Archief

Posts Tagged ‘populisme’

Emigreren uit het kwaad

Ze trekken vrijwel dagelijks over het televisiescherm: vluchtende christenen die huis en haard verlaten om het vege lijf te redden voor het oorlogsgeweld en de terreur van ISIS. Ze zijn sprekende bewijzen voor het feit dat het klimaat voor christenen in de wereld van vandaag nogal guur is. Het Midden-Oosten is het meest sprekende voorbeeld. Daar hebben ze niet alleen te stellen met de vijandschap van radicale moslims. Christenen in Oost-Jeruzalem raken bekneld tussen de hamer van moslims en het aambeeld van ultra-orthodoxe Joden, die van christenen net zo weinig moeten hebben als hun islamitische tegenvoeters.

Via de vluchtelingen en de aanwezigheid van radicale moslims waait het klimaat van het Midden-Oosten over naar onze contreien. Op allerlei manieren krijgen we daarmee te maken. Soms wordt het conflict tussen christenen en moslims getransporteerd, zoals in sommige asielzoekerscentra het geval lijkt te zijn. Maar dat gure klimaat kan zich op andere wijzen manifesteren. Christenen die de islam als een valse godsdienst bestempelen en het verschil tussen christendom en islam onderstrepen, kunnen zomaar het verwijt krijgen haat te zaaien, zoals predikanten in Duitsland en Noord-Ierland moesten ervaren.

Er zijn ook andere redenen waarom christenen redenen hebben zich steeds meer unheimisch te voelen. In Nederland zien ze met lede ogen aan hoe wat nog van de christelijke cultuur rest in hoog tempo verdwijnt. Zelfs in de bible belt zijn ze niet meer veilig voor de lange armen van het secularisme. In Ede moet de zondagssluiting van de winkels eraan geloven. Dat de bevolking zich per referendum uitsprak tegen openstelling van winkels op zondag werd met een doorzichtige redenering voor irrelevant verklaard. Inmiddels worden ook pogingen ondernomen een wellicht nog sterker door het orthodoxe christendom gedomineerde gemeente als Katwijk te ontdoen van wat als ‘niet van deze tijd’ wordt beschouwd.

In de Verenigde Staten schreeuwen christenen moord en brand nadat het Hooggerechtshof bepaalde dat het homohuwelijk niet in strijd is met de grondwet. Daarmee is een streep gehaald door pogingen op het niveau van de deelstaten zulke huwelijken onmogelijk te maken. Sommige christenen wekken de indruk dat de Verenigde Staten daarmee in één klap tot het niveau van Sodom en Gomorra zijn afgedaald. Er werd zelfs gesuggereerd dat christenen maar moeten gaan emigreren, bijvoorbeeld naar Australië.

Zou dat helpen? Of zouden we misschien, met een variant op een bekend Nederlands spreekwoord, moeten zeggen: al is het goede nog zo snel, het kwade achterhaalt het wel?

In de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw zijn Nederlandse christenen naar Zuid-Afrika geëmigreerd, omdat ze de toekomst voor hen en hun kinderen somber inzagen en verwachtten daar nog een door het christelijk geloof gestempelde samenleving aan te treffen. Dat viel tegen. Sommigen kwamen teleurgesteld terug van een bezoek of een langduriger verblijf. Ze constateerden dat Zuid-Afrika niet veel christelijker was dan Nederland. Hetzelfde valt ongetwijfeld van andere samenlevingen te zeggen, ook wanneer daar meer christenen zijn die nog kerkelijk actief zijn, zoals de Verenigde Staten.

Emigreren uit het kwaad – mag dat eigenlijk wel? Soms zit er niet veel anders op, wanneer het kwaad zich dusdanig manifesteert dat blijven levensbedreigend is. Christenen in Syrië en Irak willen niet weg – ze willen blijven waar ze al eeuwenlang thuishoren. Maar veel keus hebben ze niet. In vergelijking daarmee zijn de zaken waarover christenen in onze contreien zich druk maken slechts kleinigheden. De meeste christenen uit het Midden-Oosten zouden hun problemen graag ruilen voor de onze.

Maar wij dan? Het lijkt aantrekkelijk als christenen samen te klonteren in enclaves. De tekenen zijn er: in de bible belt worden megakerken gebouwd met enkele duizenden zitplaatsen, terwijl in andere delen van het land kerken van orthodoxe snit moeten sluiten vanwege een gebrek aan leden of de onmogelijkheid de ambten te vervullen. Het leven van christenen die bij elkaar kruipen wordt er wellicht wel gemakkelijker van. Maar wordt het er ook beter van? Nederland wordt er in elk geval niet beter van. De lamp van het evangelie verdwijnt onder de korenmaat. Het zou ook wel eens contrapoductief kunnen zijn. Enclaves onttrekken zich aan het gezicht van de samenleving en daardoor zal de vervreemding tussen die samenleving en de kerk alleen maar groter worden. Zouden daardoor de tendenzen die christenen willen keren, niet juist versterkt kunnen worden?

Zoals al werd opgemerkt is ook de bible belt niet veilig voor het streven de maatschappij te ontdoen van de resten van een christelijke cultuur, zoals de winkelsluiting op zondag. En dat is maar één van de meest in het oog springende kwesties. Er zullen er in de toekomst ongetwijfeld nog meer komen. De enclaves zullen steeds kleiner worden. Vluchten kan dan niet meer.

Dan blijft dus alleen de confrontatie over. Dat klinkt eng en ruikt naar conflict. En aangezien christenen in de minderheid zijn en naar verwachting een steeds kleinere minderheid zullen worden, kunnen ze dat conflict alleen maar verliezen.

Dat getuigt niet van veel zelfvertrouwen. Of, beter gezegd, van vertrouwen in de kracht van de boodschap. Christenen hebben stevige grond onder hun voeten. Die is niet van zand, dus daar zakken ze niet doorheen. Maar dan komt het er wel op aan op die grond te blijven staan en zich niet in het drijfzand van het populisme te begeven. Christenen moeten de confrontatie niet schuwen, maar dan moeten ze wel de goede wapens hanteren. Op dat punt mogen christenen en christelijke gemeenschappen wel kritisch naar zichzelf kijken.

