Archief

Posts Tagged ‘RD’

Een kerk op dwaalwegen

Van 15 tot 17 juni j.l. heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) een aantal besluiten genomen die diepe sporen trekken binnen de kerkelijke gemeenschap. Besloten werd de ambten van diaken, ouderling en predikant open te stellen voor vrouwen. Terwijl het eerstgenoemde besluit vrijwel unaniem werd genomen, liet de stemverhouding ten aanzien van de twee andere zaken zien dat de kerken over deze kwesties diep verdeeld zijn. De reacties op de besluiten van voor- en tegenstanders bevestigden dat beeld. De komende maanden – en vooral na de zomervakantie, wanneer kerkenraden zich over de synodebesluiten zullen gaan buigen – zal menige discussie gevoerd worden, niet alleen binnen kerkenraden maar ook in de gemeenten. Volgens het Reformatorisch Dagblad hebben de GKV een wissel omgezet. Is dat een juiste analyse?

Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, de besluiten van de Generale Synode passen in een proces dat al jaren gaande is. Stukje bij beetje hebben de GKV hun koers verlegd. De veranderingen zijn vrijwel altijd op lokaal niveau begonnen. Gemeenten en kerkenraden hebben zich een steeds grotere mate van vrijheid toegeëigend om hun koers te bepalen in zaken, waarover tevoren altijd op het niveau van meerdere vergaderingen, en speciaal dat van generale synoden, werd gediscussieerd en besloten. Die betreffen niet alleen ontwikkelingen op liturgisch gebied – die wellicht het meest in het oog springen – maar ook zaken als de contacten met andere kerken en samenwerking op het gebied van evangelisatie, de pastorale omgang met ongehuwd samenwonenden en homosexuele relaties en de toelating van gasten aan het avondmaal. Hoewel er duidelijke kerkverbandelijke afspraken bestaan dat in de regel ’s zondags twee kerkdiensten plaatsvinden, dat in de morgendienst de wet gelezen wordt, dat alleen kerkverbandelijk toegelaten liturgische formulieren gebruikt worden en dat gemeenten alleen diegenen als lid aanvaarden die op hun grondgebied wonen, gaan ook daarin gemeenten hun eigen gang. Die grotere plaatselijke eigenzinnigheid heeft de vorige Generale Synode in feite van een stempel van goedkeuring voorzien door de aanvaarding van een nieuwe kerkorde, waarin veel minder is vastgelegd. Eerder werd de grotere diversiteit al gestimuleerd door bijvoorbeeld af te zien van duidelijke regels met betrekking tot het liedrepertoire.

Het feit dat de hierboven geschetste ontwikkelingen geleidelijk plaatsvonden en zich vaak op plaatselijk niveau voltrokken, verklaart ook, zoals ik op dit weblog al eens heb gesignaleerd, dat een expliciete verantwoording van gewijzigde standpunten en handelwijzen meestal ontbreekt. Dat is vooral dan een ernstige omissie, wanneer het gaat om zaken waarover nog maar enkele decennia geleden ferme tegenovergestelde standpunten werden gehuldigd en uitgedragen.

In dat licht is het winst dat de Generale Synode nu duidelijke uitspraken heeft gedaan. Daarmee hebben de GKV een bepaalde positie gemarkeerd die je, met de commentator van het Reformatorisch Dagblad, als het omzetten van een wissel mag beschouwen. Want met deze besluiten is in ieder geval ten aanzien van de toelating van vrouwen tot de ambten vastgelegd wat nu als het standpunt van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) mag gelden. Dat moet inderdaad zo geformuleerd worden, allerlei uitlatingen ten spijt die ten doel hebben de pil voor de tegenstanders wat te vergulden en hun vertrek uit de kerkelijke gemeenschap te voorkomen. In zijn interview met het Nederlands Dagblad trekt de preses van de GS, dr. M.H. Oosterhuis, een rookgordijn op.

