Archief

Posts Tagged ‘Opwekking’

GKV waarheen? (2)

30 juni 2019 1 reactie

In het eerste deel van deze serie blogs onder de titel ‘GKV waarheen’ analyseerde ik de situatie waarin de GKV zich bevinden. Ik sprak m’n vermoeden uit dat de komende Generale Synode de door de GS-Meppel ingeslagen weg zal vervolgen. En dan komen die leden van de GKV die hiertegen overwegende bezwaren hebben, voor de vraag te staan: wat nu? Die wil ik in deze blog onder ogen zien en daarbij neem ik de verschillende ‘alternatieven’ onder de loep. Daarbij kan de positie van de bezwaarden zelf niet buiten schot blijven. Want wie zich afvraagt: waarheen?, moet zich ook de vraag stellen wat hem of haar uit de GKV drijft en wat hij of zij elders zoekt.

Ter voorkoming van misverstanden een paar opmerkingen vooraf.

In de eerste plaats: wie verwacht hier het definitieve antwoord te vinden op de vraag ‘wat nu?’, zal teleurgesteld worden. Ik heb geen pasklaar antwoord. De eerste reden daarvan is dat ik me zelf nog midden in een proces van overwegen en afwegen bevind. De tweede is dat het antwoord op die vraag van allerlei factoren afhangt, waarvan ik er enkele in het verloop van het volgende verhaal naar voren zal halen.

In de tweede plaats: ik schrijf niemand voor wat hem of haar te doen staat. Ik ben niet in die positie en, zoals gezegd, er zijn allerlei factoren in het spel die van persoon tot persoon kunnen verschillen. Dat betekent dat bezwaarde leden van de GKV tot verschillende keuzes kunnen komen. Het is te hopen dat ze daarover in openheid en eerlijkheid met elkaar van gedachten kunnen wisselen zonder elkaar de maat te nemen.

Dat wil ik hier dan ook niet doen. Ik zal me over diverse zaken duidelijk uitspreken en positie kiezen. Maar de lezer dient dit niet op te vatten als een veroordeling van de keuze die hij eventueel maakt. Met mijn positiekeuze draag ik hopelijk bij tot de gedachtenvorming.

Dan nu dus de vraag: wat kunnen bezwaarde leden van de GKV doen, wanneer ze tot de conclusie komen dat ze niet langer lid van de GKV kunnen blijven?

In vroeger tijden hebben leden van de GKV, die bezwaren hadden tegen de koers van hun kerk, hun heil gezocht in de CGK. Dat is logisch, want sinds hun ontstaan hebben de GKV naar kerkelijke eenheid met de CGK gestreefd, die ze als een echte gereformeerde kerkgemeenschap beschouwden. Daarbij werd vooral gekeken naar de koers zoals die door achtereenvolgende Generale Synodes werd uitgezet, en niet zozeer naar wat zich op plaatselijk niveau afspeelde. Het feit dat de CGK in elk geval drie stromingen kent, werd niet als een overwegend bezwaar beschouwd. Inmiddels zijn de twee kerken officieel in staat van vereniging. Maar de laatste jaren is dat proces van vereniging in het slop geraakt.

Een duidelijk teken daarvan was dat het voornemen te komen tot een Gereformeerde Theologische Universiteit door de laatste Generale Synode van de CGK werd afgewezen. Daarin zouden de theologische universiteiten van GKV en CGK opgaan, samen met de predikantenopleiding van de NGK, en in samenwerking met de Gereformeerde Bond in de PKN. Officieel werden organisatorische kwesties als reden voor het besluit aangevoerd, maar het lijdt weinig twijfel dat de recente ontwikkelingen in de GKV daarbij een rol gespeeld hebben. Verzet tegen kerkelijke eenwording was er altijd al. Die kwam van de kant van de bevindelijke vleugel, verenigd rond het tijdschrift Bewaar het Pand. Ook de ‘linkervleugel’ had reserves en zocht liever toenadering tot de NGK en de PKN. Het synodebesluit laat zien dat nu ook het ‘klassiek-gereformeerde’ midden twijfels heeft over het proces van eenwording met de GKV.

Dat heeft niet alleen te maken met bijvoorbeeld de besluiten van de laatste Generale Synode van de GKV als zodanig, maar ook – en wellicht vooral – met de vrees dat een vereniging van de beide kerken ertoe zal leiden dat vergelijkbare ontwikkelingen in de CGK zelf worden versterkt. Want ook binnen dat kerkverband zijn er gemeenten die zich aan de besluiten van achtereenvolgende generale synodes niet al te veel gelegen laten liggen. Een extra probleem vormen de zogenaamde ‘samenwerkingsgemeenten’. De CGK plukken de vruchten van ongelukkige besluiten in het verleden die groen licht gaven aan gemeenten die met één been in de CGK en met het andere been in de GKV of de NGK staan. Praktisch gezien is zoiets al problematisch, want zulke gemeenten hebben met verschillende kerkverbanden en daar geldende, soms heel verschillende, regels te maken. Maar dat probleem wordt nog groter wanneer de respectievelijke kerkverbanden zich van elkaar verwijderen, zoals nu het geval is.

Inmiddels zijn ook de CGK een kerkverband in verwarring. Daarmee is hun aantrekkelijkheid voor bezwaarde leden van de GKV aanzienlijk verminderd. Want de kans is reëel dat zij, wanneer ze zich bij een CGK zouden aansluiten, op kortere of langere termijn met precies dezelfde problemen geconfronteerd zullen worden als die ze met het verlaten van de GKV achter zich dachten te hebben gelaten. Ze komen dus, nu of later, van de regen in de drup.

Er zijn leden van de GKV die zich hebben aangesloten bij een Gereformeerde-Bondsgemeente. Daar vinden ze veelal de prediking die ze gewend waren binnen de GKV te horen (zij het wellicht met wat andere accenten). Ik vermoed echter dat van degenen die vanwege de recente besluiten rond de ambten overwegen de GKV te verlaten, weinigen die stap zullen maken. Het ligt ook niet voor de hand. Eén van de bezwaren is immers dat de GKV het karakter van een plurale kerk beginnen aan te nemen. In mijn vorige blog wees ik al op het ontwerp van een kerkorde voor de kerk die uit de vereniging van GKV en NGK zal ontstaan. Die laat de plaatselijke kerken veel vrijheid, wat ongetwijfeld tot grotere, ook inhoudelijke, verschillen zal leiden. Het feit dat de GS-Meppel gemeenten de vrijheid gaf, de besluiten betreffende de ambten al dan niet uit te voeren en ook geen beperkingen oplegde met betrekking tot de principiële motivatie daarvan, bevestigt de ontwikkeling naar meer pluraliteit.

In dat licht is de keus voor een Gereformeerde-Bondsgemeente nogal merkwaardig. Want daarmee maakt men deel uit van de Protestantse Kerk in Nederland, waarin de pluraliteit betreffende de geloofsleer nog vele malen groter is dan binnen de GKV of zelfs binnen de voorgenomen verenigde kerk. Wie van mening is dat je bij de vraag of je nog langer lid kunt zijn van de GKV, niet alleen naar de eigen gemeente moet kijken, maar naar het kerkverband als geheel, zou dit ook bij de PKN moeten doen. Het lijkt me, kortom, voor bezwaarde leden van de GKV geen begaanbare weg.

Sinds de eeuwwisseling heeft een aantal bezwaarde leden de GKV verlaten, daaronder ook een aantal (emeritus-)predikanten. Daaruit zijn twee verschillende kerkverbanden ontstaan. Het oudste van de twee is De Gereformeerde Kerk (hersteld) (DGK), die op dit moment uit tien gemeenten bestaat. Van recentere datum is de vorming van De Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), die uit twaalf gemeenten bestaat. Het ligt voor de hand dat veel bezwaarden, die nu nog lid zijn van de GKV, vooral naar deze kerkverbanden kijken bij hun inventarisatie van de alternatieven. Qua karakter lijken ze op de GKV, waarin men is opgegroeid en zoals die nog tot de eeuwwisseling bestond. Die vertrouwdheid is een belangrijke factor.

Daar staat wel wat tegenover. Allereerst is er het praktische bezwaar van de regionale spreiding, of, beter gezegd, het gebrek daaraan. Bij zo’n klein aantal gemeenten is te verwachten dat de afstand voor een aantal GKV-leden bezwaarlijk is. Dat maakt het elke zondag deelnemen aan de erediensten problematisch, en zeker de betrokkenheid bij het kerkelijk leven door de week. Denk hier ook aan zaken als bijbelstudievereniging en catechisatie. Dat laatste is uiteraard een factor die zwaar weegt voor bezwaarden met kinderen in de catechisatieleeftijd.

Dan is er het probleem van de gescheidenheid van de twee kerkverbanden. Er zijn al diverse pogingen ondernomen om tot eenheid te komen, maar die hebben tot nu toe geen resultaat opgeleverd. Of een recente hernieuwde poging wel tot eenwording zal leiden, moet worden afgewacht. Er zijn redenen daar sceptisch over te zijn, want de beide kerkverbanden zijn toch wel redelijk verschillend in wat ik maar ‘ligging’ zal noemen. De DGK heeft al een aantal interne conflicten achter de rug, die over andere dan echt substantiële zaken gingen. Dat men dat in de DGK waarschijnlijk anders ziet, laat zien wat het probleem is. Wat uit de DGK naar buiten komt, ook via publicaties in hun tijdschrift De Bazuin (dat ik overigens alleen uit citaten in de pers ken), wekt de indruk dat dit kerkverband vooral gedreven wordt door nostalgie naar oude tijden. Men probeert de GKV van zo’n 40, 50 jaar geleden opnieuw tot leven te wekken. Daar hoort ook een rigiditeit bij, waarvan destijds de GKV bepaald niet vrij waren. Nostalgie mag een begrijpelijke emotie zijn, het kan niet dienen als basis voor een kerkverband anno nu.