De crisis rond Griekenland die de media de afgelopen maanden heeft gedomineerd, kan een goede les zijn. De Griekse regering had de mogelijkheid een fundamentele discussie over het dominante economische beleid van de Europese Unie op gang te brengen. Dat beleid lijkt vooral financieel-economisch en weinig sociaal-economisch van aard. Maar door te kiezen voor een ramkoers werd die mogelijkheid om zeep geholpen. Daarmee heeft de Griekse regering niet alleen zichzelf en de Griekse samenleving, maar heel Europa een slechte dienst bewezen. Een politiek van provocatie en frontale aanvaring levert zelden iets goeds op. Ook de Nederlandse politiek laat daarvan een voorbeeld zien. Een politieke beweging als de PVV heeft van zo’n handelwijze haar handelsmerk gemaakt. Haar aanhangers vinden het prachtig, maar haar politieke invloed is nihil.

Helaas laten ook christenen zich ertoe verleiden op ramkoers te gaan liggen. Wanneer een Duitse predikant verkondigt dat er een principieel verschil is tussen christendom en islam verdient hij steun. Maar hij ondermijnt zijn boodschap wanneer hij beweert dat de islam niet bij Duitsland hoort. Dat mag hij vinden, maar die opvatting valt vanuit de Schrift niet te beargumenteren. Het idee dat er een intrinsieke relatie bestaat tussen een religie en een geografisch gebied is in wezen heidens, zoals iedereen kan weten die het Oude Testament kent. Het is bovendien een redenering die zich tegen christenen kan keren. Want hoort het christelijk geloof dan wel in Afrika of in China thuis? Als een godsdienst niet bij een regio of een cultuur past, kunnen zendelingen dan niet beter thuisblijven?

Wie zich in een confrontatie met het secularisme of met andere godsdiensten staande wil houden, dient zich te onthouden van alles wat nodeloos ergernis wekt. Daar horen zeker ook scheldpartijen bij. De Noordierse predikant naar wie ik eerder verwees, sprak als zijn mening uit dat de islam “een in de hel voortgebrachte leer” is. Dat klinkt wel stoer en bij PVV-sympathisanten zal zoiets wel in goede aarde vallen. Maar het is geheel onduidelijk welk doel met zo’n bewering gediend is. Het zal er in elk geval niet toe bijdragen ook maar één aanhanger van de islam tot nadenken te bewegen, laat staan hem nieuwsgierig te maken naar het christelijk geloof.

In de Verenigde Staten zal men van dit soort uitlatingen niet opkijken. Daar zijn politieke en maatschappelijke discussies wat minder gepolijst en scheldpartijen behoren er tot het vaste ritueel. Maar daar kunnen christenen zich niet achter verschuilen. Zij zouden beter moeten weten. Ze zouden moeten laten zien dat het anders kan en – nog belangrijker – dat het op grond van de Schrift anders moet. Te vaak lijkt het in het debat er eerder om te gaan de eigen positie te markeren dan de tegenstander te overtuigen. Er is alle reden voor Amerikaanse christenen alert te zijn op pogingen van de vaak agressieve secularisten alle verwijzingen naar het christelijk geloof uit de publieke samenleving te verbannen. Maar dan moeten ze zelf wel de grenzen van de beschaving in acht nemen en de wet respecteren. Het valt moeilijk sympathie op te brengen voor een openbare school die op slinkse wijze en op een nogal dwingende manier de leerlingen met het christelijk geloof confronteert. Het openbaar karakter van het onderwijs vraagt om terughoudendheid. Wie meent het onderwijs te kunnen gebruiken om leerlingen ongevraagd het christelijk geloof in te prenten, moet niet protesteren wanneer secularisten iets vergelijkbaars doen.

Ook ten aanzien van het homohuwelijk lijken Amerikaanse christenen alle proporties uit het oog te verliezen. Men kan zich er met recht en reden tegen verzetten, maar dat moet dan wel op een principieel-zakelijke en respectvolle wijze gebeuren. Het blijft trouwens moeilijk te doorgronden waarom uitgerekend deze kwestie zoveel emoties oproept. Zijn er niet veel andere zaken waarover christenen zich druk zouden moeten maken? En als het dan over Sodom en Gomorra gaat, was het kwaad daar niet vooral dat de gastvrijheid – in het Midden-Oosten van die dagen één van de belangrijkste deugden – fundamenteel werd geschonden? Dat geeft een wellicht iets andere kijk op ontwikkelingen in de Amerikaanse samenleving, zoals een christelijke voorman die ervoor pleit geen moslims meer toe te laten, niet op grond van hun daden of ideeën maar op grond van de wandaden van geloofsgenoten. Leert de Schrift niet dat ieder verantwoordelijk is voor zijn eigen daden en dat de zoon niet gestraft wordt voor de zonden van zijn vader?

De verschijnselen die aan het begin van deze blog werden beschreven, hoeven we niet te onderschatten. Maar vormen die de grootste bedreiging voor het christelijke leven en de kerk? Het grootste gevaar zou weleens van binnenuit kunnen komen. Secularisatie vindt niet alleen in de samenleving plaats, maar ook binnen de kerk en het christelijke leven. Die innerlijke secularisatie treedt op wanneer de Schrift en de christelijke belijdenis worden ingewisseld voor door onderbuikgevoelens gedreven populisme. Ze treedt op wanneer christenen denken dat geloof en kerk los verkrijgbaar zijn en dat ieder zelf – buiten de gemeenschap van de heiligen om – wel kan bepalen wat waarheid is. Ze treedt op wanneer een Schriftuurlijke ethiek het aflegt tegen de drogredenering dat Jezus iedereen aanvaardt zoals hij is en dat de Schrift eigenlijk geen algemeen geldende regels voor het christelijke leven bevat. Bij zulke vijanden binnen de poort zinken die buiten de poort in het niet.

