Archief

Posts Tagged ‘Reformatie’

Een schot naast het doel

7 januari 2019 1 reactie

De zogenaamde Nashvilleverklaring, een “gezamenlijke verklaring over Bijbelse seksualiteit”, zoals het op de website wordt samengevat, heeft heel wat stof doen opwaaien. Dat vanuit seculiere kring en door christenen die je als ‘liberaal’ zou kunnen bestempelen, in sterk afkeurende zin werd gereageerd, is uiteraard geen verrassing. Maar ook binnen min of meer ‘orthodoxe’ kring heeft de verklaring tot discussie geleid. Een aantal voorgangers, die benaderd waren om hun handtekening te zetten, hebben dat geweigerd. Twee hoogleraren van de Theologische Universiteit van Apeldoorn (CGK) hebben zich door middel van een artikel van de verklaring gedistantieerd. De kritiek valt in twee categorieën uiteen: sommige christelijke voorgangers hebben kritiek op de inhoud; in tegenstelling tot de ondertekenaars van de verklaring accepteren zij seksuele diversiteit, anders dan alleen die van man en vrouw, als onderdeel van de schepping en zien zij ruimte voor homoseksuele relaties binnen de kerk. Anderen hebben vooral kritiek op de gang van zaken en het gekozen middel, hoewel ook zij soms bedenkingen hebben bij bepaalde elementen van de inhoud.

Ik laat die inhoud op dit moment voor wat ze is. Hier concentreer ik me vooral op de vraag wat de zin en de uitwerking van deze verklaring zijn.

Wat was eigenlijk de concrete aanleiding voor deze verklaring? Er wordt in de inleiding gerept over “een historische overgangssituatie” en er wordt op gewezen dat “de westerse cultuur in toenemende mate postchristelijk is geworden”. Daar valt weinig op af te dingen. Maar vervolgens wordt dit specifiek gerelateerd aan de visie op “het zelfverstaan als mannelijk en vrouwelijk”. Waarom werd dit als voorbeeld van een postchristelijke cultuur gekozen? Dat kan waarschijnlijk niet los gezien worden van de Amerikaanse context, waarin de oorspronkelijke verklaring is ontstaan. In de Verenigde Staten staan de opvattingen vaak scherper tegenover elkaar dan bij ons. Christenen die de Schrift willen volgen, hebben vaak te maken met agressieve tegenstand, die probeert de invloed van christelijke opvattingen zoveel mogelijk in te dammen. Afgezien van de Amerikaanse neiging tot radicaliteit heeft dit ongetwijfeld ook te maken met de nog steeds prominent aanwezige invloed van het christendom in de samenleving. Dat is bij ons anders: wat christenen zeggen en vinden wordt òf niet waargenomen òf als relatief irrelevant genegeerd. Grote conflicten tussen christenen en seculieren, zoals die in de VS soms voorkomen, zijn hier grotendeels afwezig en daarom mag de vraag gesteld worden of er wel enige urgentie bestond om de verklaring in een Nederlandse variant te publiceren. Wij hebben hier christelijke scholen die een grote mate van vrijheid hebben om christelijke normen over te dragen en ook wordt christelijke ouders geen strobreed in de weg gelegd om hun kinderen een christelijke opvoeding te geven, ook ten aanzien van huwelijk en seksualiteit.

Ook onduidelijk is tot wie de verklaring precies gericht is. Wie zijn de geadresseerden? De seculiere samenleving wordt hiermee niet bereikt, want de gebruikte argumenten worden òf niet begrepen òf op voorhand afgewezen, omdat ze ontleend zijn aan de bijbel, die voor seculieren niet relevant en in elk geval niet gezaghebbend is. Dat laatste geldt ook voor ‘liberale’ christenen, voor wie de bijbel hooguit een bron van inspiratie is, maar ook niet meer dan dat. Ook zij zullen door deze verklaring niet overtuigd worden.

In het ‘voorwoord’ wordt uitgesproken dat de verklaring wordt aangeboden “in de hoop dat wij hiermee de kerk van Christus dienen en hiermee openlijk getuigenis afleggen van de goede doeleinden die God heeft met de menselijke seksualiteit en die Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard.” Gezien de argumentatie en woordkeuze richt de verklaring zich vooral op dat deel van de ‘kerk van Christus’ dat de bijbel als het gezaghebbende Woord van God aanvaardt. Wellicht wil men degenen die daartoe behoren een steuntje in de rug geven door hen ervan te verzekeren dat ze er niet alleen voor staan. Maar zou het ook niet de bedoeling kunnen zijn geweest piketpaaltjes te slaan? Wil men het orthodoxe deel van de Nederlandse christenheid ervan overtuigen dat we op dit punt niet moeten gaan schuiven?

