Archief

Posts Tagged ‘NRC Handelsblad’

Zoetsappig christendom

Het christelijk geloof is in Nederland op de terugtocht, zo hoor je vaak beweren. De feiten liegen niet: kerken lopen leeg, veel mensen weten vrijwel niets van het christelijk geloof en wie gelooft is inmiddels een vreemde vogel. Of valt het allemaal nog wel mee? Matthijs Haak, predikant van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Rotterdam-Delfshaven, schreef in een artikel in het Nederlands Dagblad van 4 januari 2014: “Je hoort zeggen dat God weer terug is in Nederland. Dat zijn comeback bijvoorbeeld te zien is in veel media-aandacht voor het christelijk geloof.” Hij wijst op een recensie van theologische boeken in het zeer seculiere NRC-Handelsblad. “Je mag weer geloven in God. Zelfs in Jezus. Die ommekeer hangt al langer in de lucht. Zo zei de alom gewaardeerde columnist J.L. Heldring bij zijn terugblik op vijftig jaar opinieschrijven dat God terug was van weggeweest (NRC Handelsblad 4 januari 2010).” Er valt ook te denken aan de waardering die seculiere politici ten toon spreiden voor de rol van kerken in de samenleving, bijvoorbeeld op het vlak van diaconale hulpverlening. Dat laatste kan gemotiveerd zijn door eigenbelang: dankzij diaconale hulp houdt de overheid geld in haar zak. Dat betekent niet dat die waardering niet oprecht gemeend kan zijn.

De vraag is dan wel: welk christendom is weer “in”? Ds. Haak relativeert die herleefde aandacht voor het christelijk geloof. Hij geeft verschillende voorbeelden waaruit een versmalling of zelfs vertekening van het christelijke geloof naar voren komt. “Het blijkt (…) dat zelfs (geloven in) Jezus weer sexy is. Maar om wélke Jezus gaat het? Nu de kerk weinig meer voorstelt, dogma’s als onwenselijk aanvoelen en ieder het geloof invult zoals hij het zelf ziet, wordt dat een heel spannende vraag.”

Het christelijk geloof is onlosmakelijk verbonden met de kerk. Ook al zijn er tegenwoordig steeds meer christenen die zeggen wel te geloven, maar niets te hebben met de kerk, vanuit de Schrift gezien zijn die twee niet te scheiden. Dat is in de ogen van veel ‘buitenstaanders’ trouwens ook het geval. Men wijst het christelijk geloof af door te wijzen op – feitelijke of vermeende – misstappen van de kerk. Dat men daarbij de verschillende kerken niet uit elkaar kan houden valt te begrijpen. Daarom slaan de misstanden in één kerk terug op alle kerken. Ook het gedrag van christenen met wie niet-gelovigen zelf in aanraking komen of over wie ze iets lezen of horen speelt een rol in de beeldvorming.

Het is voor kerken en individuele christenen dan verleidelijk zich in hun uitlatingen en gedrag voorzichtig op te stellen en alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. Daar kan de angst achter zitten niet meer voor vol te worden aangezien en niet meer op voet van gelijkheid te kunnen deelnemen aan het openbare leven en de daar plaatsvindende meningsvorming. Dat zal niet zo gauw worden toegegeven. Eerder wordt het principieel beargumenteerd: men moet alles vermijden wat mensen ervan zou kunnen weerhouden zich aan Christus en het christelijk geloof gewonnen te geven.

Maar aan welke Christus moet men zich gewonnen geven? Als alles wat aanstoot zou kunnen geven moet worden vermeden, wordt het christelijk geloof dan niet erg zoetsappig? Waar blijven de scherpe randen die ook in de prediking van Jezus ruimschoots aanwezig waren? Houden we dan nog iets anders over dan een feel good christendom?

Het is mooi wanneer de kerk haar diaconale taak serieus neemt en die niet beperkt tot het goeddoen aan de gelovigen maar ook daar te hulp schiet waar niet-gelovigen in de knel komen. Maar mag het daarbij blijven? De diaconale taak van de kerk is altijd nauw verbonden geweest met haar diepste overtuiging dat alleen Christus redding brengt in een geschonden bestaan. Sterker nog: daarin ligt haar diepste motivatie voor haar diaconale werk. Dat komt al in de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen naar voren. Er is geen scheiding tussen de verkondigende en de diaconale taak van de kerk. Eén van de eerste diakenen, Stefanus, moest zijn vrijmoedige getuigenis met de dood bekopen.

