Archief

Posts Tagged ‘Reformatorisch Dagblad’

Eerst geloven

Archeologie is een fascinerende wetenschap. Wie wil nu niet allerlei zaken ontdekken over tijden waarvan we vrijwel niets weten, meestal omdat het ons aan schriftelijke bronnen ontbreekt? Soms komen bij nieuwbouwprojecten voorwerpen aan de oppervlakte die ons iets vertellen over het dagelijks leven van mensen die we hooguit uit de geschiedenisboekjes kennen maar van wie we ons geen enkele voorstelling kunnen maken. Dat worden dan ineens mensen van vlees en bloed. Deze en gene zou maar wat graag zelf aan opgravingen deelnemen, in de hoop de vondst van z’n leven te doen. Als er iets belangrijks gevonden wordt, haalt dat ook direct de media. Dat was een paar jaar geleden het geval toen door opgravingen het plaatsje Hardenberg, waarvan veel Nederlanders misschien nooit gehoord hadden, ineens op de kaart kwam te staan.

Maar archeologie heeft ook een andere kant. Er zijn gebieden in de wereld waar territoria het onderwerp van conflict tussen verschillende staten of volken zijn. En dan kunnen archeologische vondsten heel goed van pas komen om te bewijzen dat een bepaald gebied altijd al tot het territorium van een volk heeft behoord. Wie denkt hier niet direct aan het Midden-Oosten en dan in het bijzonder Israël? En inderdaad kunnen Israëlische archeologen het niet altijd laten, archeologische vondsten direct te claimen als bewijzen van de aanwezigheid van het Joodse volk in een bepaald gebied in oude tijden. Daarmee willen ze dan de bewering van de Palestijnen dat de Joden indringers zijn in een gebied dat altijd hun heeft toebehoord, weerleggen. Meer ‘neutrale’ collega’s reageren meestal met scepsis op zulke beweringen en het gebeurt nogal eens dat de aanvankelijke toeschrijvingen van archeologische vondsten later moeten worden gecorrigeerd.

Ik zette het begrip ‘neutraal’ zojuist tussen hoge komma’s. Dat deed ik niet voor niets. Want archeologie is geen waardevrije wetenschap. Dat is zeker het geval wanneer het om Israël gaat. Want dat is niet alleen het land waar de Joden wonen en een eigen staat hebben, het is ook het land van de bijbel. Hier hebben zich de meeste geschiedenissen afgespeeld die in de bijbel worden beschreven. En daarmee is de archeologie van Israël niet alleen maar politiek brandbaar, maar ook religieus/theologisch.

Nu en dan wordt iets gevonden dat wordt toegeschreven aan figuren die we uit de bijbel kennen. Recent ging het om een zegelring die aan Pontius Pilatus zou hebben toebehoord. De reacties op zulke toeschrijvingen zijn meestal vrij voorspelbaar. Er zijn archeologen die direct uiterst sceptisch reageren. Ze lijken er soms weinig tijd voor nodig te hebben om tot de conclusie te komen dat die toeschrijvingen ‘natuurlijk’ niet kunnen kloppen. Je kunt je niet helemaal aan de indruk onttrekken dat sommigen de gedachte dat een bepaalde archeologische vondst het bestaan van een bepaalde bijbelse figuur zou bevestigen, nauwelijks kunnen verdragen. Dat heeft alles te maken met hun visie op de Joodse geschiedenis en vooral de bijbelse geschiedschrijving. Het bestaan van een hoogontwikkelde cultuur in bijvoorbeeld de tijd van David en Salomo wordt betwijfeld of zelfs expliciet ontkend. Vanuit de overtuiging dat men pas laat de schrijfkunst machtig was, wordt het onwaarschijnlijk geacht dat bepaalde geschriften zijn ontstaan in de tijd die door veel Schriftgetrouwe exegeten als ontstaanstijd wordt aangenomen. Het is bepaald geen uitzondering dat archeologische vondsten worden beschouwd vanuit de eigen vooroordelen. Enige religiestress, zoals men dat tegenwoordig wel noemt, lijkt ook sommige archeologen niet vreemd te zijn.

Maar vooroordelen kunnen ook aan de andere kant het oordeel vertroebelen. Het valt wel op dat elke archeologische vondst die de historiciteit van een bijbels gegeven lijkt te ondersteunen, door christelijke media enthousiast onthaald wordt. Vaak zonder het oordeel van archeologen af te wachten, die een wat grotere afstand tot de materie of de vindplaats hebben, worden beweringen van de vinders als feit gemeld. Bij de hiervoor genoemde vondst van wat beweerd werd een zegelring van Pilatus te zijn, was dat ook het geval. Media als het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad maakten er zonder dralen melding van. Weliswaar werd in de berichtgeving de toeschrijving van enige reserves voorzien, maar in de koppen vielen die dan vaak grotendeels weg. En juist aansprekende koppen blijven bij de lezer hangen. De bewering dat het hier inderdaad om de zegelring van Pilatus zou gaan, is inmiddels niet meer te horen.

Het valt best te begrijpen dat christelijke media zo reageren. Ze spelen daarmee in op de belangstelling van de lezers. Die horen wel graag dat archeologische vondsten bewijzen dat wat ze in de bijbel lezen, inderdaad waar is. Oudere lezers zullen zich herinneren dat ooit een boek op de markt kwam met de uitdagende titel “De bijbel heeft toch gelijk”. De Duitse auteur, Werner Keller, publiceerde dit boek in 1955; het werd kort daarna in vertaling uitgebracht. Een herziene uitgave kwam in 1989 op de markt en ook die werd in het Nederlands vertaald. Voor de gemiddelde bijbellezer valt onmogelijk na te gaan of de beweringen in dit en vergelijkbare boeken wetenschappelijk gefundeerd zijn. Dat is niet erg, want het geloof dat de bijbel betrouwbaar is, ook in de beschrijving van historische personen en gebeurtenissen, hangt niet van archeologische vondsten of van geschreven buiten-bijbelse bronnen af. Alleen al de titel van het boek van Keller zou christenen die de bijbel lief is, kopschuw moeten maken. Dat de bijbel gelijk heeft, behoeft geen bewijs. Het getuigenis van de Schrift zelf is voldoende. Of je haar betrouwbaar acht hangt vooral af van de vraag of je de Auteur voor betrouwbaar houdt.