Die vrees lijkt me niet ongerechtvaardigd. Ook in kerken die als ‘orthodox’ bekend staan, is toenemende verlegenheid met vooral homoseksualiteit te constateren. Waar nog maar een paar decennia geleden er geen twijfel over bestond dat in de kerk geen ruimte was voor homoseksuele relaties, lijkt er nu een grotere openheid daarvoor te bestaan. Deze verklaring zou bedoeld kunnen zijn om te waarschuwen de weg naar acceptatie van zulke relaties niet in te slaan. Het is echter twijfelachtig of ze daarin zal slagen.

Dat heeft alles te maken met de gekozen methode. De ondertekenaars zijn in overgrote meerderheid voorgangers van kerken en gemeenten; er zijn er ook bij die geen voorganger zijn maar in hun kerkelijke kring – en soms ook daarbuiten – enig gewicht hebben. Maar hoewel bij alle ondertekenaars vermeld staat uit welke kerk of kring ze afkomstig zijn, hebben ze alle op persoonlijke titel getekend. Dat werpt de vraag op wat precies de status van deze verklaring is. Ze is niet kerkelijk ingebed en daarom is het twijfelachtig dat ze tot kerkelijke verklaringen of besluiten zal leiden. Van de PKN is zo’n besluit sowieso niet te verwachten, gezien de principiële verdeeldheid. Bevindelijke kerken als de Gereformeerde Gemeenten en de Hersteld Hervormde Kerk hebben deze verklaring niet nodig om tot eventuele kerkelijke besluiten te komen. Daarmee is deze verklaring niet veel meer dan een hartenkreet of – iets minder vriendelijk geformuleerd – een oprisping, zonder enig concreet gevolg.

Bij de status van de ondertekenaars valt nog wel een kritische kanttekening te plaatsen. De meesten zijn voorgangers en bij de pogingen het aantal ondertekenaars uit te breiden, zouden specifiek voorgangers benaderd worden. Daarmee wordt hun een speciale status toegekend. Maar waarom eigenlijk? In reformatorische kring zouden voorgangers niet de koers van de kerk moeten bepalen. Het is wellicht veelzeggend dat de ondertekenaars vooral afkomstig zijn uit bevindelijke kerken en uit evangelische kring. In beide worden voorgangers nogal eens op een voetstuk gezet en beslissen zij in hoge mate hoe de hazen lopen. Je krijgt uit de lijst van ondertekenaars bijna de indruk dat hier een aantal ‘geestelijke leidslieden’ – mensen die weten hoe het zit – ex cathedra de “schare die de wet niet kent” toespreken. Maar alleen de paus heeft de pretentie ex cathedra te kunnen spreken en daarmee heeft de Reformatie afgerekend. ‘Geestelijke leidslieden’ kent de reformatorische wereld niet. Besluiten over de leer van de kerk en over de ethische consequenties daarvan horen principieel thuis op de tafels van kerkelijke vergaderingen.

Ik wees al op de mogelijkheid dat de ondertekenaars vooral willen waarschuwen tegen een acceptatie van homoseksuele relaties en in het algemeen een ‘liberale’ manier van omgaan met vragen rond gender, zoals dat tegenwoordig genoemd wordt. Die openheid is inderdaad te signaleren in kerken die als ‘orthodox’ bekend staan. En daarmee komen we bij de kern van de zaak, want op de achtergrond speelt de vraag of de bijbel eigenlijk nog wel eenduidig is. Kun je met de Schrift niet verschillende kanten op? Dat is wel een gedachte die in orthodox-christelijke kring veld wint. Het meest duidelijke voorbeeld daarvan is de discussie in vooral de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) over de vraag of ook vrouwen tot de ambten van predikant en ouderling kunnen worden toegelaten. De Generale Synode, die de ambten voor vrouwen openstelde, deed geen dwingende uitspraak – “zo is het en niet anders” – maar presenteerde haar argumentatie als één van de mogelijkheden. De bijbel levert, naar haar mening, geen sluitende argumenten voor één van beide standpunten.

Dit is geen geïsoleerde kwestie. Ook op andere terreinen wordt steeds vaker ervoor gekozen het maar aan gemeenten of zelfs aan individuele gelovigen over te laten, welke conclusies ze aan de boodschap van de Schrift verbinden. Dat leidt onvermijdelijk tot een grotere pluriformiteit in zowel de leer als de ethiek. Daarmee is niet alleen in geding wat we belijden ten aanzien van de kerk, maar ook de manier waarop we de Schrift uitleggen en hoe we aankijken tegen de relevantie van bijbelse geboden en voorschriften.

Een grondige discussie daarover is van het grootste belang. Maar die wordt door deze verklaring niet gediend. Want hier wordt uit een scala van thema’s één bepaalde kwestie uitgelicht. Waarom? Zoals ik hiervoor al schreef is niet duidelijk waarom dit nu juist zoveel urgentie heeft. Maar er zijn meer bezwaren. De concentratie op een onderwerp dat seksualiteit betreft, wekt de suggestie dat het zevende gebod zo ongeveer het belangrijkste van de tien is en dat een zonde tegen dit gebod het ernstigste is van alle. Dat is niet in overeenstemming met wat de Heidelbergse Catechismus daarover zegt. In Zondag 36 wordt de lastering van Gods naam als ‘hoofdzonde’ aangewezen. En dan gaat het niet maar alleen om vloeken, maar in brede zin om het verbinden van Gods naam aan wat niet bij Hem hoort. Dat is door de hele geschiedenis heen nogal eens gebeurd. Wie denkt dan niet aan de kruistochten? En in onze tijd moet gewezen worden op de flirt van sommige christenen met nationalisme, autoritaire leiders en afkeer van vreemdelingen. Ook het welvaartschristendom en de uitbuiting van de schepping door menselijke hebzucht mogen hier niet onvermeld blijven. In dit licht zou men kunnen zeggen dat de ondertekenaars het verkeerde thema hebben uitgekozen.