Ten aanzien van de genomen besluiten over de toelating van de vrouw tot de ambten zegt hij: “We hebben heel lang geleefd bij de schijnzekerheid dat de Bijbel klip en klaar was over dit thema. De synode doet niets anders dan een stap terug zetten en erkennen dat het ingewikkelder ligt. Je mag elkaar niet binden aan iets waarover geen nadrukkelijke zekerheid bestaat. Je mag de ander niet binden aan jouw Bijbeluitleg.” Op deze weergave van wat zich heeft afgespeeld, valt wel wat aan te merken. Als de synode inderdaad van mening was de de bijbel geen helderheid over dit onderwerp geeft – wat op zichzelf ook een vorm van exegese is – had ze moeten uitspreken dat er meer tijd van studie en meningsvorming nodig was. Maar ze heeft duidelijk stelling genomen en dat is wat anders dan een stap terug zetten. Het is een stap vooruit, naar mijn overtuiging in de verkeerde richting.

En of de synode de kerken niet heeft gebonden aan een bepaalde uitleg van de bijbel is nog maar de vraag (*). Ze heeft uitgesproken “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling” (Besluit 5) en “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van verkondiging en onderwijs en daarmee tot het ambt van predikant” (Besluit 6). Nee, daarmee legt de synode niet een bepaalde exegese van specifieke bijbelteksten aan de kerken op. Maar haar besluiten zijn wel gebaseerd op een bepaalde lezing van de Schrift en een bepaalde weging van Schriftgedeelten en specifieke teksten. Hoeveel vrijheid is er binnen de kerken dan nog om uit te dragen dat de besluiten van de synode in strijd zijn met de Schrift en berusten op een principieel onjuiste lezing daarvan?

De synode besloot ook “ruimte te geven aan de plaatselijke kerken om zelf te bepalen of en zo ja op welke wijze en wanneer ze in de lijn van deze besluiten willen handelen” (Besluit 7). Dit besluit schept onvoldoende duidelijkheid. Het gebruik van het woord of suggereert dat kerkenraden mogen besluiten geen vrouwen tot de ambten toe te laten – niet maar tijdelijk, maar voor altijd. Hebben ze ook de vrijheid daarvoor principiële gronden aan te voeren en uit te spreken dat de openstelling van de ambten van ouderling en predikant voor vrouwen in strijd is met de Schrift? Of worden ze dan – op grond van de synodebesluiten – tot de orde geroepen, bijvoorbeeld wanneer leden van de gemeente in beroep gaan tegen het beleid van hun kerkenraad?

Laten we aannemen dat kerkenraden inderdaad die vrijheid hebben. Het is de vraag of dat de vrede in de gemeente dient. De vrede in het kerkverband dient het in elk geval niet. Want een gemeente is geen eiland. Gemeenten zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, via attestaties, meerdere vergaderingen en kanselruil. Wat zijn de consequenties van de synodebesluiten voor het samenleven als kerkverband? Wie het spreken van de belijdenis over de kerk en de gemeenschap van de heiligen serieus neemt, kan zich uiteindelijk niet neerleggen bij allerlei ‘pragmatische’ oplossingen, die in andere kerkverbanden, zoals de PKN, worden gehanteerd. Het zou ook ongeloofwaardig zijn, gezien de kritiek op deze ‘oplossingen’ die in het nog niet zo verre verleden vanuit de GKV klonk. Ook hier lijkt een principiële verantwoording van een eventuele koerswijziging geen overbodige luxe.

Zo’n koerswijziging kan weinig anders inhouden dan de keuze voor het model van de plurale kerk. Dat betekent dat in de ene gemeente vanaf de kansel en in het pastoraat als Schriftuurlijk mag worden uitgedragen wat in een andere gemeente als in strijd met de Schrift wordt bestempeld. Het vereist nogal wat geestelijke rek- en strekoefeningen om dat in te passen in wat de gereformeerde belijdenissen over de kerk zeggen.

