, die dan ook regelmatig gelezen wil worden. Wanneer regelmatige lezing van de bijbel niet tot het leefpatroon van twintigers behoort is het de taak van de kerk hen daarin te corrigeren en te stimuleren. Kerkgang is een onopgeefbaar element van het christelijke leven. De schrijver van de brief aan de Hebreeën vermaant zijn lezers dan ook de onderlinge bijeenkomsten niet te verzuimen. Die bijeenkomsten staan in de eeuwenoude traditie van tempel en synagoge. De verkondiging van het evangelie die centraal staat in die bijeenkomsten, wordt wel omschreven als ‘bediening van de verzoening’. Die hebben twintigers even hard nodig als andere generaties. Niels de Jong slaat de plank mis wanneer hij zijn ‘tweede gebod’ (“Gij zult ruimte geven”), zo invult: “Een helder geluid vanaf de kansel is (…) gewenst. Dat betekent niet dat precies voorgeschreven moet worden wat wel en niet mag. En als dat al gebeurt, dan moet er ruimte zijn om er anders over te denken of andere keuzes te maken”. Zolang vanaf de kansel de boodschap van de Schrift klinkt – en niet de persoonlijke mening van de voorganger – mag en moet gezegd worden: “Dit is het woord van God”. En dat is niet vrijblijvend.

Dat het gebed een centrale plaats in het leven van christenen inneemt hoeft geen betoog. Het Nieuwe Testament staat er vol van en het gebed is één van de dingen die Jezus zijn leerlingen – en ons – heeft geleerd. De tweede bede van dat gebed, het Onze Vader, is hier speciaal van belang. Wanneer de Heidelbergse Catechismus het Onze Vader behandelt wordt die bede – Laat Uw koninkrijk komen – zo uitgelegd: “Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen”. Er wordt vaak op gewezen dat het woord islam ‘onderwerping’ betekent en dat wordt als bezwaar tegen deze religie aangevoerd. Maar dat is het probleem niet. Het gaat om de vraag aan wie of wat men zich moet onderwerpen. De Catechismus maakt duidelijk dat menselijke neigingen en verlangens ondergeschikt zijn aan de wil van God die in de Schrift wordt geopenbaard. Die wil komt pregnant naar voren in de Tien Geboden. Die hebben hun tijd niet gehad: nergens in de Schrift worden ze tussen haken geplaatst en als achterhaald aangemerkt. Integendeel: in de Bergrede scherpt Jezus ze aan. De apostel Paulus verwijst herhaaldelijk naar de geboden en past die in de situatie van zijn tijd toe. Er is geen tegenstelling tussen de vrijheid die kenmerkend is voor het christelijke leven en de onderwerping aan wat God in de Tien Geboden vraagt. Dat is juist de echte vrijheid.

Tien geboden voor de omgang van de kerk met twintigers kunnen nuttig zijn. Maar belangrijker zijn de Tien Geboden, door God zelf opgeschreven, door Mozes verkondigd en door Christus geconcretiseerd, voor twintigers en voor iedereen die Hem wil volgen, in leer en leven.

Kerkelijke eenheid – kiezen of delen

Op 1 april zag ik tweets van verschillende christelijke media voorbijkomen. Daarin werd gemeld dat vijf kerken die hun wortels in de Reformatie hebben, op weg zouden zijn naar een nauwere band. De PKN, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, de Nederlandse Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland zouden elkaars attestaties aanvaarden en elkaars leden als gastlid toelaten. Bovendien zouden ze hun kansels voor elkaars predikanten openstellen.

Aanvankelijk dacht ik aan een eenaprilgrap, hoewel ik daar niet zeker van was. Het leek me in elk geval geen geslaagde grap, want over bepaalde dingen moet je geen grappen maken. Maar al snel bleek dat van een grap geen sprake was. De volgende dag werd dat door een bericht in het Nederlands Dagblad bevestigd en toen was het geen 1 april meer. Maar misschien moeten we dit voorstel bij nadere beschouwing toch wel als een grap beschouwen, maar dan inderdaad wel als een hele slechte.

Overigens is het bericht veel te stellig. “Vijf protestantse kerken zijn van plan ‘bijzondere betrekkingen’ met elkaar aan te gaan: aanvaarding van elkaars (gast)leden en openstelling van elkaars preekstoelen.” Dat is nog maar de vraag: het gaat om voorstellen van deputaten. Vooralsnog zijn hun kerken helemaal niets van plan. De respectievelijke synodes moeten ermee akkoord gaan. Je mag aannemen dat de afgevaardigden hier nog wel iets over willen zeggen. Ik heb nog wel zoveel vertrouwen in het gezond verstand en het kritisch vermogen van op z’n minst een aantal afgevaardigden van vooral GKV en CGK dat ik me niet kan voorstellen dat deze voorstellen enthousiast omarmd zullen worden.

Laten we eens naar die voorstellen kijken.