De GKN staan hier wat anders in, maar ook dat kerkverband is niet van nostalgische smetten vrij. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de terugkeer naar de bijbelvertaling van 1951. Het zal best waar zijn dat er de nodige kritiek uit te oefenen valt op de Nieuwe Bijbelvertaling – maar op welke eigenlijk niet? – maar dat moet geen reden zijn dan terug te keren tot een vertaling die ook bepaald niet smetteloos is en alleen al qua taalgebruik nauwelijks meer bruikbaar is. Wie de Nieuwe Bijbelvertaling niet wil gebruiken, kan dan beter z’n toevlucht nemen tot de Herziene Statenvertaling.

Wat betekent dit voor degenen die nog lid zijn van de GKV en overwegen over te stappen naar een ander kerkverband?

Om te beginnen: de verdeeldheid tussen DGK en GKN is niet bepaald een goede reclame voor elk van beide. Het maakt ze niet aantrekkelijker. Van een vereniging van deze twee zou een signaal kunnen uitgaan dat leden van de GKV ertoe kan overhalen dan toch naar deze ‘verenigde herstelde GKV’ over te stappen. Of toch niet? Ik wil hier niet nalaten ook kritisch naar de bezwaarden te kijken (en daarbij sluit ik mezelf in). Zij moeten bij zichzelf nagaan, wat hun motieven zijn. Waarom willen ze weg uit de GKV en wat zoeken ze dan als alternatief?

Ik heb er in mijn vorige blog al op gewezen dat de uitslag van de stemmingen op de GS-Meppel laat zien dat er verschillen zijn tussen bezwaarden. Er waren kennelijk afgevaardigden die bezwaar hadden tegen het voorstel betreffende de ambten, maar positief stonden tegenover de voorgenomen fusie met de NGK. Wie kijkt naar de samenstelling van de redactie van Nader Bekeken, een tijdschrift dat men wellicht kan beschouwen als spreekbuis van de bezwaarden binnen de GKV, ziet daar lieden van verschillende pluimage als het om de opvattingen over de ter discussie staande zaken betreft. Verschillende auteurs, die in de loop van de jaren hun bezwaren hebben geuit tegen bepaalde ontwikkelingen binnen de GKV, onderschrijven de besluiten van de GS-Meppel ten aanzien van de ambten. Eén van de redactieleden liet zelfs een boekje verschijnen, waarin hij – zij het met enige reserve – de synodebesluiten verdedigt. Dat dit geschrift in eerste instantie verscheen in de serie boekjes die nauw gelieerd is aan Nader Bekeken maar de herdruk elders werd ondergebracht, laat al zien dat het in het kamp van de bezwaarden bepaald geen koekoek één zang is. Een zekere mate van wrijving is onmiskenbaar.

Wie wat rondkijkt en volgt wat er binnen de kerken gebeurt, ziet voortdurend de bevestiging van het gebrek aan eenheid. Er is geen sprake van twee ‘kampen’, die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De grenzen lopen kriskras door elkaar. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier waarop met de liturgie wordt omgegaan. Sommige predikanten uit het bezwaarde kamp maken ruimhartig gebruik van Opwekking en andere liedbundels, die geen officiële status binnen de GKV hebben, terwijl andere daarin veel terughoudender zijn. Sommige predikanten, die je in een aantal opzichten als ‘behoudend’ kunt aanmerken, hechten aan het gebruik van kerkelijk vastgestelde formulieren bij de bediening van de sacramenten en ook van de vastgestelde teksten bij het voorlezen van de wet. Anderen gaan daar veel vrijer mee om. Ik noemde al het voorbeeld van de bijbelvertaling. Ik heb tot nu toe geen structureel verzet tegen de Nieuwe Bijbelvertaling opgemerkt. Er zijn er zelfs die zich voor de introductie daarvan hebben ingezet. Ook over de manier waarop de toelating van gasten tot het avondmaal moet worden geregeld, bestaat geen uniformiteit. Deze verschillen doen zich ook voor onder ‘ambteloze’ kerkleden, die zich tot de ‘bezwaarden’ rekenen.

Nu zou men kunnen zeggen dat het hier niet om zaken gaat die de geloofsleer raken en dat ze dus van relatief minder belang zijn. Dat is ten dele waar, maar verschillende van die zaken hebben toch wel op de één of andere manier te maken met de wijze waarop je als kerken wilt samenleven. En het gebruik van Opwekking roept allerlei vragen ten aanzien van het karakter van de liturgie op, waarover je best een stevige discussie kunt hebben. Bovendien wekken deze zaken, die vrijwel iedereen raken, nogal eens sterke emoties op, waaraan een kerkelijke gemeenschap niet zonder meer voorbij kan gaan. Het lijkt me eerlijk gezegd een illusie dat alle bezwaarden die zich nu nog binnen de GKV ophouden – inclusief een aantal predikanten – zich moeiteloos laten invoegen in de DGK of de GKN dan wel een combinatie van die twee.

Er is nog een kwestie die hier aan de orde moet komen. Die betreft de betrokkenheid van de kerk op de samenleving. Ook op dat vlak hebben de GKV een ommezwaai gemaakt. Vroeger was het uitgangspunt dat de kerk zich niet mengde in maatschappelijke en politieke aangelegenheden. (In de praktijk gebeurde dit wel degelijk, zoals ik noteerde in een eerdere blog.) Daartoe aangezet door de prediking in de kerk, zouden haar leden in politiek en maatschappij actief moeten worden en daar hun geloof in praktijk moeten brengen. Inmiddels is dat uitgangspunt verlaten (mede doordat allerlei organisaties hun exclusieve band met de GKV hebben losgelaten). Kerken houden zich nu als kerk bezig met maatschappelijke vraagstukken, zoals eenzaamheid, armoede en integratie van allochtonen. Hulp aan vluchtelingen en asielzoekers is niet meer een activiteit van individuele kerkleden, maar wordt gestimuleerd vanuit de kerk, via de diaconie en door middel van preken en voorbeden. Ook uit de bestemming van collecten blijkt die betrokkenheid bij maatschappelijke en politieke kwesties; denk aan de voedselbank of Schuldhulpmaatje.

Er valt genoeg te bekritiseren aan de ontwikkelingen in de GKV, maar dit beschouw ik als een positieve ontwikkeling. Maar ik denk dat niet iedere ‘bezwaarde’ dat zo ziet. De vraag is dus hoe een ‘nieuwe’ kerkgemeenschap – of een uitbreiding van GKN en/of DGK – zich op dat vlak zal gedragen. Gezien het feit dat sommige bezwaarden hun stem aan de SGP geven, die een uitgesproken conservatief geluid laat horen, doet me vermoeden dat ook hier een bron van spanningen ligt.

Als ik de ontwikkelingen binnen de GKV en de ‘tegenbeweging’ analyseer, kan ik onmogelijk erg optimistisch zijn. Veel bezwaarde GKV-leden wachten op de eerstvolgende Generale Synode. Mij lijkt dit formeel correct, maar ook niet meer dan dat. Er is wel veel fantasie voor nodig om te geloven dat deze synode de gesignaleerde problemen zodanig zal aanpakken dat de GKV met recht de naam ‘gereformeerd’ mogen blijven dragen. De ontwerp-kerkorde van de gefuseerde GKV/NGK bevestigt deze ontwikkelingen en laat zien dat de gefuseerde kerk vooral op de NGK zal gaan lijken en nog maar weinig gemeen zal hebben met de GKV, zoals die tot het begin van deze eeuw was.

Op grond daarvan lijkt een breuk onafwendbaar. Maar zal dat leiden tot het ontstaan van één nieuwe gereformeerde kerk? Ik heb daarover grote twijfels. De conflictstof ligt voor het oprapen. Bij een kerkelijke breuk hebben niet alle ‘afgescheidenen’ per definitie dezelfde motieven. Bij sommigen bestaat er ook een algemene weerzin tegen modernisering. Naast alle terechte kritiek op ontwikkelingen binnen de GKV, valt een zekere verwantschap met het maatschappelijk en politiek populisme niet te ontkennen. Diegenen die worden gedreven door een – romantisch – verlangen naar de veiligheid en de duidelijkheid van de kerk van het verleden, zullen na een eventuele breuk in een nieuwe kerk – of die nu helemaal nieuw is of aansluiting vindt bij DGK en/of GKN – na korte of langere tijd teleurgesteld raken. Want het verleden komt niet weerom.

Conservatisme of zelfs reactie zijn geen goede recepten voor een ‘herstelde’ gereformeerde kerk. Het gaat er niet om te herstellen wat er eens was. Het gaat er om gereformeerde kerk te zijn in de samenleving van nu. Die stelt andere vragen en kent andere problemen. De uitdaging van de kerk is vanuit het blijvende Woord en de belijdenis die haar samenvat, daarop de antwoorden te vinden.