We moeten nog een stap verder gaan. Het kwaad van de secularisatie bevindt zich niet alleen binnen de poort. Het zit in ieder van ons.

Emigreren uit het kwaad kan niet. Want wie emigreert, neemt altijd zichzelf mee.

Advertenties

De utopische verleiding

In reactie op de aanslag in Parijs zijn grote woorden gesproken. Massa’s mensen zijn op de been geweest ter verdediging van de vrijheid van een blaadje dat ze wellicht nog nooit gelezen hadden. Ook politici meldden zich: ze gingen de straat op, lieten spierballentaal horen en omarmden de gebeurtenissen als het ultieme bewijs dat ze altijd al gelijk hadden met hun visie dat de islam en de moslims niet deugen. Maar al dat verbale geweld kan niet verhullen dat ze met lege handen staan.

Het antwoord wordt gezocht in dreigingen en repressie waarbij sommigen het met de normen van de rechtsstaat niet al te nauw nemen. Nu en dan klinkt een stem die tot bezinning maant en er op wijst dat daarmee het probleem waarvoor het moslimextremisme ons stelt, allerminst wordt opgelost. Natuurlijk trekken bewegingen als ISIS avonturiers met weinig of geen ideologische bagage aan. Maar de gangmakers zijn ideologisch gedrevenen; misschien moet men ze zelfs idealisten noemen. Ze vechten ergens voor, en dat is precies wat hen tegenstaat in westerse samenlevingen, waarin niet weinige van hen zijn opgegroeid. Waar staan die samenlevingen voor? Wie afgaat op de reacties op de aanslagen in Parijs moet concluderen: voor vrijwel ongelimiteerde vrijheid, waarin werkelijk niets heilig is. Is dat een ideaal waarmee je het hart van mensen wint?

Er worden allerlei analyses ten beste gegeven over de oorzaken van het moslimextremisme. Die voldoen maar ten dele, en ze vallen bij de populistische goegemeente, die van de islam per definitie een afkeer heeft, in onvruchtbare aarde. Populisten en anti-islamisten willen het verschijnsel niet begrijpen en hebben geen behoefte aan informatie; ze hebben al een mening. Zij moeten zich er dan niet over verbazen als we over zo’n vijf à tien jaar even ver zijn als nu en nog steeds geconfronteerd worden met de gruwelen waarvan nu de kranten vol staan en met de onzekerheid wanneer en waar de volgende aanslag zal plaatsvinden.

Niet-moslims voelen een grote afstand tot de idealen en methoden van ISIS en ook onder moslims groeit de afkeer. Maar hoever staan die idealen eigenlijk van ons af? Er worden allerlei factoren genoemd die aan het optreden van ISIS ten grondslag liggen, zoals afkeer van de democratie – door sommige ISIS-aanhangers expliciet verworpen – en het afwijzen van de scheiding van ‘kerk’ en staat. Daarmee wordt het een conflict tussen ‘West’ en ‘Oost’, tussen Verlichting en achterlijkheid. Het echte probleem zou wel eens ergens anders kunnen zitten.

Door de geschiedenis heen hebben mensen verlangd en gestreefd naar een paradijs op aarde. Vrijwel niemand kan zich onttrekken aan – bijbels geformuleerd – de vloek die na de zondeval over de schepping is gekomen. Maar het ligt in de aard van de mens zich daarbij niet neer te leggen. Hij probeert de gevolgen van die vloek tegen te gaan, te verzachten of zelfs op te heffen. Daar is op zichzelf niets mis mee. God heeft aan de mensen grote mogelijkheden gegeven om uitvindingen te doen waarmee ziekten kunnen worden bestreden en veel werkzaamheden zonder al te veel ‘zweet des aanschijns’ kunnen worden verricht. Psalm 8 zegt zelfs dat Hij de mens bijna goddelijk heeft gemaakt. Bijna – en dat dreigt de mens te vergeten. Hij trekt een te grote broek aan en denkt dat niets onmogelijk is. In plaats van de pijn te verzachten matigt hij zich aan dat hij de pijn kan uitbannen. De werkelijkheid is dat vrijwel altijd de oplossing van één probleem nieuwe problemen schept.

Het streven naar een paradijs is onschuldig zolang het mensen aandrijft zich optimaal in te zetten. Het wordt anders wanneer men zijn eigen beperkingen niet onder ogen wil zien. Het gevaar is groot dat men zoekt naar factoren die het ideaal in de weg staan. Daarbij is men dan niet zelden geneigd die uit de weg te ruimen, desnoods met harde hand. Dat kunnen eventueel ook mensen zijn – diegenen, die bepaalde idealen niet delen of zich niet kunnen verenigen met de manier waarop die worden nagestreefd. In de loop van de geschiedenis hebben utopieën en bewegingen die zulke utopieën omhelsden, de nodige schade aangericht. De grootste massamoordenaars van de 20e eeuw – Hitler, Stalin, Mao Zedong, Pol Pot – lieten zich alle door een utopie leiden en alle brandmerkten bepaalde groepen mensen als de factoren die het bereiken van het ideaal verhinderden. Wie verder in de geschiedenis teruggaat kan niet om de Franse Revolutie heen – de concrete uitwerking van de Verlichting waarop velen in het Westen prat gaan en die aan andere culturen ten voorbeeld wordt gesteld. Daarbij zijn heel wat koppen gerold, vooral tijdens de Grote Terreur onder Robespierre waarvan mensen het slachtoffer werden die niet helemaal ‘recht in de leer’ waren. Komt dat iemand wellicht bekend voor? Een maatschappij die gebaseerd moet zijn op vrijheid, gelijkheid en broederschap is niet veel meer dan de seculiere variant van het islamitische kalifaat.

