Archief

Posts Tagged ‘overdopen’

Doop en kerklidmaatschap

In mijn vorige artikel ging het over de consequenties van het ‘overdopen’ voor het kerklidmaatschap. Volgens de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) is het enkele feit dat iemand zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’ nog geen reden te concluderen dat hij zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken. Ik stelde de vraag of hiermee recht gedaan wordt aan de relatie tussen doop en kerklidmaatschap. Omdat ook de toegang tot het avondmaal een onderwerp van discussie is, nam ik me voor nader in te gaan op de verbinding tussen de sacramenten en het kerklidmaatschap. Na enkele algemene opmerkingen over de sacramenten ga ik in dit artikel in op de doop. In een volgende bijdrage gaat het dan over het avondmaal.

Uitgangspunt is het gegeven dat God geen individuele mensen verzamelt, maar een volk, een gemeenschap. Dat deed hij in het Oude Testament door zich aan Israel te verbinden. Dat doet hij in de nieuwtestamentische tijd door zijn kinderen bijeen te brengen in de kerk. Op zijn zendingsreizen sticht Paulus gemeenten; aan een aantal daarvan schrijft hij brieven, waarin vooral het gemeentelijk samenleven uitvoerig aan de orde komt. In de Openbaring moet Johannes op Patmos brieven schrijven aan een aantal gemeenten in Klein-Azië. Ook in brieven aan individuele personen, zoals Timotheus, gaat het vooral over de gemeente. In de gemeenten stelt Paulus oudsten aan. Deze hebben als opdracht ervoor te zorgen dat het Evangelie wordt verkondigd en dat de gemeente bij de leer van Christus wordt bewaard (zie bv. Hand. 20,28).

Het Woord is genoeg voor ons behoud. Om dit te laten zien haalt Paulus in zijn brief aan de Romeinen Mozes aan. “Maar vervolgens zegt Mozes: ‘Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart’ – en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dichtbij u. Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered” (Rom. 10,8-9). Het gepredikte Woord zou dus voldoende moeten zijn. Maar door de geschiedenis heen blijkt dat mensen een zichtbare bevestiging van het gesproken woord verlangen. Daaraan is God tegemoet gekomen: herhaaldelijk geeft hij tekenen aan mensen dat zijn woorden echt waar zijn. Toen Abraham bereid bleek zijn zoon aan God af te staan, werd dat hem tot gerechtigheid gerekend. Toen was hij nog niet besneden. “De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde.” (Rom. 4,11).
Het Pascha, ingesteld bij de uittocht uit Egypte, is de zichtbare uitdrukking van de verbondenheid tussen Jahweh en zijn volk. Dat de sacramenten uiterlijke tekenen zijn van wat in het innerlijk heeft plaatsgevonden, onderstreept Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Het gaat om een innerlijke besnijdenis, die het werk is van de Geest (Rom. 2,28-29). De Geest werkt in de eerste plaats door de verkondiging van het Evangelie. Maar God heeft besloten van die innerlijke besnijdenis een uiterlijk teken te geven.

De Heidelbergse Catechismus zegt dan ook terecht in het antwoord op vraag 66 (HC, Zondag 25): “Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen.” De Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 33) brengt dit expliciet in verband met de zwakheid van ons geloof: “Wij geloven dat onze goede God, omdat Hij met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt, voor ons de sacramenten heeft ingesteld. Zo wil Hij ons zijn beloften verzegelen en ons onderpanden van zijn goedgunstigheid en genade jegens ons in handen geven.” Omdat de sacramenten het werk zijn van de Heilige Geest, mag de gelovige die niet ongebruikt laten.

Uit het bovenstaande kan een tweezijdige conclusie getrokken worden: Woord en sacrament zijn niet los verkrijgbaar. Ze horen bij elkaar, want door beide middelen wil God ons geloof voeden en onderhouden (NGB, art. 33). Wie zich door de verkondiging van het Woord wil laten voeden, kan zich niet aan de bediening van de sacramenten onttrekken. Daarom zijn het laten dopen van kinderen en de viering van het avondmaal niet facultatief; verzuim is reden tot ambtelijk vermaan. Het omgekeerde is ook waar: wanneer men de diensten waarin het Woord verkondigd wordt zonder wettige reden verzuimt, staat het recht op het gebruik van de sacramenten op het spel.

