Archief

Posts Tagged ‘oecumene’

In gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen

Er zijn nogal wat bijbels in omloop. Naast de bekende vertalingen, zoals de Nieuwe Bijbelvertaling en de Herziene Statenvertaling, zijn er ook allerlei zogenaamde ‘doelgroepenbijbels’: een bijbel in gewone taal, een vrouwenbijbel, een mannenbijbel, een startbijbel, een meidenbijbel. Het lijkt wel alsof iedereen z’n eigen bijbel heeft.

Maar zelfs al leest iedereen dezelfde bijbel(vertaling), je zou bijna de indruk krijgen dat ze allemaal een andere bijbel lezen. Er zijn nogal wat Schriftgedeelten en bijbelteksten die op heel verschillende manieren worden uitgelegd. Dat gebeurt door theologen, maar ook door ‘gewone’ bijbellezers. Want lezen en uitleggen zijn geen strikt gescheiden processen: iedereen is tijdens het lezen al bezig dat wat hij leest te interpreteren. Maar hoe doe je dat? Waarom legt de ene lezer een tekst heel anders uit dan de andere? Er zijn teksten die – althans voor de lezer van nu – niet zo duidelijk zijn dat er slechts één interpretatie mogelijk is. Niet altijd hoeven interpretaties elkaar uit te sluiten. Maar het komt ook voor dat twee interpretaties echt diametraal tegenover elkaar staan. Dat kan soms belangrijke consequenties hebben, bijvoorbeeld op het vlak van de ethiek of voor de organisatie van het kerkelijk leven.

Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij de uitleg van teksten over de plaats van de vrouw in de kerk. De discussies in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) over de vraag of de ambten van predikant, ouderling en diaken voor vrouwen opengesteld moeten worden, hebben geleid tot onzekerheid en onenigheid over de manier waarop de bijbel gelezen wordt of moet worden. Eeuwenlang is de uitsluiting van vrouwen uit deze ambten met een beroep op de Schrift verdedigd. Nu levert diezelfde Schrift, als je de voorstanders moet geloven, de argumenten voor de openstelling van deze ambten voor vrouwen. Ook in het huidige debat over deze kwestie worden diametraal tegenovergestelde visies met een beroep op één en dezelfde bijbel verdedigd. Kunnen we uit de bijbel dan nog wel richtlijnen voor ons handelen vandaag afleiden? Of hangt het er maar helemaal vanaf wie die bijbel leest en met welke bril?

Voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen leggen er vaak de nadruk op dat je in de interpretatie van de bijbel altijd je eigen cultuur meeneemt. Dat in vroeger tijden de ambten werden gereserveerd voor mannen, is het gevolg van de maatschappelijke context, waarin mannen de dienst uitmaakten. Maat als de cultuur waarin je leeft zo’n invloed heeft op de manier waarop je de bijbel leest, geldt dit uiteraard ook voor de voorstanders. Ook zij staan onder invloed van onze maatschappelijke context, waarin alle functies in principe open staan voor mannen en vrouwen. Dat wordt door hen ook niet ontkend. Sommigen zien dat als onvermijdelijk, maar er zijn er ook, die dat zelfs positief waarderen. Net zoals – in hun visie – de apostel Paulus, op wie tegenstanders zich vaak beroepen, zich door de maatschappelijke opvattingen liet leiden, zo moeten ook wij dat doen. Het was volgens hen Paulus’ streven niet onnodig aanstoot te geven en dus moest de gemeente zich zo veel mogelijk aan de toen geldende normen aanpassen. Daarin moeten wij hem navolgen en dat leidt dan in het onderhavige geval tot conclusies die haaks staan op de door de apostel geformuleerde voorschriften.

Ik ga in dit kader op deze denklijn niet verder in. Wat mij hier vooral zal bezighouden, is de vraag hoe we ons in onze interpretatie van de Schrift verhouden tot de cultuur waarin we leven.