Het was mijn bedoeling het bij twee blogs over dit onderwerp te laten. Maar nu ik aan het slot van de tweede aflevering aangekomen ben, dringt zich de vraag op of een derde aflevering niet noodzakelijk is. De ontwikkelingen in de CGK staan niet stil. Er zijn geluiden die er op wijzen dat ook binnen de CGK de mogelijkheid van een kerkelijke breuk serieus wordt overwogen. Dat is nieuw, want alleen de gedachte al was binnen de CGK altijd zoiets als vloeken in de kerk. Het is belangrijk genoeg om daaraan apart aandacht te besteden. Wellicht kan de CGK een sleutelpositie gaan innemen in wat een kerkelijke herverkaveling zou kunnen worden. Ik verbind dit dan met de vraag die ik tot nu toe heb laten liggen: is een breuk inderdaad onvermijdelijk en zelfs gewenst? Of zijn er wellicht toch argumenten om gewoon lid te blijven van een kerk waartegen je zwaarwegende bezwaren hebt?

Advertenties

Spiritueel tekort

Zoals elk jaar kwamen tijdens de Pinksterdagen duizenden christenen bij elkaar in Biddinghuizen, tijdens de conferentie die simpel ‘Opwekking’ heet. Juist die regelmaat, niet alleen wat het tijdstip betreft, maar ook in karakter en inhoud, behoort tot de aantrekkingskracht van deze manifestatie, zoals Gerard ter Horst in het Nederlands Dagblad schreef. Dat is opmerkelijk, want regelmaat en voorspelbaarheid worden vaak, vooral door jongeren, als bezwaar tegen kerkdiensten in reformatorische kerken ingebracht. De conferentie lijdt er echter allerminst onder, want terwijl kerkdiensten steeds minder bezocht worden, trok Opwekking dit jaar zo’n 75.000 bezoekers.

Of die er allemaal komen om geestelijk opgeladen te worden, is de vraag. Ook gezelligheid zal een rol spelen. “Verder telt mee dat juist de grootschaligheid extra mensen trekt: zoveel christenen bij elkaar wordt als bemoedigend ervaren, in een land waar ze een minderheid geworden zijn. Voor wie het gevoel heeft er in het werk, de buurt of zelfs in de kerk alleen voor te staan, is Opwekking als balsem voor de ziel”, schrijft Ter Horst. Desondanks lijdt het geen twijfel dat veel bezoekers komen om ‘bij te tanken’, zoals dat wel genoemd wordt. Dat geldt vooral voor die bezoekers die niet behoren tot een evangelische gemeente, maar eerder uit de ‘traditionele’ gereformeerde hoek komen. Kennelijk missen ze in hun eigen kerk of gemeente iets. Maar wat precies?

In de verschillende analyses die ik recent gelezen heb, wordt dat niet echt duidelijk. Ter Horst schrijft: “De theologische ligging van Opwekking, met haar sterke en expliciete nadruk op het (bijzondere) werk van de Heilige Geest verschilt nogal met die van een doorsnee protestantse kerk. Nu Opwekking doorgroeit, geeft dat te denken. Zeker, in veel kerken bestaat – op papier – een uitgebalanceerde visie op het werk van de Geest. Maar het lijkt wel of veel dominees die visie niet goed over het voetlicht krijgen, of te veel in het theoretische blijven steken. Dat steekt dan schril af bij de geloof-in-actie-aanpak van Opwekking.” De analyse van het verschil tussen Opwekking en ‘doorsnee’ protestantse kerken is correct, maar wat dan in die laatstgenoemde kerken precies ontbreekt, komt niet uit de verf.

Onderweg, een kerkelijk magazine dat in de GKV en de NGK verschijnt, heeft er een themanummer aan gewijd. Twee bijdragen zijn ook voor niet-abonnees digitaal beschikbaar. Eén ervan is een interview met het predikantenechtpaar Dick en Jeannette Westerkamp (NGK, Houten). Ze brachten de charismatische beweging New Wine naar Nederland en zitten dus qua ligging dicht tegen Opwekking aan. Hun wordt gevraagd: “Wat brengt dit soort buitenkerkelijke spirituele evenementen christenen wat ze in hun eigen kerk kennelijk niet vinden?” Jeannette zegt daarop: “Mensen komen om er een weekje tussenuit te zijn, om spiritueel bij te tanken, om seminars te bezoeken, om te aanbidden. Veel mensen zien we elk jaar weer, omdat hun kinderen zo genoten hebben in de kinderprogramma’s.” Daarmee zegt ze niets nieuws. Het is geen inhoudelijk antwoord en dat krijgen we ook in de rest van het interview eigenlijk niet. Ze ventileren wel hun eigen ideeën, maar of die datgene vertegenwoordigen waarnaar de bezoekers op zoek zijn, is de vraag.

De tweede voor niet-abonnees toegankelijke bijdrage is van de hand van ds. Maarten van Loon (GKV Dalfsen-Oost). Boven zijn artikel staat als titel: “Er is binnen onze traditie een spiritueel tekort ontstaan.” Wie nu een beschrijving verwacht van dat tekort, komt bedrogen uit. “Ik merk dat ik nog niet helemaal kan aanwijzen wat het spirituele tekort precies is, laat staan dat ik een oplossing kan geven.” Hij duidt wel van alles aan, maar heel concreet wordt het niet. Dat is natuurlijk wel een probleem, wanneer je van mening bent dat één van de redenen waarom Opwekking gereformeerden aanspreekt, een tekort van hun eigen kerk is. Als dat zo is, moet de kerk ernstig bij zichzelf te rade gaan. Maar dan moet eerst duidelijk worden wat er precies ontbreekt. En vervolgens moet dan de vraag aan de orde komen of de kerk wel kan en mag ‘leveren’ wat verlangd wordt. ‘U vraagt en wij draaien’ kan immers nooit het uitgangspunt van de kerk zijn.

Als ik Van Loon goed begrijp gaat het vooral om een gebrek aan beleving. Hij wijst erop dat gereformeerden – en daarbij doelt hij ongetwijfeld in de eerste plaats op leden van zijn eigen kerkverband en wellicht ook die van de NGK – niet alleen compensatie zoeken bij Opwekking, maar ook in de Christelijke Gereformeerde Kerken, die op z’n minst voor een deel in de traditie van de bevindelijkheid staan. Of het daarbij om dezelfde mensen gaat, is overigens nog maar de vraag, want wie positief staat tegenover gebedsgenezing heeft in de CGK niet veel te zoeken, terwijl dat nu juist tot de kern van de evangelische theologie behoort.

Van Loon stelt verstand tegenover gevoel. “Het objectieve van het heil wordt echter niet subjectief beleefd. Hart en ziel blijven er te veel buiten. De op zich begrijpelijke angst voor het subjectivisme leidde er binnen de vrijgemaakte traditie toe dat geloven synoniem werd aan het aanvaarden van een set waarheden en het innemen van de juiste standpunten. We redeneren veel, praten veel en gebruiken veel woorden. Zelfs als er iets bijzonders te vieren valt, gebruiken we eerst ellenlange formulieren. Geloof zat en zit te veel in ons hoofd. Met alle gevolgen van dien.”

Hier passen twee kanttekeningen. De eerste is dat dit nog steeds weinig concreet is. Bovendien moet de vraag gesteld worden of je beleving eigenlijk wel kunt ‘organiseren’. Of het geloof iets van ‘hart en ziel’ wordt, ligt uiteindelijk aan de gelovigen zelf. Maar daarnaast wordt hier een hele kerk op een bepaalde manier getypeerd, die haar geen recht doet. Het zal best waar zijn dat er gereformeerden zijn of waren voor wie geloven vooral bestaat (bestond) uit het aanvaarden van waarheden. Maar dit kan niet de gereformeerden worden aangewreven: daarmee wordt heel veel mensen onrecht aangedaan. Net als in de samenleving als geheel zijn er ook onder gereformeerden meer rationeel en meer emotioneel ingestelde mensen. Dat is geen gebrek, maar een heel normaal verschijnsel: geen twee karakters zijn gelijk. Het feit dat mensen weinig of geen uiting geven aan hun gevoel, wil niet zeggen dat ze dat niet hebben. Er bestaat ook geen plicht tot geestelijke extravertie. En het gebruik van formulieren sluit de beleving helemaal niet uit. Ook in bevindelijke kerkgenootschappen worden formulieren gebruikt.

We zouden hier een punt kunnen zetten. Eerst moet maar eens duidelijk worden wat voor leden van reformatorische kerken nu precies de meerwaarde van Opwekking is, voordat we gaan nadenken over de vraag wat de kerken hier mee zouden moeten of kunnen doen. Maar dat is een beetje gemakzuchtig. Wellicht kunnen we toch wel wat motieven distilleren uit wat in over dit onderwerp gezegd en geschreven is, waarbij in rekening gebracht moet worden dat de motieven van bezoekers heel verschillend kunnen zijn.

In zijn al eerder aangehaalde analyse geeft Gerard ter Horst een paar motieven. Ik noemde al het element van het getal: het met zovelen samen zijn is bemoedigend, zeker als je zelf kleine groepen gewend bent. Hij wijst er ook op dat muziek een belangrijk element op de conferentie is – trouwens, sowieso in de evangelische wereld. Het gaat dan vooral om een specifiek genre, bekend als ‘aanbiddingsmuziek’. Daarnaast noemt hij het feit dat de conferentie interkerkelijk is: “kerkmuren doen er nauwelijks toe”.

Daarmee noemt hij enkele factoren waarin de conferentie – en in het algemeen de evangelische beweging – zich onderscheidt van de ‘traditionele’ kerken. Die factoren maken ook direct duidelijk dat het veel te simpel is te zeggen, zoals de kop boven het interview met het echtpaar Westerkamp luidt, “Als de kerk deed wat ze moest doen, was New Wine niet nodig”. Voor wat het onderwerp van deze weblog betreft, zou men dat zo kunnen vertalen: als gereformeerde kerken deden wat ze moesten doen, hoefden de leden van die kerken niet naar Opwekking te gaan.