Hiermee komen we tot het eigenlijke onderwerp van dit verhaal. Als de Woordverkondiging en de sacramenten bijeen horen, hoe kan men dan in de ene gemeente deelnemen aan de verkondiging van het evangelie en voor de sacramenten zich bij een andere gemeente vervoegen? Op deze wijze wordt de eenheid tussen beide verbroken. Dat geldt des te meer wanneer de inhoud van de Woordverkondiging en de visie op de sacramenten in deze gemeenten principieel van elkaar verschillen. We hebben gezien dat de Geest zowel in de Woordverkondiging als in de bediening van de sacramenten werkzaam is. Kan Hij zichzelf tegenspreken door in de ene kerk via de prediking iets anders te verkondigen dan door middel van de sacramenten in de andere kerk?

Daar komt nog een belangrijk aspect bij: in beide gevallen is sprake van gemeenschap oftewel geestelijke eenheid. Wanneer in een kerkdienst een doop bediend wordt, is de gemeente maar niet een neutrale waarnemer, maar deelnemer. En het avondmaal is maar niet alleen een teken van eenheid met Christus, maar ook van de eenheid met elkaar. Dat wordt onderstreept doordat de gemeente, voorafgaand aan de avondmaalsviering, samen haar geloof belijdt.

Ik spits het bovenstaande nu toe op de doop.

Geconstateerd werd dat de sacramenten een toegevoegde waarde hebben. Ze staan niet los van de Woordverkondiging, ze staan er ook niet onder, maar ze staan er naast, als illustratie en bevestiging van dat Woord. Dat geldt zowel voor de doop als voor het avondmaal. In het zogenaamde ‘zendingsbevel’ in Matteus 28 draagt Jezus zijn leerlingen op de volken tot zijn leerlingen te maken en hen te dopen. Duidelijk is dat het tweede volgt op het eerste: de doop is de bevestiging van de verandering van mensen tot leerlingen van Christus. Door de apostelen wordt dit in praktijk gebracht. Op de Pinksterdag verkondigt Petrus het evangelie. Pas wanneer toehoorders vragen wat ze moeten doen, wekt hij hen op zich te laten dopen. Filippus legt eerst de Schrift uit aan de Ethiopiër; pas daarna wordt deze op zijn verzoek gedoopt (Hand. 8). Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs dat hij door Christus niet is uitgezonden om te dopen, maar om te verkondigen (1 Kor. 1). Zelfs al voordat Christus zijn werk begint heeft Johannes eerst de komst van het koninkrijk van de hemel aangekondigd alvorens mensen te dopen.

In het Oude Testament was de besnijdenis de manier waarop God zijn kinderen apart zette van de wereld. Dat zat hem niet in de besnijdenis zelf, want die kwam ook onder andere volken voor. De besnijdenis was een uiterlijk teken, een bevestiging van het feit dat God beslag op het leven van de besnedene had gelegd. Abraham werd pas op hoge leeftijd besneden. Hij werd niet toen pas een kind van God; dat was hij al. De besnijdenis was alleen het zichtbare teken dat het verbond dat God met hem had gesloten, bevestigde. Zo is het ook met de doop. Kinderen van de gelovigen zijn vanaf hun geboorte in het verbond opgenomen. De doop maakt dat voor de ouders en voor de gemeente zichtbaar. “De dienaren van hun kant geven ons alleen het sacrament, dat zichtbaar is, maar onze Here geeft wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven” (NGB, art. 34). Door de bediening van de doop in het midden van de gemeente te laten plaatsvinden, wordt de eenheid tussen Woord en sacrament onderstreept.

De doop is ook het middel waardoor Christus de kinderen van de gelovigen in zijn gemeente opneemt. “Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden” (HC, Zondag 27, antw. 74). Dat krijgt een formele vertaling in het feit dat een kind pas in het kerkelijk register wordt ingeschreven en als lid van de gemeente geldt, wanneer de doopsbediening heeft plaatsgevonden.