Die isolatie van één specifiek thema vindt haar oorsprong in het (Amerikaanse) fundamentalisme. Eén van de kenmerken van het fundamentalisme is dat een aantal standpunten als onopgeefbaar worden aangemerkt, zonder dat die deel uitmaken van een groter geheel. Daardoor kan aan de ene kant een christelijke visie op huwelijk en seksualiteit worden verdedigd en kunnen aan de andere kant de uitwassen van de kapitalistische economie en de sociale ongelijkheid over het hoofd worden gezien of zelfs verdedigd. Juist vanuit kerken van de Reformatie zou men daarin niet mee moeten gaan. Het christelijk geloof bestaat niet uit een aantal losse issues, maar is een in de Schrift gefundeerde, samenhangende manier om naar het leven en de samenleving te kijken. Het leven is één.

De ondertekenaars hadden de kerk van Christus een grotere dienst bewezen wanneer ze een bijbels gefundeerde samenhangende visie op de samenleving hadden geformuleerd en waren opgekomen voor het recht deze in de politiek en de samenleving uit te dragen. Ze hadden ook bouwstenen kunnen aandragen voor het hoogstnoodzakelijke debat over de manier waarop de Schrift moet worden uitgelegd en over haar relevantie voor het leven in onze tijd. Die kans hebben ze laten liggen.

Daarmee is deze verklaring een schot naast het doel.

Advertenties

Franciscus en Zondag 30

Het duurde niet lang voor de 115 kardinalen in de Sixtijnse kapel hun keus hadden bepaald. Een naam die op geen enkel lijstje dat in de media circuleerde voorkwam, werd gekozen tot opvolger van Benedictus XVI. Daaruit bleek weer eens hoe moeilijk het is de toekomst te voorspellen. Inmiddels heeft de nieuwe paus al een stempel op zijn pontificaat gedrukt. Dat kwam al direct tot uitdrukking in de naam die hij koos, Franciscus. Dat is een verwijzing naar Franciscus van Assisi, die eenvoud en soberheid als idealen predikte. Die keuze is ongetwijfeld geïnspireerd door de situatie in Latijns-Amerika waar de kloof tussen rijk en arm groot is en veel mensen in bittere armoede leven.

Die naamskeuze en ook het optreden van de paus – in zijn vorige leven als bisschop en later kardinaal in Argentinië en nu als paus – werden in de media in positieve zin genoteerd. Tegelijk konden sommige, zoals NRC Handelsblad, het niet nalaten de nieuwe paus langs hun libertijnse meetlat te leggen om daarna te constateren dat van hem niets nieuws te verwachten valt. Het is ironisch dat christelijke partijen soms verweten wordt dat ze ethische zaken als abortus, euthanasie of het homohuwelijk tot kern van hun politieke activiteiten maken, terwijl de libertijnse media precies hetzelfde doen in hun beoordeling van kerken en hun vertegenwoordigers. Wat de paus over die zaken zegt, is voor hen doorslaggevend voor hun oordeel.

Zou men echt hebben verwacht dat iemand tot paus zou worden gekozen die een standpunt zou innemen dat fundamenteel afwijkt van dat van zijn voorgangers en – sterker nog – de leer van de kerk? Verwacht men dat iemand die tot lijsttrekker van bijvoorbeeld de VVD wordt gekozen, zegt dat het liberalisme een vergissing was? Het minste wat je van een paus mag verwachten is dat hij de leer van zijn kerk voor de volle honderd procent uitdraagt en tegen kritiek verdedigt. Daar kunnen gereformeerde ambtsdragers nog een voorbeeld aan nemen.

Ook in protestantse kringen werd de verkiezing van de paus nauwlettend gevolgd. Te nauwlettend, volgens sommigen, vooral in bevindelijke kringen. De uitgebreide – en in hun ogen te ‘neutrale’ – berichtgeving in het Reformatorisch Dagblad kon hun goedkeuring niet wegdragen. Typerend was een artikel van vijf voorgangers waarin de staf wordt gebroken over die berichtgeving. Want “[wanneer] we de paus leggen langs de meetlat van de Reformatie en daarmee langs de meetlat van de Schrift, kunnen we alleen maar concluderen dat het bestaan van een paus een gruwel is en blijft”, schrijven de auteurs, die de paus als “antichrist” betitelen.