Het is mooi wanneer de overheid haar waardering uitspreekt voor de maatschappelijke betrokkenheid van christelijke kerken. Maar van die waardering zou wel eens weinig over kunnen blijven wanneer de kerk haar aanspreekt op de manier waarop zij met haar kwetsbare onderdanen omgaat. Of wanneer de kerk zaken ter discussie stelt die inmiddels als maatschappelijke verworvenheden gelden. De kerk mag wel pleisters plakken, maar wordt verder geacht te zwijgen. De vraag van ds. Haak, die eerder geciteerd werd, is dus een heel relevante: als het over Jezus gaat, over wèlke Jezus gaat het dan? Over iemand die mensen een aai over de bol geeft of over iemand die ook zegt: Zondig niet meer?

Waartoe de angst voor een slechte naam van de kerk kan leiden bleek in december van het vorige jaar. Leden van een hervormde wijkgemeente in Zeist riepen hun broeders en zusters op twee supermarkten te boycotten, aangezien deze besloten hadden op zondag de deuren te openen. De oproep kwam in de pers terecht en de verontwaardiging was algemeen. Eén van de winkeliers repte van ‘chantage’ en een poging hem en zijn bedrijf kapot te maken. Nu kan over zo’n actie van alles gezegd worden, ook in kritische zin. Maar de maatschappelijke verontwaardiging was op z’n minst nogal hypocriet. Actiegroepen roepen regelmatig op tot een boycot van winkels vanwege de verkoop van producten die het milieu schaden of die onder erbarmelijke omstandigheden in een Derde-Wereldland zijn geproduceerd. Nog niet zo lang geleden nagelde zelfs een minister een winkelketen publiek aan de schandpaal. En daarbij gaat het dan om oproepen aan iedereen, terwijl de desbetreffende hervormden zich alleen op de eigen gemeente richtten.

Je zou mogen verwachten dat christelijke opiniemakers hier voor enige nuance zouden zorgen en in elk geval het goed recht van de actievoerders zouden verdedigen. In plaats daarvan meende Marco van der Straten, hoofdredacteur van Visie, het programmablad van de EO, dat hij de geprangde winkelier in bescherming moest nemen. Daarbij vond hij het niet eens nodig kennis te nemen van de feiten, aangezien hij meende dat de actievoerders hun visie wilden opleggen aan diegenen die er geen moeite mee hebben op zondag boodschappen te doen. In dit verband sprak hij van “intolerantie”. Ernstiger is dat hij de manier waarop Jezus met de sabbat omgaat voor zijn karretje spande. Daar blijkt hij niet veel van begrepen te hebben. Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat, in antwoord op de kritiek van de Farizeeën, met de uitspraak dat de mens heer is over de sabbat – en daarmee bedoelde hij niet zomaar ieder mens, maar zichzelf. En dat is nu precies de reden waarom christenen als deze Zeister hervormden protest aantekenden tegen de zondagopenstelling van twee supermarkten. Jezus verdedigde zijn recht goed te doen op de sabbat. Dat is iets heel anders dan spullen verkopen om de kas te spekken.

Wie goed oplet komt steeds vaker gevallen tegen waarin christenen op een soms krampachtige manier hun best doen alles te vermijden wat aanstoot zou kunnen geven. De motieven daarvoor mogen dan heel respectabel zijn, de vraag is welk beeld van het christelijk geloof en de christelijke kerk daarmee wordt geschapen. ‘Buitenstaanders’ zouden zich weleens kunnen gaan afvragen hoe serieus christenen hun eigen geloof eigenlijk nemen.

In Trouw schrijft Beatrijs Ritsema over ‘Moderne manieren’. Ze beantwoordt vragen van lezers die haar advies willen in allerlei zaken die met de omgang tussen mensen te maken heeft. Op 5 januari beantwoordde ze een brief van iemand die met een groep mensen van de kerk was gaan klussen bij een moslimfamilie. “Toen we het klussen onderbraken voor de lunch met allerlei lekkernijen, wilde iemand van ons clubje graag bidden. Dat heeft ze ook gedaan en enkele groepsleden deden mee. Ik voelde me behoorlijk opgelaten, omdat moslims er andere gebedsmomenten op nahouden en door ons werden uitgesloten. Hadden we het bidden niet beter achterwege kunnen laten?”

Nee, vindt Ritsema. “Als de leden van uw klusgroepje gewend zijn om te bidden voor het eten, moeten ze dat vooral doen. Dat kan overal, dus ook in het huis van moslims.” Dat geldt te meer omdat de briefschrijfster zelf meedeelde dat de vrouw des huizes de overeenkomsten tussen islam en christendom beklemtoonde. Iemand reageerde: “Een moslim kan het juist waarderen dat je als christen serieus bent. Het wordt dus ook meestal als een positief gebaar ervaren dat men de gelegenheid neemt om te bidden. Zowel in de brief als in meerdere reacties hieronder komt het beeld naar voren dat niet de gastvrouw er een probleem van maakt, maar juist anderen.” Daarmee slaat de schrijver de spijker op de kop. Moslims nemen hun geloof meestal heel serieus. Het zou de waardering voor het christelijk geloof wel eens eerder kunnen bevorderen dan schaden wanneer christenen dat ook doen. Bijvoorbeeld door eerlijk en consequent uit te komen voor die aspecten die veel mensen – en, als ze eerlijk zijn, van nature ook henzelf – tegen de borst stuiten.

De neiging zich aan te passen aan wat algemeen aanvaard is en te vermijden wat irritatie zou kunnen opwekken is kennelijk sterk. Die dateert niet van vandaag of gisteren. In Nader Bekeken (december 2013) schreef ds. Henk Drost dat hij bij zijn intrede in een nieuwe gemeente geïnterviewd werd en daarbij liet weten dat hij geloofde in het laatste oordeel. “Interessant was de reactie die met name van de kant van de evangelisatiecommissie van die gemeente kwam. Die waren niet erg ingenomen met mijn eerlijkheid. Ze vonden dat het een negatieve insteek was. Ze vonden dat we als kerken moeten werken aan een positief imago. Blijkbaar past het laatste oordeel daar niet in”.

Maar de kerk en het christelijk geloof worden echt niet aantrekkelijker door de kool en de geit te sparen, zoals Sake Stoppels, docent gemeenteopbouw aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, kortgeleden opmerkte (ND, 12.2.14). Voor een houding als “hier sta ik, ik kan ook anders” zullen weinig mensen respect kunnen opbrengen. Natuurlijk wekt het weerstand, wanneer de kerk belijdt en zonder mitsen en maren uitdraagt dat pasgeboren kinderen gedoopt behoren te worden. Ze vergroot haar aantrekkingskracht niet wanneer ze haar overtuiging bijstelt en kinder- en geloofsdoop als keuzemenu aanbiedt. De kerk loopt in de ogen van de wereld achter, wanneer ze vrouwen de toegang tot het ambt ontzegt. Maar degenen die daartegen de wapens opnemen worden echt niet ontvankelijk voor de boodschap van de kerk wanneer die het ambt voor vrouwen openstelt om de moderne samenleving niet te mishagen. Wellicht zijn er goede argumenten om de tot nu toe verdedigde overtuigingen ten aanzien van de doop of het ambt bij het vuilnis te zetten, maar dat zullen dan toch echt andere argumenten moeten zijn dan zulke die ontleend zijn aan wat ‘men’ aanvaardbaar vindt.

Stoppels roept gemeenten op een “sterk profiel” te kiezen. Dat kan niets anders zijn dan de onversneden boodschap van de Schrift. Net als de meeste medicinale drankjes is die niet zoetsappig, maar wel heilzaam en geneeskrachtig.

Advertenties

Franciscus en Zondag 30

Het duurde niet lang voor de 115 kardinalen in de Sixtijnse kapel hun keus hadden bepaald. Een naam die op geen enkel lijstje dat in de media circuleerde voorkwam, werd gekozen tot opvolger van Benedictus XVI. Daaruit bleek weer eens hoe moeilijk het is de toekomst te voorspellen. Inmiddels heeft de nieuwe paus al een stempel op zijn pontificaat gedrukt. Dat kwam al direct tot uitdrukking in de naam die hij koos, Franciscus. Dat is een verwijzing naar Franciscus van Assisi, die eenvoud en soberheid als idealen predikte. Die keuze is ongetwijfeld geïnspireerd door de situatie in Latijns-Amerika waar de kloof tussen rijk en arm groot is en veel mensen in bittere armoede leven.

Die naamskeuze en ook het optreden van de paus – in zijn vorige leven als bisschop en later kardinaal in Argentinië en nu als paus – werden in de media in positieve zin genoteerd. Tegelijk konden sommige, zoals NRC Handelsblad, het niet nalaten de nieuwe paus langs hun libertijnse meetlat te leggen om daarna te constateren dat van hem niets nieuws te verwachten valt. Het is ironisch dat christelijke partijen soms verweten wordt dat ze ethische zaken als abortus, euthanasie of het homohuwelijk tot kern van hun politieke activiteiten maken, terwijl de libertijnse media precies hetzelfde doen in hun beoordeling van kerken en hun vertegenwoordigers. Wat de paus over die zaken zegt, is voor hen doorslaggevend voor hun oordeel.

Zou men echt hebben verwacht dat iemand tot paus zou worden gekozen die een standpunt zou innemen dat fundamenteel afwijkt van dat van zijn voorgangers en – sterker nog – de leer van de kerk? Verwacht men dat iemand die tot lijsttrekker van bijvoorbeeld de VVD wordt gekozen, zegt dat het liberalisme een vergissing was? Het minste wat je van een paus mag verwachten is dat hij de leer van zijn kerk voor de volle honderd procent uitdraagt en tegen kritiek verdedigt. Daar kunnen gereformeerde ambtsdragers nog een voorbeeld aan nemen.

Ook in protestantse kringen werd de verkiezing van de paus nauwlettend gevolgd. Te nauwlettend, volgens sommigen, vooral in bevindelijke kringen. De uitgebreide – en in hun ogen te ‘neutrale’ – berichtgeving in het Reformatorisch Dagblad kon hun goedkeuring niet wegdragen. Typerend was een artikel van vijf voorgangers waarin de staf wordt gebroken over die berichtgeving. Want “[wanneer] we de paus leggen langs de meetlat van de Reformatie en daarmee langs de meetlat van de Schrift, kunnen we alleen maar concluderen dat het bestaan van een paus een gruwel is en blijft”, schrijven de auteurs, die de paus als “antichrist” betitelen.

Wat beogen de auteurs met zulke formuleringen? Die doen het bij hun eigen achterban ongetwijfeld goed: de eigen positie wordt nog eens duidelijk gemarkeerd, niet alleen tegenover de rooms-katholieke kerk, maar ook tegenover die protestanten die de scherpe kantjes van het conflict tussen Rome en Reformatie willen afvijlen. Maar rooms-katholieken zullen door zulke uitlatingen vast niet tot nadenken worden gebracht. Wie de paus als de ‘antichrist’ typeert, kan niet verwachten dat leden van zijn kerk het verschijnsel van het pausschap kritisch tegen het licht zullen houden. Het is ook nog maar de vraag of zulke vertegenwoordigers van de Reformatie wel altijd een correct beeld van de leer van de rooms-katholieke kerk hebben. In dit verband kan gewezen worden op opmerkingen ten aanzien van de leer betreffende de mis door
ds. Paul Waterval
, predikant in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en zelf van rooms-katholieke afkomst. Stoere taal ten aanzien van de rooms-katholieke kerk en leer lijkt eerder het eigen gevoel te bevredigen dan een echte gedachtenwisseling tussen Rome en Reformatie te bevorderen.

Aan de andere kant van het spectrum staan opiniemakers en voorgangers binnen de protestantse wereld die een grote sympathie voor de paus ten toon spreiden en hoop op een ontwikkeling van de rooms-katholieke kerk ten goede koesteren. Die sympathie dateert niet van het moment dat Franciscus aantrad, maar vindt haar wortels in de waardering die zijn voorganger, Benedictus XVI, oogstte met zijn geschriften en de manier waarop hij het christelijk geloof en de christelijke ethiek tegen het secularisme verdedigde. Die waardering is terecht en raakt in de uitlatingen uit de bevindelijke hoek ondergesneeuwd. Te weinig klinkt daarin door dat de heilige Geest ook in een kerk kan werken die in veel opzichten niet voldoet aan wat volgens de Schrift kerk mag heten. Maar die waardering mag er niet toe leiden dat die dingen die de toets van de Schrift niet kunnen doorstaan, met de mantel van de liefde worden bedekt.