Dat neemt niet weg dat ook christenen graag een ‘neutrale’ bevestiging van hun geloof zouden zien. Het is een heel menselijke neiging om iets tastbaars te willen hebben dat het geloof kan versterken of sceptici over de streep zou kunnen trekken. ‘Eerst zien en dan geloven’: dat is een heel menselijke instelling, sinds het begin van de geschiedenis. En door de eeuwen heen hebben mensen gevraagd en gezocht naar bewijzen van Gods bestaan of van wat Hij zei. Het volk Israël maakte beelden in een poging zich de Onzienlijke concreet en tastbaar voor te stellen, van het gouden kalf onderweg naar het beloofde land tot de stierkalveren in Dan en Bethel bij de grondvesting van het tienstammenrijk. Na Jezus’ opstanding komen we het bij zijn leerling Thomas tegen: eerst zien en dan geloven.

Tot op de dag van vandaag is dat de wens van mensen die moeite hebben in God te geloven of dat geloof afwijzen. In het Nederlands Dagblad van 7 februari j.l. zegt Jan Slagter, oprichter/directeur van omroep MAX: “Ik hou er een simpele redenering op na: als God bestaat, kan Hij zich toch laten zien? Gelovigen zeggen: ‘God heeft Jezus gestuurd’, maar ik heb Hem nooit gezien. Jezus liep volgens de Bijbel over het water, dat heb ik ook nooit gezien. Waarom zo moeilijk? Als ik God was, zou ik zeggen: ‘Kom morgen om twaalf uur naar het Malieveld, dan kunnen jullie Mij allemaal zien.'”

Die gedachte kan ook gelovigen zo maar bekruipen, als ze geconfronteerd worden met mensen die weigeren zich aan Christus over te geven. Als Hij zich nu maar eens zou laten zien. Als Hij zich nu maar eens zou laten horen. Dan zou men wel overstag gaan. Zou het? De bijbel levert daarvoor geen bewijs. Integendeel. Tijdens Jezus’ rondwandeling op aarde zag men God, in de persoon van zijn zoon. In Johannes 14 zegt Hij: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?” Ze hebben Hem gezien, maar de meerderheid heeft Hem afgewezen. Zien doet niet geloven. In de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus dringt de eerste er op aan dat Abraham naar zijn broers zal gaan om hen voor het oordeel te waarschuwen. Maar Abraham antwoordt dat ze de profeten hebben. Wanneer iemand uit de doden opstaat, zal hen dat niet op andere gedachten brengen. En in het boek Openbaringen (hfst 16) lezen we dat de offerschalen met Gods woede op de aarde worden leeggegoten. God laat concreet zien dat Hij er is en wie Hij is. Maar de mensen bekeren zich niet. Ze lasteren God en breken niet met het leven dat ze leiden.

Wie zich niet door de Schrift laat overtuigen, zal ook niet door archeologische vondsten of door een stem uit de hemel overstag gaan. Daarvoor zit het ongeloof en het verzet tegen God te diep. Wie zoiets verwacht, peilt de kracht van het verzet onvoldoende en onderschat de macht en de invloed van Gods tegenstander.

Van heel veel door de bijbel vermelde personen en gebeurtenissen zijn geen archeologische of buiten-bijbelse schriftelijke ‘bewijzen’ gevonden. Dat kan gelovigen teleurstellen. God had er toch voor kunnen zorgen dat wat de bijbel zegt, door tastbare bewijzen wordt ondersteund? Natuurlijk had Hij dat kunnen doen. Maar kennelijk heeft Hij ervoor gekozen dat achterwege te laten. Hij wil dat we aan zijn Woord genoeg hebben. Hij wil op zijn Woord geloofd worden. Dat is ook dat wat de ‘geloofsgetuigen’ in Hebreeën 11 met elkaar verbindt. Ze vertrouwden op de belofte. Ze geloofden zonder te zien, omdat ze Hem betrouwbaar achtten.

Daarop komt het uiteindelijk aan. Eerst geloven. Het zien komt later wel.

Advertenties

Nieuws als positiekeuze

Enige tijd geleden schreef ik hier dat de mens van de 21e eeuw grote waarde hecht aan keuzevrijheid. Ik voegde daaraan toe dat het leven er daardoor niet altijd gemakkelijk op wordt. Er zijn situaties waarin keuzes niet te ontlopen zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de journalistiek: als een krant geen keuzes in de selectie van het nieuws zou maken, zou elke dag een enorm pak papier op de mat belanden of – voor degenen die een digitaal abonnement verkiezen – een fors document in pdf- of epub-formaat op het computerscherm verschijnen. Niemand zou de tijd hebben dat allemaal door te lezen. En hoelang zou het Journaal op de televisie wel niet duren, wanneer alles wat in de wereld of zelfs maar in Nederland gebeurt, zou moeten worden meegenomen?

Welke keuze gemaakt wordt, hangt van allerlei factoren af. Uiteraard zijn bepaalde gebeurtenissen zo belangrijk en raken ze de lezer of kijker zodanig dat ze niet genegeerd kunnen worden. Daardoor lijken op sommige dagen de voorpagina’s van kranten – of ze nu ‘links’ dan wel ‘rechts’ zijn – erg op elkaar. Maar meestal zijn er flinke verschillen. Die worden in belangrijke mate bepaald door wat een redactie denkt dat het ‘publiek’ wil weten. Dat speelt vooral een rol bij de geschreven media, die immers niet per definitie voor de gehele bevolking bedoeld zijn, maar die mensen moeten aanschaffen, via een abonnement dan wel in de losse verkoop. Daarbij speelt levensbeschouwing of ideologie een rol. Die lijken in het maatschappelijke en politieke landschap weliswaar minder zichtbaar, maar ze zijn er nog steeds. Het verbaast dan ook niet dat je in De Telegraaf in de regel andere berichten aantreft dan in De Volkskrant. Ook de ruimte die aan een bepaalde zaak wordt besteed en de manier waarop daarover wordt geschreven, loopt vaak sterk uiteen.

