Archief

Posts Tagged ‘ouderling’

GKV waarheen? (1)

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) zijn een kerkverband in verwarring. Sinds de perikelen van de jaren ’70 van de vorige eeuw, die tot het ontstaan van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) leidden, bevond het kerkverband zich in relatief rustig vaarwater. Natuurlijk kwamen op kerkelijke vergaderingen, zoals Generale Synodes, wel zaken aan de orde die aanleiding gaven tot verschil in opvatting, maar die waren zelden van fundamentele aard. Sinds de eeuwwisseling is het vaarwater nogal troebel geworden. Er begon van alles te schuiven, vaak eerst in plaatselijke kerken en daardoor van een beperkte reikwijdte. Eén van de kenmerken van de veranderingen was dat ze vaak stilzwijgend plaatsvonden. Men confronteerde zich niet met de gangbare opvattingen en praktijken en voelde zich daarom ook niet geroepen nieuwe opvattingen en vormen te beargumenteren.

Die fase hebben de GKV achter zich gelaten. De meningsverschillen zijn de laatste jaren aan de oppervlakte gekomen en niemand kan meer doen alsof ze er niet zijn. Dat heeft drie oorzaken. De eerste is het besluit van de laatste Generale Synode (aan te duiden als GS-Meppel) de ambten van predikant, ouderling en diaken open te stellen voor vrouwen. De tweede is het besluit te streven naar een fusie op afzienbare termijn met de NGK. De derde is het besluit van de GS-Meppel een studie te laten verrichten naar de positie van homoseksuelen – en dan met name diegenen die een relatie aangaan – binnen de kerk. Terwijl dat laatste onderwerp op de eerstvolgende GS (GS-Goes, 2020), die in november a.s. wordt geopend, waarschijnlijk nog niet aan de orde zal komen, zullen de eerstgenoemde twee kwesties daar een centrale rol spelen. Dat heeft, voor wat de openstelling van de ambten betreft, vooral te maken met de bezwaren die door diverse kerken zijn ingebracht tegen het besluit van de GS-Meppel.

Inmiddels wordt er op allerlei niveaus gediscussieerd over dat besluit. Dat gebeurt niet alleen op landelijk niveau, via publicaties in allerlei vorm, maar ook in gemeenten, dankzij het feit dat de GS de gemeenten de vrijheid gaf de genomen besluiten al dan niet uit te voeren. Het heeft in veel gemeenten voor wrijving en verwijdering gezorgd. Niet alleen ‘bezwaarden’ vragen zich af: wat nu? Waar gaan we als kerken heen? Kunnen we de eenheid nog bewaren of bestaat die in feite al niet meer? En als er een breuk optreedt, wat dan? Een alternatief dient zich niet altijd direct aan. Niet weinige bezwaarden kunnen het de Gereformeerde Bond nazeggen, toen die met de aanstaande vorming van de PKN werd geconfronteerd: we kunnen niet mee en we kunnen niet weg.

Ik wil hier een poging doen de stand van zaken op te nemen en m’n gedachten laten gaan over de te verwachten ontwikkelingen. Wat kunnen we van de komende Generale Synode verwachten en wat zullen de consequenties van eventuele besluiten zijn?

Allereerst de kwestie betreffende de openstelling van de ambten. Voor de goede orde: het gaat daarbij vooral om de ambten van predikant en ouderling. Over de openstelling van het ambt van diaken bestaat een vrij grote overeenstemming.

Ik zie hier vier opties.