Wie denkt dat het christendom immuun is voor de utopische verleiding kent de geschiedenis van het Europese christendom niet. De van oorsprong lutherse lekenprediker Melchior Hofmann verkondigde dat in 1533 het Duizendjarig rijk zou beginnen en in dat jaar riep Jan van Leiden Münster als het Nieuwe Jeruzalem uit. Twee jaar lang voerde hij een schrikbewind. Na de val van het Nieuwe Jeruzalem gingen de wederdopers over tot het plegen van aanslagen. De utopie is een universele verleiding waarvoor niemand immuun is.

Wie zich daarvan rekenschap geeft, moet onder ogen zien dat wat ISIS drijft, niet zover van ons af staat als we wellicht graag willen geloven. Het heeft ook niets met religie te maken, zoals zij ons graag willen wijsmaken die elke vorm van religie als een gevaar voor de samenleving beschouwen. Ik wees al op de utopieën die de 20e eeuw tot één van de bloedigste in de geschiedenis hebben gemaakt. Geen van de drijvende krachten, die ik hierboven noemde, liet zich door een religieuze overtuiging leiden. Eén van de bekendste utopische ideologieën is die van het marxisme. De uitschakeling van de bezittende klasse zou het arbeidersparadijs dichterbij brengen. In het nationaal-socialisme waren het de joden en andere minderheden die als sta-in-de-weg werden beschouwd.

In onze tijd zijn utopieën nog steeds springlevend. Enkele decennia geleden werd de samenleving bijkans verstikt door de deken die de overheid daarover had uitgespreid. Ook al nam de sociaal-democratie grotendeels afstand van haar marxistische wortels, de utopische verleiding is niet bezworen. Voor haar is de overheid nog steeds een essentieel instrument om een rechtvaardige samenleving tot stand te brengen. We leven nu in de tijd van de ideologie van de markt. Daarin manifesteert zich de (neo)liberale utopie: wanneer men maar de markt zijn gang laat gaan, is welvaart en geluk binnen bereik. Niet de overheid, maar de markt is de geluksmachine. De gevolgen zijn allerwegen zichtbaar.

In onze tijd steekt ook het nationalisme de kop op, in de gedaante van het rechtsradicale populisme. Nu zijn het de moslims en in het algemeen mensen uit niet-westerse culturen die het maatschappelijk geluk verstoren. Hier is de monocultuur het ideaal: de cultuur van ‘echte’ Nederlanders. Wie dat zijn, is voor sommigen glashelder: blank, blond, blauwe ogen.

Mogen mensen dan geen idealisten zijn? Ooit sprak een minister de gevleugelde woorden: “als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan”. Zo’n benadering kan in bepaalde omstandigheden van wijsheid getuigen, maar als levenshouding voldoet ze niet. Het is geen boodschap voor zoekende zielen. Tegen het verlangen naar het paradijs is als zodanig niets in te brengen. Sterker nog, de bijbel gaat daarin voor. Ze schetst weidse perspectieven voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarbij alle menselijke voorstellingen van een ‘paradijs’ verbleken. Die nieuwe hemel en aarde zijn een utopie – volgens de Grote Van Dale een “niet te verwezenlijken ideaal”. Dat wil zeggen: niet door menselijke inspanning te verwezenlijken. Ze komen niet van beneden, maar van boven, en worden niet door menselijke inspanning tot stand gebracht.

Het probleem is dat de mens zichzelf niet kent. Wanneer het paradijs op aarde maar niet wil aanbreken, ligt dat inderdaad aan mensen – niet aan andere mensen, maar aan onszelf. Wat steeds weer opvalt in de bijbel is dat mensen die als oprecht en vroom worden gekarakteriseerd, zichzelf niet overslaan wanneer ze zich beklagen over de zonden van het volk of de mensheid in het algemeen. Of het nu Daniël of Nehemia is, ze spreken uit dat “wij” gezondigd hebben. En Elia, die als geen ander in zijn tijd ijverde voor de eer van God, zegt dat hij niet beter is dan zijn voorouders (I Kon 19,4). Alle mensen, zonder uitzondering, dragen de vloek van zonde en onvolkomenheid in zich mee.

Ook christenen die beter zouden moeten weten, bezwijken niet zelden voor de utopische verleiding. Ideeën zoals “overnieuw beginnen” met de kerk of het planten van gemeenten met de pretentie de fouten van de traditie vermijden, geven daarvan blijk. De kerk is dan wel de werkplaats van de Geest, maar hij moet het – en wil het – doen met gebrekkige en zondige mensen. Nogal wat gelovigen zijn voortdurend op zoek naar een kerk die “bij hen past”. Daarmee bedoelen ze dan een kerk waar ze zich niet hoeven ergeren aan wat er misgaat of ontbreekt. Maar dat is vergelijkbaar met het zoeken naar de vierkante cirkel. “De perfecte kerk bestaat niet. En al zou die bestaan, dan zou dat acuut over zijn op het moment dat ik lid zou worden.” Dat was een uiterst verstandige uitspraak van CU-politica Carola Schouten als reactie op de campagne die bekend werd als 7keer7. Helaas is dat inzicht niet ieder gegeven.

Het is niet zozeer het verlangen naar het paradijs of zelfs het nastreven van een utopie als zodanig die de maatschappelijke vrede in gevaar brengen, maar vooral de menselijke overmoed. De kerk beijvert zich om het goede nieuws van de verlossing door Christus uit te dragen. Maar ze moet vooral niet vergeten ook het weinig opwekkende, maar realistische verhaal van het menselijk tekort te vertellen. Dat besef kan mensen wapenen tegen de utopische verleiding en dient de maatschappelijke vrede.

Het gif van het nationalisme

Wie heeft het gedaan? Dat is de vraag die politici, pers en publieke opinie bezighoudt na de ramp met MH17 boven Oost-Oekraïne op donderdag 17 juli j.l. Dat hier sprake is van een daad van terrorisme wordt niet serieus betwijfeld. Of ooit kan worden vastgesteld wie de schuldigen zijn is de grote vraag. De omstandigheden waarin het onderzoek moet plaatsvinden geven weinig reden tot optimisme. Vooral in Nederland bestaat grote woede en verontwaardiging. Het verreweg grootste aantal slachtoffers was in het bezit van een Nederlands paspoort en dat maakt het begrijpelijk dat juist hier met argusogen en met ongeduld gekeken wordt naar de afwikkeling van deze ramp.