Christelijke kranten die hun identiteit willen hooghouden, zullen anders van inhoud zijn dan de hiervoor genoemde bladen. Een pagina als Privé zul je in het Nederlands Dagblad of het Reformatorisch Dagblad niet aantreffen. De redacties maken ook in hun dagelijkse berichtgeving keuzes. Die zijn uiteraard niet waardenvrij; ook daarin onderscheiden ze zich regelmatig van seculiere kranten. Maar ook binnen de eigen ‘klantenkring’ kunnen die keuzes op kritiek stuiten. Want de tijd dat de achterban van deze kranten ideologisch homogeen was, ligt al lang achter ons. Ik signaleerde enige tijd geleden dat in de achterban van het Reformatorisch Dagblad enig gemor ontstond, aangezien men vond dat hun krant wel erg veel aandacht besteedde aan de verkiezing van een nieuwe paus. In het Nederlands Dagblad legt de redactie van tijd tot tijd verantwoording af over gemaakte keuzes. Dat is een goede zaak, want daardoor kan worden uitgelegd waarom een bepaalde gedragslijn is gevolgd. Daarmee hoeft uiteraard niemand het eens te zijn. De redactie zal zelf ook beseffen dat anderen wellicht andere keuzes gemaakt zouden hebben, die wellicht even goed beargumenteerd zouden kunnen worden.

In het nummer van 15 juni 2013 legt Daniel Gilissen uit waarom de redactie besloot wel verslag te doen van de EO-Jongerendag en afwezig was bij de bijeenkomst die op 1 juni j.l. was georganiseerd door de redacties van de website gereformeerdekerkblijven en het tijdschrift Nader Bekeken. Hij begint met op te merken dat het eerstgenoemde evenement geen grote nieuwswaarde had. Dat geldt ook voor andere evenementen uit de achterban. Toch doet de krant er verslag van, “omdat lezers graag willen weten wat daar is gebeurd en gezegd en omdat bezoekers iets van het evenement willen herbeleven”. Dat klinkt plausibel, maar de vraag is dan wel: hoe weet men dat de lezers dat willen en van welke bijeenkomsten ze iets in de krant willen lezen? Daarbij valt nog op te merken dat voor ieder die dat wilde de EO-Jongerendag live was mee te beleven via de televisie. Men was dan niet afhankelijk van wat later – gefilterd door de oren en ogen van de aanwezige verslaggever – in de krant kwam. En hoe wist de redactie zo zeker dat de lezers niet wilden weten wat op de bijeenkomst in Bunschoten werd gezegd? De toelichting van Gilissen wordt wel heel merkwaardig wanneer hij vervolgens opmerkt dat van die bijeenkomst geen nieuws te verwachten was. Dat was in het geval van de EO-Jongerendag geen argument. Waarom in dit geval nu ineens wel?

Het ging over de Heidelbergse Catechismus – over dat thema was niets nieuws te verwachten. Misschien niet, maar het had uitstekend gepast in de uitgebreide aandacht die het Nederlands Dagblad – en dat is prijzenswaardig – aan het 450-jarige bestaan van de Catechismus had gewijd. Het ging immers om de vraag hoe we met dat geschrift 450 jaar na dato moeten en kunnen omgaan. Dat lijkt me niet geheel van actualiteitswaarde ontbloot.

Het wordt allemaal nog wat vreemder wanneer vervolgens wordt opgemerkt dat een verslag de suggestie zou kunnen wekken dat het kerkverband – bedoeld is dat van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – bruist van verontrusting, “wat niet zo is. Het aantal bezoekers – ongeveer 175 – bevestigt dat”. Maar dat aantal was vooraf niet bekend. Bovendien, zeker een christelijke krant zou moeten weten dat het getal niet doorslaggevend is. Er wordt in kranten – ook in het Nederlands Dagblad – vaak genoeg aandacht besteed aan initiatieven of activiteiten waarbij maar weinig mensen betrokken zijn. Dat zegt op zichzelf niets over hun gewicht of invloed.

Meten is weten, zegt een bekende uitdrukking. Recent schreef een cardioloog in De Volkskrant dat deze uitspraak in de medische wetenschap beperkte geldigheid heeft. Bovendien is het maar de vraag hoe je precies meet. Zegt het aantal aanwezigen op een bijeenkomst iets over het aantal mensen dat de daar uitgedragen inzichten deelt? Hoeveel mensen bezoeken partijcongressen? Hoeveel bezoekers trekken de ‘schooldagen’ van ‘vrijgemaakten’ en christelijke gereformeerden? Valt daaruit de conclusie te trekken dat alleen maar een fractie van de achterban belangstelling heeft voor die partijen of voor de respectievelijke theologische universiteiten? Er zijn voldoende redenen te bedenken waarom mensen niet aanwezig (kunnen) zijn.