Wat beogen de auteurs met zulke formuleringen? Die doen het bij hun eigen achterban ongetwijfeld goed: de eigen positie wordt nog eens duidelijk gemarkeerd, niet alleen tegenover de rooms-katholieke kerk, maar ook tegenover die protestanten die de scherpe kantjes van het conflict tussen Rome en Reformatie willen afvijlen. Maar rooms-katholieken zullen door zulke uitlatingen vast niet tot nadenken worden gebracht. Wie de paus als de ‘antichrist’ typeert, kan niet verwachten dat leden van zijn kerk het verschijnsel van het pausschap kritisch tegen het licht zullen houden. Het is ook nog maar de vraag of zulke vertegenwoordigers van de Reformatie wel altijd een correct beeld van de leer van de rooms-katholieke kerk hebben. In dit verband kan gewezen worden op opmerkingen ten aanzien van de leer betreffende de mis door
ds. Paul Waterval
, predikant in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en zelf van rooms-katholieke afkomst. Stoere taal ten aanzien van de rooms-katholieke kerk en leer lijkt eerder het eigen gevoel te bevredigen dan een echte gedachtenwisseling tussen Rome en Reformatie te bevorderen.

Aan de andere kant van het spectrum staan opiniemakers en voorgangers binnen de protestantse wereld die een grote sympathie voor de paus ten toon spreiden en hoop op een ontwikkeling van de rooms-katholieke kerk ten goede koesteren. Die sympathie dateert niet van het moment dat Franciscus aantrad, maar vindt haar wortels in de waardering die zijn voorganger, Benedictus XVI, oogstte met zijn geschriften en de manier waarop hij het christelijk geloof en de christelijke ethiek tegen het secularisme verdedigde. Die waardering is terecht en raakt in de uitlatingen uit de bevindelijke hoek ondergesneeuwd. Te weinig klinkt daarin door dat de heilige Geest ook in een kerk kan werken die in veel opzichten niet voldoet aan wat volgens de Schrift kerk mag heten. Maar die waardering mag er niet toe leiden dat die dingen die de toets van de Schrift niet kunnen doorstaan, met de mantel van de liefde worden bedekt.

Het is heel goed mogelijk waardering te hebben voor wat een paus doet, schrijft en zegt en tegelijk het verschijnsel van het pausschap en de pretenties die daarmee verbonden zijn af te wijzen. Alleen al het feit dat de paus zich met “heilige Vader” laat aanspreken, zou elke protestant, die God als zijn Vader heeft leren belijden, tegen de haren moeten instrijken. De leer van de rooms-katholieke kerk mag dan niet meer precies dezelfde zijn als ten tijde van de Reformatie, die is door latere concilies of pausen nooit herroepen. Dat kan niet eens, zoals ds. Waterval in het bovengenoemde interview opmerkte. Dr. Bram van de Beek meent dat Luther zijn 95 stellingen nooit zou hebben opgesteld als in zijn tijd Benedictus XVI paus was geweest. Luther keerde zich in zijn tijd tegen misstanden in de kerk. Zijn die er dan nu niet? De kranten hebben er vol van gestaan en Benedictus mag veel kwaliteiten hebben bezeten, doortastendheid in het aanpakken van die misstanden behoorde daar niet toe.

Luther beperkte zich bovendien niet tot misstanden ten aanzien van de levensstijl van geestelijken en financiële wantoestanden, maar stelde fundamentele leerstukken van de kerk ter discussie. Eén van zijn grote verdiensten was de Schrift als enige norm voor het geloof te proclameren. De houding van de rooms-katholieke kerk ten aanzien van de Schrift mag veranderd zijn, het is nog altijd niet de enige – en zelfs niet de belangrijkste – bron van kennis over God en zijn wil. Ik heb er in een vorige bijdrage in dit weblog (“Het kerklied en de kerkliedjes”) al op gewezen dat Lied 328 uit het Liedboek voor de Kerken door de censor van het bisdom Utrecht werd afgewezen vanwege de zinsnede “Here Jezus, om uw woord zijn wij hier bijeengekomen”. Dat woord is ook in de rooms-katholieke kerk van vandaag niet de kern van de eredienst. Het is dan ook helemaal niet verbazingwekkend dat een rooms-katholiek publicist als Anthony Ruijtenbeek schrijft “dat ‘sola scriptura’, in welke variant ook beleden, welhaast moést leiden tot de huidige 30000 denominaties binnen de Protestantse minderheid in het Christendom (…)”. Wie dus de eenheid van de kerk boven alles stelt, zoals de rooms-katholieke kerk doet, kan met het sola scriptura niet uit de voeten.

“Niet de paus, maar Christus is centrum van de kerk”. Dat was de boodschap van Franciscus bij zijn ontmoeting met journalisten. Dat doet een gereformeerd mens goed, ook al komt het uit de mond van een paus. Maar dat geeft er tegelijk wel een bijsmaak aan. Want Christus en zijn woord zijn niet los verkrijgbaar. Wanneer Christus het centrum van de kerk is, moet zijn woord de enige norm van leer en leven zijn. We leren zijn wil immers door dat woord kennen. Sterker nog, Hij is het vleesgeworden woord. Wie dus de Schrift niet erkent als kern van de eredienst, verdringt het vleesgeworden woord van de plaats die Hem toekomt. Alle mooie woorden kunnen die werkelijkheid niet verdoezelen.