Gezien de hier geschetste ontwikkelingen is het begrijpelijk dat leden van de GKV zich afvragen: wat nu?

Voor een definitief antwoord op die vraag lijkt de tijd me nog niet rijp. Dat geldt in elk geval voor mij. Als lid van een GKV zit ik nog midden in het proces van overweging en overdenking. De komende maanden is het vakantietijd en gebeurt er weinig op kerkelijk terrein. Dat geeft gelegenheid in alle rust de ontwikkelingen te overwegen. Pas na de vakantie zullen kerkenraden met de genomen besluiten aan de slag gaan en zullen ze wellicht daarover met de gemeente in gesprek gaan. Ik zet hieronder een paar elementen op een rijtje die in elk geval in mijn overwegingen een rol spelen.

Het is begrijpelijk dat de synodebesluiten over de ambten nu alle aandacht krijgen, want daarover heeft de Generale Synode uitspraken gedaan die nu als de officiële standpunten van de Gereformeerde Kerken mogen worden beschouwd. Maar er is meer aan de hand. Zoals hierboven al geschetst, maken deze besluiten deel uit van een proces. Het is dus nodig ze in een breder kader aan de orde te stellen. In dit verband wil ik wijzen op de besluiten die genomen zijn ten aanzien van de contacten met andere kerken. Er wordt nu gestreefd naar een fusie met de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Door een minderheid van de Deputaten Kerkelijke Eenheid is er terecht op gewezen dat de binding van ambtsdragers aan de belijdenis binnen de NGK de nodige vragen oproept. Ik voeg daaraan toe dat een fusie tussen GKV en NGK de ontwikkelingen waarover GKV’ers zich zorgen maken en waarvan ik er aan het begin van dit stuk een aantal heb opgesomd, niet zal afremmen maar eerder versnellen. Ik herinner ook aan de plannen om de contacten met de PKN te intensiveren (zie daarover mijn blog ‘Kerkelijke eenheid – kiezen of delen’).

Formeel is de enige manier om de genomen besluiten van tafel te krijgen een verzoek om revisie bij de eerstvolgende Generale Synode. Die weg moet inderdaad gevolgd worden, maar het is de vraag of die enig soelaas biedt. Een revisieverzoek heeft geen opschortende werking, dus de hiervoor geschetste problemen worden daarmee niet opgelost. Bovendien moeten er nieuwe argumenten aangedragen worden, maar veel argumenten voor en tegen zijn al onderwerp van discussie geweest, ook ter synode. Verschillende scribenten hebben er op gewezen dat achter de meningsverschillen over de toelating van de vrouw tot de ambten een hermeneutisch verschil van mening zit. Volgens hen is er geen eenstemmigheid over de vraag hoe de bijbel gelezen moet worden en welke rol onze cultuur in de exegese moet of mag spelen. Het lijkt me daarom van groot belang vooral dat onderwerp op de eerstkomende synode aan de orde te stellen. Daar moet dan de vraag aan gekoppeld worden op welke manier de Schrift normatief is op ethisch terrein. Want ook op dat vlak zijn verschuivingen waarneembaar.

Juist omdat de besluiten betreffende de ambten in een breder verband staan, moeten ze niet als een soort sjibbolet gaan fungeren. Of je er voor of tegen bent, is niet een soort lakmoesproef om te bepalen of iemand wel of niet ‘Schriftgetrouw’, ‘confessioneel betrouwbaar’ of ‘goed gereformeerd’ is. Er zijn nogal wat kerkleden die bezwaren hebben tegen een aantal ontwikkelingen in de GKV, maar over dit onderwerp (nog) geen afgeronde eigen visie hebben. Er zijn er ook die de toelating van de vrouw tot het ambt positief waarderen, maar problemen hebben met de daarvoor aangevoerde gronden en daarin bedenkelijke tendenzen waarnemen. Kortom, er is alle reden de communicatie gaande te houden.