Of de GKV ‘bruisen van verontrusting’ is een kwestie van waarneming. Uit mijn eigen gemeente kan ik zo een lijst van zeker 30 leden maken die op één of meerdere punten bezwaren hebben tegen ontwikkelingen in de GKV. Dan zit je al op zo’n 10 procent van het ledenbestand. Als je dat extrapoleert naar landelijk niveau kom je op een flink aantal uit. En daarbij moet dan ook nog worden meegewogen dat de ‘verontrusten’ tot het meelevende deel van de GKV behoren. Bij de ‘randkerkelijken’ zul je ze niet vinden. Een deel van de ‘verontrusting’ is wellicht voor journalisten niet direct waarneembaar, omdat die zich op het niveau van plaatselijke gemeenten afspeelt, en dan ook nog eens in de contacten tussen gemeenteleden en kerkenraden, die uiteraard geen publiek karakter dragen. Niet lang geleden werd het boek De doorgaande revolutie van godsdienstsocioloog Gerard Dekker stevig bekritiseerd omdat zijn analyse van de ontwikkelingen in de GKV uitsluitend gebaseerd is op officiële stukken en besluiten van kerkelijke vergaderingen, maar de ontwikkelingen in de plaatselijke kerken negeert. Het Nederlands Dagblad lijkt precies dezelfde fout te maken. Van journalisten kun je niet verwachten dat ze in elke gemeente hun oor te luisteren leggen. Maar het besef dat hun kennis onvermijdelijk beperkt is, zou hun ervoor moeten behoeden al te boude conclusies te trekken.

Het antwoord op de vraag wat nieuws is en nieuwswaarde heeft, wordt uiteindelijk door een principiële positiekeuze bepaald. Door de bijeenkomst in Bunschoten te negeren en – meer nog – in het algemeen de ‘verontrusting’ in de GKV te bagatelliseren laat de redactie van het Nederlands Dagblad blijken welke positie ze in dezen inneemt. Waarvan acte.

Franciscus en Zondag 30

Het duurde niet lang voor de 115 kardinalen in de Sixtijnse kapel hun keus hadden bepaald. Een naam die op geen enkel lijstje dat in de media circuleerde voorkwam, werd gekozen tot opvolger van Benedictus XVI. Daaruit bleek weer eens hoe moeilijk het is de toekomst te voorspellen. Inmiddels heeft de nieuwe paus al een stempel op zijn pontificaat gedrukt. Dat kwam al direct tot uitdrukking in de naam die hij koos, Franciscus. Dat is een verwijzing naar Franciscus van Assisi, die eenvoud en soberheid als idealen predikte. Die keuze is ongetwijfeld geïnspireerd door de situatie in Latijns-Amerika waar de kloof tussen rijk en arm groot is en veel mensen in bittere armoede leven.

Die naamskeuze en ook het optreden van de paus – in zijn vorige leven als bisschop en later kardinaal in Argentinië en nu als paus – werden in de media in positieve zin genoteerd. Tegelijk konden sommige, zoals NRC Handelsblad, het niet nalaten de nieuwe paus langs hun libertijnse meetlat te leggen om daarna te constateren dat van hem niets nieuws te verwachten valt. Het is ironisch dat christelijke partijen soms verweten wordt dat ze ethische zaken als abortus, euthanasie of het homohuwelijk tot kern van hun politieke activiteiten maken, terwijl de libertijnse media precies hetzelfde doen in hun beoordeling van kerken en hun vertegenwoordigers. Wat de paus over die zaken zegt, is voor hen doorslaggevend voor hun oordeel.

Zou men echt hebben verwacht dat iemand tot paus zou worden gekozen die een standpunt zou innemen dat fundamenteel afwijkt van dat van zijn voorgangers en – sterker nog – de leer van de kerk? Verwacht men dat iemand die tot lijsttrekker van bijvoorbeeld de VVD wordt gekozen, zegt dat het liberalisme een vergissing was? Het minste wat je van een paus mag verwachten is dat hij de leer van zijn kerk voor de volle honderd procent uitdraagt en tegen kritiek verdedigt. Daar kunnen gereformeerde ambtsdragers nog een voorbeeld aan nemen.

Ook in protestantse kringen werd de verkiezing van de paus nauwlettend gevolgd. Te nauwlettend, volgens sommigen, vooral in bevindelijke kringen. De uitgebreide – en in hun ogen te ‘neutrale’ – berichtgeving in het Reformatorisch Dagblad kon hun goedkeuring niet wegdragen. Typerend was een artikel van vijf voorgangers waarin de staf wordt gebroken over die berichtgeving. Want “[wanneer] we de paus leggen langs de meetlat van de Reformatie en daarmee langs de meetlat van de Schrift, kunnen we alleen maar concluderen dat het bestaan van een paus een gruwel is en blijft”, schrijven de auteurs, die de paus als “antichrist” betitelen.

Wat beogen de auteurs met zulke formuleringen? Die doen het bij hun eigen achterban ongetwijfeld goed: de eigen positie wordt nog eens duidelijk gemarkeerd, niet alleen tegenover de rooms-katholieke kerk, maar ook tegenover die protestanten die de scherpe kantjes van het conflict tussen Rome en Reformatie willen afvijlen. Maar rooms-katholieken zullen door zulke uitlatingen vast niet tot nadenken worden gebracht. Wie de paus als de ‘antichrist’ typeert, kan niet verwachten dat leden van zijn kerk het verschijnsel van het pausschap kritisch tegen het licht zullen houden. Het is ook nog maar de vraag of zulke vertegenwoordigers van de Reformatie wel altijd een correct beeld van de leer van de rooms-katholieke kerk hebben. In dit verband kan gewezen worden op opmerkingen ten aanzien van de leer betreffende de mis door
ds. Paul Waterval
, predikant in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en zelf van rooms-katholieke afkomst. Stoere taal ten aanzien van de rooms-katholieke kerk en leer lijkt eerder het eigen gevoel te bevredigen dan een echte gedachtenwisseling tussen Rome en Reformatie te bevorderen.

