Archief

Posts Tagged ‘ondertekeningsformulier’

Geen roeping zonder beroep

Keuzevrijheid is een groot goed voor de mens van de 21e eeuw. Hij wil zelf kiezen met wie hij door het leven gaat, welke studie hij gaat volgen en welk beroep hij gaat uitoefenen. Het aantal keuzemogelijkheden is vrijwel eindeloos en is gedurende de laatste decennia, als gevolg van het streven naar marktwerking, steeds groter geworden. Maar elk voordeel heeft z’n nadeel: soms zijn de keuzemogelijkheden zo omvangrijk dat men door de bomen het bos niet meer ziet.

Desondanks zijn er nog steeds zaken waarin niet veel of niets te kiezen valt. Of men geboren wordt, hoe men geboren wordt – mannelijk of vrouwelijk – en welke ouders men krijgt, dat onttrekt zich nog steeds aan de menselijke wil. Ondanks het liberale geloof dat je alles kunt worden wat je wilt heeft de mens met allerlei beperkingen te maken, intellectueel, sociaal en/of financieel-economisch. En wanneer iemand zegt dat hij koning van Nederland wil worden, is de kans dat hij zijn zin krijgt, vrij gering.

De koningen en koninginnen van Nederland beschouw(d)en hun functie dan ook als een roeping. Dat is iets waarvoor je niet kiest maar waartoe je door je geboorte verplicht bent of waartoe je door anderen wordt geroepen. In vroeger tijden werden meer functies als een roeping beschouwd. Ministers aanvaardden hun ambt omdat ze geloofden dat ze daartoe geroepen werden en volksvertegenwoordigers beschouwden het als hun roeping de belangen of opvattingen van hun kiezers in politieke organen uit te dragen.

Tegenwoordig is men eerder geneigd zulke functies als gewone beroepen te beschouwen. Daar ligt één van de oorzaken dat het verloop onder politici zo groot is: als om allerlei redenen het beroep van volksvertegenwoordiger je niet meer bevalt, ga je iets anders doen. Bekleders van een ambt werken er daardoor zelf aan mee dat de publieke opinie wat meesmuilend reageert wanneer nu en dan iemand nog eens rept over zijn roeping.

Het woord roeping komt nu vooral in kerkelijke kring nog voor. Iemand wordt als predikant aan een gemeente verbonden wanneer die hem daartoe roept. Iemand kan nog zo hard roepen dat hij dominee in X of Y wil worden, wanneer de desbetreffende gemeente hem niet beroept, zal dat niet gebeuren. Daarom kan men niet beweren dat predikant een ‘gewoon’ beroep is. Iedereen die dat wil kan theologie studeren, maar dat biedt geen garantie, laat staan recht op een verbintenis als predikant aan een gemeente. In die kringen waarin minder waarde wordt gehecht aan een gereguleerd kerkelijk leven door middel van afspraken is dat geen probleem. Wie een innerlijke aandrang voelt het Woord te verkondigen of op grond van een ‘innerlijke roeping’ meent een ‘bediening’ te hebben, begint gewoon voor zichzelf.

Het gebeurt nogal eens dat mensen die geloven een ‘innerlijke roeping’ te hebben daaraan het recht menen te kunnen ontlenen zich boven anderen te verheffen en regels en afspraken te negeren. Dat gebedsgenezer Jan Zijlstra zich opwerpt als ‘apostolisch overziener’ is daarvan een sprekend voorbeeld. Maar zo bont maakt niet iedereen het. Recent hield Philip Troost op predikant van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te zijn. Aangezien hij niet meer formeel aan een bepaalde gemeente verbonden is, zag het kerkverband geen basis voor een voortzetting van zijn predikantschap. Troost reageerde daarop teleurgesteld. Hij liet weten van mening te zijn dat hij gewoon predikant is en beriep zich daarvoor op zijn ‘innerlijke roeping’. Die woog voor hem kennelijk zwaarder dan de kerkelijke regels, waaraan hij – toen hij het predikantschap van een gemeente aanvaardde – uit eigen vrije wil door middel van zijn handtekening beloofde zich te zullen houden. In de pers vond hij bijval van mensen die blijkbaar net als hij van mening waren dat kerkelijke afspraken moeten wijken voor wat iemand als zijn roeping ervaart.