Dat brengt me bij een belangrijk element in de overwegingen over wat ‘bezwaarde’ leden van de GKV te doen staat. We zijn als leden van de kerk voor elkaar verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid betreft in de eerste plaats onze eigen gemeente. Maar ze beperkt zich daar niet toe. Als kerken zijn we niet alleen formeel met elkaar verbonden, maar in de eerste plaats geestelijk. Kerken hebben zich vrijwillig tot een kerkverband aaneengesloten, omdat ze op hetzelfde geestelijke fundament staan. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de drie formulieren van eenheid – die uitdrukking is veelzeggend. Van die verantwoordelijkheid mogen we ons niet gemakkelijk afmaken, bijvoorbeeld door nu direct maar de uitgang van de kerk op te zoeken.

Maar verantwoordelijkheid heeft ook een andere kant, die je misschien voor de duidelijkheid aansprakelijkheid zou kunnen noemen. Gereformeerde kerken zijn niet van bovenaf, maar van onderop georganiseerd. Leden van gemeenten hebben daarmee de mogelijkheid de leer en de manier waarop de Schrift in prediking en pastoraat gehanteerd wordt, langs de kerkelijke weg aan de orde te stellen. De logische consequentie is dat ze daarmee ook aangesproken kunnen worden op wat de kerk leert en welke besluiten kerkelijke vergaderingen nemen. En daar wringt de schoen. Want als kerklid moet ik me de vraag stellen of, en zo ja, hoe lang en op welke punten ik op de kerkelijke leer en praktijk aangesproken wil worden. Beslissend is daarbij niet, of ik er zelf gelukkig mee ben, maar of ze in het licht van de Schrift en de belijdenis te verantwoorden zijn. Er kan een moment komen dat de last van die aansprakelijkheid te zwaar wordt.

De spanning tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid zal vooral gevoeld worden door diegenen die vanwege hun ambt – predikant of ouderling – geroepen zijn geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Maar ook wie geen ambt bekleedt, zal die spanning ervaren. Bovendien: de eerste verantwoordelijkheid van iedere gelovige is die voor zijn eigen geestelijk welbevinden. Dat kan ernstig geschaad worden wanneer men te lang meeloopt met een kerkelijke gemeenschap die zich op dwaalwegen begeeft.

(*) De besluiten van de GS betreffende “m/v en ambt” zijn hier te downloaden.

Advertenties

Preken voor het leven

In gereformeerde kring is altijd veel aandacht geweest voor de prediking. Over preken werd gesproken, na de dienst, op bijbelstudieverenigingen. En nog steeds mag het onderwerp zich in grote belangstelling verheugen. Wanneer een predikant moet worden beroepen, komen allerlei eisen en verlangens op tafel. Maar zijn preken zijn toch nog steeds een belangrijk, misschien zelfs wel doorslaggevend argument voor het al dan niet uitbrengen van een beroep.

Intussen worden aan preken wel andere eisen gesteld dan vroeger. Ieder heeft zo zijn eigen wensen. Al te moeilijk mag het niet zijn. En de voorganger moet ook zo preken dat het gemiddelde gemeentelid er iets aan heeft voor de komende week. Hij moet uiteraard de jeugd aanspreken, ook al is ook in de kerk de vergrijzing inmiddels zichtbaar. En dan is er nog de evangelisatie: eigenlijk moet er zo gepreekt worden dat ook toevallige bezoekers snappen waar het over gaat. Kortom, de taak van de prediker is er niet eenvoudiger op geworden.

De vraag is dan wel of daarmee de prediking op haar juiste waarde wordt geschat. Wim Dekker, hoofd vorming en educatie van de “IZB – vereniging voor zending in Nederland” (vroeger functionerend binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, tegenwoordig de PKN), schreef daarover een artikel in het Nederlands Dagblad van 8 april j.l. Het had als opschrift: “Het besef is verbleekt dat in de kerk doden worden opgewekt”.