Dat die cultuur invloed heeft op ons denken en voelen staat buiten kijf. Zeker gereformeerden zijn vatbaar voor invloeden uit de cultuur. Dat heeft alles te maken met de traditie waarin ze zijn opgegroeid. Die is in hoge mate gevormd door Abraham Kuyper. Zijn houding tegenover de cultuur wordt vaak samengevat met zijn kernachtige spreuk: “Geen duimbreed is er op deze wereld waarvan Christus niet zegt: Het is Mijn!” Het heeft geresulteerd in allerlei vormen van politieke en maatschappelijke actie. Het heeft de gereformeerden de reputatie van activisme opgeleverd, tot op de dag vandaag. Maar als je de cultuur wilt beïnvloeden, stel je je tegelijk bloot aan de invloed van die cultuur. En in de loop van de tijd zijn de getalsverhoudingen sterk gewijzigd. Terwijl het in de eerste helft van de 20e eeuw nog mogelijk was een stempel op de samenleving te drukken, is dat tegenwoordig veel minder het geval. Het christendom is in veel opzichten marginaal geworden en de seculiere cultuur breidt zich als een olievlek uit. De tot die cultuur behorende opvattingen, bijvoorbeeld op ethisch vlak, zijn steeds dominanter geworden en lijken door een overgrote meerderheid van de bevolking omarmd te worden. Dat laat christenen niet onberoerd. Het wordt steeds lastiger zich aan de in de maatschappij geldende normen te onttrekken en vast te houden aan opvattingen, die door de samenleving in meerderheid als achterhaald of zelfs als discriminerend worden beschouwd.

In hoeverre beïnvloedt dit de manier waarop christenen de bijbel lezen? Gaan ze die lezen met de bril, die hun door de samenleving wordt aangereikt?

Een antwoord is niet zo eenvoudig. Want in de huidige discussies over ‘vrouw en ambt’ blijkt dat mensen, die onderdeel zijn van dezelfde samenleving, ten aanzien van dit onderwerp tot heel verschillende conclusies komen, ook in de interpretaties van de bijbelteksten, die voor dit onderwerp van belang zijn. Dat maakt al duidelijk dat de relatie tussen de cultuur en de uitleg van de Schrift niet zo eenduidig is als soms wordt gesuggereerd.

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat het nog maar de vraag is of alle deelnemers aan de discussies zich in dezelfde maatschappelijke context bevinden en dezelfde cultuur inademen. Er is alle reden voor enige reserve bij het spreken over de cultuur. Er is geen sprake van een eensgezind, monolithisch blok; ook op ethisch vlak staan de neuzen echt niet allemaal één kant op. We leven in een multiculturele samenleving. Dat begrip wordt meestal in verband gebracht met de immigratie van mensen uit andere delen van de wereld, die hun eigen cultuur meebrengen. Maar ook als zij er niet waren en Nederland slechts door ‘autochtonen’ werd bevolkt, zou de samenleving multicultureel zijn. Er wordt tegenwoordig terecht gewezen op de groeiende tegenstellingen tussen groepen in de samenleving, die – zo wordt gevreesd – weleens zouden kunnen uitgroeien tot bijna onoverbrugbare kloven. Daarbij wordt dan gedacht aan tegenstellingen tussen hoger- en lager-opgeleiden, ouderen en jongeren, stad en platteland en tussen kosmopolieten en meer naar binnen gekeerden, die alles vooral vanuit nationaal of regionaal perspectief bekijken. Met die verschillende groepen worden ook verschillende opvattingen over maatschappelijke en ethische kwesties verbonden.