De eerste is dat de GS tot de conclusie komt dat het besluit van de GS-Meppel principieel onjuist was en dat op grond van de Schrift de ambten van predikant en ouderling aan mannen voorbehouden zijn. Dat zal vèrgaande consequenties hebben. Het betekent dat er geen basis is voor de ambtsuitoefening van die vrouwen die al als ouderling functioneren. Zij zullen hun ambt per direct moeten neerleggen. Dat is uiteraard een pijnlijke zaak. Maar nog pijnlijker is de principiële kant. Want toen zij bevestigd werden, hebben zij “ja” gezegd, toen hun gevraagd werd of ze ervan overtuigd waren dat God hun tot die taak geroepen had. Dat moet dan achteraf als een vergissing worden aangemerkt. Daarbij blijft het niet. Want zo’n besluit impliceert dat de opvattingen van de voorstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen als onschriftuurlijk moeten gelden. Wat betekent dit voor het functioneren van predikanten en hoogleraren die zulke opvattingen publiek hebben uitgedragen? Er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen dat een zodanig besluit als een splijtzwam zal gaan werken. Alleen al om die reden kunnen we er gevoeglijk van uitgaan dat zo’n besluit niet genomen zal worden.

De tweede optie is dat wordt uitgesproken dat uit de discussies blijkt dat er veel onzekerheid bestaat over de correcte uitleg van teksten die met het onderwerp te maken hebben. De synode zou, vanuit de overweging dat een grote mate van consensus in deze kwestie gewenst is, kunnen besluiten een studie-deputaatschap te benoemen dat zich nog eens over de exegese van relevante Schriftplaatsen gaat buigen en met name over die, welke aanleiding geven tot fundamentele verschillen van inzicht. Je zou dit de veilige optie kunnen noemen. Definitieve besluiten worden niet genomen, noch in de ene noch in de andere richting. De discussie op allerlei niveaus kan worden voortgezet zonder consequenties voor de deelnemers. Het ligt voor de hand dat, zolang geen nieuw besluit wordt genomen, geen vrouwen in de ambten worden bevestigd. Die vrouwen die al een ambt bekleden, zouden hun termijn kunnen volmaken.

De derde optie is dat de synode uitspreekt dat het besluit weliswaar juist is maar dat de argumentatie te wensen overlaat. Ze zou uit haar midden een aantal afgevaardigden aan het werk kunnen zetten om een deugdelijker onderbouwing van de genomen besluiten te formuleren. Dit is de meest problematische optie. Het komt er in feite op neer dat de synode zegt: vrouwen mogen wel in de ambten benoemd worden, maar we weten eigenlijk niet zo goed waarom. Je zou dit ook de meest gênante optie kunnen noemen. Hiermee deelt de synode zichzelf en haar voorgangster een brevet van onvermogen uit.

De vierde optie heeft met de eerste gemeen dat ze de helderste is. De synode bevestigt het besluit van de GS-Meppel en meent dat de onderbouwing toereikend is en recht doet aan de Schrift. Maar daarmee is de kous niet af. De vraag die ze daarbij niet kan ontlopen, is of ze het kan volhouden dat alle meningen gelijke rechten hebben binnen de kerken. Want als de discussie sinds de laatste GS iets laat zien is het dat dit leidt tot ongemak, wrijving en gewetensconflicten. De synode ontkomt er niet aan zich af te vragen of deze verdeeldheid nog past binnen de bandbreedte van wat we als kerken onder ‘gemeenschap van de heiligen’ verstaan. Een bevestiging van de besluiten zal onvermijdelijk – en ook hier ligt een parallel met de eerste optie – tot verdere verdeeldheid leiden en wellicht tot een formele breuk binnen het kerkverband.

Welke optie is de meest waarschijnlijke? Ik zou het niet weten. De eerste is, zoals ik al suggereerde, de minst waarschijnlijke. De consequenties daarvan zullen zo ingrijpend zijn dat men het niet zal aandurven, zo’n besluit te nemen. Uiteraard hangt de uitkomst af van de vraag hoe de synode is samengesteld. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat er voldoende draagvlak zal zijn voor een zo vèrgaand besluit. Het feit dat tenminste twee vrouwelijke ouderlingen zijn afgevaardigd naar de GS-Goes maakt dat nog onwaarschijnlijker. Het zal dus wel één van de andere drie worden. Vooralsnog geef ik de laatste de meeste kans.