De relatie tussen doop en kerklidmaatschap wordt door de doopformulieren onderstreept.
Aan de doopouders wordt gevraagd of ze belijden dat “de leer van het Oude en Nieuwe Testament, die in de Apostolische Geloofsbelijdenis is samengevat en hier in de christelijke kerk geleerd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is”. Door die vraag bevestigend te beantwoorden, geven de ouders te kennen dat ze deel willen zijn de gemeente waar ze hun kind ten doop houden. Wie zijn kind laat dopen, vormt een geestelijke eenheid met de gemeente. Die wordt in het derde doopformulier dat in de GKV in gebruik is, onderstreept door de geloofsbelijdenis, voorafgaand aan de vragen aan de ouders.

In de doopsbediening in het midden van de gemeente komt ook tot uitdrukking dat de gemeente de gedoopte in haar midden opneemt en haar verantwoordelijkheid voor hem op zich neemt. Ze bidt dat God de gedoopte mag regeren zodat hij “in de Here Jezus Christus zal opgroeien en toenemen” en “uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die U aan dit kind en aan ons allen bewezen hebt, zal erkennen en belijden” (GKV, formulier I). In het tweede formulier wordt de verbinding tussen de dopeling en de gemeente explicieter gemaakt. In het gebed voor de doop wordt gezegd: “Laat de bediening van de heilige doop voor de hele gemeente tot zegen zijn. Wij zijn in uw naam gedoopt en U hebt ons allen zoveel beloofd. Geef dat wij dit bij deze doop opnieuw mogen zien, en des te meer bidden om de vervulling van uw beloften.” In het derde formulier wordt de gemeente na de bediening van de doop apart aangesproken. “Weet u geroepen door uw voorbede en voorbeeld deze ouders te steunen. Wees ook daadwerkelijk bereid om, waar nodig en mogelijk, eraan mee te helpen, dat dit kind groeit in het geloof, in de genade en de kennis van onze Heer Jezus Christus.”

Daarmee komt ook de formele kant van de doopsbediening in beeld. De gemeente heeft immers geen ondersteunende taak ten aanzien van elke gedoopte; alleen wie tot de gemeente behoort en daar zijn kind heeft laten dopen mag daarop aanspraak maken. De gemeente heeft ook – direct of via de kerkenraad – de plicht de ouders te vermanen wanneer ze hun bij de doop gegeven beloften niet nakomen. Maar dat geldt alleen ten aanzien van ouders die lid zijn van de gemeente en onder opzicht en tucht van de kerkenraad staan. Daarom worden ook alleen de kinderen van zulke ouders gedoopt.
Wie geen lid van de gemeente is, kan er geen aanspraak op maken dat zijn kind de doop ontvangt. Ook wanneer ouders te kennen geven zich aan de gemeente te willen onttrekken, kunnen ze niet meer verlangen dat hun kind in het midden van die gemeente de doop ontvangt. Zolang hun onttrekking niet formeel is aanvaard behoren ze weliswaar nog tot de gemeente, maar materieel staan ze er al buiten. Hoeveel betekenis kan aan hun antwoorden op de gestelde vragen worden gehecht? Wat betekent het, wanneer ze uitspreken dat de leer van die gemeente de “ware en volkomen leer van de verlossing” is, en beloven hun kind in die leer te laten onderwijzen, wanneer ze bijvoorbeeld van plan zijn zich te voegen bij een kerkgemeenschap waar deze leer ongestraft kan worden geloochend?

Doop en kerklidmaatschap horen bijeen. Dat heeft ook consequenties voor leden van de gemeente die zich elders laten ‘overdopen’. Maar daarbij doet zich wel de bijzonderheid voor dat het hier om volwassenen gaat, in veel gevallen zelfs om broeders of zusters die al belijdenis van hun geloof hebben afgelegd. En daarmee zijn ze gerechtigd het avondmaal te vieren. Daarom bewaar ik dit onderwerp tot de volgende keer. Dan gaat het over het tweede sacrament, het Heilig Avondmaal. Dan komt ook de vraag aan de orde wie tot de viering van het avondmaal kunnen worden toegelaten. Ook de positie van ‘overgedoopten’ komt dan ter sprake.