De harde taal van ‘antipapisten’ brengt de reformatie van de rooms-katholieke kerk geen stap dichterbij. Maar het ‘filo-katholicisme’ van sommige protestanten, die de reële verschillen tussen Rome en Reformatie onder het tapijt vegen, doet dat evenmin. Alleen wie in de rooms-katholieke kerk waardeert, wat waardering verdient, is in de positie datgene te bekritiseren wat bekritiseerd behoort te worden. Dan hoeft zowel in het catechetisch onderwijs als in het contact met rooms-katholieken over Zondag 30 van de Heidelbergse Catechismus niet gezwegen te worden.

Wegen naar Rome

30 oktober 2011 1 reactie

Alle wegen leiden naar Rome, zegt het spreekwoord. Dat betekent dat er verschillende methoden zijn om een bepaald doel te bereiken. Het lijkt erop dat we in de christelijke wereld dat spreekwoord letterlijk moeten nemen. De laatste decennia zijn nogal wat protestanten naar de Rooms-Katholieke Kerk overgestapt. In Nederland is het aantal overgangen nog beperkt, maar vooral in de Angelsaksische wereld komt het herhaaldelijk voor. Zelfs mensen die een leidende positie in hun kerken of gemeenschappen innamen, hebben de overstap gemaakt. Waarom deden ze dat?

Voor een belangrijk deel lijkt de overgang naar de Rooms-Katholieke Kerk gemotiveerd te worden door onvrede. Er zijn er die grote moeite hebben met de ontwikkelingen in hun eigen kerkelijke gemeenschap. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan leden van de Anglicaanse Kerk waarbij de bezwaarden vooral verwijzen naar de toelating van de vrouw in het ambt en de visie op homosexuele relaties. Er zijn er ook die in de Rooms-Katholieke Kerk vinden wat ze in hun eigen gemeenschap missen. Ze noemen dan zaken als de liturgie, de plaats van de sacramenten en de mystiek. Het zijn vooral evangelicalen die zich daartoe aangetrokken voelen. Dat is niet zo verwonderlijk, want als ergens de liturgie down to earth is, soms op het banale af, en gevoel voor stijl ontbreekt, is het daar.

Het is niet moeilijk hier een patroon te ontwaren dat de sporen van onze tijd vertoont. Stijl, mystiek, sacrament – het zijn allemaal zaken die de menselijke zintuigen aanspreken. De moderne mens wil zien en ervaren. Daaraan komt de roomse kerkelijke praktijk tegemoet. Het sacrament – dat gezien en ervaren wordt – speelt de centrale rol in de rooms-katholieke eredienst. Vanuit dit gezichtspunt is het wellicht niet eens zo vreemd dat nogal wat evangelicalen zich tot het rooms-katholicisme voelen aangetrokken. Juist in die kringen staat het gevoel hoog aangeschreven. Velen zijn voortdurend op zoek naar ervaring en willen de aanwezigheid van God en de realiteit van zijn almacht merken. Dat laatste eventueel aan den lijve, doordat ze op het gebed genezen worden van hun kwalen. Ook de recente commotie rond al dan niet werkelijke genezingen wijst op het voortdurend zoeken naar ervaring. En is het verschil tussen zaken als ‘stille tijd’ en kringgebed, die vooral in evangelicale kring worden gepropageerd, en de rooms-katholieke mystiek wel zo groot?

Maar er is meer. Ik heb in mijn tweede artikel over Kerk en politieke partij al gewezen op de overeenkomsten tussen rooms-katholieken en evangelischen ten aanzien van de omgang met de Schrift. Beide hebben de neiging het Oude Testament tegen het Nieuwe uit te spelen. Ik herinner me nog goed de uitspraken van kardinaal Simonis bij Pauw & Witteman, dat de mozaïsche wetgeving een ‘primitief godsbeeld’ weerspiegelt, waarmee impliciet werd ontkend dat die wetgeving van God zelf afkomstig was. Bij rooms-katholieken en evangelicalen is de Schrift niet de enige bron van kennis over God en zijn wil. Op z’n minst in sommige evangelische kringen wordt aan persoonlijke ingevingen en openbaringen – naast en als aanvulling op de Schrift – een legitieme plaats toegekend, terwijl in de Rooms-Katholieke Kerk de leeruitspraken van de paus en van concilies niet toetsbaar zijn aan de Schrift.