Er is nog een tweede kwestie die de gemoederen bezighoudt, al neemt die in de discussies in de pers en op vergaderingen een minder prominente plaats in. Dat laatste zou wel eens z’n oorzaak daarin kunnen vinden dat de fusie met de NGK minder verzet oproept dan de openstelling van de ambten voor vrouwen. Het is opvallend dat tijdens de GS-Meppel de stemverhoudingen bij deze twee onderwerpen verschilde. Het aantal stemmen tegen de fusie tussen GKV en NGK was kleiner dan dat tegen het voorstel betreffende de ambten. Daaruit moet de conclusie getrokken worden dat er afgevaardigden waren, die bezwaar hadden tegen de toelating van vrouwen tot de ambten, maar niet tegen de fusie met de NGK. En dat is vreemd. Want binnen de NGK is de uitoefening van de ambten van predikant en ouderling door vrouwen geen onderwerp van discussie meer. Het is inmiddels ingeburgerd en de kans dat het na een fusie met de GKV nog weer ter discussie zal worden gesteld, lijkt me vrij klein. Degenen die verschillend stemden, zullen zich toch wel gerealiseerd hebben dat met een fusie precies datgene de kerk binnenkomt, wat ze door hun tegenstem bij het voorstel over ‘vrouw en ambt’ buiten de deur wilden houden?

Maar daarbij blijft het niet. Zoals ik in eerdere weblogs heb betoogd, komen met de fusie ook andere zaken de kerk binnen die je juist zou moeten weren. Dat betreft de te zwakke binding aan de belijdenis en – daarmee annex – een te grote vrijheid van plaatselijke kerken op het gebied van de geloofsleer en de ethiek, alsmede de vrijheid de leer van ds. B. Telder uit te dragen en, niet te vergeten, het gedachtegoed van New Wine, dat op een aantal punten niet verenigbaar is met de gereformeerde geloofsleer en de gereformeerde manier van kerk-zijn. Het voorstel voor een kerkorde van de verenigde kerk onderstreept dat die kerk meer op de huidige NGK zal gaan lijken dan op de GKV, zoals die tot aan het begin van deze eeuw was.

Het feit dat tegen deze fusie zo weinig weerstand wordt geboden, is bepaald verontrustend. Kennelijk zien verreweg de meeste voorgangers en kerkenraden hier geen problemen. En van degenen bij wie dat wel het geval is, is lang niet iedereen bereid daaraan de consequentie te verbinden dat die fusie dan maar niet door moet gaan. Ik weet op dit moment niet of tegen het principebesluit tot een fusie door gemeenten bezwaren zijn ingebracht en ook niet wat de synode op dit punt eventueel nog zou moeten besluiten. Vooralsnog lijken de kansen dat er nog zand in de machine wordt gestrooid, niet erg groot. De trein zal dus wel voortrazen tot een stadium is bereikt dat er in feite geen weg terug meer is.

Wanneer inderdaad zal gebeuren wat ik hierboven als het meest waarschijnlijke heb aangemerkt, zullen leden van de GKV die zich met deze ontwikkelingen niet kunnen verenigen, des te nadrukkelijker voor de vraag komen te staan: wat nu? Daarover gaat de tweede aflevering van deze serie.

Advertenties

Een kudde zonder herders? (2)

In de vorige bijdrage heb ik betoogd dat de leiding die in het verleden werd gegeven via persorganen als De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad/Nederlands Dagblad niet berustte op enige ambtelijke opdracht of bevoegdheid. Degenen die leiding gaven, konden dat alleen doen omdat hun leiding door de kerkleden aanvaard werd. Juist op dat punt is de gereformeerde wereld fundamenteel veranderd. Aan het eind stelde ik de vraag of het feit dat genoemde bladen – althans in de opvatting van prof. Douma en anderen – geen leiding (meer) geven, betekent dat de gereformeerden een kudde zonder herders geworden zijn. Daarover gaat deze tweede bijdrage. Waar zijn de herders van de kudde eigenlijk te vinden?

