Archief

Posts Tagged ‘preek’

Preek als wegwijzer

In de Apostolische Geloofsbelijdenis belijdt de kerk dat ze een gemeenschap van heiligen is. Daarin onderscheidt ze zich in toenemende mate van de samenleving die in sterke mate is geïndividualiseerd. Die gemeenschap komt vooral tot uiting in samenkomsten – van klein tot groot – van haar leden. Erediensten nemen daarbij een speciale plaats in. Alleen daar komt iedereen die tot die gemeenschap behoort, onafhankelijk van status, afkomst of karakter.

De eredienst heeft oude papieren. Al direct na Jezus’ hemelvaart lezen we dat zijn volgelingen bijeen zijn. Na de Pinksterdag is het één van de opvallendste kenmerken van de ‘nieuwe’ godsdienst: de aanhangers zijn eendrachtig bijeen, breken het brood en loven God. Maar we kunnen nog verder teruggaan, naar de tempeldienst van het Oude Testament. Uiteindelijk komen we bij Enos terecht, de kleinzoon van Adam en Eva. “In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen” (Gen. 4,26).

Wanneer de eredienst zo’n centrale plaats in het leven van christenen heeft, is het geen wonder dat daarover regelmatig van gedachten wordt gewisseld. Er wordt over gesproken en geschreven en er zijn maar weinig mensen die er geen mening over hebben. In reformatorische kring is altijd veel aandacht geweest voor de rol van de preek in de eredienst. De opkomst van de liturgische beweging, die de bestaande gebruiken ten aanzien van de inrichting van de eredienst aan fundamentele kritiek onderwierp, werd kritisch tegemoet getreden. De grotere aandacht voor met name de muzikale elementen in de eredienst werd als een bedreiging voor de preek gezien. Die zou daardoor aan belang inboeten, aan kracht verliezen en worden gereduceerd tot slechts één onderdeel van de eredienst.

Inmiddels is er ook in die kerken veel veranderd. De liturgie is op de schop gegaan, er wordt meer aandacht aan de muzikale onderdelen besteed en ook andere elementen in de liturgie – bijvoorbeeld de sacramenten – krijgen meer aandacht dan voorheen. Heeft dat de positie van de preek aangetast? Het antwoord op die vraag hangt waarschijnlijk van de persoonlijke ervaringen af alsmede van wat men van de preek verwacht. Het lijdt weinig twijfel dat de preken in het algemeen korter geworden zijn. Dat hoeft op zichzelf niet te betekenen dat ze aan inhoud verliezen. Sommige predikanten hebben de gave met weinig woorden veel te zeggen, zoals ik zelf regelmatig mag ervaren. Een lange preek heeft niet per definitie meer diepgang; daarvan zal iedereen waarschijnlijk wel een voorbeeld kunnen noemen.

Hoewel aan andere elementen in de liturgie een groter gewicht wordt toegekend dan vroeger lijkt de preek voor de meeste kerkgangers nog steeds de kern van de eredienst te zijn. Wanneer een predikant beroepen moet worden, gaat de gemeente in de eerste plaats kritisch naar zijn preken luisteren. Wanneer die – om welke reden dan ook – niet aanspreken of als onvoldoende worden beschouwd, is de kans klein dat de desbetreffende predikant beroepen wordt, wat zijn overige kwaliteiten ook mogen zijn. Tenslotte is de preek zo ongeveer het enige van een predikant waarmee elk gemeentelid te maken krijgt.

Met de kwaliteit van de preek staat of valt voor de meeste kerkleden de eredienst. Het is de vraag of dat terecht is. In de eredienst staat het Woord van God centraal. Dat komt in de eerste plaats tot uiting in de Schriftlezing. In Jesaja 55 zegt God dat het woord dat uit Zijn mond komt, niet vruchteloos naar Hem terugkeert. Wanneer de preek tegenvalt betekent dat nog niet dat de dienst als geheel niet gezegend zou kunnen zijn. De Schriftlezing komt altijd op de eerste plaats; de preek is daarvan een afgeleide. In die zin heeft prof. Kees de Ruijter gelijk wanneer hij het gewicht van de preek reduceert, zoals hij recent tijdens een studiedag deed (Nederlands Dagblad, 11.4.15). (Dat is overigens bepaald geen originele gedachte). Daarmee is de preek nog niet noodzakelijkerwijs gereduceerd tot “preekje”, zoals een scribent in het Nederlands Dagblad suggereerde (17.4.15).