Aan de andere kant van het spectrum staan opiniemakers en voorgangers binnen de protestantse wereld die een grote sympathie voor de paus ten toon spreiden en hoop op een ontwikkeling van de rooms-katholieke kerk ten goede koesteren. Die sympathie dateert niet van het moment dat Franciscus aantrad, maar vindt haar wortels in de waardering die zijn voorganger, Benedictus XVI, oogstte met zijn geschriften en de manier waarop hij het christelijk geloof en de christelijke ethiek tegen het secularisme verdedigde. Die waardering is terecht en raakt in de uitlatingen uit de bevindelijke hoek ondergesneeuwd. Te weinig klinkt daarin door dat de heilige Geest ook in een kerk kan werken die in veel opzichten niet voldoet aan wat volgens de Schrift kerk mag heten. Maar die waardering mag er niet toe leiden dat die dingen die de toets van de Schrift niet kunnen doorstaan, met de mantel van de liefde worden bedekt.

Het is heel goed mogelijk waardering te hebben voor wat een paus doet, schrijft en zegt en tegelijk het verschijnsel van het pausschap en de pretenties die daarmee verbonden zijn af te wijzen. Alleen al het feit dat de paus zich met “heilige Vader” laat aanspreken, zou elke protestant, die God als zijn Vader heeft leren belijden, tegen de haren moeten instrijken. De leer van de rooms-katholieke kerk mag dan niet meer precies dezelfde zijn als ten tijde van de Reformatie, die is door latere concilies of pausen nooit herroepen. Dat kan niet eens, zoals ds. Waterval in het bovengenoemde interview opmerkte. Dr. Bram van de Beek meent dat Luther zijn 95 stellingen nooit zou hebben opgesteld als in zijn tijd Benedictus XVI paus was geweest. Luther keerde zich in zijn tijd tegen misstanden in de kerk. Zijn die er dan nu niet? De kranten hebben er vol van gestaan en Benedictus mag veel kwaliteiten hebben bezeten, doortastendheid in het aanpakken van die misstanden behoorde daar niet toe.

Luther beperkte zich bovendien niet tot misstanden ten aanzien van de levensstijl van geestelijken en financiële wantoestanden, maar stelde fundamentele leerstukken van de kerk ter discussie. Eén van zijn grote verdiensten was de Schrift als enige norm voor het geloof te proclameren. De houding van de rooms-katholieke kerk ten aanzien van de Schrift mag veranderd zijn, het is nog altijd niet de enige – en zelfs niet de belangrijkste – bron van kennis over God en zijn wil. Ik heb er in een vorige bijdrage in dit weblog (“Het kerklied en de kerkliedjes”) al op gewezen dat Lied 328 uit het Liedboek voor de Kerken door de censor van het bisdom Utrecht werd afgewezen vanwege de zinsnede “Here Jezus, om uw woord zijn wij hier bijeengekomen”. Dat woord is ook in de rooms-katholieke kerk van vandaag niet de kern van de eredienst. Het is dan ook helemaal niet verbazingwekkend dat een rooms-katholiek publicist als Anthony Ruijtenbeek schrijft “dat ‘sola scriptura’, in welke variant ook beleden, welhaast moést leiden tot de huidige 30000 denominaties binnen de Protestantse minderheid in het Christendom (…)”. Wie dus de eenheid van de kerk boven alles stelt, zoals de rooms-katholieke kerk doet, kan met het sola scriptura niet uit de voeten.

“Niet de paus, maar Christus is centrum van de kerk”. Dat was de boodschap van Franciscus bij zijn ontmoeting met journalisten. Dat doet een gereformeerd mens goed, ook al komt het uit de mond van een paus. Maar dat geeft er tegelijk wel een bijsmaak aan. Want Christus en zijn woord zijn niet los verkrijgbaar. Wanneer Christus het centrum van de kerk is, moet zijn woord de enige norm van leer en leven zijn. We leren zijn wil immers door dat woord kennen. Sterker nog, Hij is het vleesgeworden woord. Wie dus de Schrift niet erkent als kern van de eredienst, verdringt het vleesgeworden woord van de plaats die Hem toekomt. Alle mooie woorden kunnen die werkelijkheid niet verdoezelen.

De harde taal van ‘antipapisten’ brengt de reformatie van de rooms-katholieke kerk geen stap dichterbij. Maar het ‘filo-katholicisme’ van sommige protestanten, die de reële verschillen tussen Rome en Reformatie onder het tapijt vegen, doet dat evenmin. Alleen wie in de rooms-katholieke kerk waardeert, wat waardering verdient, is in de positie datgene te bekritiseren wat bekritiseerd behoort te worden. Dan hoeft zowel in het catechetisch onderwijs als in het contact met rooms-katholieken over Zondag 30 van de Heidelbergse Catechismus niet gezwegen te worden.

Verworvenheden op de schop

In christelijke kringen – en vooral in het ‘reformatorische’ deel daarvan – zijn de alarmbellen over de plannen van het kabinet van VVD en PvdA gaan rinkelen. De vrees voor een ‘paarse’ politieke agenda, die met name door de SGP werd uitgesproken en nog niet zo lang geleden werd gehanteerd als argument om steun te verlenen aan een coalitie die ook door de PVV werd gesteund, lijkt bewaarheid te worden. Als het gaat zoals het kabinet wil, zal voor bijzondere ambtenaren van de burgerlijke stand, die geen huwelijken tussen mensen van gelijk geslacht willen sluiten, binnenkort geen ruimte meer zijn. Er zijn serieuze plannen om het verbod op godslastering te schrappen. Een aantal kleine omroepen zonder leden, waaronder ook enkele die het christelijke volksdeel bedienen, dreigen te verdwijnen, wanneer de overheid de financiering daarvan stopzet, zoals staatssecretaris Dekker aankondigde. Het onderwijs blijft niet buiten schot: donkere wolken pakken zich samen boven christelijke scholen en ouders die hun kinderen naar zulke scholen willen sturen.