Het is waarschijnlijk niet realistisch te verwachten dat de achtergronden anders dan vanuit een – begrijpelijk – vooringenomen standpunt worden geanalyseerd. Toch zal het uiteindelijk er wel van moeten komen dat hier van wat meer afstand naar gekeken wordt. Dan mogen we niet de ogen sluiten voor de mogelijkheid dat de verschijnselen die tot deze ramp leidden niet zover van ons vandaan staan als we wellicht denken of graag zouden willen.

De ontwikkelingen in Oekraïne maken deel uit van een groter geheel. Uiteraard zijn er specifieke omstandigheden die met het land, de cultuur en de geschiedenis van Rusland en Oekraïne te maken hebben. Maar het zou van naïviteit getuigen te denken dat wat zich daar afspeelt elders niet zou kunnen voorkomen. We moeten onder ogen zien dat we ons in een tijdperk bevinden waarin het nationalisme herleeft. We dachten misschien dat die ideologie na de Tweede Wereldoorlog voorgoed ten grave gedragen was, maar de ontwikkelingen sinds de eeuwwisseling laten een tegenovergesteld beeld zien.

Na de val van het IJzeren Gordijn aan het eind van de jaren 1980 stonden landen, die lange tijd formeel zelfstandig waren maar in feite naar het pijpen van Moskou dansten, voor de taak hun eigen identiteit te hervinden. Dat ging niet altijd even gemakkelijk en de ontwikkelingen in Oost-Europa laten een zeer gavarieerd beeld zien. Enkele landen ontwikkelden zich tot redelijk stabiele democratieën, maar in andere kregen allerlei krachten de overhand die met de democratie niet veel op hadden. In enkele heeft zich een vorm van nationaal besef ontwikkeld dat gekenmerkt wordt door het verheerlijken van één specifieke culturele identiteit die gepaard gaat met een zich afzetten tegen wat daarvan afwijkt. De positie van de Roma in verschillende landen van het voormalig Oostblok is bepaald niet rooskleurig. Ook de Hongaarse minderheid in Roemenië wordt niet voor vol aangezien. En, zoals altijd wanneer het nationalisme zich laat gelden, groeit in verschillende landen ook het antisemitisme.

Dat het nationalisme ook gewelddadige vormen kan aannemen werd niet alleen in de beide wereldoorlogen van de 20e eeuw gedemonstreerd, maar nog recenter in de oorlog op de Balkan. Wat voor beschaving doorging bleek niet meer dan een dun laagje vernis dat afbladderde toen het gif van het nationalisme er vat op kreeg. Die oorlog liet zien waartoe nationalisme kan leiden, en de huidige ontwikkelingen in met name het oostelijke, door pro-Russische krachten beheerste deel van Oekraïne bevestigen dat beeld. Mensen die met elkaar in vrede leefden, komen ineens onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Ze zijn zelfs bereid elkaar het leven onmogelijk te maken, desnoods letterlijk, met wapengeweld. Het adagium “right or wrong, my country” wordt tot in het extreme doorgevoerd. De compromisloze vaderlandsliefde smoort elke vorm van kritiek op het eigen denken en handelen. Nationalisme is per definitie ondemocratisch en autoritair: wie vraagtekens zet bij de heersende ideologie en de wijze waarop deze wordt toegepast, krijgt al snel het label ‘landverrader’ opgeplakt. Nationalisme tast het vermogen tot empathie aan: mensen worden gereduceerd tot pionnen op een schaakbord. De ontmenselijking waartoe het nationalisme leidt werd recent wel heel schrijnend gedemonstreerd in de weinig piëteitvolle omgang van Oekraïnse separatisten met de slachtoffers van de vliegtuigramp en hun bezittingen.

Wij in het beschaafde Westen wenden ons vol walging hiervan af en spreken met een mengeling van verontwaardiging en minachting over deze praktijken. Wij zouden ons nooit tot zo’n niveau verlagen, zijn we wellicht geneigd te denken. Maar dan kennen we de geschiedenis niet. De Tweede Wereldoorlog begon in wat wij nu als West-Europa beschouwen. Er zijn nog maar weinig mensen die de gruwelen van die oorlog bewust hebben meegemaakt. Maar er wordt op allerlei, vaak indringende, manieren aandacht aan besteed. Voor een gebrek aan kennis van wat zich toen heeft afgespeeld is geen excuus. Wie zich daarvan rekenschap geeft zal niet zo hoog van de toren blazen over onze ‘beschaving’.

Nu zou men wellicht kunnen denken dat we sindsdien wijzer en wellicht zelfs beschaafder geworden zijn. We hebben toch van de oorlog geleerd? Dat is wel te hopen, maar het is de vraag of de lessen van de oorlog beklijven. Nee, bij ons worden geen etnische groepen of andere minderheden vervolgd en er lopen geen gewapende milities door de straten. Maar dat zijn slechts uiterlijke tekenen van een mentaliteit. De neiging de eigen groep superieur te achten en zich af te zetten tegen wie daartoe niet behoort is wellicht de mens eigen en dus van alle tijden. Dat neemt niet weg dat deze neiging zich soms als een sluipend gif door de aderen van de maatschappij verbreidt en na verloop van tijd het politieke en maatschappelijke klimaat gaat beïnvloeden. Dat is sinds het begin van deze eeuw het geval in verschillende Westeuropese landen en niet het minst in Nederland.