De eredienst is geen ‘preekdienst’, maar ‘Woorddienst’. Dat betekent dat in de hele eredienst het Woord centraal moet staan. Het gaat in de liturgie immers, zoals De Ruijter zegt, om “het eren van de naam van God”. Dat gebeurt allereerst door Hem aan het woord te laten. Maar dat beperkt zich niet tot de Schriftlezing en de preek. Elk onderdeel van de liturgie is Woordverkondiging. Of zou dat althans moeten zijn. Het probleem in discussies over de prediking en de liturgie is dat de preek vaak geïsoleerd behandeld wordt. Dat gebeurt zowel wanneer de vrees geuit wordt dat de preek aan gewicht verliest als wanneer gepleit wordt voor een reductie van haar gewicht ten behoeve van andere elementen van de liturgie.

Wie wil voorkomen dat preek en liturgie concurrenten worden, moet streven naar een eenheid tussen beide. Er hoeft geen enkel bezwaar tegen te bestaan wanneer er in de dienst veel gezongen wordt, zelfs niet wanneer de preek daardoor iets korter moet uitvallen. Voorwaarde is dan wel dat in die liederen de Woordverkondiging wordt voortgezet. Juist daar wringt in reformatorische kerken steeds vaker de schoen. Want er zijn sinds het begin van deze eeuw allerlei liederen in de liturgie binnengeslopen die ongeschikt zijn als Woordverkondiging. Er worden uit allerlei bundels liederen geselecteerd die – in het ergste geval – op gespannen voet staan met de leer van de Schrift – die ook de leer van de kerk is – of in elk geval qua woordgebruik en toonhoogte nogal ver afstaan van de Schrift. Wie streeft naar een eenheid in de liturgie tussen Schriftlezing, prediking en liederen zou in elk geval het boek van de psalmen centraal moeten stellen. Dichter bij de Schrift dan de psalmen kan geen enkel lied komen. Daarnaast zijn er ook andere liederen – bijvoorbeeld in het Liedboek voor de Kerken – die nauw aansluiten bij de Schrift en soms zelfs specifiek refereren aan een bepaald Schriftgedeelte. Juist de noodzaak van een eenheid in de liturgie en het vermijden van een heilloze concurrentie tussen prediking en lied pleit voor een kerkverbandelijk vaststellen van een canon van voor de eredienst geschikte liederen.

Moeten we tot de conclusie komen dat de preek niet wordt bedreigd en dat er geen gevaar bestaat dat ze wordt gereduceerd tot “preekje”? Zeker niet. Er is alle reden de ontwikkelingen op dit vlak kritisch te volgen. Er zijn zeker tekenen dat de prediking niet altijd voldoende serieus genomen wordt. Sommige predikanten lijken zich als entertainer te zien die met allerlei fratsen moet proberen zijn publiek aan zich te binden. Sommigen drukken een zodanig sterk persoonlijk stempel op de dienst dat ze het gevaar lopen tussen de gelovigen en God in te gaan staan. Het is ook onmiskenbaar dat het belang van de preek soms gereduceerd wordt, vaak gepaard gaande met een relativering van het ambt van de predikant.

“Ik kom nu nog veel preken tegen die de tekst uitleggen en niet ingaan op de werkelijkheid van de gemeente in het hier en nu”, zegt prof. De Ruijter. Dat zal dan wel, maar ik heb die ervaring niet. Ik ken wel voorbeelden van het omgekeerde: het leven in het hier en nu staat centraal en de voorganger verkondigt een boodschap waarbij de gekozen tekst slechts als kapstok dient en uit zijn historische context wordt gelicht. Dat lijkt me een groter gevaar, want dan is de boodschap op drijfzand gebaseerd.

Woordverkondiging is breder dan de prediking. Maar dat betekent niet dat de preek een quantité négligeable is. In de Schrift komt het belang van de prediking herhaaldelijk aan de orde. Het Formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords, zoals dat functioneert in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), bevat diverse verwijzingen naar de apostolische brieven. Ook in de beschrijvingen van het leven van de eerste gemeenten in het boek Handelingen komt het belang van de prediking naar voren. We kunnen zelfs terug gaan naar het Oude Testament. In Deuteronomium neemt Mozes afscheid van het volk met een lange redevoering, die men als een oudtestamentische preek kan beschouwen. Hij scherpt het volk de bepalingen van de wet nog eens in en past die toe. De profeten krijgen directe opdrachten en openbaringen van God, maar verwijzen voortdurend naar de Schrift – in hun tijd de boeken van Mozes. De profeet Ezechiël krijgt een zware opdracht: hij wordt tot wachter over Gods volk aangesteld (Ez. 3,16-21). Het zieleheil van Zijn kinderen hangt voor een deel van zijn inspanningen af. Dat was een specifieke opdracht voor Ezechiël en kan niet één op één naar voorgangers in onze tijd worden overgezet. Maar wel wordt hieruit duidelijk hoe zwaar de verantwoordelijkheid van voorgangers is.