Er is helemaal niets tegen wanneer iemand een sterke persoonlijke roeping voelt tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden of het uitoefenen van een ambt. Wanneer dat hem motiveert zich in te zetten en zich bij tegenslag niet uit het veld te laten slaan, des te beter. Maar een ‘innerlijke roeping’ is naar haar aard persoonlijk. Die moet dat vooral ook blijven. Van anderen kan en mag niet worden verlangd dat ze die aanvaarden. Zo’n roeping is immers voor niemand anders te controleren. Mensen kunnen zich voor van alles en nog wat op een ‘innerlijke roeping’ of zelfs een persoonlijk boodschap beroepen. Recent was in het Nederlands Dagblad (18.4.13) te lezen dat een vertegenwoordiger van de Doorbrekers beweerde in de auto een stem gehoord te hebben die hem zei dat hij een gemeente in Zeeland moest gaan stichten. Moeten we dat echt serieus nemen?

In de gereformeerde wereld heeft het beroep op een ‘innerlijke roeping’ nooit een legitieme plaats gekregen. De enige manier waarop een predikant geroepen wordt, is via het beroep van een kerkelijke gemeente. Dat is niet zonder reden.

Het staat iedereen vrij het Woord van God uit te dragen. Mensen doen dat ook op allerlei manieren, door woorden en door daden. Maar de verkondiging van het evangelie in de samenkomsten van de gemeente is principieel van een andere aard. Het gaat daarbij, zoals de kerk in Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus belijdt, om één van de sleutels van het hemelrijk. Door die sleutel wordt het koninkrijk van de hemelen voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten. Die kan niet aan zomaar iemand in handen worden gegeven. Daarom bepaalt de kerkorde dat niemand het ambt van predikant mag vervullen zonder daartoe geroepen te zijn. Ze legt ook vast hoe de roeping van een predikant in haar werk behoort te gaan. Dat heeft niets te maken met regelzucht, maar met de bescherming van de gemeente. De sleutels van het hemelrijk dienen in overeenstemming met de normen van de Schrift en de daarop gegronde belijdenis gehanteerd te worden. Dat komt ook daarin tot uitdrukking dat ambtsdragers – en dus ook predikanten – hun handtekening zetten onder het ondertekeningsformulier.

Dit impliceert dat de predikant te allen tijde aanspreekbaar is op de manier waarop hij deze sleutel van het hemelrijk gebruikt. En daarmee zijn we bij de tweede reden waarom zoveel waarde wordt gehecht aan een formele roeping door een gemeente. De predikant is geen solist die kan doen en laten wat hem goeddunkt. Hij neemt onder de ambtsdragers een bijzondere plaats in vanwege zijn specifieke taak, maar staat daarmee niet boven de ouderlingen. Hij is in feite ouderling met een bijzondere opdracht. Volgens artikel 21 van de Kerkorde is het de taak van de ouderlingen, “samen met de dienaren des Woords”, de gemeente te regeren. Zij zien er ook op toe “dat de predikanten, de mede-ouderlingen en de diakenen hun ambt trouw vervullen”.

Waar zo’n kerkelijke orde ontbreekt, zijn misstanden niet te vermijden. Die halen regelmatig de krant. Het is dan ook onmogelijk het Woord met gezag te verkondigen. Wie zich uitsluitend beroept op een ‘innerlijke roeping’ of een ‘stem’ heeft slechts gezag zolang zijn ‘publiek’ daaraan geloof hecht en hem gezag verleent. Daarmee komt de norm bij dat publiek te liggen. Maar het gezag van wie beroepen is, ligt in zijn ambt. Hij is door Christus zelf aangesteld, door middel van het beroep van de gemeente. Alleen hij kan met recht zeggen: “Zo spreekt de Heer”. Zonder beroep is er geen roeping, zonder roeping geen gezag.

Advertenties

De kromme stok van Wim Berkelaar

De column van Wim Berkelaar waarover de vorige bijdrage in deze weblog ging, houdt de gemoederen nog steeds bezig. Sinds dat stuk werd geschreven, gaf Berkelaar een nadere verantwoording en uitleg in het Nederlands Dagblad van 1 februari. Als het zijn bedoeling was de gemoederen enigszins tot bedaren te brengen is hij daarin niet geslaagd, zoals uit de reacties op de website van de krant blijkt. Wel geeft zijn artikel een beter inzicht in de manier waarop hij naar de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kijkt. Het is een nuttige aanvulling op wat hij in zijn column schreef en wat Peter Bergwerff in zijn artikel, waaruit ik in mijn vorige bijdrage citeerde, naar voren haalde over de motieven van Berkelaar. Er valt niet aan de conclusie te ontkomen dat Berkelaar van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) niet veel begrijpt. Dat betreft niet alleen de kerken zoals ze in de jaren ’60 van de vorige eeuw waren. Zijn begrip van deze kerken zoals ze in deze tijd zijn is niet veel groter. Ik ga hier maar voorbij aan de vraag of hier sprake is van onvermogen of van onwil.