We spreken over Gereformeerde Kerken – meervoud. De Gereformeerde Kerken waren en zijn geen landelijke organisatie met plaatselijke afdelingen – zoals de vroegere Nederlandse Hervormde Kerk – maar een verband van gemeenten die zich vrijwillig aaneengesloten hebben. Het hart van de Gereformeerde Kerken klopt dan ook in de plaatselijke gemeenten.

Het is hier dat de herders van de kudde te vinden zijn. Hier geeft God ambtsdragers die leiding moeten geven aan de gemeente. Omdat Hij hen zelf roept en aanstelt hebben ze gezag. Ze hoeven dat gezag dus niet te verwerven en zich als gezagsdrager ook niet waar te maken. De gemeente is geroepen zich aan hun gezag en leiding te onderwerpen, zoals in de bevestigingsformulieren voor predikanten en voor ouderlingen wordt onderstreept.

Het gezag van de ambtsdragers kan wel ondermijnd worden. De predikant heeft de taak “het Woord van God zuiver en onverkort” te verkondigen. Dat sluit een selectief omgaan met de Schrift uit, zoals tot uiting komt in het verzwijgen van zaken waarover de Schrift duidelijk is, bijvoorbeeld omdat ze in de gemeente op weerstand stuiten. Hij moet heel de Schrift laten spreken.
Het betekent ook dat hij het Woord in het middelpunt zet en persoonlijke meningen voor zich houdt. Op de kansel moet alleen de Schrift aan het woord komen. Alleen dan heeft de prediking gezag en kan de predikant zeggen: zo spreekt de Heer.

Het lijkt erop dat predikanten met dat laatste soms wat moeite hebben. Je hoort nogal eens iets zeggen als: daarover gaan we samen nadenken. Dat moet meestal niet letterlijk genomen worden, want van de toehoorders wordt in de regel geen bijdrage verwacht. Er spreekt een zekere bescheidenheid uit. Dat is sympathiek en bescheidenheid is ook voor een predikant een zeer goede eigenschap. Maar in dit geval is het een valse bescheidenheid. Hij verkondigt immers geen particuliere meningen of inzichten, maar de mening van de Geest van God. En dan is er geen reden voor bescheidenheid, integendeel.

Dat in de prediking de Heer zelf naar de gemeente toekomt, moet ook tot uiting komen in de manier waarop het Woord verkondigd wordt. Het Woord van God verdraagt geen theatervoorstelling op de kansel of allerlei fratsen waarmee de predikant de aandacht op zichzelf vestigt. Ook daardoor ondergraaft hij zijn gezag.

Hierboven was sprake van de kansel. Inmiddels worden in allerlei kerken kansels ongebruikt gelaten of zelfs verwijderd. Sommige predikanten geven er de voorkeur aan achter een katheder op een podium te staan. Er kunnen allerlei praktische overwegingen aan ten grondslag liggen, maar soms gaat de motivatie een slag dieper. Dan wordt gezegd dat de predikant dicht bij de toehoorders wil blijven en zich niet boven hen wil verheffen door de kansel te beklimmen.
Dat laatste lijkt me een gezocht argument. De ‘verheven’ positie van de kansel komt voort uit de praktische overweging dat het gehoor en het gezicht samenwerken: wie een spreker goed kan zien, kan hem meestal ook beter verstaan.
Er is niets tegen wanneer de predikant dicht bij de toehoorders wil staan. Maar dat heeft met de plaats vanwaar hij preekt, niets te maken. Het gaat daarbij eerder om de inhoud: hij preekt voor een concreet gehoor en moet zijn toehoorders ook ‘zien staan’.
Het zou weleens eerder zo kunnen zijn dat predikanten die zo’n argument gebruiken, moeite hebben met hun gezagspositie. Ze willen onderstrepen dat predikant en gemeente op gelijke voet staan. Maar dat is niet waar: voor God zijn allen gelijk, maar niet allen hebben hetzelfde ambt. Het ambt van alle gelovigen is een ander ambt dan dat van predikant. De taken en verantwoordelijkheden die de predikant heeft, verschillen van die van ‘gewone’ gemeenteleden.