In het al genoemde bevestigingsformulier wordt de gemeente opgeroepen haar voorganger te gehoorzamen en zich aan hem te onderwerpen, “want hij waakt over uw zielen en zal voor God rekenschap moeten afleggen”. De te bevestigen predikant wordt voorgehouden dat hij – samen met de ouderlingen – de sleutels van het hemelrijk bedient. Eén van die sleutels is, volgens Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus, “de verkondiging van het evangelie”. De preek van Mozes is daarvan een indrukwekkend voorbeeld.

Van wijlen prof. C. Trimp is de uitspraak opgetekend: “Wij zijn niet op weg naar de eeuwige preek, maar wel naar de eeuwige lofzang.” Daaruit mag niet worden afgeleid dat de preek van ondergeschikt belang is. Regelmatige prediking is noodzakelijk als wegwijzer naar de eeuwige lofzang. Want anders lopen we het gevaar onderweg te verdwalen en het doel te missen.

Advertenties

Wij geloven met het hart

Verstand en gevoel, kennis en beleving – velen zien in die twee begrippenparen een tegenstelling. In christelijke kring worden daarover vaak de degens gekruisd, en bepaald niet pas sinds gisteren. Het speelt ook een rol in de manier waarop bijvoorbeeld gereformeerden en evangelischen naar elkaar kijken. Gereformeerden hebben de naam nogal verstandelijk te zijn en dat is in evangelische kringen bepaald geen aanbeveling. Omgekeerd zien gereformeerden – soms met afgrijzen, soms met jaloezie – hoe evangelischen onbekommerd hun gevoel laten spreken wanneer het om geloofszaken gaat. Ook kerkdiensten of gemeentelijke samenkomsten worden vaak door de bril van het gevoel of het verstand bekeken en beleefd.

Twee recente berichten in het Nederlands Dagblad laten zien hoe het kerkelijk leven hiervan de weerslag ondervindt. In de krant van 5 mei staat een artikel waarin gesignaleerd wordt dat de bijbelkennis van jongeren in christelijke kerken sterk is afgenomen. Onder de deskundigen die gevraagd wordt hoe daarmee moet worden omgegaan, heerst vooral verwarring. Niemand heeft een recept, maar er tekent zich in de reacties wel een patroon af. Wim Verboom, oud-hoogleraar namens de Gereformeerde Bond, wordt als volgt geciteerd: “In de theologische bezinning is steeds meer gezegd: het gaat niet om feitenkennis, maar om relationele en functionele kennis.” Dat idee lijkt vrij algemeen te zijn overgenomen. Hier wordt op z’n minst gesuggereerd dat er een tegenstelling bestaat tussen feitenkennis en beleving.

Van diezelfde tegenstelling lijken ook de predikanten Burger en Schaeffer uit te gaan, die op de jaarvergadering van de Bijbelstudiebond binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) spraken over de doop. De redactie van het Nederlands Dagblad zette boven het verslag op 9 mei de kop: “Sacramenten lijden onder de preek”. Volgens Schaeffer staat de preek nog teveel centraal, waar de sacramenten van doop en avondmaal onder lijden. Burger keert zich tegen de concentratie op het woord: “Het geloof wordt op die manier een zaak van het hoofd, terwijl het net zo goed een zaak van het lichaam is.” Over de wenselijkheid dat in de kerkdiensten ook iets te zien is, kan best een zinvolle discussie gevoerd worden, ook gezien de veranderingen in de cultuur. Maar de beide predikanten maken die discussie niet eenvoudiger door een tegenstelling tussen preek en sacrament te construeren.

Er is trouwens wel enige reden zich over hun uitlatingen te verbazen. Ik heb bepaald niet de indruk dat de sacramenten te weinig aandacht krijgen. De huidige dooppraktijk wijkt sterk af van wat nog zo’n twintig jaar geleden gangbaar was. Het komt vrijwel niet meer voor dat de moeder niet bij de doop van haar kind aanwezig is. In de regel wordt gewacht tot ze voldoende is hersteld om er bij te zijn. Sterker nog, vaak wordt een datum voor de doopbediening gekozen die ook familie en vrienden in staat stelt aanwezig te zijn. Het is geen uitzondering wanneer de doop pas enkele maanden na de geboorte plaatsvindt, ook wanneer daarvoor geen medische gronden aanwezig zijn.
Rond de doopbediening hebben zich allerlei rituelen ontwikkeld die wijzen op het belang dat daaraan gehecht wordt. Kinderen uit de gemeente scharen zich rond de doopvont en worden soms nog apart toegesproken, ouders krijgen soms de gelegenheid een getuigenis af te leggen, ze mogen vaak het dooplied kiezen en wanneer de keus valt op een lied dat geen enkele kerkelijke status heeft wordt daar in de regel niet moeilijk over gedaan.