In mijn vorige artikel heb ik betoogd dat het niet de eerste taak van de historicus is een oordeel uit te spreken over de zaken of de personen waarmee hij zich bezighoudt. Hij moet in de eerste plaats feiten verzamelen, hun samenhang blootleggen en ze in hun contekst plaatsen. Als hij al een oordeel wil vellen, kan dat alleen op basis van kennis en inzicht. Waar die ontbreken, is elk oordeel een slag in de lucht.

Vervolgens is het dan noodzakelijk dat hij duidelijk maakt aan de hand van welke criteria een eventueel oordeel geveld wordt. Wordt het optreden van een persoon bijvoorbeeld gemeten aan de hand van diens eigen normen of die van het milieu waarin hij opereerde? Of legt de historicus andere criteria aan? En zo ja, welke dan? Als het zijn persoonlijke criteria zijn, wie wordt daar dan wijzer van, behalve de schrijver zelf? Zit iemand te wachten op de vraag of een persoon in zijn optreden of denken voldoet aan de persoonlijke maatstaven van de desbetreffende historicus? En als deze meent bepaalde handelingen of denkbeelden te moeten bekritiseren, zou hij die dan niet in elk geval aan het juiste adres moeten richten?

Dit soort overwegingen zijn relevant in het onderhavige geval. In zijn column schrijft Berkelaar: “Kamphuis had zich als predikant doen kennen als een geharnast verdediger van de leer dat de vrijgemaakt-gereformeerde kerk de ‘ware kerk’ was. Er liep voor hem een rechte lijn tussen de Reformatie van Maarten Luther (1517) via de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 tot aan de Vrijmaking van 1944. Dat die leer op zichzelf dwaasheid is, door en door onhistorisch denken verraadt en als hoogmoedig kan worden getypeerd (als er een ‘ware’ kerk is, dan is er immers ook een ‘valse’ kerk – en wie zal dat bepalen?) is tot daaraan toe.” Uit de laatste zin blijkt dat Berkelaar niets op heeft met de leer betreffende de kerk zoals die in de gereformeerde belijdenis wordt verwoord. Dat is zijn goed recht, maar het is nogal vreemd zijn bezwaar ten tonele te voeren als onderdeel van zijn requisitoir tegen Kamphuis. Zijn verwijt is in feite dat Kamphuis de leer van zijn kerk verdedigde. Maar als Berkelaar tegen die leer bezwaar heeft, moet hij die richten tegen de kerken die Kamphuis diende.
Ter vergelijking: gereformeerden verwerpen het primaat van de paus. Maar het is niet terecht en ook weinig zinvol bijvoorbeeld kardinaal Eijk te bekritiseren wanneer die dat leerstuk verdedigt. Als vertegenwoordiger van zijn kerk mag van hem niet anders verwacht worden. Kritiek hierop moet gericht zijn op zijn kerk, niet op hem persoonlijk.

Berkelaar vervolgt dan: “De ware misdaad van Kamphuis was dat hij gewetensdwang begon te beoefenen en anderen, die twijfelden aan de gedachte van de ‘ware kerk’ week in, week uit de maat nam in het weekblad De Reformatie.” In zijn artikel in het Nederlands Dagblad spreekt hij over pogingen censuur uit te oefenen over “vrije gedachtenvorming”. Deze taxatie van het perswerk van Kamphuis laat ik hier onbesproken. Hier gaat het om zijn typering van dat werk als “gewetensdwang” en “censuur”. Daaruit komt opnieuw een gebrek aan begrip van de Gereformeerde Kerken naar voren.

Gewetensdwang betekent dat iemand niet de vrijheid heeft te denken wat hij wil. Kamphuis was helemaal niet in de positie zulke ‘gewetensdwang’ uit te oefenen. En mogelijkheden tot ‘censuur’ had hij al helemaal niet. In het gereformeerde kerkrecht is dat de exclusieve taak van kerkenraden. Kamphuis sprak vooral ambtsdragers – in dit geval speciaal voorgangers – aan op hun gebondenheid aan de gereformeerde belijdenis. Elke ambtsdrager had zich immers door zijn handtekening onder het ondertekeningsformulier verplicht die belijdenis uit te dragen en alles wat daarmee in strijd was te weerleggen. Ook Kamphuis had – eerst als predikant en later als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool – zijn handtekening gezet. De daaruit voortvloeiende taak nam hij serieus. En hij sprak ook ambtsdragers aan op de belofte die ze met hun handtekening hadden afgelegd. Niemand was verplicht die handtekening te zetten. De consequentie was dan wel dat het ambt voor hen gesloten zou blijven. Maar dat behoort tot het wezen van gereformeerde kerken: ambtsdragers hebben geen absolute vrijheid van meningsuiting. In hun uitlatingen – mondeling via preken of schriftelijk in boeken en artikelen – behoren ze te blijven binnen de grenzen die de belijdenis trekt. Natuurlijk staat het Berkelaar vrij hierop kritiek te leveren. Maar die moet dan wel aan het juiste adres gericht zijn. In dit geval betekent dat de Gereformeerde Kerken.