Advertenties

Feitelijke onttrekking

19 juni 2011 1 reactie

Het komt in vrijwel elke gemeente voor: broeders of zusters die te kennen geven zich aan de gemeenschap van de kerk te willen onttrekken. Aan zulke onttrekkingen ligt gewoonlijk een formele kennisgeving ten grondslag: een kerklid deelt schriftelijk aan de kerkenraad zijn besluit mee. Maar er zijn ook gevallen waarin iemand zich op een bepaalde manier van de gemeente verwijdert zonder dat hij zich formeel onttrekt.

Soms verhuist een gemeentelid naar een plaats die tot het grondgebied van een andere gemeente in hetzelfde kerkverband behoort. Het is dan de bedoeling dat hij zijn attestatie opvraagt bij het kerkelijk bureau van zijn gemeente en die, na ontvangst, bij de kerkenraad of het kerkelijk bureau van zijn nieuwe gemeente inlevert. Maar soms neemt een kerklid een verhuizing te baat om zich stilletjes aan de kerkelijke gemeenschap te onttrekken. Hij neemt dan niet de moeite de kerkenraad daarvan formeel op de hoogte te stellen. Het is in gereformeerde kerken niet gebruikelijk iemand ongevraagd een attestatie toe te sturen. De kerkenraad van de ‘oude’ gemeente heeft hier dus een probleem. Nu zou men kunnen overwegen de kerkenraad van de gemeente, op welks grondgebied de desbetreffende broeder of zuster woont, hiervan in kennis te stellen. Die zou dan de betrokkene kunnen benaderen en kunnen proberen hem of haar ertoe te bewegen zich bij de gemeente in de nieuwe woonplaats aan te sluiten. De vraag is of dat altijd verstandig is; dat zou best eens tot grotere verwijdering kunnen leiden. En het is ook de vraag of de ene kerkenraad de andere met zijn eigen probleem mag opzadelen. Het komt overigens ook voor dat niet eens bekend is waar een gemeentelid zich ophoudt. In beide gevallen draait het er meestal op uit dat de kerkenraad constateert dat het gemeentelid zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken.

Maar deze praktijk komt binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) op losse schroeven te staan door een uitspraak van de Generale Synode van Harderwijk. Ze sprak kortgeleden uit dat een ‘feitelijke onttrekking’ – een moderne formulering van een onttrekking ‘metterdaad’ – in de Kerkorde en in bestaande regelingen nergens voorkomt. Van een onttrekking kan volgens de synode alleen sprake zijn wanneer iemand bewust overgaat naar een andere kerk. Die constatering mag feitelijk correct zijn, daarmee worden kerkenraden in feite met een onoplosbaar probleem opgezadeld. Wanneer een kerklid om welke reden dan ook zich niet formeel onttrekt en kerkenraden hem niet op grond van een ‘feitelijke onttrekking’ kunnen uitschrijven, blijft hij lid. Dat is – zeker wanneer het niet tot één geval beperkt blijft – een financiële last, want zulke ‘papieren leden’ blijven meetellen bij de bepaling van de landelijke quota, die gerelateerd zijn aan het aantal gemeenteleden. Ernstiger nog is het probleem van zulke ‘papieren leden’ vanuit ambtelijk oogpunt. Amtsdragers zijn verplicht aan de hun vertrouwde gemeenteleden ambtelijke zorg te verlenen, maar dat wordt bij verhuizing uit het grondgebied van de gemeente in veel gevallen praktisch onmogelijk.

Voor de uitspraak van de Generale Synode bestond een concrete aanleiding. Door kerken uit twee provincies werd aan de synode de vraag voorgelegd hoe om te gaan met gemeenteleden die zich hebben laten ‘overdopen’ in een evangelische gemeente, maar toch lid willen blijven van hun eigen gemeente. Sommige kerkenraden interpreteren dit als een ‘feitelijke onttrekking’. Door de uitspraak dat voor zo’n onttrekking elke formele basis ontbreekt, gaat de vraag klemmen hoe in zulke gevallen gehandeld moet worden. De synode komt met het volgende antwoord: in zulke gevallen is “Bijbels onderwijs, zo nodig gevolgd door vermaan, nodig” (citaat uit het Nederlands Dagblad, 6.6.11).