De muziek was traditioneel een punt van verschil, maar is dat inmiddels in veel mindere mate. In veel kerken heeft het evangelische liedrepertoire zijn intrede gedaan en in kerkdiensten van gereformeerde kerken worden soms meer Opwekkingsliederen dan psalmen gezongen. De rol van de muziek en de inbedding in de diensten zal nog wel verschillen, maar het is de vraag of dat essentieel is. Het is uiteraard mogelijk dat op Opwekking ook liederen gezongen worden, die in een gereformeerde kerkdienst niet of niet zo gauw zullen worden aangeheven. Dat kan heel goed een inhoudelijke reden hebben. Maar juist dan komen we een principieel verschil tussen Opwekking en gereformeerde kerken op het spoor. In de gereformeerde traditie wordt de inhoud van liederen getoetst aan de leer van de kerk. Bij de invoering van het Liedboek voor de Kerken in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bijvoorbeeld, is de inhoud van de bundel getoetst op Schriftgetrouwheid en verenigbaarheid met de belijdenis van de kerk.

Daar ligt de verbinding met een ander punt dat Ter Horst noemt: interkerkelijkheid. Die term is als zodanig onnauwkeurig, want ze suggereert dat bij Opwekking sprake is van een activiteit van verschillende kerken. Dat is niet het geval. Je zou beter kunnen zeggen dat Opwekking los staat van elke kerkelijke binding. Dat brengt mee dat ze ook los staat van elke kerkelijke inbedding en dus van elke geloofstraditie. “Kerkmuren doen er nauwelijks toe”, schrijft Ter Horst. Dat impliceert dat wat kerken scheidt – verschillen in geloofsleer, die voor een belangrijk deel het gevolg zijn van een verschillende manier van lezen van en omgang met de bijbel – ook geen rol speelt.

Voor beide hier genoemde aspecten geldt dat een gereformeerde kerk niet kan doen en niet mag doen wat Opwekking aanbiedt. Wanneer ze haar grondslag – de Schrift en de daarop gefundeerde belijdenis – serieus neemt, kan ze niet die elementen van Opwekking overnemen, die daarmee niet te verenigen zijn.

Die kritische instelling ontbreekt in het interview met het echtpaar Westerkamp. Daarbij vallen twee dingen op. Ze redeneren vrijwel geheel vanuit de behoeften van jongeren. Natuurlijk zijn die voor de kerk belangrijk, maar de gemeenschap van de heiligen bestaat uit mensen van allerlei leeftijden. Op Opwekking zullen de meeste bezoekers inderdaad behoren tot wat we ‘jongeren’ noemen, maar er zijn daar ook ouderen. Die komen nauwelijks in beeld. Het tweede opvallende aspect van het interview is dat de cultuur van onze tijd als uitgangspunt wordt genomen, zonder dat die aan fundamentele kritiek wordt onderworpen. “We hebben zelf meegemaakt dat jongeren van onze gereformeerde kerk gedoopt werden op een festival, terwijl ze als kind al bij ons gedoopt waren. Ze hadden een geweldige ervaring met God gehad en lieten zich daar ter plekke dopen. Wij vonden dat lastig.” Het woord ‘lastig’ is in dit verband meer dan een understatement; hier is alle reden voor een principiële stellingname ten aanzien van de visie op de doop in evangelische kring en op het verschijnsel van ‘overdopen’ en de relatie tussen dit verschijnsel en het kerklidmaatschap. Maar die blijft achterwege.

Nog een veelzeggend voorbeeld. “Het zou wenselijk zijn dat communitygevoel van buitenkerkelijke evenementen te integreren in de eigen gemeente. Laatst las ik dat de kerken uit het Nieuwe Testament uit maximaal zeventig personen bestonden. Gemeenteleden zou daarom ook eens per maand samen naar de kerk kunnen gaan, zoals men in het Bijbelse Israël naar de tempel ging, en op de andere zondagen iets anders kunnen doen, in kleine groepen, met mensen die goed bij je passen.” Daarmee sluit Jeannette Westerkamp zich aan bij wat een dominante trek is van het moderne christendom: je kiest een kerk of de gelovigen die bij je passen. Wordt daarmee niet de eigen behoefte in het centrum geplaatst? Is dit iets anders dan een christelijk klinkende variant van wat een kenmerk is van onze cultuur: het gaat om jou en jij bent het middelpunt van je eigen universum?

Ik wees er al op dat gebedsgenezing één van de wezenskenmerken van de evangelische beweging is. Behoort dit tot wat leden van traditionele gereformeerde kerken bij Opwekking zoeken? Daar ben ik niet zeker van. Ik heb niet de indruk dat dit element van het evangelische denken onder gereformeerden veel weerklank vindt. Van Loon noemt het in zijn artikel helemaal niet. Ik wees er al op dat hij de ‘zoekers’ zowel naar Opwekking als naar de CGK ziet gaan. Wellicht nemen degenen die naar Opwekking gaan de praktijk van gebedsgenezing op de koop toe. Dat wil niet zeggen dat het geen aandacht verdient, want gebedsgenezing speelt op de conferentie een belangrijke rol en daardoor kan het toch weerklank vinden bij bezoekende gereformeerden. Hopelijk hebben die, mede vanuit hun eigen traditie, toch wel oog voor de voetangels en klemmen die hier liggen.

In zijn analyse wijst Ter Horst de gebedsgenezing zelfs als “open zenuw” aan. “Er zijn inmiddels grote groepen christenen die geloven dat God ook nu nog (grote) wonderen doet. Toch roept deze gang van zaken vragen op. Worden alleen succesvolle genezingen getoond? Mag je ook genezen van innerlijke pijn, en is dat dan ook meet- en zichtbaar? En als je rugklachten had, maar niet ging staan, is dat dan een vorm van ongeloof? Waar is het besef dat een wonder eerder een teken is dan een ‘eind goed, al goed’-oplossing? En wat als je wel ging staan, maar niet genas?” Hij wijst erop dat de praktijk van gebedsgenezing op Opwekking “met pastorale ongelukken is omgeven”. Het is terecht daarbij de vinger te leggen, maar we mogen niet over het hoofd zien dat we hier te maken hebben met een principieel verschil tussen de evangelische en de gereformeerde geloofsleer. In het kader van dit artikel ga ik daarop nu verder niet in.

Tussen de analyses van Van Loon en het echtpaar Westerkamp zitten belangrijke en principiële verschillen. Jeannette Westerkamp zegt in het interview: “Laatst sprak ik een vriend die zei: we leven in een beeldcultuur, waarin mensen iets moeten zien om het te kunnen geloven. Maar ook een cultuur waarin iets goed moet voelen om waar te zijn. Je hebt dus een andere manier van evangelieverkondiging nodig, eentje die hierbij past.” Dit laat opnieuw zien hoe de Westerkamps de huidige cultuur kritiekloos tegemoet treden. Want dit heeft belangrijke consequenties. Iets moeten zien om het te kunnen geloven – was dat niet het probleem dat Thomas had? In feite bevestigt dit de analyse van Matthijs Vlaardingerbroek, die ik in mijn vorige weblog aanhaalde, naar aanleiding van de nadruk op gebedsgenezing in evangelische kring, waartoe hij zelf behoort: “Als Nederlandse christenen lijken wij onbewust te smachten naar keiharde bewijzen van Gods bestaan en zijn kracht. Doen wij dit wellicht om onszelf houvast te geven?” Niet zien en toch geloven: dat is wat de geloofsgetuigen in Hebreeën 11 met elkaar verbindt. Het behoort tot de kern van het spreken van de Schrift.

Van Loon houdt staande dat er niets mis is met de gereformeerde geloofsleer. “Het spirituele tegoed in onze kerken bestaat vooral uit het sterke besef dat de zekerheid van het geloof iets buiten mijzelf is. Het is Gods initiatief en Hij is trouw. Daardoor word ik niet teruggeworpen op mezelf. Die sterke nadruk op de objectiviteit van het heil vind ik een prachtig tegoed. (…) Veel van wat ik bij mezelf en in mijn traditie mis, is niet te wijten aan een lacune in de gereformeerde leer, maar aan het gevolg van het niet te gelde maken van elementen die al lang en breed benoemd zijn.”

Om een antwoord te zoeken op de vraag of, en zo ja, in welke zin er sprake is van een ‘spiritueel tekort’ op het gereformeerde erf, lijkt me dit een gezond uitgangspunt.

Het kerklied als geloofsbelijdenis

Er zijn bepaalde onderwerpen die de gemoederen in christelijke kring meer in beweging brengen dan andere. Zodra in het Nederlands Dagblad een verslag van een lezing of een artikel publiceert waar over de doop gesproken wordt, volgen daarop één of meerdere ingezondens en het aantal reacties in de digitale editie loopt binnen enkele dagen in de tientallen. Als het over Israël gaat, gebeurt hetzelfde in veelvoud en kunnen de discussies in de digitale editie weken lang aanhouden. Kennelijk zijn dit gevoelige onderwerpen waarover de meningen niet alleen flink uiteenlopen, maar die ook in hoge mate mensen emotioneel raken. Het zou interessant zijn te onderzoeken waarom uitgerekend die onderwerpen dat effect hebben.