Een citaat geeft Dekkers visie op de prediking goed weer. “Gereformeerde mensen hadden een diep besef van verlorenheid, dat God eraan te pas moest komen om je uit je verlorenheid op te rapen en dat Hij dat bij voorkeur deed door de prediking. Gereformeerde mensen beseften dat je daarna nooit klaar was, maar dat God een leven lang werk met je hield en dat je daarom zo vaak mogelijk in de werkplaats van God moest verschijnen en die werkplaats is de kerk, waar de Geest werkt door het Woord.”

Dekker meent dat deze opvatting in verregaande mate is verdwenen en dat als gevolg daarvan aan de kerkdienst “van alles geknutseld” wordt. Dat is geen oplossing, want “als ik niet voor mijn eeuwig heil naar de kerk moet, dan zijn er altijd wel weer andere dingen belangrijk”. Op de tegenwerping dat deze kwestie niet erg relevant is wanneer het erom gaat ‘buitenstaanders’ te bereiken, antwoordt Dekker: “Maar mijn stelling is, dat geen mens van buiten geboeid zal worden door iets dat in wezen vrijblijvend en gemoedelijk is.” Hij roept gereformeerde mensen op weer te gaan geloven dat onder de preek doden worden opgewekt. “Dat is dan tevens de beste dienst die ze aan welke zoeker dan ook kunnen bewijzen.”

Heeft Dekker gelijk met zijn analyse van de situatie en met zijn visie op de prediking? Hetzelfde artikel stond in het Reformatorisch Dagblad met een wat andere titel: “Wervende preek moet vol gloed en aandrang zijn”. De koppen zijn waarschijnlijk van de redacties van de respectievelijke bladen, maar die van het ND is pregnanter en geeft scherper aan waar het Dekker om gaat.

Waarschijnlijk nodigt zo’n titel ook eerder uit tot tegenspraak dan die in het RD. Een in de kolommen van het ND niet geheel onbekende scribent reageerde dan ook op raillerende wijze. Het kernpunt van zijn kritiek is dat de preek wordt overschat, omdat de Geest ook op andere wijzen werkt en niet alleen in de kerkdiensten.

Het is waar dat het allemaal begint bij het Woord zelf. Dat keert nooit leeg weer. Dat betekent dat de preek niet teveel belang mag worden toegekend. Een preek kan soms teleurstellen, maar daarmee verliest de kerkdienst nog niet zijn waarde zolang het Woord klinkt. En veel christenen in deze wereld moeten het zonder regelmatige prediking stellen.

Het is ook waar dat de Geest niet alleen via de kerkdiensten werkt. Opvoeding, onderwijs, bijbelstudie – individueel en in verenigingsverband -, huisbezoeken, het zijn allemaal middelen die de Geest gebruikt. Dat laat onverlet dat de verkondiging van het Woord door hen die daartoe geroepen zijn, een sleutelrol speelt in het kerkelijk leven.

Dat woord ‘sleutelrol’ kan hier letterlijk genomen worden. In zondag 31 van de Heidelbergse Cathechismus wordt de verkondiging van het evangelie één van de sleutels van het hemelrijk genoemd, waardoor het koninkrijk van de hemel voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten wordt. Dat brengt grote verantwoordelijkheid mee voor de prediker en voor zijn toehoorders. Het is daarom terecht dat Dekker het zo formuleert als hij doet.

Dat betekent dat aan slordige kerkgang zwaar getild moet worden. Ik ben er niet zeker van dat dit ook het geval is. Ik ben waarschijnlijk niet de enige die constateert dat vooral het bezoek van de middagdiensten sterk is teruggelopen. Of door kerkenraden daaraan, bijvoorbeeld op huisbezoek, ook aandacht wordt besteed, onttrekt zich aan mijn waarneming. Ik heb niet de indruk dat het altijd en overal als een bijzonder urgent probleem wordt gezien.