Zou men van daaruit de verschillen van opvatting tussen voor- en tegenstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen kunnen verklaren? Ik denk van niet. Want de relatie tussen de ‘groep’ waartoe mensen behoren en de opvattingen die ze koesteren, is niet simpel een kwestie van één op één. Voor- en tegenstanders van een zwarte Piet – om een sprekend voorbeeld van maatschappelijke discussie te noemen – vind je zowel in de stad als op het platteland en zowel onder ouderen als jongeren. Hetzelfde geldt voor de kerkelijke discussie over ‘vrouw en ambt’. Ook hier lopen de tegenstellingen door alle gesignaleerde ‘groepen’ heen. Voor- en tegenstanders van de openstelling van de ambten voor de vrouw zijn er onder hoger- en lageropgeleiden, in de stad en op het platteland en onder ouderen en jongeren. Vanuit dat perspectief is er alle reden de invloed van de samenleving en haar normen op de discussie over ‘vrouw en ambt’ te relativeren. Er kan weinig twijfel over bestaan dat de samenleving ons op allerlei manieren beïnvloedt. Maar de manier waarop en de mate waarin dat gebeurt, kunnen sterk verschillen. In ieder geval is het vrijwel onmogelijk te bewijzen dat de in de samenleving dominerende opvattingen onze lezing van de Schrift en de exegese van Schriftgedeelten doorslaggevend beïnvloeden.

Dat betekent niet dat we de invloed van de samenleving moeten negeren in onze kerkelijke discussies. We kunnen ons niet isoleren van de maatschappij waarin we leven en de cultuur die we inademen. Het heeft dus ook geen zin krampachtig te proberen de invloed daarvan uit te schakelen. Eén van de eigenschappen van de kerk – en daarin is ze in toenemende mate uniek – is dat haar leden deel uitmaken van allerlei verschillende (sub)culturen en de invloeden daarvan meebrengen. Dat is niet haar zwakte, maar juist haar kracht. In de kerk kunnen mensen van alle rangen en standen op voet van gelijkheid met elkaar van gedachten wisselen en hun uitleg van de Schrift aan elkaar voorleggen. Daarbij mogen ze elkaar bevragen op hun vooroordelen en de culturele invloeden die hun interpretaties zouden kunnen beïnvloeden. De christelijke gemeente anno 2018 kan een voorbeeld nemen aan de Joodse gelovigen in Berea die de Schriften bestudeerden “om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd” (Hand. 17,11).

Maar er is meer. We belijden ons geloof in gemeenschap met de kerk van alle tijden. De kerkgeschiedenis begint niet met ons: we staan op de schouders van ons voorgeslacht, dat zich ook dagelijks met de Schrift heeft beziggehouden. Het heeft ons op allerlei manieren de resultaten van die dagelijkse omgang met de Schrift nagelaten. Zichtbare tekenen daarvan zijn de belijdenisgeschriften. Die worden, ook in gereformeerde kring, in toenemende mate als irrelevant beschouwd, omdat ze uit een andere tijd en cultuur dateren. Maar dat spreekt niet tegen hen; het spreekt juist in hun voordeel. Omdat ze in een heel andere tijd en een heel andere cultuur zijn ontstaan, kunnen die ons ervoor behoeden ons te laten inpakken door de hedendaagse samenleving, die ons probeert wijs te maken dat de Schrift en de daaruit voortvloeiende christelijke ethiek ‘niet meer van deze tijd’ zijn. Laten we daarbij ook niet vergeten dat die belijdenissen geen nieuws brachten en inzichten formuleerden, die er nooit eerder geweest waren. Ze zijn het product van een beweging, die geen revolutie predikte, maar een reformatie wilde zijn: terug naar de bron. Zo staan de belijdenissen op hun beurt in een traditie van eeuwen, die uiteindelijk teruggaat op de kerk van het Nieuwe Testament.

We belijden ons geloof ook in gemeenschap met de kerk van alle plaatsen. De kerk in Nederland is geen oase in een wereld die ‘woest en ledig’ is. Je bent als kerk gezegend, wanneer je over de hele wereld gelovigen tegenkomt, die in dezelfde traditie willen staan en die de Schrift lezen in hun – soms heel afwijkende – culturele context. Juist de internationale gemeenschap van gelovigen kan de kerk in Nederland anno 2018 helpen bij de les te blijven en zich bewust te worden van invloeden van de eigen culturele context. Buitenlandse christenen hebben vaak een scherp oog voor de manier waarop het moderne levensgevoel van westerse culturen de lezing van de Schrift beïnvloedt.