Er is nog een andere kwestie die een sterk emotionele lading heeft en christenen blijkbaar sterk bezighoudt: de liturgie, en vooral het muzikale deel ervan. De vrijheden in de keuze van liederen die kerkenraden of voorgangers zich veroorloven, het zingen van opwekkingsliederen en de begeleiding door een orgel of juist door een band, ze veroorzaken vaak felle discussies waarbij de nuance nogal eens ver te zoeken is. Niet veel christenen zullen beweren dat de liederen die in de kerk gezongen worden tot de kern van de christelijke godsdienst behoren. Dat betekent echter niet dat ze onbelangrijk zijn. Ze kunnen een indicatie geven van de geestelijke ‘ligging’ van die gemeente. Daarnaast geven de argumenten – of wat daarvoor moet doorgaan – die in de discussies over liturgie en kerkmuziek worden gebruikt, inzicht in de manier waarop met zaken rond geloof en kerk wordt omgegaan.

De aangekondigde verschijning van het nieuwe Liedboek voor de Kerken werpt haar schaduwen al vooruit. Al een tijd geleden spraken verschillende mensen die zich min of meer professioneel met kerkmuziek en het kerklied bezighouden er hun afkeuring over uit dat in het Liedboek allerlei liederen zouden worden opgenomen die volgens hen kwalitatief onder de maat zijn. Daarbij doelde men vooral op liederen uit de evangelicale hoek. Naar hun mening zou kwaliteit doorslaggevend moeten zijn bij de vraag of een lied wel of niet in het Liedboek moet worden opgenomen. Kort geleden oefende Hans Maat, directeur van het Evangelisch Werkverband en nota bene bestuurslid van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied – verantwoordelijk voor de samenstelling van het nieuwe Liedboek -, scherpe kritiek op het uiteindelijke resultaat. Volgens een bericht in het Nederlands Dagblad van 16 maart 2013 ontbreekt het de samenstellers aan gevoel “voor jongeren, de Nederland Zingtcultuur, de orthodoxe achterban en de grote tendensen in de kerk”. Er staan maar een paar opwekkingsliederen en worshipliederen in, terwijl jongeren in veel kerken die het liefste zingen. “Dit moest een bundel voor de toekomst zijn, en voor de gewone gemeenteleden. Niet voor een professor liturgiek.”

De manier waarop over dit onderwerp wordt gesproken, zegt veel over de manier waarop naar kerkliederen en kerkmuziek gekeken wordt. Je zou twee elementen kunnen onderscheiden die in de discussies over dit onderwerp steeds weer naar voren komen.

Het eerste betreft de kwaliteit van liederen. Vooral professionele kerkmusici hameren er steeds op dat een groot deel van de liederen die tegenwoordig vaak gezongen worden – globaal aangeduid als ‘evangelicaal’ – kwalitatief onder de maat is, zowel qua tekst als qua muziek. Het zal niet meevallen in deze kringen een musicus te vinden die dit repertoire van goede kwaliteit acht. Ook diegenen onder hen die het opwekkingsrepertoire niet in z’n totaliteit afwijzen, zijn van mening dat het de samenstellers van bundels met zulke liederen – en de gebruikers uiteraard – aan kritische zin ontbreekt. Ik weet eigenlijk niet of er vertegenwoordigers van de evangelische liedcultuur zijn die deze opvatting fundamenteel bestrijden. Het lijkt me een vrijwel onbegonnen werk te proberen aan te tonen dat opwekkingsliederen in hun algemeenheid zich kwalitatief kunnen meten met de psalmen of bijvoorbeeld de liederen die in het (oude) Liedboek voor de Kerken zijn opgenomen.

Sommigen doen daar ook geen pogingen toe. De al genoemde Hans Maat bijvoorbeeld wijst op kerklieddichters als Huub Oosterhuis, Willem Barnard en Sytze de Vries – de eerste twee zijn in het oude Liedboek ruim vertegenwoordigd, de laatstgenoemde is van een jongere generatie en schrijft veel teksten die o.a. door Dirk Zwart op muziek zijn gezet. Maat erkent: “[Ze] zijn waarschijnlijk betere poëten dan ik”. In een artikel in het Nederlands Dagblad van 28 maart 2013 schrijft Janneke Burger iets vergelijkbaars. Ze typeert het klassieke kerklied als “literair en muzikaal gezien vast prachtig en correct”. In zekere zin zou je dat als winst kunnen beschouwen: de aanhangers van het klassieke kerklied en de vertegenwoordigers van het evangelicale repertoire zijn het er kennelijk over eens dat er een evident verschil in kwaliteit tussen de twee genres bestaat.

Daarmee is het pleit echter niet beslecht. De twee kampen verschillen namelijk fundamenteel van mening over de vraag welke rol kwaliteit moet spelen. Daarmee zijn we bij het tweede element in de discussies over dit onderwerp. Grof gezegd vinden de verdedigers van de evangelische liedcultuur dat kwaliteit uiteindelijk niet doorslaggevend is. Hier kunnen verschillende argumentatielijnen onderscheiden worden.

In discussies kun je nog wel eens het argument tegenkomen dat het om de intentie gaat en niet zozeer om de kwaliteit. God ziet het hart aan en de kwaliteit van het gebodene is vers twee. Dit is een uiterst merkwaardig en vanuit christelijk standpunt nogal bedenkelijk argument. Je hoeft niet direct met allerlei diepgravende bezwaren te komen om te begrijpen dat deze redenering niet houdbaar is. Wanneer een man zijn vrouw een verjaardagscadeau aanbiedt, doet hij er dan krantenpapier omheen? Wanneer iemand bij de koningin op audiëntie gaat, doet hij dan zijn oude kloffie aan? Natuurlijk gaat het om het hart, maar waarvan het hart vol is, daarvan loopt de mond over. Aan wat uit de mond komt, kan de intentie worden afgeleid. In de dienst aan God is het beste nog niet goed genoeg. Maar naar dat beste moet dan wel gestreefd worden. Of, beter gezegd, naar het optimale: het beste dat met de gegeven middelen en talenten bereikbaar is. Tot het onmogelijke is uiteraard niemand gehouden. Maar wie een rijke en kwalitatief goede liedcultuur in de vuilnisemmer kiepert en die vervangt door wat kwalitatief van minder allooi is, heeft wel wat uit te leggen. Je kunt hier ook nog een filosofische draai aan geven. De tegenstelling tussen de kwaliteit en de intentie is dan die tussen het ‘stoffelijke’ en het ‘geestelijke’, waarbij het laatste uiteindelijk het belangrijkste is. Deze tegenstelling wortelt in de heidense filosofie en laat zich op geen enkele manier vanuit de Schrift verdedigen.

Een tweede argumentatielijn vinden we in het al eerder genoemde artikel van Janneke Burger. “Waarom blijft er toch die kloof tussen aan de ene kant het klassieke kerklied, dat literair en muzikaal gezien vast prachtig en correct is, maar het hart van de eenvoudige gelovige (laat staan het kind) maar moeilijk kan bereiken?” “Ik kan werkelijk genieten van een lied waar mooie woorden in staan, dichtkunst, zo u wilt. Prachtig, zoals de ambivalentie van het leven in woorden gevangen kan worden. Het hoeft niet altijd uitbundig, en ik zing ook graag liederen die ik moet herkauwen. Tegelijk geniet ik van een opwekkingslied, dat mijn hart zoveel makkelijker bereikt en waarbij ik mijn lijf mag gebruiken om mij naar de Heer uit te strekken.”

De suggestie die hiervan uitgaat is dat wat van hoog literair en muzikaal niveau is het hart van de gelovigen niet bereikt. Dat is niet hard te maken. Want er zijn ongetwijfeld heel wat kerkgangers die zich in die kritiek herkennen, maar ook die een geheel tegengestelde ervaring hebben. Als ik, in navolging van mw. Burger, ook even subjectief mag zijn: hoe klassieker een lied, hoe meer het me aanspreekt, terwijl evangelicale liederen me volstrekt koud laten. Als iedereen zijn voorkeur mag laten gelden wordt het lastig. Waar de een van geniet, dat kan de ander niet pruimen. Aan hoogstpersoonlijke voorkeuren hebben we niet veel als het gaat om de vraag welke liederen voor kerkelijk gebruik geselecteerd zouden moeten of kunnen worden.

Achter deze persoonlijke ontboezeming van mw. Burger lijkt wel een bepaald vooroordeel te zitten: kwaliteit landt niet bij ‘gewone’ mensen. Dat klinkt nogal neerbuigend. Misschien moeten literair of muzikaal weinig onderlegde mensen zich wat inspannen, maar wie zegt dat ze dat niet willen of kunnen? En zijn de psalmen dan gemakkelijker toegankelijk? Moeten die op het tweede plan komen? Trouwens, wie de Schrift wil doorgronden, zal zich ook moeten inspannen. Dat hoort uiteindelijk bij het christelijk geloof. Niet alles hoeft of kan in hapklare brokken te worden aangeboden.

Wie leest wat Janneke Burger en Hans Maat naar voren brengen moet wel de conclusie trekken dat voor hen de smaak van de gelovigen de doorslag geeft. In elk geval is Hans Maat daarover glashelder in wat hij opmerkt over het nieuwe Liedboek voor de Kerken. “Ik wilde graag dat het project zou slagen, maar het nieuwe Liedboek is geen veelkleurige bundel. Het mist ook compleet de tijdgeest: we zitten in een periode van deïnstitutionalisering, waarin de vrije liedcultuur opbloeit.” “Het gaat mij erom dat een bepaald soort liederen, die een grote groep in de kerk graag zingt, amper in deze nieuwe bundel voorkomt.” Hier is het criterium uiteindelijk de voorkeur van de gebruikers: er moeten meer liederen uit de evangelicale hoek worden opgenomen, niet omdat die goed zijn, maar omdat ze graag gezongen worden.