Ik heb in het bovenstaande vooral de blik gericht op de aantrekkingskracht van de Rooms-Katholieke Kerk voor evangelicalen. Maar ook in reformatorische kring zijn er die de overstap gemaakt hebben, terwijl anderen die dat nog niet hebben gedaan, zich zouden kunnen voorstellen dat ooit wel te doen. Ook hier speelt het verlangen naar ervaring een rol. Maar daar komt nog een ander motief bij. In reformatorische kring wordt grote waarde gehecht aan de eenheid van de gelovigen, ook al wordt daar in de praktijk vaak weinig mee gedaan. Maar het is wel een motief dat sommigen ertoe brengt op z’n minst te filosoferen over een ‘terugkeer naar Rome’. De Rooms-Katholieke Kerk lijkt de eenheid te demonstreren die in de protestantse wereld ontbreekt.

De grote vraag is dan welke rol de leer eigenlijk nog speelt. Bij iemand als prof. Bram van de Beek, die in het Nederlands Dagblad van 29 oktober j.l. aan het woord komt, is dat wel degelijk een kwestie die ertoe doet. Maar hij relativeert de verschillen. “Er zijn veel gebreken aan de Rooms-Katholieke Kerk, in leer en leven. Protestanten kunnen ze makkelijk aanwijzen. Maar als de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw zo geweest zou zijn als nu, zou de Reformatie er nooit zijn gekomen.” Hij noemt met name de positie van de paus als een punt van discussie. Maar ook dat is overkomelijk. “Laat de bijzondere positie die de bisschop van Rome vanaf het eind van de eerste eeuw gehad heeft, rustig blijven en laten alle christenen hem steunen om herder van het kerkvolk te zijn. Protestanten hebben ook hun feilen en naar mijn oordeel groter dan Rome. Als ik moet kiezen waar de trouw aan het christelijk erfgoed het meest is bewaard, dan komt Rome er beter af dan de protestantse kerken.”

Het zijn merkwaardige en discutabele uitspraken. Wat is de Rooms-Katholieke Kerk van nu precies? Verschilt die fundamenteel van die van de 16e eeuw? Wellicht zijn een aantal van de meest opvallende misstanden verdwenen. Maar zijn de verschillen op dogmatisch vlak uit de weg geruimd?
Het is wel ironisch dat in hetzelfde nummer van het Nederlands Dagblad twee andere artikelen staan die een bepaald licht op de relatie tussen Rome en Reformatie werpen.
In een interview komt Mariska Orbán aan het woord. Ze is hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad. Onbekommerd spreekt ze over de ‘vrije wil’ van de mens. Enkele pagina’s verder laten enkele vertegenwoordigers van de Reformatie weten dat zij met de Nederlandse Geloofsbelijdenis nog prima uit te voeten kunnen. En laat nu uitgerekend daar in artikel 14 de opvatting dat de mens een vrije wil heeft, expliciet worden verworpen. Dat heeft alles te maken met de unieke plaats en rol van Christus. Dat behoort dus bepaald niet tot de marginalia. Tussen haken: hier ligt ook een duidelijke verwantschap tussen roomsen en evangelicalen. De verwerping van de kinderdoop heeft alles te maken met de waardering van de mens en de taxatie van zijn zondige natuur.

De uniciteit van Christus wordt niet alleen ondermijnd door de ontkenning van de volledige verdorvenheid van de menselijke natuur. Dat gebeurt ook door de status die aan heiligen wordt toegekend. Rooms-katholieken ontkennen dat ze heiligen vereren. Afgezien van de vraag of ze daarin gelijk hebben, ze richten zich wel in hun gebeden tot de heiligen. Van hen verwachten ze hulp of in ieder geval dat ze voor hen bemiddelen bij God. Nergens in de bijbel lezen we dat aan mensen zo’n rol wordt toebedeeld. Alleen Christus heeft de bevoegdheid als advocaat voor mensen op te treden. Hij heeft sterke papieren, in tegenstelling tot heiligen. Volgens de Heidelbergse Catechismus hebben zelfs de allerheiligsten nog maar een begin van de gehoorzaamheid die van mensen verwacht mag worden.

Dan is er nog de kwestie van de sacramenten. Deze hebben in de Rooms-Katholieke Kerk nog altijd prioriteit over de verkondiging van het Evangelie. In Het kerklied en de kerkliedjes heb ik er al op gewezen dat een bekend lied in protestantse kring voor echte rooms-katholieken niet aanvaardbaar is vanwege deze regel: “Here Jezus, om uw woord / zijn wij hier bijeengekomen”. Eén van de kernpunten van de Reformatie was nu juist dat het Woord de status terugkreeg die het volgens de Schrift zelf heeft. Ik ben daarop enige tijd geleden ingegaan toen ik schreef over avondmaal resp. doop en kerklidmaatschap. In de rooms-katholieke eredienst speelt de Schrift nog steeds een ondergeschikte rol. Ik wees er al op dat de paus en concilies uitspraken kunnen doen die hetzelfde gezag hebben als de Schrift.

Er zouden nog meer dingen te noemen zijn, zoals het denken over de positie van overledenen en de leer van het vagevuur, de magische kracht die aan allerlei zaken wordt toegekend, zoals wijwater, en het denken en spreken over de ‘geestelijkheid’ en haar positie in de kerk. En natuurlijk ook de positie van de paus, die zich het hoofd van de kerk noemt en zelfs meent zich als ‘heilige Vader’ te mogen laten aanspreken. Prof. Van de Beek schuift dat ten onrechte onder het tapijt.