De opmerking van Dekker dat de veranderde visie op de prediking leidt tot “geknutsel” aan de eredienst is heel herkenbaar. En dat geknutsel is ook sterk aan mode onderhevig. Jaren geleden was het ineens “in” allerlei voorwerpen de kansel op te slepen, soms zo voor de hand liggende dingen dat je je afvroeg of de voorganger dacht dat er alleen kinderen in de kerk zaten.

Maar dat is nu helemaal uit. Nu wordt vooral gestreefd naar variatie. Wanneer elke dienst volgens een vast patroon verloopt, komt de sleur erin en haakt een deel van de gemeente af. Nieuwe muziekstijlen, bij voorkeur beïnvloed door de popmuziek, moeten de jongeren enthousiast maken. De Geneefse psalmen, met hun ‘gedragen’ melodieën, zijn te weinig dynamisch. En steeds weer dezelfde teksten, die gaan na verloop van tijd het ene oor in en het andere uit. Dus worden de Tien Geboden, wanneer het zo uitkomt, maar eens vervangen door iets anders, eventueel van eigen makelij. En desnoods zetten we de gemeente aan het discussiëren. Niet te lang natuurlijk, want dat gaat ook vervelen.

Dat zulke middelen het meestal maar een paar jaar uithouden laat zien dat ze niet werken. De vroeger bekende reclameslogan ‘Geen fratsen, dat scheelt’ is ook op de kerkdiensten van toepassing. Wanneer het besef ontbreekt dat de heilige Geest door middel van de kerkdiensten het geloof wil werken zullen ook allerlei modieuze fratsen geen mens in de kerk krijgen. En als aan kerkdiensten geen hogere eisen worden gesteld dan dat ze “ergens over gaan”, zoals ik een tijd geleden uit een gesprek van jongeren opving, dan valt niet te verwachten dat men sterke aandrang voelt elke zondag twee keer in “de werkplaats van God” te verschijnen.

Dekker spreekt in zijn artikel niet alleen de toehoorders aan, hij richt zich ook op de voorgangers. Niet alleen bij de toehoorders, maar ook bij de predikers is het besef verbleekt “dat onder de prediking doden worden opgewekt. Wanneer de predikers dit niet meer beseffen, verdwijnen gloed en aandrang uit hun preken, het wordt vooral onderhoudend en gemoedelijk, bemoedigend en vertrouwd: het was wel weer mooi vanmorgen. Maar het was helemaal niet mooi, want er is niets gebeurd!”

Het zal wel waar zijn dat predikanten de druk voelen van de wensen die in de gemeente leven ten aanzien van de prediking. En je moet wel ruggegraat hebben om daarvoor niet te buigen, wanneer je ervan overtuigd bent dat je dan tekort doet aan wat je opdracht is. En wanneer je kerkenraad dan ook nog geneigd is te buigen als een knipmes, wanneer gemeenteleden hun wensen op tafel leggen, wordt je leven er niet eenvoudiger op.

Het helpt wanneer predikanten zich realiseren dat ze niet in de eerste plaats verantwoording schuldig zijn aan de gemeente, maar aan hun Zender. Een preek is geen verzoeknummer. Predikers moeten de vermaning van Paulus aan het adres van Timotheüs (2 Tim 4,2) ter harte nemen: “Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet”.

Die boodschap omvat “oude” en “nieuwe” dingen, zoals Jezus zelf aangeeft, wanneer Hij een “schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden” vergelijkt met “een huismeester die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen te voorschijn haalt” (Mt 13,53). Nieuwe dingen komen alleen te voorschijn, wanneer de prediker studeert en het resultaat daarvan in zijn prediking vertaalt. Maar ook “oude dingen” moeten blijven klinken, want – zoals Dekker terecht stelt – Gods werk aan zijn kinderen duurt hun leven lang.

In de eredienst moet het inderdaad “ergens over gaan”. Als het over dood en leven gaat, dan gaat het ergens over en dan gebeurt er wat.