Deze positiekeuze is nogal problematisch. Geen van beide zullen willen verdedigen dat in geloofskwesties de mening of het gevoel van de gelovigen doorslaggevend zijn. De inhoud van het geloof wordt bepaald door de Schrift. Maat maakt in het interview duidelijk dat hij dat inderdaad vindt: “Bepaalde liederen en gebeden in het nieuwe Liedboek zou ik om theologische redenen nooit aan jongeren voorlezen.” Als de Schrift dan maatgevend is voor de inhoud van het geloof, dan zou hij toch eens moeten uitleggen waarom dat dan niet geldt ten aanzien van de liturgie en het muzikale aspect daarvan. Waarom zou hier de smaak van de kerkgangers ineens doorslaggevend moeten zijn?

Dat heeft enerzijds ongetwijfeld te maken met de scheiding tussen vorm en inhoud die hierboven al gesignaleerd werd. Maar het zou ook verband kunnen houden met een visie op liturgie, waarin deze wordt opgedeeld in twee elementen. In het ene komt God aan het woord, via Schriftlezing en verkondiging. In het andere element spreekt de gemeente, door middel van gebed en lied. Maar is die tweedeling wel correct?

De oorsprong van het woord liturgie maakt duidelijk dat dienst daarin het centrale begrip is. In de christelijke kerk betekent liturgie dienst aan God. Hoe dien je God? Toch allereerst door Hem zelf aan het woord te laten. Hij spreekt via de Schrift en – door de mond van de voorganger – in de verkondiging van het Evangelie. Hij spreekt ook door middel van het lied: de heilige Geest heeft ervoor gezorgd dat de bijbel een grote hoeveelheid liederen bevat – het boek van de Psalmen, maar ook andere Schriftgedeelten – waarin Hij eveneens aan het woord komt, door de mond van de gelovigen. Luther en Calvijn hadden niet dezelfde visie op de eredienst, maar verschilden niet van mening over het feit dat de mens als schepsel de plicht heeft zijn schepper ook in zijn lied te loven. Dat gebeurt vooral door na te spreken wat Hij in zijn woord heeft gezegd. In die zin wordt in het kerklied de verkondiging van het evangelie voortgezet. Daarom is er ook geen tegenstelling tussen de Woordverkondiging in de preek en de Woordverkondiging in het lied. Beide hebben dezelfde spits: het uitdragen van de woorden van God met verschillende middelen. Het maakt de discussie over de verhouding tussen preek en lied grotendeels overbodig. Dan is het wel noodzakelijk dat de liederen in de eredienst inhoudelijk en qua vorm zoveel mogelijk aansluiten bij de Schrift.

Hoe verder de liederen daarvan afwijken, hoe problematischer de relatie tussen Woordverkondiging en lied wordt. Het valt niet te ontkennen dat in veel evangelicale liederen de mens een wel erg belangrijke rol speelt. In die liederen drukt hij zijn gevoelens uit. Er is niets tegen wanneer mensen door middel van liederen hun gevoelens tot uiting brengen, ook niet wanneer ze dat samen doen. Maar de eredienst is daarvoor niet geschikt; daar passen geen subjectieve en individualistische elementen in.

Noch Janneke Burger noch Hans Maat eisen het alleenrecht voor het evangelicale lied op. Ze willen dat in de kerken beide liedculturen vredig naast elkaar kunnen bestaan. Mw. Burger schrijft: “[Mijn] gemeente heeft toch vooral behoefte aan liederen die deze kloof [tussen het klassieke en het evangelicale lied] overbruggen. Waarom zijn die er dan zo weinig?” Misschien bestaan zulke liederen niet. Ik kan me niet goed voorstellen hoe zo’n lied eruit zou moeten zien. Hans Maat is realistisch. “Bovendien vraag ik me nog steeds af of je wel een bundel voor iedereen kunt maken.” Daarbij bedoelt hij vooral de theologische inhoud van het kerklied, maar dat kun je even zo goed betrekken op de vorm.

Dat is het grote probleem bij het Liedboek voor de Kerken. Dat gold voor het oude: een aantal kerken besloot het niet te gebruiken vanwege het feit dat daarin liederen waren opgenomen die zich inhoudelijk niet laten rijmen met de gereformeerde belijdenis. Het zal ook – en wellicht zelfs in nog sterkere mate – voor het nieuwe Liedboek gelden. Naast liederen van min of meer vrijzinnige snit zal het ook liederen uit de evangelicale hoek bevatten. Die zijn ook niet allemaal in een gereformeerde eredienst bruikbaar. En aangezien de kerk in veel opzichten multicultureel is geworden, ook als ze geheel autochtoon is, levert elke keuze weerstanden op.

Het gesignaleerde probleem is in wezen onoplosbaar wanneer de persoonlijke voorkeur en smaak van de gelovigen doorslaggevend is. Dat is in de kerk een onbegaanbare weg. Kerken zullen een heldere, schriftuurlijk gefundeerde visie op liturgie moeten ontwikkelen. Alleen zo kan de schijn vermeden worden dat de smaak van een elite of de macht van het getal bepalend is voor de keuzen die ten aanzien van het liedrepertoire gemaakt worden.

In de eredienst staat het Woord centraal. Daarom moet in het kerklied de Schrift tot klinken komen. Het is een geloofsbelijdenis: de gemeente spreekt zingend na wat ze in de Schrift gelezen heeft.

Evangelische schutkleur

27 juni 2012 1 reactie

Andries Knevel, presentator van de Evangelische Omroep, organiseerde op 18 juni j.l. een symposium over de vraag of de tegenstelling tussen reformatorisch en evangelisch achterhaald is. Zelf had hij die vraag al bevestigend beantwoord, zoals blijkt uit een interview met het Nederlands Dagblad (16.6.12). Zijn antwoord is vooral gebaseerd op de feiten zoals hij die waarneemt. Daartoe behoren de toegenomen contacten tussen vertegenwoordigers van beide stromingen. Op de pinksterconferentie Opwekking lopen gereformeerden en evangelischen door elkaar alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Jongeren maken zich niet druk over zaken die voor ouderen belangrijk zijn. “Voor oudere christenen doen de theologische verschillen er nog toe, maar jongeren interesseren zich niet meer voor verschillen op het gebied van verbond, verkiezing of de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging. Voor hen spelen culturele, sociologische aspecten een veel belangrijker rol. Zij zijn bezig met de vraag ‘ben ik een geliefd kind van God?’. Ze geven een andere expressie aan hun geloof, zingen uit de Opwekkingsbundel, kennen een zintuiglijke liturgie, en incorporeren postmoderne cultuuruitingen.” Op de vraag of hij dan geen verschillen ziet, antwoordt Knevel: “Kinderdoop versus volwassendoop en de waardering van de kerk der eeuwen, denk ik. Het instituut, met canon en credo, met synodes aan de ene kant, en aan de andere kant vrije gemeenten die soms in een los verband bij elkaar komen, maar waarbij het verband geen zeggenschap heeft over de theologie in een willekeurige gemeente.”

De door Knevel gesignaleerde feiten zijn niet te ontkennen. Maar de conclusies die hij daaruit trekt zijn nogal gemakzuchtig. De geringe belangstelling van jongeren voor zulke kwesties kan toch moeilijk als argument voor de irrelevantie van de verschillen dienen. Veel jongeren zien de gevaren van drankgebruik niet in. Is dat een reden hen hun gang te laten gaan? Knevel lijkt de door hem gesignaleerde verschillen bijna als bijzaken te beschouwen. Daarmee miskent hij hun belang en reikwijdte.

“De afwijzing van de kinderdoop staat zelden op zichzelf. (…) Naar mijn overtuiging is de kinderdoop (…) niet maar een zwerfkei tussen allerlei theologische thema’s, maar een exponent van onze theologische grondstructuur”, aldus ds. A.J. Mensink, predikant in de PKN en lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Hij wijst erop dat de afwijzing van de kinderdoop vaak gepaard gaat met een visie op de erfzonde en de vrije wil die haaks staat op de gereformeerde belijdenis. De visie op de doop heeft ook alles te maken met zaken als verbond en uitverkiezing. Daaruit kan de conclusie getrokken worden dat de vraag waarmee jongeren zich volgens Knevel vooral bezighouden, namelijk “ben ik een geliefd kind van God?”, helemaal niet zo ver afstaat van thema’s als verkiezing en verbond, waaraan volgens hem vooral ouderen grote waarde hechten. Zolang jongeren daarop geen Schriftuurlijk zicht hebben, zullen ze geen antwoord op hun vraag vinden.

Ook de visie op de kerk is geen ‘zwerfkei’. In het evangelische denken speelt de kerkgeschiedenis geen grote rol. Dat heeft veel met het sterk individualistische karakter van de evangelische beweging te maken. De kerkgeschiedenis maakt duidelijk dat de gelovigen onderdeel zijn van een gemeenschap die de eeuwen omspant. De kerkgeschiedenis begint niet bij ons. Ze leert ons dus bescheiden te zijn – niet bepaald een in het oog lopende eigenschap van de evangelische wereld. Wie de kerkgeschiedenis niet kent, kan er ook niets van leren. Wat we ervan kunnen leren is bijvoorbeeld dat veel wat als modern wordt aangeprezen, oude papieren heeft. We kunnen leren hoe dwalingen in het verleden de kop opstaken en hoe de gemeenschap van de heiligen zich daartegen heeft gewapend. De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn het resultaat van de strijd van de kerk tegen dwalingen. De belijdenissen bewijzen zich nog steeds als nuttige middelen om de kerk te vrijwaren van leervrijheid. Ze voorkomen dat de gemeente het slachtoffer wordt van de gedachtenspinsels van een voorganger. Daarbij speelt ook het kerkverband een belangrijke rol, als middel om zulke voorgangers hun plaats te wijzen en de gemeente te beschermen. Dat gebeurt ook door een Schriftuurlijke visie op het ambt, die voorkomt dat ieder die dat wil zich zomaar als ‘geestelijk leider’ kan opwerpen zonder door de gemeente geroepen te zijn.