De opkomst van populistische partijen is daarvan een duidelijke manifestatie. Zulke partijen zijn er in soorten en maten. Zonder nu te willen beweren dat linkse partijen als de SP van alle nationalistische smetten vrij zijn, moet het gevaar in dit verband toch vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum gezocht worden. Juist degenen die zich daar bevinden zijn gevoelig voor de nationalistische verleiding. De afkeer van en het verzet tegen de aanwezigheid en invloed van andere culturen wordt hier bepaald niet onder stoelen of banken gestoken. Het is geen wonder dat juist hier een onmiskenbare bewondering voor de Russische president Putin valt te constateren. Men leze het internetforum van Elsevier of een site als De Dagelijkse Standaard. Dat heeft alles te maken met zijn door nationalisme gedreven binnen- en buitenlandse beleid. Daarbij speelt ook een rol dat hij het opneemt tegen Europa, voor veel nationalistisch-rechtse Nederlanders het symbool van het kwaad. Dat is immers per definitie multicultureel. Dat Putin geen democraat is, wordt eerder als een pluspunt dan als een negatieve factor beschouwd.

Het is waar dat in Nederland aan de afkeer van andere culturen niet op gewapende manier uiting wordt gegeven, ook al zijn er nu en dan incidenten die bepaald niet vreedzaam te noemen zijn. Maar verbaal geweld is ook een vorm van geweld en kan mede de voedingsbodem vormen voor fysiek geweld. Hier kan gewezen worden op de manier waarop de PVV gewend is politiek te bedrijven en haar aanhangers tegen burgers van andere culturen opzet. Even bedenkelijk is de pretentie namens ‘het volk’ te spreken, daarmee suggererend dat ‘het volk’ een mening heeft. Het gevaar ligt op de loer dat wie een andere mening heeft dan wordt gezien als niet behorend tot ‘het volk’. Dan is het maar een kleine stap naar de kwalificatie van zo iemand als een ‘landverrader’. Overdreven? Toch niet. Die term werd al jaren geleden in internetfora gebruikt ter kwalificatie van wie een voorstander was van de multiculturele samenleving.

‘Europa’ is lange tijd beschouwd als hèt middel om het nationalisme te beteugelen. Vooralsnog lijkt het daar niet op – het wakkert het nationalisme eerder aan. Dat is dus het medicijn niet. ‘Europa’ kan zelfs in zijn tegendeel verkeren. Het project Europa kan gemakkelijk ontaarden in een nieuwe vorm van nationalisme dat het continent omvormt tot een ‘fort Europa’ dat door ophaalbruggen en hoge muren ‘buitenstaanders’ buiten de deur houdt. Daarmee komen we dan van de regen in de drup.

Eén van de redenen dat het nationalisme zijn kop weer opsteekt is het verval van ideologieën die boven het nationale belang uitstijgen. In het verleden werd Nederland gekenmerkt door de verzuiling. Langs ideologische of religieuze lijnen was de maatschappij verdeeld in een aantal segmenten binnen welke een grote mate van homogeniteit bestond, die gepaard ging met een sterk saamhorigheidsgevoel. Daarvan is nog nauwelijks sprake. Als gevolg van de toegenomen mobiliteit is ook de locale of regionale samenbinding grotendeels verdwenen. Hoewel de zegeningen van het individualisme van de daken gepredikt worden, zijn de meeste mensen nog altijd op zoek naar een vorm van binding met anderen. In onze tijd blijft voor velen alleen nog het eigen volk en de eigen cultuur over. Daarmee gaat gepaard het beklemtonen van wat karakteristiek wordt geacht voor de nationale identiteit. De recente discussie over ‘Zwarte Piet’ laat zien dat dit gemakkelijk nogal ridicule vormen kan aannemen.

In veel christelijke kerken is in de afgelopen weken aandacht besteed aan de vliegtuigramp en de gevolgen. Dat is logisch en volkomen terecht. In zo’n situatie volstaat het niet kracht in onszelf of in de samenleving te zoeken. Maar hopelijk zullen de kerken – op een gepast tijdstip – ook aandacht besteden aan de context zoals die hierboven is geschetst. Ze hebben het beste medicijn tegen nationalisme in de aanbieding. Maar daarbij past dan wel een kanttekening. Want net zoals ideologieën als het socialisme niet altijd vrij geweest zijn van nationalistische smetten – zie de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog – hebben ook christelijke kerken niet altijd weerstand geboden aan de sirenenzang van de nationale zelfverheerlijking. Hier kan gewezen worden op de rol van Orthodoxe kerken in Rusland en Oekraïne en ook die van de Orthodoxe Kerk in Servië ten tijde van de Balkanoorlog. Kerken in de Verenigde Staten hebben zich niet zelden verregaand geïdentificeerd met de politieke doelen van de regering, bijvoorbeeld ten tijde van verschillende militaire conflicten in het Midden-Oosten. Het wordt voor een kerk al helemaal moeilijk een gepaste afstand te bewaren wanneer ze de positie van staatskerk heeft.

Daar is in ons land geen sprake van. Nederland heeft – ook in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – nooit zoiets als een ‘staatskerk’ gekend en ook de Nederlandse Hervormde Kerk had die positie niet, ook al was de koninklijke familie daar lid van. Maar dat wil niet zeggen dat kerken immuun zijn geweest voor de nationalistische verleiding. In de jaren ’30 zijn nogal wat predikanten daarvoor bezweken en van een sterke kerkelijke oppositie tegen het opkomende nationalisme, onder andere in de vorm van de NSB, is niet bepaald sprake geweest.

Na de oorlog werd in GPV-kring onbekommerd gesproken over ‘nationaal-gereformeerde politiek’. Daarbij was zeker geen sprake van nationalisme, zoals dat voor de oorlog bij de NSB werd aangetroffen of zoals dat nu in bepaalde rechtse kringen ingang heeft gevonden. Desondanks mogen daarbij wel kritische kanttekeningen worden gemaakt. In onze tijd zou zo’n term in ieder geval geheel ongepast zijn. Niet alleen zou die ongewenste associaties oproepen, er is ook geen enkele aanleiding het christelijk geloof specifiek met de ‘nationale’ cultuur te verbinden. In de eerste decennia na de oorlog had die cultuur nog in aanzienlijke mate een christelijke kleur. Die is inmiddels goeddeels verbleekt. Er is voor christenen weinig reden de Nederlandse cultuur op grond van hun religieuze overtuiging te verdedigen. Het is ironisch dat culturen die hun wortels buiten Nederland en zelfs voor een belangrijk deel buiten Europa hebben in een aantal opzichten die waarden hooghouden, die ooit kenmerkend waren voor de ‘Nederlands-christelijke’ cultuur. Er is daarom voor christenen bepaald geen reden zich tegen hun aanwezigheid in de Nederlandse samenleving te verzetten.