Het is heel goed mogelijk waardering te hebben voor wat een paus doet, schrijft en zegt en tegelijk het verschijnsel van het pausschap en de pretenties die daarmee verbonden zijn af te wijzen. Alleen al het feit dat de paus zich met “heilige Vader” laat aanspreken, zou elke protestant, die God als zijn Vader heeft leren belijden, tegen de haren moeten instrijken. De leer van de rooms-katholieke kerk mag dan niet meer precies dezelfde zijn als ten tijde van de Reformatie, die is door latere concilies of pausen nooit herroepen. Dat kan niet eens, zoals ds. Waterval in het bovengenoemde interview opmerkte. Dr. Bram van de Beek meent dat Luther zijn 95 stellingen nooit zou hebben opgesteld als in zijn tijd Benedictus XVI paus was geweest. Luther keerde zich in zijn tijd tegen misstanden in de kerk. Zijn die er dan nu niet? De kranten hebben er vol van gestaan en Benedictus mag veel kwaliteiten hebben bezeten, doortastendheid in het aanpakken van die misstanden behoorde daar niet toe.

Luther beperkte zich bovendien niet tot misstanden ten aanzien van de levensstijl van geestelijken en financiële wantoestanden, maar stelde fundamentele leerstukken van de kerk ter discussie. Eén van zijn grote verdiensten was de Schrift als enige norm voor het geloof te proclameren. De houding van de rooms-katholieke kerk ten aanzien van de Schrift mag veranderd zijn, het is nog altijd niet de enige – en zelfs niet de belangrijkste – bron van kennis over God en zijn wil. Ik heb er in een vorige bijdrage in dit weblog (“Het kerklied en de kerkliedjes”) al op gewezen dat Lied 328 uit het Liedboek voor de Kerken door de censor van het bisdom Utrecht werd afgewezen vanwege de zinsnede “Here Jezus, om uw woord zijn wij hier bijeengekomen”. Dat woord is ook in de rooms-katholieke kerk van vandaag niet de kern van de eredienst. Het is dan ook helemaal niet verbazingwekkend dat een rooms-katholiek publicist als Anthony Ruijtenbeek schrijft “dat ‘sola scriptura’, in welke variant ook beleden, welhaast moést leiden tot de huidige 30000 denominaties binnen de Protestantse minderheid in het Christendom (…)”. Wie dus de eenheid van de kerk boven alles stelt, zoals de rooms-katholieke kerk doet, kan met het sola scriptura niet uit de voeten.

“Niet de paus, maar Christus is centrum van de kerk”. Dat was de boodschap van Franciscus bij zijn ontmoeting met journalisten. Dat doet een gereformeerd mens goed, ook al komt het uit de mond van een paus. Maar dat geeft er tegelijk wel een bijsmaak aan. Want Christus en zijn woord zijn niet los verkrijgbaar. Wanneer Christus het centrum van de kerk is, moet zijn woord de enige norm van leer en leven zijn. We leren zijn wil immers door dat woord kennen. Sterker nog, Hij is het vleesgeworden woord. Wie dus de Schrift niet erkent als kern van de eredienst, verdringt het vleesgeworden woord van de plaats die Hem toekomt. Alle mooie woorden kunnen die werkelijkheid niet verdoezelen.

De harde taal van ‘antipapisten’ brengt de reformatie van de rooms-katholieke kerk geen stap dichterbij. Maar het ‘filo-katholicisme’ van sommige protestanten, die de reële verschillen tussen Rome en Reformatie onder het tapijt vegen, doet dat evenmin. Alleen wie in de rooms-katholieke kerk waardeert, wat waardering verdient, is in de positie datgene te bekritiseren wat bekritiseerd behoort te worden. Dan hoeft zowel in het catechetisch onderwijs als in het contact met rooms-katholieken over Zondag 30 van de Heidelbergse Catechismus niet gezwegen te worden.