In reformatorische kring – zeg maar de achterban van het Reformatorisch Dagblad – komen allerlei activiteiten van de grond, door middel waarvan men zich tegen deze dreigende aantasting van christelijke verworvenheden wil wapenen. Zoals Bart Jan Spruyt in zijn column in het Nederlands Dagblad van 9 november 2012 opmerkte lijkt de verontrusting in die kringen groter dan die in de achterban van laatstgenoemde krant. Van vergelijkbare activiteiten in die kringen is niets vernomen. Wel heeft Jan Westert, voorzitter van de gereformeerde scholenkoepel LVGS, een stuk geschreven voor de aangesloten scholen waarmee hij het gesprek over de identiteit op gang wil brengen. Weliswaar staat dit niet direct in relatie met de politieke ontwikkelingen op onderwijsgebied, maar het heeft er zijdelings wel mee te maken. Op de inhoud ga ik hier nu verder niet in; ik kom daarop wellicht op een later moment terug.

Christenen staan voor de vraag hoe ze op de plannen die gesmeed worden, moeten reageren. Het is waar, het zijn slechts plannen; het kabinet heeft geen meerderheid in de Eerste Kamer en dus staat nog bepaald niet vast dat ze ook allemaal uitgevoerd zullen worden. Voor paniekreacties is daarom geen reden. Anderzijds, we moeten ons wel realiseren dat veel van de voorgestelde maatregelen op brede steun kunnen rekenen. Ook oppositiepartijen zullen daaraan hun stem geven. Sterker nog, vooral D66 en GroenLinks zullen blij zijn dat er nu eindelijk vrij baan is voor maatregelen, die de laatste decennia door de sleutelposities van het CDA en de laatste vijf jaar ook ChristenUnie en SGP werden tegengehouden. De SGP realiseert zich dat de welwillendheid van de VVD tijdens de laatste fase van het kabinet-Rutte I slechts gebaseerd was op strategische overwegingen. Ze hoeft er niet op te rekenen dat de liberalen enkele plannen zullen torpederen om de SGP te danken voor bewezen diensten.

Ook al is de realisering van de plannen nog allerminst zeker en zal er zeker enige tijd overheen gaan voordat ze eventueel worden doorgevoerd, het kan geen kwaad zich al te gaan bezinnen op de manier waarop daarmee moet worden omgegaan. Dan is het allereerst van belang hier enige nuchterheid te betrachten. Wie sommige reacties beluistert, zou bijna de indruk kunnen krijgen dat een tijd van discriminatie of zelfs verdrukking nadert. Dat is rijkelijk overdreven. Het is goed ons te realiseren dat christenen en christelijke organisaties in Nederland al meer dan honderd jaar voorrechten genieten waarvan christenen in andere landen alleen maar kunnen dromen. Christelijk onderwijs – van basisschool tot hoger onderwijs – en dan ook nog eens door de overheid bekostigd, in hoeveel landen vind je dat? Wanneer christenen in andere landen zouden horen dat de overheid ook nog eens geld op tafel legt om ouders in de gelegenheid te stellen hun kinderen vele kilometers van huis het gewenste onderwijs te laten volgen, zouden ze hun ogen uitwrijven. Christelijke omroepen, uitzendingen van kerkdiensten van bijbelgetrouwe snit, christelijke kranten en tijdschriften – het zijn allemaal dingen die in veel landen helemaal niet vanzelfsprekend zijn. En dat zijn echt niet allemaal landen die door een andere godsdienst, zoals de islam, gedomineerd worden. Het zijn ook lang niet allemaal landen die geen of slechts een gebrekkige democratie kennen.

Dat betekent dat christenen zorgvuldig te werk moeten gaan wanneer ze zich verzetten tegen aantasting van hun verworvenheden. Ze moeten onderscheid maken tussen wat echt fundamenteel is en wat niet. Een groeiend aantal gemeenten wil niet langer de reiskosten vergoeden voor kinderen die soms ver weg het onderwijs van hun richting volgen. Dat is voor de desbetreffende ouders natuurlijk erg vervelend. In zulke situaties komt het er dan op aan dat een gemeenschap om hen heen staat. Onderwijs dat aansluit bij de christelijke opvoeding is tenslotte niet maar een zaak van de ouders alleen – dat raakt de hele kerkelijke of geloofsgemeenschap. Op die gemeenschap mogen ouders dan ook vrijmoedig een beroep doen, wanneer ze de kosten zelf niet kunnen opbrengen. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs is een ander verhaal. Natuurlijk, er is een tijd geweest dat daarvan geen sprake was. Christenen hebben geofferd voor hun eigen onderwijs, wat een bewijs was van hun sterke motivatie. Het is maar helemaal de vraag of christenen van nu die motivatie nog kunnen opbrengen. In zijn al genoemde column schrijft Bart Jan Spruyt: “Het gaat erom of bevindelijk-gereformeerden vanuit een innerlijk geloof weer resistent worden in een wereld waarin steeds meer oude ‘voorrechten’ wegvallen.” Dat geldt voor alle christenen die hechten aan christelijk onderwijs en christelijke organisaties. Dat zal vooral de vraag zijn wanneer de financiële gelijkstelling afhankelijk zou worden van een bepaalde vormgeving van het onderwijs. Niettemin, ook wanneer er een sterke motivatie bestaat desnoods met eigen middelen het christelijk onderwijs in stand te houden, de kosten daarvan zijn vrijwel niet uit particuliere middelen op te brengen.

De plannen met betrekking tot de omroep worden door zendgemachtigden als IKON, RKK en ZvK niet met gejuich ontvangen. Gesuggereerd wordt dat het kabinet ernaar zou streven uitingen van religie uit het openbare leven te verbannen. ‘Religie hoort achter de voordeur’, zou de motivatie zijn. Dat wordt door de staatssecretaris ontkend. Het is noodzakelijk hierover de discussie aan te gaan, maar daarbij moeten dan wel onbewezen motieven buiten spel worden gehouden; alleen dan is een zinvolle gedachtenwisseling mogelijk. Ook ten aanzien van deze zaak geldt dat hier sprake is van verworvenheden die in veel andere landen niet bestaan. Bovendien zijn er alternatieve methoden om de achterban te bereiken.