Moet de christelijke kerk dan met haar rug naar de samenleving gaan staan? Bepaald niet. Van de culturele verwantschap mag dan weinig zijn overgebleven, er is nog wel steeds een historische verbondenheid. Die brengt verantwoordelijkheid mee. De kerk moet de samenleving aanspreken op haar christelijk-historische wortels zoals die bijvoorbeeld in het Wilhelmus tot uitdrukking komen. Juist hier vinden we het tegengif tegen elke vorm van nationalisme. Het lied is ontstaan in een tijd dat het begrip ‘natie’ nog nauwelijks bestond. De wortel van het nationalisme ligt in de 19e eeuw en toen zijn ook veel volksliederen ontstaan. In Nederland hebben we het enige tijd met ‘Wien Neerlands bloed’ moeten doen. Als dat nog steeds ons volkslied was, zouden we allang hebben moeten weigeren dat aan te heffen. Door de aderen van dat lied vloeit vooral het gif van het nationalisme.

Twee jaar geleden schreef ik in dit weblog een stuk over het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Ik schreef toen: “Het [Wilhelmus] is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).”

Laten we bij gepaste gelegenheden het Wilhelmus ook in de kerk met overtuiging zingen. Laten we dan het zesde en vooral het veertiende couplet niet vergeten. Dat laatste eindigt zo: “Tot God wilt u begeven, Zijn heilzaam Woord neemt aan. Als vrome christen leven, ’t zal hier haast zijn gedaan”. We hebben hier immers geen blijvende stad en ons vaderland heeft geen geografische grenzen, hoge muren of ophaalbruggen. Ons vaderland is elders.

Verbod zonder fundament

Op 18 april j.l. sprak de Hoge Raad uit dat de vereniging Martijn moet worden ontbonden (*). Deze vereniging draagt het standpunt uit dat sexueel contact tussen meerder- en minderjarigen moet worden gelegaliseerd. In 2012 was door de rechtbank in Assen al uitgesproken dat de vereniging ontbonden moest worden. Nadat deze in beroep was gegaan, vernietigde het gerechtshof in Leeuwarden de uitspraak. Ook tegen het oordeel van de Hoge Raad kan de vereniging in beroep gaan en wel bij het Europese Hof, maar volgens haar advocaat maakt dat geen reële kans op succes. Daarmee is dan het doek gevallen over een vereniging die veel weerstand en weerzin opriep.

De uitspraak leidde tot een discussie over de vraag of de Nederlandse samenleving met dit verbod op de goede weg is. Het komt uiterst zelden voor dat een organisatie wordt verboden. Het recht van vereniging behoort tot de fundamenten van de democratische rechtsstaat. Wanneer eenmaal een organisatie wordt verboden omdat zij opvattingen huldigt en uitdraagt die als onaanvaardbaar worden beschouwd, waar ligt dan de grens? Opent dat niet de deur naar het verbieden van organisaties wier opvattingen de – politieke of maatschappelijke – meerderheid als onaanvaardbaar aanmerkt?

Een tweede aspect dat in dit verband naar voren wordt gebracht is de vraag naar de effectiviteit van een verbod. De vereniging is ontbonden, maar welk probleem is of wordt daarmee eigenlijk opgelost? Het is tegenwoordig echt niet noodzakelijk een vereniging op te richten en die te laten registreren om als gelijkgezinden contact te onderhouden en meningen en adviezen uit te wisselen. Het ligt voor de hand dat opvattingen die tot voor kort via de website van de vereniging werden uitgedragen, nu langs andere kanalen worden verspreid. De vraag kan gesteld worden of dat een vooruitgang is.

Er is nog een derde punt: een onderdeel van de motivatie voor de uitspraak van de Hoge Raad is dat “de vereniging de gevaren van seksueel contact met jonge kinderen bagatelliseert en dergelijke contacten verheerlijkt en propageert”. Hij is van mening “dat deze werkzaamheid een daadwerkelijke en ernstige aantasting is van het wezenlijke beginsel dat de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind dient te worden beschermd.” Daartegen kan worden aangevoerd dat sexueel misbruik van kinderen voor een veel groter deel plaatsvindt in de vertrouwde omgeving van gezin, familie en vriendenkring en in sociale verbanden als verenigingen dan door mensen die zich als pedosexueel manifesteren. Een verbod van een vereniging als Martijn brengt daar geen verandering in.

In de politiek waren het vooral ChristenUnie en CDA die pleitten voor een verbod van de vereniging. Daartoe bereidden ze een initiatiefwetsvoorstel voor, dat nu uiteraard overbodig geworden is. Dat is in zoverre jammer dat nu niet duidelijk is hoe de initiatiefnemers een wettelijk verbod zouden hebben willen beargumenteren. Want dat lijkt me het kernpunt in de discussie over de vraag of de vereniging al dan niet terecht is ontbonden.

Over de juridische argumenten voor en tegen zal ik me hier niet uitlaten. Ik ben geen jurist en bovendien valt dit aspect buiten de kaders van dit weblog. Mij interesseert vooral de argumentatie die de Hoge Raad hanteert. Mijn aandacht blijft haken bij deze zinsnede: “Seksueel contact van volwassenen met jonge kinderen is naar de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen een daadwerkelijke en ernstige aantasting van de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind, waardoor het kind grote en blijvende psychische schade kan oplopen. (…) Deze maatschappelijke opvattingen worden ook buiten Nederland breed gedragen, en Nederland heeft zich internationaal verplicht in dat verband maatregelen te nemen.”