Onbegrip blijkt ook uit de opmerkingen die Berkelaar zich over Kamphuis’ collega Douma veroorlooft. “Zijn Kamper oud-collega Jochem Douma, emeritus-hoogleraar ethiek aan de Broederweg, die zich in de jaren zeventig liet kennen als het progressieve uithangbord van de vrijgemaakt-gereformeerden, toonde zich in zijn herdenking een hardliner die zich pal achter Kamphuis opstelde. Ook al zou hun toon verschillend zijn geweest, Kamphuis en Douma deelden hun ‘liefde voor de gereformeerde religie’. En ze deelden de laatste jaren ‘zorg over de koers van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt’. De ooit zo progressieve Douma bekritiseert nu degenen die in openheid hun gereformeerde geloof willen belijden – notabene in navolging van Douma zelf, die in de jaren zeventig ruimte zocht.”

Douma heeft de verschillen tussen hem en Kamphuis nooit onder het tapijt geveegd. Zelfs in zijn artikel naar aanleiding van diens overlijden heeft hij die nog eens gememoreerd. Maar de openheid die Douma altijd heeft gepropageerd – en waarop hij nooit is teruggekomen – was geen openheid waarbij de gereformeerde belijdenis ter discussie werd gesteld. Hij zocht inderdaad ruimte, maar dan wel binnen de grenzen van die belijdenis. Daarom is er geen tegenstelling tussen zijn pleidooi voor openheid en zijn bezorgdheid over de huidige ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken. En daarom is het ook logisch dat hij in zijn herdenkingsartikel de eensgezindheid tussen Kamphuis en hem in hun “liefde voor de gereformeerde religie” onderstreept. In zijn column heeft Berkelaar er blijk van dat zowel de kennis van als de liefde voor de gereformeerde religie bij hem ontbreekt.

Dat blijkt ook uit het artikel van Peter Bergwerff in het Nederlands Dagblad van 28 januari. Daarin komt naar voren dat Berkelaar een afkeer heeft van collectivisme. “Als gelovige sta je individueel coram Deo. Voor het aangezicht van God.” In zijn eigen artikel van 1 februari weerspreekt hij de typering van Bergwerff niet. We mogen dus aannemen dat deze Berkelaars denken correct heeft weergegeven.
Uiteraard staat elke gelovige als individu voor het aangezicht van God. Ieder is zelf verantwoordelijk en kan zich niet achter anderen of achter de kerk verschuilen. Dat was zelfs een kernelement in de Reformatie en daarin ligt nog steeds een fundamenteel verschil tussen de kerken die daaruit zijn voortgekomen en de rooms-katholieke kerk. Maar dat heeft met individualisme niets te maken. Individualisme is een geseculariseerde radicalisering van de persoonlijke verantwoordelijkheid die een wezenskenmerk van de gereformeerde religie is. De gereformeerde belijdenis beklemtoont dat God geen losse individuen verzamelt maar een kerk vergadert. Berkelaar maakt een simpele tegenstelling tussen individualisme en collectivisme. Dat is ongetwijfeld geïnspireerd, zoals Bergwerffs artikel ook aangeeft, door Berkelaars studie van de communistische wereld. Maar die tegenstelling kan niet zomaar overal op geprojecteerd worden. Zowel een gereformeerde kerk als christelijke politiek onttrekken zich aan dit simplistische schema.

Opnieuw: Berkelaar heeft het volste recht voor het individualisme te kiezen. Maar het is vreemd dat hij een persoonlijke aanval op Kamphuis gebruikt om daaraan lucht te geven. Zijn bezwaren tegen diens denken en optreden zijn niets anders dan bezwaren tegen de gereformeerde leer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Die moet hij dan aan de Gereformeerde Kerken adresseren.

Het lijkt erop dat Berkelaar een stok heeft gezocht om de hond te slaan. Dat blijkt een kromme stok te zijn. Daarmee kan iemand soms een rechte slag slaan, maar Berkelaar heeft misgeslagen. En je moet niet een hond slaan, wanneer je een probleem met zijn baasje hebt.