Protestanten die naar de Rooms-Katholieke Kerk overstappen doen dat vaak uit ontevredenheid met hun eigen kerk. Maar komen ze dan niet van de regen in de drup? De kerkelijke verdeeldheid in protestantse kring mag frustrerend zijn, maar hoe eensgezind is de Rooms-Katholieke Kerk eigenlijk? Er is leergezag, maar op plaatselijk niveau is de invloed daarvan beperkt. In de praktijk doen pastores nogal eens wat goed is in hun eigen ogen. En dat strookt niet altijd met de officiële leer van de kerk. En is de Rooms-Katholieke Kerk een gemeenschap van de heiligen? Formeel wellicht wel, maar op parochiaal niveau kennen de gemeenteleden elkaar soms helemaal niet. De eenheid loopt kennelijk vooral via Rome.

In het Nederlands Dagblad wordt prof. Van de Beek geciteerd met de woorden: “Als ik moet kiezen waar de trouw aan het christelijk erfgoed het meest is bewaard, dan komt Rome er beter af dan de protestantse kerken.” In het licht van wat hiervoor is gereleveerd betreffende de leer en de kerkelijke praktijk van de Rooms-Katholieke Kerk lijkt me deze uitspraak volstrekt onhoudbaar. Het zijn eerder de drie Formulieren van Eenheid als vruchten van de Reformatie die de trouw aan het christelijk erfgoed belichamen.

Ieder die dat erfgoed ter harte gaat, doet er goed aan die belijdenissen in ere te houden. En de Reformatie mag op Hervormingsdag nog altijd met dankbaarheid herdacht worden.

Geloven doe je samen (2)

In het vorige artikel werd het belang van een gezamenlijke bezinning op actuele vragen binnen de gemeenschap van de kerk beklemtoond. Maar dat betekent nog niet dat er dan eensluidende antwoorden komen. Afgezien daarvan of op elke vraag wel een eenduidig antwoord mogelijk is, de uitkomst van de bezinning hangt in hoge mate af van de manier waarop die plaatsvindt.

Voor een zinvolle discussie die ook tot concrete resultaten leidt, is het van belang bepaalde regels te stellen. In de politiek en de maatschappij bestaan zulke regels niet. Wie zou die moeten vaststellen en hoe zouden ze gehandhaafd kunnen worden? In het maatschappelijk debat speelt het internet een cruciale rol. En dat is letterlijk een vrijplaats: iedereen kan er alles vrijwel ongestraft kwijt, en niemand is verplicht zijn opvattingen te verantwoorden. In combinatie met het individualisme leidt dit ertoe dat alle meningen evenveel gewicht krijgen. Overheidscampagnes kunnen met nog zoveel wetenschappelijke argumenten worden gevoerd, tegen ongefundeerde en op gevoel gebaseerde meningen, niet zelden gevoed door samenzweringstheorieën, staat de overheid uiteindelijk machteloos, zoals bijvoorbeeld recente inentingscampagnes hebben laten zien.

Volgens Efeze 2,20 is de kerk gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Daarmee wordt de gehele Schrift bedoeld. Wanneer het fundament wordt weggetrokken, stort de kerk ineen. De Schrift moet dus altijd het uitgangspunt van elke bezinning zijn en zij bepaalt ook haar grenzen. Maar daarmee zijn we er nog niet. Want ook tussen hen, die zich op de Schrift beroepen, doen zich over belangrijke kwesties meningsverschillen voor. Om aan te knopen bij een in het eerste artikel genoemd voorbeeld: voor- en tegenstanders van de aanvaarding van homosexuele relaties beroepen zich op dezelfde Schrift. Kennelijk lezen ze daarin verschillende dingen. Het is dan zaak kritisch te kijken naar de manier waarop de Schrift gelezen wordt.

In de al genoemde passage uit Efeze 2 reikt Paulus één belangrijke regel voor het lezen van de Schrift aan. Door “apostelen en profeten” naast elkaar te zetten maakt hij duidelijk dat er geen tegenstelling bestaat tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Daarin volgt hij overigens Jezus zelf, die met nadruk liet weten dat Hij niet gekomen was om de wet (het Oude Testament) te ontbinden, maar om die te vervullen. De eenheid van Oude en Nieuwe Testament is bepaald niet van ondergeschikt belang. Vooral in evangelische kring komt het Oude Testament er nogal eens bekaaid vanaf. Niet zelden worden Oude en Nieuwe Testament tegen elkaar uitgespeeld. Daar staan evangelischen trouwens niet alleen in. Ook onder rooms-katholieken bestaat de neiging het Oude Testament op het tweede plan te zetten. Geconfronteerd met geweldsteksten uit het Oude Testament merkte emeritus-kardinaal Simonis op dat deze een “primitief godsbeeld van primitieve mensen” weerspiegelt. Daaruit blijkt dat behoudende rooms-katholieken geen bondgenoten zijn wanneer het gezag en de eenheid van de Schrift moeten worden verdedigd. Ook hier gaapt een kloof tussen Rome en Reformatie.