Ook het avondmaal krijgt meer nadruk dan voorheen. Net als het aantal doopformulieren is ook het aantal formulieren voor de bediening van het avondmaal uitgebreid. Terwijl enkele decennia geleden in de meeste gemeenten het avondmaal eenmaal per kwartaal of per twee maanden werd gevierd, zijn er nu nogal wat gemeenten waar dit elke maand plaatsvindt. Naast de vroeger gangbare zittende viering worden nu ook andere vormen gebruikt, zoals de gaande en de staande viering. Ook de groeiende tendens de avondmaalstafel open te stellen voor leden van andere kerkgenootschappen wijst op een verandering in de manier waarop met dit sacrament wordt omgegaan.

Wat men van deze ontwikkelingen ook vindt – en bij sommige kunnen zeker wel kritische kanttekeningen worden geplaatst -, ze wijzen toch bepaald niet op een onderwaardering van de sacramenten.

De tegenstelling tussen de sacramenten en de preek is nogal discutabel. Ds. Schaeffer relativeert die trouwens, wellicht onbedoeld, wanneer hij zegt: “Ieder kind wordt gedoopt met gewoon water, maar door de woorden die God zelf aan de doop verbindt, krijgt dat vervolgens een veel diepere betekenis dan ‘gewoon een plons water’.” Daarmee geeft hij precies aan waarom preek en sacrament een eenheid zijn, die verbonden worden door het woord – of, beter gezegd, het Woord. Want de sacramenten zijn in feite plaatjes bij het verhaal dat in de prediking centraal staat. Kinderen worden niet door de doop in het verbond opgenomen: ze zijn het al. De doop stelt dat aanschouwelijk voor. De verzoening door het lijden en sterven van Christus vindt niet door brood en wijn plaats. Die zijn slechts de aanschouwelijke voorstelling van het feit van de verzoening. Preek en sacrament verkondigen dezelfde boodschap.

Bij de bediening van de sacramenten mag dan meer te beleven zijn, die beleving is wel geworteld in de feiten zoals die door de bijzondere zorg van de heilige Geest in de Schrift zijn opgetekend. Een beleving die niet op feiten is gebaseerd is als een huis dat op zand is gebouwd. Geloofsbeleving die tegen een stootje kan, moet gefundeerd zijn op de rots van in de Schrift overgeleverde feiten.

Die feiten zijn ook de basis van de preek. Het Woord van God staat daarin immers centraal. Dat impliceert dat wat de heilige Geest nodig oordeelde in de Schrift op te nemen, in de prediking een centrale plaats moet hebben. De hele Schrift moet in de volle breedte aan de orde komen, Oude èn Nieuwe Testament. De prediking wordt soms aangeduid als verkondiging of bediening van het Woord of van het evangelie. Dat suggereert al dat er meer gebeurt dan het weergeven en uitleggen van feiten. Een ouderwetse uitdrukking maakt dat nog duidelijker: ‘bediening van de verzoening’. Daaruit komt naar voren dat het maar niet gaat om een afstandelijke analyse van geopenbaarde feiten. In de Schrift openbaart God zichzelf, laat hij zichzelf kennen. Dat maakt een afstandelijke omgang met het Woord onmogelijk.

‘Naam en feit’ staan niet in tegenstelling tot ‘relationele’ of ‘functionele’ kennis. In de omgang met de Schrift is alle kennis per definitie relationeel. Maar wanneer in de Schrift God zichzelf laat kennen – in zijn zoon, maar ook in de geschiedenis – is onderzoek en kennis van de feiten essentieel. De prediking van apostelen en profeten is niet gebaseerd op ‘vernuftige verzinsels’ (2 Petr 1,16), maar op de verslagen van oor- en ooggetuigen. Lukas schreef zijn evangelie op basis van een grondig onderzoek van de feiten. Kennis van de feiten verhindert de constructie van een op maat gesneden beeld van God en van zijn wil.

De tegenstelling tussen ‘hoofd’ en ‘lichaam’ is een valse. Of het Woord nu klinkt in de preek of in het sacrament – of ook in de bijbelstudie of het godsdienst- of catechetisch onderwijs -, nooit gaat het om het hoofd of het lichaam. Het gaat uiteindelijk altijd om het hart. Dat is de mens zelf, de hele mens, met zijn hoofd en zijn lichaam. Preek en sacrament zijn niet hetzelfde. Maar beide doen een beroep op de hele mens. Ze verkondigen het Woord en vragen om een antwoord.