In deze kwesties – en er zijn er nog meer te noemen – moet de indruk vermeden worden dat christenen vooral hun eigen belang verdedigen. Het is de taak van met name christelijke politici de desbetreffende kwesties in een breder verband te plaatsen. Niet alleen christenen zitten in de hoek waar de slagen vallen, maar ook moslims, joden, hindoes en aanhangers van andere godsdiensten, in het geval van de omroep zelfs ook humanisten. Dat laatste is vooral interessant voor de opstelling van partijen die daarmee nauw verbonden zijn, zoals D66.

In het geding is in feite de vraag hoe pluriform de Nederlandse samenleving nog mag zijn. Dat is uiteindelijk van groter belang voor de toekomstige rol van christenen in de maatschapij dan de vraag of er nog kerkdiensten op het publieke net mogen worden uitgezonden en of christenen hun kinderen nog naar een christelijke school ver van huis kunnen sturen. Christenen moeten zich niet blindstaren op verworvenheden maar vooral de strijd aanbinden tegen de neiging de cultuur gelijk te schakelen. Er zijn christenen die zich aangetrokken voelen – of voelden – tot de PVV vanwege haar strijd tegen de islam. Maar die partij staat voor een monocultuur die niet alleen de positie van moslims bedreigt, maar ook die van joden en christenen. Hoewel andere partijen zich tegen de PVV afzetten, staan ze op dit punt niet zo ver van haar af. Dat een Tweede-Kamerlid van D66 ervoor pleit dat de overheid intolerant is voor intolerante burgers (ND, 9.11.12) is veelzeggend. Uiteraard is het seculier Nederland dat bepaalt wie tolerant en wie intolerant is. De monocultuur van de 21e eeuw zal een seculiere zijn, waarin voor afwijkende opvattingen op ethisch vlak – in de breedste zin van het woord – geen ruimte is.

Dat christelijke verworvenheden op de schop gaan is betreurenswaardig. Veel ernstiger is het wanneer de geestelijke en culturele pluriformiteit van samenleving op de schop gaat. Dan moeten echt alle alarmbellen gaan rinkelen.

Het kerklied en de kerkliedjes (2)

Tot de top-drie van onderwerpen waarover onder kerkmensen de emoties hoog kunnen oplopen, behoort ongetwijfeld de liturgie, en dan vooral het muzikale aspect daarvan. Hoe zou dat komen? Blijkbaar maakt muziek iets in mensen los, niet maar eerst verstandelijk, maar vooral emotioneel. Toen ooit een predikant aan het begin van zijn preek vroeg wie er van zingen hield, gingen vrijwel alle handen omhoog. Kennelijk laat muziek maar weinig mensen onberoerd.

Dat heeft Maarten Luther in de 16e eeuw al begrepen. Afgezien van het feit dat hij zelf een muziekliefhebber was, geloofde hij ook dat goede muziek de duivel op een afstand houdt: “Muziek verdrijft de duivel”. Dat heeft hem ongetwijfeld ook geïnspireerd tot zijn streven de gemeente aan het zingen te krijgen. Het gevolg was een stroom van teksten die door componisten op muziek werden gezet. Dat Luther belang hechtte aan muziek als onderdeel van het christelijk leven had hij niet van zichzelf. Hij kon zich daarbij beroepen op de bijbel. Door de hele bijbel heen wordt bij allerlei gelegenheden gezongen. Denk maar aan het loflied na de doortocht door de Schelfzee, na de uittocht uit Egypte. En het meest indrukwekkende bewijs van het belang van de muziek is het boek van de Psalmen, dat Luther “een kleine bijbel” noemde – een soort samenvatting van alles wat in de bijbel geschreven staat.

Het is dus geen wonder dat het kerklied en de kerkmuziek steeds weer voor discussiestof zorgen. Al weer een tijd geleden schreef ik onder de titel Het kerklied en de kerkliedjes een artikel over een conflict over het kerklied in de rooms-katholieke kerk. Het leek me goed die titel opnieuw te gebruiken om iets te schrijven over verschillende berichten die de laatste maanden in het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad te lezen waren.

De achterban van de eerstgenoemde krant bestaat vooral uit leden van zogenaamde bevindelijke kerkgenootschappen. Tijdens kerkdiensten worden daar vrijwel uitsluitend psalmen gezongen. Maar binnen het psalmboek lijkt een soort van canon te zijn gevormd. In het RD is een discussie ontstaan over de oorzaak van het feit dat bepaalde psalmen vrijwel niet gezongen worden. Die zoeken sommigen in de aard van de melodieën van die psalmen. Die zouden voor een belangrijk deel van de gemeente te moeilijk zijn. Daarom pleiten sommigen ervoor die door eenvoudiger melodieën te vervangen.

Dit is niet de plaats om uit te wijden over de muzikale kant van de zaak. Maar ik verbaas me wel over het aangereikte medicijn. De keuze voor simpeler melodieën is wel erg gemakzuchtig. Deze suggestie geeft blijk van hetzelfde fatalisme dat ook op andere terreinen te signaleren is (ik kom daar in een ander verband nog op terug). En dat is merkwaardig, want de christelijke wereld staat bol van het activisme. We moeten van alles: evangeliseren, gemeenten stichten, diaconaal actief zijn, de liturgie vernieuwen en wat niet al. Maar het aanleren van een niet zo erg gemakkelijke melodie is blijkbaar te veel moeite. Misschien moeten we, voordat we besluiten bepaalde melodieën of zelfs het hele Geneefse psalter in de vuilnisemmer te kieperen en door meezingers te vervangen, eerst eens een poging doen de luiheid, de gemakzucht en de ongeïnteresseerdheid te bestrijden die uiteindelijk ten grondslag liggen aan de beperkte keuze uit de psalmen.