Een kerk die op het punt staat met een traditie van vele eeuwen te breken, moet niet de gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen uit het oog verliezen. Ze doet er goed aan zich door die kerk kritisch te laten bevragen. Dat is haar oecumenische taak.

Advertenties

Jacob Kamphuis, oecumenicus

Over de doden niets dan goeds, zegt een van oorsprong Latijnse uitdrukking. Dat betekent dat men na iemands overlijden zijn fouten en gebreken zo veel mogelijk ongenoemd laat. Daar komt in de praktijk meestal niet veel van terecht. Want over de meeste doden valt wel iets in negatieve of in elk geval kritische zin te zeggen. Dat geldt zeker wanneer iemand een belangrijke rol in het openbare leven heeft gespeeld. Daar is op zichzelf niets tegen, zolang daarbij rekening wordt gehouden met tijd en plaats. Er is een tijd om kritiek te leveren en een tijd om zich van kritiek te onthouden. Dat geldt ook bij het overlijden van Jacob Kamphuis op 13 december j.l.

Vele jaren was hij actief als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool – zoals die toen nog heette – van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen, eerst in kerkgeschiedenis en kerkrecht en vervolgens in de dogmatiek. Lange tijd was hij ook in veel opzichten het ‘gezicht’ van zijn kerken, niet in de eerste plaats als hoogleraar, maar vooral als vruchtbaar auteur van artikelen, met name in De Reformatie. In de kerkstrijd die de Gereformeerde Kerken in de jaren ’60 van de vorige eeuw verscheurde en die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken leidde, speelde hij een centrale rol. Vooral dat laatste heeft hem de naam bezorgd de deuren van zijn kerken naar de buitenwereld gesloten te willen houden. Ten onrechte.

Niet voor niets zette ik boven dit artikel als typering oecumenicus. Want Kamphuis was een man met een brede blik. Hij had een grote en intense belangstelling voor de cultuur waarin hij en zijn kerken zich bevonden. Daarom confronteerde hij zich met filosofische en literaire uitingen van die cultuur. Maar de betiteling als oecumenicus verdient hij vooral omdat de heilige, algemene, christelijke kerk – zoals de Apostolische Geloofsbelijdenis daarover spreekt – in het middelpunt van zijn aandacht stond.

Wanneer die belijdenis in een kerkdienst wordt uitgesproken of gezongen, wordt dat vaak ingeleid met de woorden: “We belijden in gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen”. En daarnaar ging Kamphuis’ belangstelling uit. Dat kwam tot uiting in zijn werk als hoogleraar. Als kerkhistoricus met een grote dogmatische belangstelling en als dogmaticus met kerkhistorische bagage trok hij lijnen van het verleden naar het heden. Daarmee onderstreepte hij de continuïteit in het kerkvergaderend werk van Christus. Hij liet daarin ook de actualiteit van het verleden voor het heden zien. In dit aspect van zijn werk stond de kerk van alle eeuwen centraal. In zijn emeritaatsperiode gaf hij daaraan een vervolg toen hij zich via het GemeenteNproject inzette voor de kerk van de toekomst. Door middel van dit project werden jonge gelovigen gestimuleerd zich in te zetten voor de kerk.

Daarnaast had hij ook oog voor de kerk van alle plaatsen. Zijn interesse bleef niet beperkt tot de kerk zoals die zich in Nederland manifesteert. In zijn veelvuldige contacten met gelovigen en kerken over de grenzen – bijvoorbeeld in Oost-Europa – gaf hij blijk van een echte oecumenische instelling. Hoezeer hij de gereformeerde belijdenis en het gereformeerde kerkrecht in Nederland tegen aanvallen verdedigde, hij realiseerde zich – juist als kerkhistoricus – heel goed dat God met zijn kinderen in verschillende landen en culturen verschillende wegen kan gaan. Een neerlandocentrische visie was hem vreemd.