Uit de verslagen van het symposium kreeg ik de indruk dat alleen diegenen aan het woord kwamen die de tegenstellingen tussen gereformeerd en evangelisch als achterhaald of in ieder geval als niet-fundamenteel en niet-kerkscheidend beschouwen. Je zou haast denken dat Knevel alleen degenen had uitgenodigd van wie hij verwachtte dat ze zijn eigen antwoorden van een steviger fundament zouden voorzien. Het zou interessant zijn geweest wanneer ook bijvoorbeeld prof. J.C. Maris, net als Knevel christelijk-gereformeerd, aan het woord zou zijn gekomen. Die zou voor flink wat tegenspraak hebben gezorgd. Dat mag tenminste worden geconcludeerd uit een lezing die hij enige tijd geleden heeft gehouden en waarvan het maandblad Nader Bekeken (mei 2012) een uitgebreide samenvatting publiceerde. Daarin zet hij de onderwerpen waarover evangelischen en gereformeerden van mening verschillen, op een rijtje. Hij laat zien dat die verschillen substantieel zijn en bepaald niet van marginaal belang. Hij komt tot die conclusie omdat hij de opvattingen die in evangelische kring gangbaar zijn confronteert met de gereformeerde religie, zoals die o.a. in de belijdenisgeschriften tot uitdrukking komt.

Wanneer we concluderen dat de tegenstellingen tussen evangelisch en gereformeerd wel degelijk fundamenteel van aard zijn, volgt daaruit niet dat gereformeerden zich van contacten met de evangelische wereld zouden moeten onthouden, zo dat al mogelijk zou zijn. Prof. Maris doet dat, niettegenstaande zijn duidelijke stellingname, ook niet. Integendeel: hij is van mening dat gereformeerden het één en ander van de evangelischen kunnen leren. Daarmee staat hij geheel in de gereformeerde traditie. Die wil zich immers altijd (laten) reformeren, wanneer vanuit de Schrift onjuistheden of eenzijdigheden worden aangewezen. De vraag is wel of gereformeerden de dingen die ze van evangelischen zouden kunnen leren, niet ook in hun eigen traditie zouden kunnen vinden. Maar die kennen ze waarschijnlijk niet.

Gereformeerden moeten de contacten met evangelischen niet uit de weg gaan. Maar dan moeten ze hun gereformeerde belijdenis niet thuis laten. Ze moeten ook in hun spreken en handelen laten zien wat die belijdenis voor hen betekent. Ze moeten zich zeker niet aanpassen aan wat in evangelische kring gebruikelijk is. In het al genoemde interview laat Andries Knevel zien hoe het niet moet.

Hoewel hij lid is van een christelijke gereformeerde kerk ziet hij er geen enkel bezwaar in op zondagmorgen een dienst van een evangelische gemeente te bezoeken. Iemand die is opgegroeid met de Nederlandse Geloofsbelijdenis zou toch moeten weten dat kerkelijk shoppen niet in overeenstemming is met wat die over de kerk belijdt. Knevel bezoekt niet alleen bijeenkomsten buiten het kerkverband waartoe hij behoort, hij gaat er zelfs in diensten voor. Dat doet hij kennelijk niet in zijn eigen kerkverband: in het interview noemt hij alleen PKN- en evangelische gemeenten. Daaruit mogen we wel concluderen dat hem in zijn eigen kerkverband geen preekbevoegdheid is verleend. Waaraan ontleent hij dan het recht de kansel te beklimmen om het Woord te bedienen? De Nederlandse Geloofsbelijdenis wijst ambtelijk optreden zonder “wettige verkiezing door de kerk” af (art. 31). Ze spreekt uit dat ieder “de tijd (moet) afwachten dat hij door God geroepen wordt, om daarin het overtuigend bewijs te hebben dat zijn roeping van de Here komt”. God roept door middel van zijn gemeente tot het ambt. Die belijdenis is aan evangelischen niet besteed. In die wereld kan iedereen zich opwerpen als “dienaar van het Woord”, omdat hij zich geroepen voelt. Het is kenmerkend voor het individualistische karakter van de evangelische beweging.

Hoezeer Knevel zich daaraan heeft aangepast blijkt uit zijn formuleringen. Wanneer gevraagd wordt of zijn bezoek van een evangelische bijeenkomst samengaat met zijn lidmaatschap van de christelijke gereformeerde kerk volgt geen antwoord vanuit de Schrift of de belijdenis. Hij verdedigt zijn kerkelijk shoppen vanuit zijn persoonlijke beleving. “Ik bevind me zondagochtend zeer wel in Crossroads, waar ik met vreugde Engelstalige opwekkingsliederen zing, en waar de liturgie expressief en zintuiglijk is”. De vorm speelt voor hem een belangrijke rol en ook daarin is zijn persoonlijke voorkeur doorslaggevend. In zijn eigen gemeente bedwingt hij de neiging bij bepaalde psalmen “mijn handen in de lucht te steken. (…) Dan denk ik: dat moet ik maar niet doen. Om anderen niet voor het hoofd te stoten”. Afgezien van de vraag of iemand zich daaraan inderdaad zou stoten: waarom is dat zo belangrijk? Is dat een reden je heil elders te zoeken? Waarom hebben bepaalde christenen die bijna onbedwingbare neiging hun handen in de lucht te steken? Gaan ze soms ook op de knieën, wanneer de regel “wij knielen voor uw zetel neer” wordt aangeheven? Het eerste heb ik wel eens meegemaakt, het tweede nog nooit…

Wie meent dat de evangelische wereld de correctie van de gereformeerde religie nodig heeft, moet die religie – die niets anders is dan een (menselijke) weergave van de leer van de Schrift – zelf hooghouden en uitdragen. Wie als gereformeerde een evangelische schutkleur aanneemt, helpt zijn evangelische broeders en zusters niet verder.

Het kerklied en de kerkliedjes (2)

Tot de top-drie van onderwerpen waarover onder kerkmensen de emoties hoog kunnen oplopen, behoort ongetwijfeld de liturgie, en dan vooral het muzikale aspect daarvan. Hoe zou dat komen? Blijkbaar maakt muziek iets in mensen los, niet maar eerst verstandelijk, maar vooral emotioneel. Toen ooit een predikant aan het begin van zijn preek vroeg wie er van zingen hield, gingen vrijwel alle handen omhoog. Kennelijk laat muziek maar weinig mensen onberoerd.

Dat heeft Maarten Luther in de 16e eeuw al begrepen. Afgezien van het feit dat hij zelf een muziekliefhebber was, geloofde hij ook dat goede muziek de duivel op een afstand houdt: “Muziek verdrijft de duivel”. Dat heeft hem ongetwijfeld ook geïnspireerd tot zijn streven de gemeente aan het zingen te krijgen. Het gevolg was een stroom van teksten die door componisten op muziek werden gezet. Dat Luther belang hechtte aan muziek als onderdeel van het christelijk leven had hij niet van zichzelf. Hij kon zich daarbij beroepen op de bijbel. Door de hele bijbel heen wordt bij allerlei gelegenheden gezongen. Denk maar aan het loflied na de doortocht door de Schelfzee, na de uittocht uit Egypte. En het meest indrukwekkende bewijs van het belang van de muziek is het boek van de Psalmen, dat Luther “een kleine bijbel” noemde – een soort samenvatting van alles wat in de bijbel geschreven staat.

Het is dus geen wonder dat het kerklied en de kerkmuziek steeds weer voor discussiestof zorgen. Al weer een tijd geleden schreef ik onder de titel Het kerklied en de kerkliedjes een artikel over een conflict over het kerklied in de rooms-katholieke kerk. Het leek me goed die titel opnieuw te gebruiken om iets te schrijven over verschillende berichten die de laatste maanden in het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad te lezen waren.

De achterban van de eerstgenoemde krant bestaat vooral uit leden van zogenaamde bevindelijke kerkgenootschappen. Tijdens kerkdiensten worden daar vrijwel uitsluitend psalmen gezongen. Maar binnen het psalmboek lijkt een soort van canon te zijn gevormd. In het RD is een discussie ontstaan over de oorzaak van het feit dat bepaalde psalmen vrijwel niet gezongen worden. Die zoeken sommigen in de aard van de melodieën van die psalmen. Die zouden voor een belangrijk deel van de gemeente te moeilijk zijn. Daarom pleiten sommigen ervoor die door eenvoudiger melodieën te vervangen.

Dit is niet de plaats om uit te wijden over de muzikale kant van de zaak. Maar ik verbaas me wel over het aangereikte medicijn. De keuze voor simpeler melodieën is wel erg gemakzuchtig. Deze suggestie geeft blijk van hetzelfde fatalisme dat ook op andere terreinen te signaleren is (ik kom daar in een ander verband nog op terug). En dat is merkwaardig, want de christelijke wereld staat bol van het activisme. We moeten van alles: evangeliseren, gemeenten stichten, diaconaal actief zijn, de liturgie vernieuwen en wat niet al. Maar het aanleren van een niet zo erg gemakkelijke melodie is blijkbaar te veel moeite. Misschien moeten we, voordat we besluiten bepaalde melodieën of zelfs het hele Geneefse psalter in de vuilnisemmer te kieperen en door meezingers te vervangen, eerst eens een poging doen de luiheid, de gemakzucht en de ongeïnteresseerdheid te bestrijden die uiteindelijk ten grondslag liggen aan de beperkte keuze uit de psalmen.