Hieruit blijkt dat de synode het verschijnsel niet bagatelliseert. Dat wordt onderstreept door haar uitspraak dat een tweede doop “in strijd is met wat de Schrift leert en de kerken belijden” (citaat ND, 6.6.11). Daarmee heeft ze aangegeven dat hierin niet mag worden berust. Het gebruik van het woord ‘vermaan’ suggereert dat de kerkelijke tucht niet bij voorbaat buiten beeld moet blijven. Volgens het in de GKV fungerende Formulier voor de uitsluiting uit de gemeente van Christus ligt het vermaan ten grondslag aan de tuchtoefening die uiteindelijk tot uitsluiting uit de gemeente kan leiden. In het formulier wordt meegedeeld dat een gemeentelid “ondanks vele vermaningen” geen enkel teken van berouw toonde en dat hij of zij daarom van het heilig avondmaal werd afgehouden. Je zou hieruit mogen concluderen dat vermaan een voorstadium van de tuchtoefening is. Daarmee wordt de ernst van de aan de orde zijnde kwestie onderstreept.

Dat bijbels onderwijs noodzakelijk is wanneer een gemeentelid zich laat overdopen, is duidelijk. Maar is dat niet wat laat? Een ‘overdoop’ komt toch niet uit de lucht vallen? Daaraan is een proces voorafgegaan, en je mag hopen dat dit niet aan de aandacht van de kerkenraad is ontsnapt. Meestal heeft het betrokken gemeentelid regelmatig bijeenkomsten van een evangelische gemeente bezocht en dat zal vrijwel altijd gepaard gaan met het verzuimen van de eigen kerkdiensten. Van een kerkenraad mag worden verwacht dat hij de betrokkene hierop aanspreekt. En wanneer dan blijkt dat deze zijn heil in evangelische samenkomsten zoekt is dat al reden voor bijbels onderwijs. Te vrezen valt dat slordigheid of misplaatste tolerantie van kerkenraden er mede de oorzaak van is dat ze met de ‘overdoop’ als voldongen feit geconfronteerd worden. Bijbels onderwijs komt dan waarschijnlijk als mosterd na de maaltijd.

De uitspraak van de Generale Synode lijkt te zijn geïnspireerd door de ‘tolerantiebepaling’ die door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in 1914 is aanvaard. Daarin wordt uitgesproken dat gemeenteleden die hun kind niet willen laten dopen, niet direct in aanmerking komen voor tuchtmaatregelen, maar onderwezen moeten worden, omdat zij “te goeder trouw dwalen”. Maar dan moet wel de vraag gesteld worden of het hier om vergelijkbare gevallen gaat. Ouders die hun kind niet willen laten dopen zijn en blijven immers gewoon lid van hun gemeente en sluiten zich niet aan bij een gemeenschap die de kinderdoop verwerpt. Een volwassen gemeentelid dat zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’, geeft daarmee te kennen dat hij zich verbonden voelt met die gemeente. Maar: kan iemand zich verbonden voelen met twee gemeenten, die in hun geloofsleer in elk geval op een aantal punten diametraal tegenover elkaar staan? Er bestaat niet voor niets een nauwe relatie tussen de doop en het lidmaatschap van de kerk. Daarover laten de Heidelbergse Catechismus maar ook de formulieren voor de doop van kinderen en van volwassenen, die in de GKV gebruikt worden, geen misverstand bestaan.

Binnen de GKV is niet alleen ‘overdopen’ een onderwerp van discussie, de toegang tot de viering van het avondmaal is dat evenzeer. En ook dat laatste heeft alles met de belijdenis over de kerk te maken. Dat is een reden er speciaal aandacht aan te besteden. Dat komt in een volgende bijdrage in deze weblog aan de orde.