Zijn inzet in de kerkstrijd van de jaren ’60 is daarmee niet in tegenspraak. Integendeel. Het begrip ‘oecumene’ is in de loop van de 20e eeuw in de greep gekomen van degenen die het gezag van de Schrift ter discussie stelden en vraagtekens plaatsten bij haar eenduidigheid en blijvende geldigheid. Belijdenissen konden hooguit als specifieke interpretaties van de Schrift worden beschouwd, die op gelijke hoogte staan met andere, soms geheel tegengestelde interpretaties. Met echte oecumene, die de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen handhaaft en bevordert, heeft dat niets te maken. In die zin is Kamphuis’ verdediging van de ‘gereformeerde religie’ – zoals prof. J. Douma in het Nederlands Dagblad van 15 december j.l. het noemde – bij uitstek een blijk van oecumenische gezindheid. Wie de gereformeerde religie – wat niets anders is dan de leer van apostelen en profeten – tegen aanvallen verdedigt, komt daarmee ook op voor de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen. Die eenheid wordt verbroken wanneer ieder de vrijheid gelaten wordt in de Schrift te lezen wat hem uitkomt. Een binding aan de gereformeerde leer is geen benepenheid en geen vorm van kerkisme, maar een daad van oecumenische betekenis.

Vooral in zijn oecumenische gezindheid en werk ligt de blijvende betekenis van Jacob Kamphuis.

Geloven doe je samen (3)

In het tweede artikel in deze serie werd betoogd dat de kerk als gemeenschap van de heiligen zich in eerste instantie op plaatselijk vlak manifesteert maar daartoe niet beperkt blijft. De kerk is, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat in artikel 27 formuleert, “niet gevestigd in, gebonden aan of beperkt tot een bepaalde plaats”. Daarmee komt dus in de eerste plaats het kerkverband in beeld: een verband van plaatselijke kerken die elkaar als kerk van Christus erkennen en zich daarom iets aan elkaar gelegen willen laten liggen. Ze willen elkaar steunen, van advies dienen en, waar nodig, corrigeren. Maar de kerk van Christus is niet alleen niet aan een plaats gebonden, ze beperkt zich ook niet tot een specifiek land. De kerk manifesteert zich wereldwijd. Dat betekent dat kerken die op hetzelfde fundament staan, ook over nationale grenzen op elkaar betrokken zijn.

Uiteraard heeft het contact tussen kerken in verschillende landen een ander karakter dan dat tussen kerken binnen één – nationaal – kerkverband. In de regel is van meerdere vergaderingen geen sprake. Er worden van tijd tot tijd weliswaar internationale conferenties gehouden, maar die hebben geen formele status en daardoor ook geen enkel gezag. Ze doen dan ook geen uitspraken waaraan nationale kerken gebonden zijn. De reden daarvan is niet zozeer een principiële – er is geen enkele reden waarom kerken zich volgens nationale grenzen zouden moeten organiseren – maar eerder een praktische. De afstanden zijn vaak te groot voor regelmatige bijeenkomsten, verschillen in taal en cultuur spelen een rol en ook de maatschappelijke context is verschillend. Dat betekent dat niet elke kerk zich voor precies dezelfde vragen gesteld ziet.

Desalniettemin zijn er allerlei onderwerpen waarover kerken uit verschillende landen en zelfs continenten heel goed van gedachten kunnen wisselen. Ook al resulteren contacten niet in bindende uitspraken, dat mag er niet toe leiden dat nationale kerken de uitkomsten van overleg zonder meer naast zich neerleggen. Tenslotte staan die kerken op hetzelfde fundament van apostelen en profeten en niet zelden delen ze ook dezelfde belijdenis. Het is daarom goed wanneer – bijvoorbeeld op generale synodes – de afgevaardigden van buitenlandse kerken aan het woord komen. Het is heel goed mogelijk dat ze die gelegenheid benutten enkele kritische noten te kraken over de kerk waarbij ze op bezoek zijn.

Zulke afgevaardigden doen er goed aan zich te realiseren dat ze vanaf een zekere afstand oordelen. Enige terughoudendheid mag dan wel gevraagd worden. Dat geldt dan natuurlijk wel naar twee kanten. Voor de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – om me daartoe nu te beperken – mag het niet plezierig zijn wanneer buitenlandse afgevaardigden zich openlijk afvragen of deze kerken de naam gereformeerd nog wel verdienen, zij zouden ook hun eigen neiging buitenlandse kerken als star en conservatief te brandmerken moeten bedwingen. Juist hier bestaat de neiging kritiek van vertegenwoordigers van bijvoorbeeld de gereformeerde kerken uit Canada en Australië met een schouderophalen naast zich neer te leggen. Dat is onverstandig. Kritiek die op basis van het gemeenschappelijk fundament geleverd wordt, verdient het eerlijk gewogen te worden. Ook bij de besluitvorming op de Generale Synode zou de inbreng vanuit buitenlandse zusterkerken serieus genomen moeten worden.

Als de kerk zich niet tot één land beperkt, dan is het een bijbelse opdracht internationale contacten te onderhouden. Maar een kerk die internationaal zoekt naar kerken waarmee zij op hetzelfde fundament staat, zou haar plicht verzaken wanneer ze niet tegelijkertijd in eigen land zou streven naar contact met geestverwanten, met als doel dat één wordt wat bijeen hoort. Dat is een moeizaam en langdurig proces, zoals de ‘kleine oecumene’ laat zien. De weg naar eenheid ligt bezaaid met voetangels en klemmen. Daartoe behoren cultuurverschillen, klimaat en traditie en niet het minst ook de realiteit van verschillende stromingen binnen kerken van de Reformatie. Daarbij kan gedacht worden aan de Christelijke Gereformeerde Kerken binnen welke sommige kerken zich eerder tot bevindelijke kerkgenootschappen dan tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) aangetrokken voelen. En terwijl binnen de laatstgenoemde kerken niet weinigen van mening zijn dat ook eenheid met de Nederlands Gereformeerde Kerken mogelijk is, laten deze een dermate grote verscheidenheid aan opvattingen en kerkelijke praktijken zien dat die eenheid weleens een wensdroom zou kunnen blijven.

De eenheid tussen kerken van de Reformatie is er niet mee gediend wanneer ze alle hun eigen gang gaan zonder zich van de andere iets aan te trekken. In dit verband moet het betreurd worden dat de Generale Synode van de GKV niet bereid was onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en eventuele vrijgave voor kerkelijk gebruik van de Herziene Statenvertaling. Binnen de CGK is deze vrijgegeven voor kerkelijk gebruik en een grotere openheid van de GKV ten aanzien van het eventuele gebruik van deze vertaling in de eredienst zou het toenaderingsproces tussen beide kerken ten goede zijn gekomen. Het zou ook een middel kunnen zijn om de toenadering tot de Hersteld Hervormde Kerk te stimuleren. Eenheid met dat kerkverband zit er voorlopig niet in, maar contacten met de HHK zouden weleens meer perspectieven kunnen bieden dan die met de NGK.

Geloven doe je samen: dat betekent dat gelovigen zich samen bezinnen op actuele vragen waarvoor ze zich gesteld zien. Dat heeft alleen zin wanneer er een gemeenschappelijk fundament is. Dat geldt zowel voor individuele gelovigen als voor kerken en kerkverbanden. Er mag vanuit gereformeerd perspectief het één en ander aan te merken zijn op de Hersteld Hervormde Kerk – zaken die deze kerk uit haar ‘moederkerk’ heeft meegenomen – maar daarmee heeft ze zich niet gediskwalificeerd als een gesprekspartner bij de bezinning over actuele vragen. Gezien de daar te constateren trouw aan de Schrift en het streven die – ook in zaken van het dagelijks leven – het laatste woord te laten hebben, zouden vanuit deze kerk weleens zinvollere bijdragen aan die bezinning kunnen worden geleverd dan vanuit de Nederlands Gereformeerde Kerken. Net zoals vrijgemaakt-gereformeerden rekening zouden moeten houden met de opvattingen van hun christelijke gereformeerde broeders, zouden de broeders uit de Hersteld Hervormde Kerk eveneens nadrukkelijk in beeld moeten komen, ook in het proces van bezinning en besluitvorming op het niveau van kerkelijke vergaderingen.