Op hetzelfde vlak ligt de veld winnende gewoonte zich te laten tutoyeren en met de voornaam te laten aanspreken. Nu kan men betogen dat dit een kwestie van cultuur is. Tot op zekere hoogte is dat waar. In de Angelsaksische wereld is het gebruik van voornamen, ook voor overheidspersonen, heel normaal en het Engels kent geen onderscheid tussen “U” en “jij”. En de Nederlandse cultuur is onmiskenbaar veranderd: ook hier is het gebruikelijk geworden bijvoorbeeld de minster-president met zijn voornaam aan te duiden.
Maar de kerk hoeft de cultuur niet in alle opzichten te volgen. En zelfs wanneer iemand met de voornaam wordt aangeduid, hoeft dat niet te betekenen dat hij met de voornaam wordt aangesproken. Geen Amerikaanse journalist zal het in zijn hoofd halen in een interview de president met zijn voornaam aan te spreken. Hij zegt “Mr. President”, met respect voor het ambt dat hij bekleedt. En zelfs Nederlandse journalisten, die zich over het algemeen niet onderscheiden door wellevendheid, spreken de minister-president in een interview niet met zijn voornaam aan en tutoyeren hem ook niet. Waarom zouden we dat in de kerk met de predikanten dan wel doen? Helaas werken predikanten er zelf aan mee dat op deze manier de achting voor hun ambt vervluchtigt.

Over de ouderlingen heb ik het hier nog niet gehad. Zij hebben de taak de predikant in de uitoefening van zijn ambt bij te staan. Veel van wat ik heb opgemerkt over het ambt van predikant en de manieren waarop diens gezag kan worden ondermijnd, is mutatis mutandis ook van toepassing op het ambt van ouderling. Ook in dit geval is het heersende gelijkheidsdenken een bedreiging voor zijn gezag en dus zijn vermogen tot leidinggeven. Het huisbezoek kan gemakkelijk verworden tot een gesprek op voet van gelijkheid. Maar dat doet tekort aan het ambt: de ouderling komt in opdracht van Christus en dus met gezag. Niet voor niets wordt de gemeente ook bij de bevestiging van ouderlingen opgeroepen hen te gehoorzamen en zich aan hen te onderwerpen.

Voorwaarde is natuurlijk wel dat ze dan ook alleen met het Woord komen en hun persoonlijke meningen thuis laten. En ook van ouderlingen mag worden verwacht dat ze heel de Schrift en alleen de Schrift aan het woord laten komen. Daartoe hebben ze zich ook door middel van hun handtekening onder het ondertekeningsformulier verplicht. Daarin beloven ze dat ze de leer van de kerk, die in de Formulieren van Eenheid is vastgelegd en een samenvatting is van de leer van de Schrift, “met toewijding zullen onderwijzen en trouw verdedigen en elke dwaling die daarmee in strijd is, zullen afwijzen”. Voor ouderlingen die zich distantiëren van (onderdelen van) de belijdenis, is in de kerkenraadsbank geen plaats. Ook hier is het gezag van het ambt in het geding.

In deze tweede bijdrage ging het vooral over het ambt en de ambtsdragers. In de derde bijdrage gaat het over de gemeente. Wat betekent het dat de gemeente het gezag en de leiding van de ambtsdragers moet aanvaarden? Tot hoever gaat dat en wanneer is men van die plicht ontslagen? En hoe moet de gemeente ermee omgaan wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven?