Archief

Posts Tagged ‘predikant’

De predikant op de schopstoel

7 november 2010 1 reactie

In de kerken van de Reformatie spelen predikanten een belangrijke rol. Ze staan vaak in het middelpunt van de aandacht. Een vacante gemeente zoekt volhardend een nieuwe predikant en beroepingsberichten mogen op veel belangstelling rekenen. En ook in de gesprekken over kerk en gemeente gaat het al gauw over de predikant. Conflicten rond ouderlingen of diakenen halen de krant niet, die rond predikanten vaak wel.

Het is dus ook begrijpelijk dat het ambt van predikant op kerkelijke vergaderingen aan de orde komt. Dat heeft allereerst te maken met de opleiding van predikanten, meestal een theologische universiteit, die – in elk geval in de kleinere kerkgenootschappen – van de kerken uitgaat en (grotendeels) door de kerken wordt gefinancierd. Maar in toenemende mate gaat het ook over conflicten waarin predikanten en gemeenten verwikkeld raken. Er is groeiende aandacht voor de positie van de predikant, die steeds gecompliceerder lijkt te worden. Er zijn duidelijke signalen dat predikanten steeds vaker moeite hebben met de eisen die aan hen gesteld worden.

De landelijke vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken heeft zich beziggehouden met een rapport van een commissie die een predikantsprofiel heeft opgesteld. Er was nogal wat kritiek op de conclusies van de commissie. Vooral de uitspraak dat de predikant zich moet concentreren op de verkondiging van het Woord en dat het ‘geestelijk en organisatorisch leiding geven’ niet direct tot zijn taak behoort, moest het ontgelden. Er werd door critici gesproken van een ‘eenzijdige en beperkte visie op de rol van de predikant’, zelfs van een ‘degradatie van het ambt van predikant’. Ook werd zorg uitgesproken over de lijst van competenties waaraan de predikant moet voldoen. Gewaarschuwd werd voor het gebruik van deze lijst als een soort van checklist door kerkenraden.

Tegenover de kritiek merkte de commissie op geen waterscheiding te zien tussen de verschillende taken. Het was er vooral om begonnen de al te hoge verwachtingen van de gemeente ten aanzien van de taken van de predikant te dempen. Eén van de afgevaardigden waarschuwde tegen professionalisering en de verzakelijking die daarmee gepaard gaat. De roeping als basis voor het predikantsambt moet wel overeind blijven. Hiermee is het probleem geschetst: van de predikant wordt steeds meer verwacht, ook dingen die hij in zijn opleiding niet heeft meegekregen. Wanneer hij aan de eisen niet kan voldoen ligt een conflict voor de hand.

Dit soort problemen spelen ook in andere kerken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het rapport van de Deputaten Dienst en Recht in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) dat op de eerstkomende Generale Synode (Harderwijk, 2011) behandeld wordt. Er moet steeds vaker worden opgetreden bij conflicten tussen predikanten en kerkenraden en/of gemeenten en steeds meer predikanten voelen zich overvraagd. In het rapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan waarvan het Nederlands Dagblad van 6 november melding maakte. “Vrijgemaakt-gereformeerde predikanten dienen niet langer dan zes jaar in dezelfde gemeente te werken,” was de eerste alinea van het desbetreffende artikel. Daaruit mag niet worden afgeleid dat de synode een besluit van die strekking zou kunnen nemen. Predikanten zijn in dienst van de plaatselijke gemeenten en over hun ‘arbeidsvoorwaarden’ gaat de synode niet.

Het rapport levert voldoende stof voor discussie op. De problemen die gesignaleerd worden en de oorzaken die daaraan ten grondslag liggen, geven een weinig verheffend beeld van de stand van zaken in de Gereformeerde Kerken. En op de voorstellen van de deputaten om de problemen te lijf te gaan valt het nodige af te dingen.

Eén van de kernpunten in het rapport is de mobiliteit van predikanten. Gerefereerd wordt aan de oproep van de Generale Synode van Zwolle 2008 aan kerkenraden en predikanten mee te werken aan bevordering van de mobiliteit van predikanten. Dat betekent concreet: predikanten zouden vaker van gemeente moeten wisselen. Het valt niet te ontkennen dat er nogal wat predikanten zijn die lang in een gemeente staan. Dat is wel eens anders geweest. Zeker de eerste 10 à 15 jaar na de breuk van de jaren ’60 van de vorige eeuw – die tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerk leidde – kwam het vaak voor dat een predikant hooguit vier, vijf jaar in een gemeente stond. Soms was het zelfs niet meer dan drie jaar. Dat was begrijpelijk, want het aantal vacatures was groot. Maar de overtuiging groeide dat het zowel voor een predikant als voor een gemeente niet bepaald ideaal was wanneer de verbintenis zo kort duurde. Wellicht heeft dat mede tot gevolg gehad dat nu het omgekeerde plaatsvindt: er zijn predikanten die zelfs in hun eerste – meestal kleine – gemeente niet minder dan 10 jaar doorbrengen. Wat daarvan ook de oorzaken zijn, kennelijk groeit nu de overtuiging dat dit nu ook weer niet de bedoeling is.

In hoofdstuk 8 van het rapport wordt een beschouwing gegeven over de situatie in de kerken die nauw samenhangt met de overtuiging dat het goed zou zijn als predikanten niet al te lang in één gemeente staan. Gewezen wordt op veranderingen in de cultuur maar ook op de gegroeide kerkelijke verscheidenheid. “Vele kerken zoeken eigen wegen binnen ruim geïnterpreteerde kaders. De cultuur van gemeenschappelijke vreugde om Gods kerk en van verbondenheid met de eigen identiteit is geen gemeengoed meer. De kerkelijke samenleving is hierin een afspiegeling van de brede samenleving.” Even later lezen we: “Als gevolg van de differentiatie in benaderingen passen predikanten niet meer in iedere gemeente. Als een predikant ‘toevallig’ verkeerd terecht komt, ligt daarmee een basis voor een probleem, het probleem van de ‘omvallende’ predikant.”

Niemand zal verbaasd opkijken van deze analyse. Maar: hoe gaat de kerk daarmee om? Het deputaatschap zoekt de oplossing in de bevordering van de mobiliteit van predikanten. “Predikanten zouden niet langer dan zo’n zes jaar in een zelfde gemeente moeten werken.
Anders ontstaat er eenzijdigheid, een tunnelvisie, dynamiek wordt belemmerd, groei wordt beperkt en de eigen ontwikkeling wordt geremd. Bovendien voorkomt het sneller rouleren binnen kerkelijke functies het ontstaan van bepaalde culturen en opvattingen. Met andere
woorden: mobiliteit is gezond voor een predikant en voor de kerken.”

Nu valt voor meer doorstroming best iets te zeggen. En het is een goede zaak dat predikanten die wel voor een beroep in aanmerking zouden willen komen en vacante gemeenten met elkaar in contact gebracht kunnen worden. Voor een gemeente in het midden van het land is het niet zo eenvoudig zicht te krijgen op geschikte predikanten in de noordelijke provincies. De meeste daarvan zal men waarschijnlijk niet kennen en dus ook niet beroepen. Op deze manier kan de actieradius van vacante gemeenten vergroot worden. En ook kan op die manier voorkomen worden dat alleen die predikanten beroepen worden die – bijvoorbeeld door publicaties of publieke functies – een grote mate van bekendheid genieten.

Maar het gaat te ver als algemene regel te formuleren dat predikanten niet langer dan zes jaar in een gemeente zouden moeten staan. Predikanten zijn aan een gemeente verbonden doordat ze geroepen zijn – door een gemeente, maar uiteindelijk door God zelf. Die roeping houdt niet ineens na een x aantal jaren op. Het is strijdig met de aard van de roeping dat daaraan bij voorbaat een termijn verbonden wordt. In het rapport wordt ook de suggestie gedaan predikanten die langer dan zes jaar in hun gemeente staan, te benaderen met de vraag of ze bereid zijn van standplaats te wisselen. Wanneer het antwoord negatief is, zou hun gevraagd moeten worden daarvoor argumenten aan te dragen. Dat is de omgekeerde wereld: wie een roeping heeft ontvangen, hoeft toch niet te argumenteren waarom hij daaraan gehoor wil blijven geven? Het is beter argumenten te vragen aan degenen die laten weten wel van gemeente te willen veranderen.

Maar de echte kwestie is een andere: met maatregelen als door de deputaten voorgesteld wordt de achterliggende problematiek niet opgelost.

De Gereformeerde Kerken beginnen steeds meer op een lappendeken te lijken. Van een duidelijk herkenbare gemeenschappelijke identiteit is steeds minder sprake. Natuurlijk, ook vroeger paste een predikant niet overal. Dat hoeft ook niet: een predikant die past bij een gemeente in Limburg hoeft niet noodzakelijkerwijs ook in Groningen op zijn plaats te zijn. Maar de verscheidenheid binnen de Gereformeerde Kerken krijgt steeds meer een inhoudelijk karakter. “Vele kerken zoeken eigen wegen binnen ruim geïnterpreteerde kaders.” Naarmate die kaders ruimer worden zullen de problemen die predikanten ondervinden, navenant toenemen. Regelmatig verkassen lost dat probleem niet op.

Het deputaatschap heeft er kennelijk voor gekozen de geschetste stand van zaken te accepteren zoals die zich voordoet. Dat is wel erg defaitistisch. Het is bovendien niet effectief. Een medisch probleem wordt nooit opgelost door aspirine toe te dienen. Bovendien is daar steeds meer van nodig om effect te sorteren.

In plaats van de adviezen van de deputaten te volgen zou de Generale Synode er goed aan doen de geestelijke stand van zaken in de Gereformeerde Kerken eens serieus onder het vergrootglas te leggen, naast een geopende bijbel. Verscheidenheid binnen de kerken mag er zijn, maar die heeft wel grenzen. En wie geen vreemdeling in Jeruzalem is weet dat die grenzen worden overschreden. De kerkelijke samenleving is inderdaad steeds meer een afspiegeling van de ‘brede samenleving’. En dat is precies het probleem. Wanneer iemand op zijn partner is uitgekeken, wordt die ingewisseld voor een ander. Wanneer iemand ontevreden is met zijn partij, stemt hij bij de volgende verkiezingen op een andere. En wanneer de gemeente of de kerk niet bevalt, zoekt men een andere.

Wordt ook het ambt van predikant het slachtoffer van deze wereldse mentaliteit? Kan een gemeente, die op zijn predikant is uitgekeken, die inruilen voor een andere? En wordt predikanten die het met hun gemeente gehad hebben, een goed heenkomen naar comfortabeler oorden geboden? Moet een kerk die pretendeert kerk van Christus te zijn, zich erbij neerleggen dat de mentaliteit die in de ‘brede samenleving’ gemeengoed is, ook in de kerk veld wint? Zou het geen aanbeveling verdienen het begrip roeping weer eens op te poetsen en er over na te gaan denken wat dat concreet inhoudt?

Dat zou wel eens een beter medicijn kunnen zijn dan de predikant op de schopstoel te zetten.

Advertenties

Een kudde zonder herders? (2)

In de vorige bijdrage heb ik betoogd dat de leiding die in het verleden werd gegeven via persorganen als De Reformatie en het Gereformeerd Gezinsblad/Nederlands Dagblad niet berustte op enige ambtelijke opdracht of bevoegdheid. Degenen die leiding gaven, konden dat alleen doen omdat hun leiding door de kerkleden aanvaard werd. Juist op dat punt is de gereformeerde wereld fundamenteel veranderd. Aan het eind stelde ik de vraag of het feit dat genoemde bladen – althans in de opvatting van prof. Douma en anderen – geen leiding (meer) geven, betekent dat de gereformeerden een kudde zonder herders geworden zijn. Daarover gaat deze tweede bijdrage. Waar zijn de herders van de kudde eigenlijk te vinden?

We spreken over Gereformeerde Kerken – meervoud. De Gereformeerde Kerken waren en zijn geen landelijke organisatie met plaatselijke afdelingen – zoals de vroegere Nederlandse Hervormde Kerk – maar een verband van gemeenten die zich vrijwillig aaneengesloten hebben. Het hart van de Gereformeerde Kerken klopt dan ook in de plaatselijke gemeenten.

Het is hier dat de herders van de kudde te vinden zijn. Hier geeft God ambtsdragers die leiding moeten geven aan de gemeente. Omdat Hij hen zelf roept en aanstelt hebben ze gezag. Ze hoeven dat gezag dus niet te verwerven en zich als gezagsdrager ook niet waar te maken. De gemeente is geroepen zich aan hun gezag en leiding te onderwerpen, zoals in de bevestigingsformulieren voor predikanten en voor ouderlingen wordt onderstreept.

Het gezag van de ambtsdragers kan wel ondermijnd worden. De predikant heeft de taak “het Woord van God zuiver en onverkort” te verkondigen. Dat sluit een selectief omgaan met de Schrift uit, zoals tot uiting komt in het verzwijgen van zaken waarover de Schrift duidelijk is, bijvoorbeeld omdat ze in de gemeente op weerstand stuiten. Hij moet heel de Schrift laten spreken.
Het betekent ook dat hij het Woord in het middelpunt zet en persoonlijke meningen voor zich houdt. Op de kansel moet alleen de Schrift aan het woord komen. Alleen dan heeft de prediking gezag en kan de predikant zeggen: zo spreekt de Heer.

Het lijkt erop dat predikanten met dat laatste soms wat moeite hebben. Je hoort nogal eens iets zeggen als: daarover gaan we samen nadenken. Dat moet meestal niet letterlijk genomen worden, want van de toehoorders wordt in de regel geen bijdrage verwacht. Er spreekt een zekere bescheidenheid uit. Dat is sympathiek en bescheidenheid is ook voor een predikant een zeer goede eigenschap. Maar in dit geval is het een valse bescheidenheid. Hij verkondigt immers geen particuliere meningen of inzichten, maar de mening van de Geest van God. En dan is er geen reden voor bescheidenheid, integendeel.

Dat in de prediking de Heer zelf naar de gemeente toekomt, moet ook tot uiting komen in de manier waarop het Woord verkondigd wordt. Het Woord van God verdraagt geen theatervoorstelling op de kansel of allerlei fratsen waarmee de predikant de aandacht op zichzelf vestigt. Ook daardoor ondergraaft hij zijn gezag.

Hierboven was sprake van de kansel. Inmiddels worden in allerlei kerken kansels ongebruikt gelaten of zelfs verwijderd. Sommige predikanten geven er de voorkeur aan achter een katheder op een podium te staan. Er kunnen allerlei praktische overwegingen aan ten grondslag liggen, maar soms gaat de motivatie een slag dieper. Dan wordt gezegd dat de predikant dicht bij de toehoorders wil blijven en zich niet boven hen wil verheffen door de kansel te beklimmen.
Dat laatste lijkt me een gezocht argument. De ‘verheven’ positie van de kansel komt voort uit de praktische overweging dat het gehoor en het gezicht samenwerken: wie een spreker goed kan zien, kan hem meestal ook beter verstaan.
Er is niets tegen wanneer de predikant dicht bij de toehoorders wil staan. Maar dat heeft met de plaats vanwaar hij preekt, niets te maken. Het gaat daarbij eerder om de inhoud: hij preekt voor een concreet gehoor en moet zijn toehoorders ook ‘zien staan’.
Het zou weleens eerder zo kunnen zijn dat predikanten die zo’n argument gebruiken, moeite hebben met hun gezagspositie. Ze willen onderstrepen dat predikant en gemeente op gelijke voet staan. Maar dat is niet waar: voor God zijn allen gelijk, maar niet allen hebben hetzelfde ambt. Het ambt van alle gelovigen is een ander ambt dan dat van predikant. De taken en verantwoordelijkheden die de predikant heeft, verschillen van die van ‘gewone’ gemeenteleden.

Op hetzelfde vlak ligt de veld winnende gewoonte zich te laten tutoyeren en met de voornaam te laten aanspreken. Nu kan men betogen dat dit een kwestie van cultuur is. Tot op zekere hoogte is dat waar. In de Angelsaksische wereld is het gebruik van voornamen, ook voor overheidspersonen, heel normaal en het Engels kent geen onderscheid tussen “U” en “jij”. En de Nederlandse cultuur is onmiskenbaar veranderd: ook hier is het gebruikelijk geworden bijvoorbeeld de minster-president met zijn voornaam aan te duiden.
Maar de kerk hoeft de cultuur niet in alle opzichten te volgen. En zelfs wanneer iemand met de voornaam wordt aangeduid, hoeft dat niet te betekenen dat hij met de voornaam wordt aangesproken. Geen Amerikaanse journalist zal het in zijn hoofd halen in een interview de president met zijn voornaam aan te spreken. Hij zegt “Mr. President”, met respect voor het ambt dat hij bekleedt. En zelfs Nederlandse journalisten, die zich over het algemeen niet onderscheiden door wellevendheid, spreken de minister-president in een interview niet met zijn voornaam aan en tutoyeren hem ook niet. Waarom zouden we dat in de kerk met de predikanten dan wel doen? Helaas werken predikanten er zelf aan mee dat op deze manier de achting voor hun ambt vervluchtigt.

Over de ouderlingen heb ik het hier nog niet gehad. Zij hebben de taak de predikant in de uitoefening van zijn ambt bij te staan. Veel van wat ik heb opgemerkt over het ambt van predikant en de manieren waarop diens gezag kan worden ondermijnd, is mutatis mutandis ook van toepassing op het ambt van ouderling. Ook in dit geval is het heersende gelijkheidsdenken een bedreiging voor zijn gezag en dus zijn vermogen tot leidinggeven. Het huisbezoek kan gemakkelijk verworden tot een gesprek op voet van gelijkheid. Maar dat doet tekort aan het ambt: de ouderling komt in opdracht van Christus en dus met gezag. Niet voor niets wordt de gemeente ook bij de bevestiging van ouderlingen opgeroepen hen te gehoorzamen en zich aan hen te onderwerpen.

Voorwaarde is natuurlijk wel dat ze dan ook alleen met het Woord komen en hun persoonlijke meningen thuis laten. En ook van ouderlingen mag worden verwacht dat ze heel de Schrift en alleen de Schrift aan het woord laten komen. Daartoe hebben ze zich ook door middel van hun handtekening onder het ondertekeningsformulier verplicht. Daarin beloven ze dat ze de leer van de kerk, die in de Formulieren van Eenheid is vastgelegd en een samenvatting is van de leer van de Schrift, “met toewijding zullen onderwijzen en trouw verdedigen en elke dwaling die daarmee in strijd is, zullen afwijzen”. Voor ouderlingen die zich distantiëren van (onderdelen van) de belijdenis, is in de kerkenraadsbank geen plaats. Ook hier is het gezag van het ambt in het geding.

In deze tweede bijdrage ging het vooral over het ambt en de ambtsdragers. In de derde bijdrage gaat het over de gemeente. Wat betekent het dat de gemeente het gezag en de leiding van de ambtsdragers moet aanvaarden? Tot hoever gaat dat en wanneer is men van die plicht ontslagen? En hoe moet de gemeente ermee omgaan wanneer er geen of verkeerde leiding wordt gegeven?