De gereformeerde belijdenisgeschriften kunnen ons helpen te Schrift naar haar bedoeling te lezen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet enkele duidelijke uitspraken over de Schrift en haar gezag. Maar de Drie Formulieren van Eenheid wijzen de kerk ook de weg bij het lezen van de Schrift door de manier waarop ze haar hanteren bij het formuleren van de leer van de kerk. Deze zijn maatgevend bij het trekken van de grenzen binnen welke elke bezinning zich zal moeten bewegen. Het zijn immers de grenzen die de belijdenis in de Schrift zelf heeft ontdekt.

Dan zijn binnen de kerk dus niet alle meningen gelijkwaardig. Of een opvatting legitiem is hangt uiteindelijk af van de vraag of ze recht doet aan de Schrift – de hele Schrift, niet een willekeurige selectie daaruit. Wanneer individuele kerkleden meningen uitdragen die niet aan dat criterium beantwoorden, zal de kerk die publiek moeten weerspreken. Ik geef twee voorbeelden. In het Nederlands Dagblad van 30 maart 2011 wordt een denkrichting onder christenen m.b.t. homosexuele relaties aldus getypeerd: “God wil dat ik gelukkig word. Dus als ik in een homoseksuele relatie tot mijn bestemming kom, kan dat niet anders dan Gods bedoeling zijn.” In een kerkblad gaf een kerkelijk gemengd bruidspaar aan na zijn huwelijk lid te willen worden van een kerk, die bij hen paste. Deze opvattingen doen geen recht aan de leer van de Schrift.

Zulke opvattingen mogen binnen de gemeente geen legitieme plaats krijgen. Maar de implicaties reiken verder. De kerk manifesteert zich wel in eerste instantie op het niveau van de plaatselijke gemeente, maar is daartoe niet beperkt. In ons land staan kerken met elkaar in relatie. Ze beschouwen elkaar als ‘zusterkerk’. Die relatie komt tot uitdrukking in een kerkverband, die regelmatig in vergaderingen op verschillend niveau samenkomen. De aard van hun relaties is in een kerkorde vastgelegd. Die mag dan op het eerste gezicht een zakelijk karakter dragen, ze is gegrond op en ontleent haar bestaansrecht aan het gemeenschappelijk fundament van de apostelen en de profeten. Aan de formele eenheid ligt een geestelijke eenheid ten grondslag. Dat impliceert dat een bezinning op principiële vragen waarvoor onze tijd de gelovigen stelt, niet tot de gemeente beperkt mag blijven. Zij mag zich niet van het kerkverband isoleren. En zoals niet elke mening van individuele gelovigen bestaansrecht heeft binnen de gemeente, zo heeft niet elke mening van plaatselijke kerken bestaansrecht binnen een kerkverband.

Het gereformeerd kerkrecht gaat uit van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Maar dat is geen vrijbrief voor independentisme, waarbij elke gemeente geheel zelfstandig haar beleid kan bepalen, zonder rekening te houden, laat staan zonder enige vorm van ruggespraak met het kerkverband. Om dat concreet te maken: de manier waarop met ongehuwd samenwonen wordt omgegaan, is niet uitsluitend een zaak van gemeenten. Het gaat hier om een onderwerp dat het fundament van de kerk raakt en daarom een kerkverbandelijk antwoord vraagt. Individualisme en gemeentelijk independentisme zijn uiteindelijk loten van dezelfde stam, want beide distantiëren zich van de gemeenschap waarin God mensen plaatst.

In dit verband dienen de ontwikkelingen ten aanzien van de vaststelling van een nieuwe kerkorde binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kritisch gevolgd te worden. Van diverse kanten wordt aangedrongen op minder centraal vastgestelde regels. En sommige kerkenraden nemen hierop al een voorschot door zich van kerkverbandelijke afspraken niets aan te trekken, wanneer hun dat zo uitkomt. Graag wordt de suggestie gewekt dat er meer ruimte voor verscheidenheid in praktische aangelegenheden moet zijn. Maar wat precies ‘praktische aangelegenheden’ zijn, daarover lopen de meningen uiteen. Niet zelden hangen die met principiële vragen samen en zal grotere zelfstandigheid in praktische aangelegenheden ook tot grotere differentiatie op principieel vlak leiden. Hoe de kerkdienst wordt vormgegeven is voor sommigen een praktische aangelegenheid. Maar wanneer een kerkdienst een zodanige vorm aanneemt dat deze de betiteling eredienst niet meer verdient, is dat niet maar een ‘praktische aangelegenheid’ – dan is het gereformeerde karakter van die gemeente in geding.

In een derde en laatste artikel ga ik in op de relaties met andere kerken in binnen- en buitenland en welke consequenties die hebben voor de bezinning op actuele vragen.