Het eerste voorstel behelst het aanvaarden van attestaties uit de andere betrokken kerken. In christelijke kerken wordt met attestaties niet op dezelfde manier omgegaan. Als houder van het Kerkelijk Bureau van mijn gemeente krijg ik ook wel eens attestaties uit andere kerken onder ogen, bijvoorbeeld de PKN maar ook een Gereformeerde Gemeente. Daar staat soms helemaal niets op over de ‘geestelijke staat’ van de betrokken persoon. Dat is te begrijpen wanneer het in de desbetreffende gemeente niet de gewoonte is dat ambtsdragers bij hun gemeenteleden op huisbezoek gaan. Hoe kunnen ze dan weten of een broeder of zuster “gezond is in de leer en onbesproken in de wandel”, zoals het op door mijn kerkenraad afgegeven attestaties wordt geformuleerd? Daar staat dan wel altijd bij “voor zover de kerkenraad bekend is”. Maar wanneer nooit een huisbezoek plaatsvindt, reikt die kennis niet ver. Daarmee is een attestatie niet veel meer dan een bewijs van lidmaatschap. Dat maakt het des te onbegrijpelijker dat de notitie van de deputaten van de vijf genoemde kerken zegt: “Er vindt niet eerst nog een apart ‘examen’ naar leer en leven plaats”.

Maar ook al staat op de attestatie dat iemand “gezond is in de leer en onbesproken in de wandel”, dan is direct de vraag wat daaronder verstaan moet worden. Het is voor een kerkenraad van wezenlijk belang dat hij er vanuit kan gaan dat de kerkenraad die de attestatie heeft afgegeven, dezelfde normen hanteert als hij zelf aanlegt. In de kleinere reformatorische kerken is dat meestal wel het geval, hoewel zeker in de NGK duidelijke verschillen tussen gemeenten bestaan, mede als gevolg van het feit dat daar veel aan de plaatselijke gemeenten wordt overgelaten. Bij de PKN zijn de verschillen nog vele malen groter.

Het probleem betreft niet alleen de aanvaarding van attestaties uit andere kerken. Het gaat evenzeer om het afgeven van een attestatie naar een andere kerk. In de attestaties die mijn kerkenraad verstrekt beveelt hij de broeder of zuster die een attestatie meekrijgt aan in de herderlijke zorgen van de “broeders opzieners” – oftewel de ambtsdragers – van de ‘ontvangende’ gemeente. Het begrip ‘herderlijke zorg’ moet hier niet te eng worden opgevat. Dat betreft uiteraard de persoonlijke zorg, met name in de vorm van ambtelijk bezoek. Ik merkte al op dat het niet in alle gemeenten van de betrokken kerken de gewoonte is regelmatig huisbezoek af te leggen. Maar herderlijke zorg betreft in de eerste plaats de prediking en – als het om een gezin met kinderen gaat – het catechetisch onderwijs. De kerkenraad kan iemand alleen met een gerust hart in de zorg van een andere kerkenraad aanbevelen wanneer hij ervan uit kan gaan dat die op dezelfde grondslag staat.

Dat lijkt me in dit geval niet onproblematisch. Want wanneer iemand attestatie aanvraagt naar een PKN-gemeente, welke kleur heeft die gemeente dan? Wordt de Schrift daar als richtsnoer voor leer en leven gehanteerd? Heeft de wil van God, zoals die in de Schrift wordt geopenbaard, daar het eerste en het laatste woord? Daar komt nog bij dat de gemeenschap van de kerk zich niet tot de plaatselijke gemeente beperkt. Wie lid wordt van een Gereformeerde-Bondsgemeente, krijgt de vrijzinnige vleugel – ook al vergadert die aan het andere eind van het land – er gratis bij. Maar de vraag is vervolgens ook of de ambtsdragers in de nieuwe gemeente zich strikt binden aan de gereformeerde belijdenis. En dan komt ook de NGK in beeld want daar wordt met de belijdenis wat ‘lichtzinniger’ omgegaan dan in de GKV – althans officieel – het geval is. Kerkenraden van de GKV kunnen, bij wijze van spreken, met de ogen dicht een attestatie naar een andere GKV tekenen.

Er komt hier nog een andere kwestie om de hoek kijken. Wie een attestatie uit een ander kerkverband zonder meer aanvaardt of zonder nader onderzoek een attestatie naar een ander kerkverband afgeeft, erkent daarmee de facto dat het een ieder vrij staat het kerkverband te verlaten, als dat hem of haar goed uitkomt. Maar dat gaat rechtstreeks in tegen wat kerken van de Reformatie altijd over de kerk hebben beleden. De Nederlandse Geloofsbelijdenis laat zich helder uit over de vraag hoe met het kerklidmaatschap moet worden omgegaan. Beslissend is of men de kerk waarin men – bijvoorbeeld door geboorte – een plaats heeft gekregen, kerk van Christus durft te noemen. Kort geformuleerd komt het hierop neer: wie deze vraag bevestigend beantwoordt, heeft niet het recht zijn kerk te verlaten. Wie daarentegen tot de conclusie komt dat zijn kerk dat etiket niet verdient, heeft de plicht die kerk te verlaten en zich bij die kerk aan te sluiten die wel kerk van Christus mag heten. Uit wat de kerk over zichzelf belijdt kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het wisselen van kerk(verband) om een andere dan een door Schrift of belijdenis gemotiveerde reden niet legitiem is. Het voorgestelde beleid ten aanzien van attestaties is daarmee duidelijk in tegenspraak. Wanneer zulk beleid werkelijkheid wordt, zou het van eerlijkheid getuigen de desbetreffende artikelen uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis te schrappen.