Dat laatste is een juridisch argument en zou wellicht van doorslaggevend belang kunnen zijn. Een land gaat door zijn handtekening onder internationale verdragen verplichtingen aan die hij niet zomaar naast zich neer kan leggen, wanneer die hem een keer niet goed uitkomen. Dat geldt voor de behandeling van asielzoekers en illegalen evenzeer als voor de bescherming van minderjarigen. Maar het is wel wat mager als dat de enige motivatie is. Een uitspraak die uitsluitend gebaseerd is op juridische verplichtingen zal in het maatschappelijk debat geen groot gewicht hebben. Bij diegenen die sceptisch of zelfs afwijzend staan tegenover internationale verplichtende afspraken zal zo’n motivatie in onvruchtbare aarde vallen. Maar daarnaast ontaardt een discussie over de desbetreffende uitspraak tot een debat tussen doven wanneer tegenover ethische argumenten niet meer dan juridische worden geplaatst.

Nu zou men kunnen beweren dat juridische uitspraken van een principieel andere orde zijn dan ethische. Kan een rechter een moreel oordeel vellen dat verder gaat dan of niet strikt gebaseerd is op juridische documenten, zoals wetten, verdragen en eerdere rechterlijke uitspraken? Dat kan niet alleen, het is zelfs onvermijdelijk. Het gebeurt dus ook regelmatig. Juridische documenten zoals hierboven bedoeld dekken nooit de hele werkelijkheid. Wetten moeten worden toegepast. Dat gebeurt door de rechter, maar die heeft de nodige ruimte om allerlei aspecten te laten meewegen. Die zijn lang niet altijd van juridische aard. Een rechter kan besluiten iemand die de wet heeft overtreden, te ontslaan van rechtsvervolging omdat hij, bijvoorbeeld, door het openbaar maken van documenten ernstige misstanden aan het licht heeft gebracht. Hij kan ook een extra zware straf opleggen vanwege de maatschappelijke implicaties van een bepaalde wetsovertreding. In het proces dat uiteindelijk resulteert in een uitspraak spelen ook de ethische opvattingen van de rechter een rol. Bovendien zijn uiteindelijk alle wetten het uitvloeisel van bepaalde ethische opvattingen, ook al worden die niet altijd expliciet gemaakt.

Maar juist wanneer een rechter besluit een uitzondering te maken op wat als één van de pijlers van de democratische rechtsorde geldt, zou een helder ethisch oordeel van groot gewicht kunnen zijn. Daarmee zou de maatschappelijke discussie die daarvan ongetwijfeld – en terecht – het gevolg is, aan diepgang winnen. Juist een zaak als de onderhavige zou geen speelbal van het populisme moeten zijn.

Helaas lijkt de motivatie van de Hoge Raad daaraan juist voeding te geven. Hij beroept zich immers op “de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen”. Dat roept al direct de vraag op hoe men tot die vaststelling komt. Heeft een rechter het recht vast te stellen wat de maatschappelijke opvattingen – bedoeld is: die van de (overgrote) meerderheid – zijn? En hoe komt hij tot die vaststelling? Is die op een betrouwbare manier te meten? Gaat de rechter daarvoor wellicht bij Maurice de Hond te rade?

Maar het meest problematisch is dat het oordeel daarmee wordt gebaseerd op drijfzand. Want de maatschappelijk opvattingen ten aanzien van de onderhavige zaak kunnen ook weer veranderen. Dat blijkt al daaruit dat “de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen” met betrekking tot dit onderwerp er zo’n veertig jaar geleden heel anders uitzagen. Daarmee wordt het oordeel over de door de vereniging Martijn uitgedragen opvattingen afhankelijk gemaakt van de waan van de dag. Het oordeel van de Hoge Raad mist een vast fundament.

Juist daarom is dit een niet onbedenkelijke uitspraak. Want als het verbod van een organisatie afhankelijk wordt van de – naar hun aard wispelturige – maatschappelijke opvattingen, is er geen enkele garantie dat een vergelijkbaar verbod niet andere organisaties zou kunnen treffen. Waarom zou men de SGP niet verbieden, gezien haar opvattingen ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij? Moet men islamitische organisaties en christelijke kerken niet verbieden, gezien hun opvattingen over – bijvoorbeeld – homosexualiteit? Zulke overwegingen zouden ChristenUnie en CDA wel in hun overwegingen hebben mogen betrekken, toen ze besloten een initiatiefwetsvoorstel te gaan formuleren. Wellicht hebben ze deze aspecten wel overwogen, maar kennelijk hebben die hen niet op andere gedachten gebracht.

Enige inconsequentie is vooral de ChristenUnie in dezen niet te ontzeggen. Want wanneer een vereniging als Martijn zou moeten worden ontbonden vanwege de bedreiging van het welzijn van kinderen, waarom stelt ze dan niet ook voor organisaties die een liberale abortuspraktijk propageren, te ontbinden? Uiteindelijk zijn ongeboren kinderen nog kwetsbaarder dan de kinderen waarop Martijn zijn belangstelling richt.

Er zijn in Nederland en in de internationale samenleving tal van organisaties die opvattingen propageren die als schadelijk voor (groepen van) mensen en als weerzinwekkend kunnen en moeten worden aangemerkt. Het is begrijpelijk dat wordt aangedrongen op het verbieden van zulke organisaties. Er zijn echter goede redenen daaraan geen gevolg te geven. We kennen die praktijk vooral uit Duitsland: neonazistische partijen en organisaties zijn daar verboden, wat gezien de geschiedenis begrijpelijk is. De effectiviteit van zo’n verbod is twijfelachtig: de aantrekkingskracht van het daarbij behorende gedachtengoed is daardoor niet verminderd.

Het belangrijkste bezwaar is echter van principiële aard. Wanneer een maatschappij haar morele kompas kwijt is mist elk verbod per definitie zijn fundament. En dan wordt één van de wezenlijke bestanddelen van de rechtsstaat een speelbal van het gesundes Volksempfinden. Dat is een weinig aantrekkelijk perspectief.

(*) De tekst van de uitspraak is hier te vinden.