Luiheid en gemakzucht komen ook om de hoek kijken bij een andere kwestie, waarover het Nederlands Dagblad (7.3.12) schreef. “Als kerkenraden van Gereformeerde Bondsgemeenten besluiten naast de psalmen ook andere liederen te zingen, gebeurt dat vooral omdat de gemeente daarom vraagt, blijkt uit een steekproef van de Gereformeerde Bond”, zo meldde de krant. “De Gereformeerde Bond is er kritisch over dat er vaak nauwelijks inhoudelijke onderbouwing is voor de liedkeuze tijdens de kerkdienst, zowel van alleen psalmen als ook van andere liederen daarnaast, zo blijkt uit een artikel op de website van kerkblad De Waarheidsvriend.” Dat komt mij, als lid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), erg bekend voor. “U vraagt en wij draaien”, dat lijkt de houding van veel kerkenraden te zijn. Waar een op argumenten gebaseerde visie op het kerklied – en, naar te vrezen valt, op liturgie in het algemeen – ontbreekt, gaan gemeenten naar het pijpen dansen van degenen die het hoogst van de toren blazen. Het is best voor te stellen dat kerkenraden, gezien de hoeveelheid werk die op hun bordje ligt en het chronisch gebrek aan ambtsdragers, er tegenop zien tijd te steken in het formuleren van een visie op liturgie. Maar ze hoeven echt niet allemaal het wiel uit te vinden. In de meeste kerkverbanden zijn organisaties van kerkmusici en/of organisten actief die daarbij een helpende hand kunnen bieden. Dan moeten kerkenraden wel bereid zijn naar argumenten te luisteren. De ervaringen van kerkmusici lijken erop te wijzen dat de bereidheid daartoe niet al te groot is. De oorzaak zou wel eens kunnen zijn dat die musici een visie hebben die haaks staat op wat de bovengenoemde pijpers graag willen horen. En dus winnen de kerkliedjes het regelmatig van de kerkliederen.

Tenslotte maak ik melding van een bericht in het Nederlands Dagblad van 1 maart 2012. De kop vat de inhoud treffend samen: “Meer loflied dan klaagzang in kerkdienst”. Theoloog en muzikant Theo van Setten signaleert dat het loflied veel ruimte krijgt in de kerk, maar dat dit niet geldt voor de klaagzang. Hij wijst erop dat “een substantieel deel van de psalmen en van de profeten doortrokken (is) van de klacht, maar op een of andere manier is de lofprijzing beter te verteren dan de klacht.” Volgens hem ontbreekt de klacht in evangelische kringen zelfs vrijwel geheel. Maar ook in meer traditionele kerken is de aandacht voor de nood in de wereld nogal plichtmatig. Van Setten gaat ook in op wat hij als de oorzaak ziet: succes en geluk zijn maakbaar geworden. “Je moet altijd positief en optimistisch zijn. Zelfs het ergste dat ons overkomt, vormt slechts een beloftevolle ‘uitdaging’, zo leren managementgoeroes ons. Klagen en zeuren zijn taboe. Ten diepste zijn we verlegen met de klacht, die komt misschien te dichtbij.”

Er zullen best gemeenten zijn waarvoor Van Settens observatie niet opgaat. Maar ik denk dat hij er gelijk in heeft dat de donkere kanten van het menselijk bestaan in de liturgie veel minder aan bod komen dan de lichtzijde. Ik kan me eigenlijk nauwelijks herinneren dat als openingslied van een kerkdienst een klaagzang werd aangeheven. Ook hier is dus sprake van een soort van canon, zij het niet op grond van de melodie maar vanwege de inhoud. En dat is uiteraard ernstiger.

Wat is de oorzaak van deze eenzijdigheid? Van Setten wijst op het tegenwoordig overheersende maakbaarheidsdenken. Dat komen we in de maatschappij tegen en ook in de door het liberalisme gedomineerde politiek. Maar zou dat ook in de kerk een rol spelen? Naar mijn ervaring komen in preken en met name in de voorbeden de moeiten van het leven zeker aan de orde, al was het alleen maar omdat in elke gemeente er wel mensen zijn die deze kant van het leven uit eigen ervaring kennen. Waarom vindt die aandacht dan zo weinig weerklank in de gezongen liederen?

Eén van de oorzaken is ongetwijfeld de groeiende populariteit van het evangelische kerklied. Ik verwees al naar Van Settens observatie dat in evangelische kring de klacht vrijwel geheel ontbreekt. Ook in diensten die ik bijwoon, wordt van tijd tot tijd een lied uit de bundel Opwekking gezongen. Een klaaglied heb ik nooit voorbij horen komen. Het is juist het boek van de Psalmen waarin de moeiten van het menselijk leven alle ruimte krijgen. Wanneer de psalmen meer en meer naar de marge gedrukt worden gaat ook de klacht verdampen.

Maar dat kan niet de enige oorzaak zijn. Want ook de keuze uit de psalmen is vaak zodanig dat de klacht niet al te veel nadruk krijgt. Als al een couplet gezongen wordt waarin daaraan uiting wordt gegeven, wordt toch vrijwel altijd afgesloten met een hoopvol getoonzet couplet. Op zaterdag 17 maart j.l. vond in Maarssen een studiedag over dit onderwerp plaats. Het Nederlands Dagblad van 19 maart deed er verslag van. Typerend is een opmerking van theoloog Evert Jonker. “Het is not done om lang in de modder te blijven zitten, ook in de kerk”. Uit de reacties van de deelnemers die in het verslag worden opgetekend blijkt dat hij gelijk heeft. De vraag is dan wel – en die werd ook gesteld door andere deelnemers – of daarmee het leed voldoende gepeild wordt. De vaak gehoorde opmerking dat na klachten altijd een positieve omslag volgt, kan weerlegd worden met een verwijzing naar Psalm 88.

Zou een oorzaak kunnen liggen in het toenemende individualisme? Hoe worden kerkliederen eigenlijk gezongen? Zingt men die als gemeente of als individuele gelovige? Als het laatste het geval is wordt het zingen van klaagliederen problematisch, want gelukkig gaat het de meeste mensen relatief goed.
Ik herinner me een brief van een gemeentelid aan haar kerkenraad. Ze maakte bezwaar tegen het zingen van een loflied aan het begin van een kerkdienst, omdat ze zelf nogal in de lappenmand zat en haar hoofd niet naar het zingen van een loflied stond. Dat is begrijpelijk, maar daarmee kan een liturg geen rekening houden. Het omgekeerde is ook voorstelbaar: heeft iemand die met een blij gemoed de kerk binnenstapt er behoefte aan een klaagpsalm aan het begin van de dienst te zingen?

Als dat de maatstaf wordt is de gemeente uit het zicht verdwenen. Het zijn geen individuele gelovigen die in de kerk psalmen en andere liederen zingen. Hun persoonlijke gevoelens kunnen en mogen geen maatstaf zijn voor de keuze van de liederen. Het is de gemeente die een lofzang zingt of een klaaglied aanheft. De inhoud daarvan hoeft geen directe relatie te hebben met de gemoedsgesteldheid van de individuele gelovige, maar weerspiegelt het leven van de gemeente. Daar horen zowel het klaaglied als de lofzang bij.

Enige tijd geleden begon een voorganger zijn gebed, na een sterfgeval, met de zin: “Uw gemeente is verdrietig”. Ongetwijfeld waren er kerkgangers die de overledene niet persoonlijk kenden en geen persoonlijk verdriet voelden. Daarover hoeven ze zich niet schuldig te voelen. Maar dat doet niets af aan de waarheid van wat de voorganger zei. ‘Blij met de blijden’ wil niet zeggen dat iedereen zich persoonlijk blij hoeft te voelen, en ‘bedroefd met de bedroefden’ verlangt geen persoonlijk gevoelde droefheid. Het betekent dat zowel de vreugde als het verdriet in de gemeente een plaats krijgen in de eredienst en ook in de keuze van de liederen tot uitdrukking komt. Bij de vreugde lukt dat wel, maar bij het verdriet veel minder.
Dat vraagt om bezinning op het wezen van gemeente-zijn. Dat is geen overbodige luxe in een cultureel klimaat waarin veel mensen zichzelf erg belangrijk vinden en er voortdurend de nadruk op wordt gelegd dat je voor jezelf moet opkomen.

Maar er is ook actie nodig op liturgisch gebied. Het beste medicijn tegen een canon binnen het boek van de Psalmen is het consequent systematisch doorzingen van het psalmboek. Laat een gemeente gewoon de morgendienst eens beginnen met Psalm 1 en dan elke zondag doorgaan waar ze de vorige zondag gebleven was. Dat moet geen keurslijf worden: op eerste Paasdag hoef je geen klaagpsalmen te zingen. Maar ze moeten wel aan de orde komen. Door een in principe vast stramien kan worden voorkomen dat een wezenlijk onderdeel van het leven van de gemeente onderbelicht blijft. Het draagt er bovendien toe bij dat het psalmboek de status houdt die het toekomt. Want de psalmen zijn naar hun aard echte kerkliederen, die het hele leven weerspiegelen en die de generaties en “stammen, talen en naties” verbinden. Daar kan geen kerkliedje tegenop.