Dit brengt dan direct bij het tweede voorstel: de aanvaarding van elkaars leden als gastlid. Het is op zichzelf al merkwaardig dat iemand van twee gemeenten lid wil zijn. Wat zou daarvan de reden kunnen zijn? Het is lichtelijk inconsequent dat in dit geval volgens de deputaten wèl een gesprek nodig is “over de plaats van het belijden in het persoonlijk leven van de betrokkene”, zoals PKN-scriba Arjan Plaisier het formuleert. Dat is op zich te begrijpen, maar waarom hier wel en bij een definitieve overgang door middel van een attestatie niet? Kennelijk moet hier gedacht worden aan een gastlidmaatschap dat niet de consequentie is van een tijdelijk verblijf elders, bijvoorbeeld in een plaats waar in de directe omgeving geen gemeente van het eigen kerkverband te vinden is.

Wanneer iemand gastlid van een andere gemeente wordt, zal dat in vrijwel alle gevallen een gemeente zijn van een andere snit dan de eigen gemeente. Waarom zou men er anders gastlid willen worden? Hier hebben we van doen met een ander verschijnsel dat zich in gereformeerd Nederland steeds duidelijker manifesteert: de visie op de gemeente en het gemeentelijk leven. Ik krijg de indruk dat er sprake is van een toenemende ‘onthechting’, als ik dat zo mag uitdrukken. Men bezoekt heel gemakkelijk diensten in een ander kerkverband. Men spreekt dan over ‘bijwonen’. Maar een kerkdienst woon je niet bij. De gemeenschap van de heiligen wordt te vaak vooral verbonden aan de viering van het avondmaal. Bij het proces van kerkelijke toenadering of eenwording wordt het samen vieren van het avondmaal beschouwd als het sluitstuk en een stap verder dan het houden van gezamenlijke erediensten. Dat is een vergissing. Het avondmaal is door Christus ingesteld en dus van groot gewicht, maar het is vooral een zichtbare ondersteuning van de ‘bediening van de verzoening’, de verkondiging van het evangelie die in elke eredienst centraal staat. De gemeenschap van de heiligen begint in de eredienst. Een eredienst woon je niet bij, daaraan neem je deel. Wie zich schaart onder de verkondiging van het evangelie wordt daarmee het subject van de bediening van de sleutels van het hemelrijk. Dat is dus een serieuze zaak. Kerkelijk shoppen is strijdig met de ernst van de deelname aan de eredienst. Een gastlidmaatschap gaat nog een stap verder. In het licht van het bovenstaande kan er geen plaats zijn voor gastlidmaatschap van een gemeente van een ander kerkverband.

Het derde voorstel van de deputaten van de genoemde kerken is dat zij hun kansels voor predikanten uit de deelnemende kerken openstellen. Hieraan hoef ik eigenlijk niet al te veel woorden vuil te maken. Voor een belangrijk deel is de argumentatie tegen het voorgestelde attestatiebeleid mutatis mutandis ook hier van toepassing. Want ook hier is wederzijds vertrouwen essentieel. Kan een kerkenraad er zonder meer van uitgaan dat een gastpredikant zich op dezelfde grondslag stelt als predikanten van het eigen kerkverband? Gaat hij met de Schrift op dezelfde manier om? Is de desbetreffende predikant aanspreekbaar op de gereformeerde belijdenis? Ik wees al op het grote gewicht van de prediking. Hier worden de sleutels van het hemelrijk bediend. Dan moeten die wel op de juiste manier worden gehanteerd. Er staat immers wel wat op het spel.

Wanneer we de voorstellen van de deputaten overzien moeten we tot de conclusie komen dat zij er blijkbaar van uitgaan dat de vijf kerken elkaar zo dicht genaderd zijn dat de verschillen van ongeschikt belang zijn. Maar als dat zo is, waarom stellen ze dan niet voor dat deze vijf kerken zich formeel tot één kerkverband aaneensluiten? Doorredenerend vanuit hun eigen uitgangspunten zou men kunnen zeggen dat ze halverwege blijven staan. Wanneer de verschillen niet van wezenlijk belang zijn, is gescheidenheid een zonde. Ook dat is de consequentie van wat we over de kerk belijden in de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Het is kiezen of delen. Òf de verschillen zijn verwaarloosbaar klein en dan kan blijvende gescheidenheid niet als legitiem worden beschouwd. Òf de verschillen zijn te substantieel om tot kerkverbandelijke eenheid te komen. Maar dan moet men die onder ogen zien, eerlijk benoemen en daaruit de consequentie trekken en de kerkgrenzen respecteren.