Luiheid en gemakzucht komen ook om de hoek kijken bij een andere kwestie, waarover het Nederlands Dagblad (7.3.12) schreef. “Als kerkenraden van Gereformeerde Bondsgemeenten besluiten naast de psalmen ook andere liederen te zingen, gebeurt dat vooral omdat de gemeente daarom vraagt, blijkt uit een steekproef van de Gereformeerde Bond”, zo meldde de krant. “De Gereformeerde Bond is er kritisch over dat er vaak nauwelijks inhoudelijke onderbouwing is voor de liedkeuze tijdens de kerkdienst, zowel van alleen psalmen als ook van andere liederen daarnaast, zo blijkt uit een artikel op de website van kerkblad De Waarheidsvriend.” Dat komt mij, als lid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), erg bekend voor. “U vraagt en wij draaien”, dat lijkt de houding van veel kerkenraden te zijn. Waar een op argumenten gebaseerde visie op het kerklied – en, naar te vrezen valt, op liturgie in het algemeen – ontbreekt, gaan gemeenten naar het pijpen dansen van degenen die het hoogst van de toren blazen. Het is best voor te stellen dat kerkenraden, gezien de hoeveelheid werk die op hun bordje ligt en het chronisch gebrek aan ambtsdragers, er tegenop zien tijd te steken in het formuleren van een visie op liturgie. Maar ze hoeven echt niet allemaal het wiel uit te vinden. In de meeste kerkverbanden zijn organisaties van kerkmusici en/of organisten actief die daarbij een helpende hand kunnen bieden. Dan moeten kerkenraden wel bereid zijn naar argumenten te luisteren. De ervaringen van kerkmusici lijken erop te wijzen dat de bereidheid daartoe niet al te groot is. De oorzaak zou wel eens kunnen zijn dat die musici een visie hebben die haaks staat op wat de bovengenoemde pijpers graag willen horen. En dus winnen de kerkliedjes het regelmatig van de kerkliederen.

Tenslotte maak ik melding van een bericht in het Nederlands Dagblad van 1 maart 2012. De kop vat de inhoud treffend samen: “Meer loflied dan klaagzang in kerkdienst”. Theoloog en muzikant Theo van Setten signaleert dat het loflied veel ruimte krijgt in de kerk, maar dat dit niet geldt voor de klaagzang. Hij wijst erop dat “een substantieel deel van de psalmen en van de profeten doortrokken (is) van de klacht, maar op een of andere manier is de lofprijzing beter te verteren dan de klacht.” Volgens hem ontbreekt de klacht in evangelische kringen zelfs vrijwel geheel. Maar ook in meer traditionele kerken is de aandacht voor de nood in de wereld nogal plichtmatig. Van Setten gaat ook in op wat hij als de oorzaak ziet: succes en geluk zijn maakbaar geworden. “Je moet altijd positief en optimistisch zijn. Zelfs het ergste dat ons overkomt, vormt slechts een beloftevolle ‘uitdaging’, zo leren managementgoeroes ons. Klagen en zeuren zijn taboe. Ten diepste zijn we verlegen met de klacht, die komt misschien te dichtbij.”

Er zullen best gemeenten zijn waarvoor Van Settens observatie niet opgaat. Maar ik denk dat hij er gelijk in heeft dat de donkere kanten van het menselijk bestaan in de liturgie veel minder aan bod komen dan de lichtzijde. Ik kan me eigenlijk nauwelijks herinneren dat als openingslied van een kerkdienst een klaagzang werd aangeheven. Ook hier is dus sprake van een soort van canon, zij het niet op grond van de melodie maar vanwege de inhoud. En dat is uiteraard ernstiger.

Wat is de oorzaak van deze eenzijdigheid? Van Setten wijst op het tegenwoordig overheersende maakbaarheidsdenken. Dat komen we in de maatschappij tegen en ook in de door het liberalisme gedomineerde politiek. Maar zou dat ook in de kerk een rol spelen? Naar mijn ervaring komen in preken en met name in de voorbeden de moeiten van het leven zeker aan de orde, al was het alleen maar omdat in elke gemeente er wel mensen zijn die deze kant van het leven uit eigen ervaring kennen. Waarom vindt die aandacht dan zo weinig weerklank in de gezongen liederen?

Eén van de oorzaken is ongetwijfeld de groeiende populariteit van het evangelische kerklied. Ik verwees al naar Van Settens observatie dat in evangelische kring de klacht vrijwel geheel ontbreekt. Ook in diensten die ik bijwoon, wordt van tijd tot tijd een lied uit de bundel Opwekking gezongen. Een klaaglied heb ik nooit voorbij horen komen. Het is juist het boek van de Psalmen waarin de moeiten van het menselijk leven alle ruimte krijgen. Wanneer de psalmen meer en meer naar de marge gedrukt worden gaat ook de klacht verdampen.

Maar dat kan niet de enige oorzaak zijn. Want ook de keuze uit de psalmen is vaak zodanig dat de klacht niet al te veel nadruk krijgt. Als al een couplet gezongen wordt waarin daaraan uiting wordt gegeven, wordt toch vrijwel altijd afgesloten met een hoopvol getoonzet couplet. Op zaterdag 17 maart j.l. vond in Maarssen een studiedag over dit onderwerp plaats. Het Nederlands Dagblad van 19 maart deed er verslag van. Typerend is een opmerking van theoloog Evert Jonker. “Het is not done om lang in de modder te blijven zitten, ook in de kerk”. Uit de reacties van de deelnemers die in het verslag worden opgetekend blijkt dat hij gelijk heeft. De vraag is dan wel – en die werd ook gesteld door andere deelnemers – of daarmee het leed voldoende gepeild wordt. De vaak gehoorde opmerking dat na klachten altijd een positieve omslag volgt, kan weerlegd worden met een verwijzing naar Psalm 88.

Zou een oorzaak kunnen liggen in het toenemende individualisme? Hoe worden kerkliederen eigenlijk gezongen? Zingt men die als gemeente of als individuele gelovige? Als het laatste het geval is wordt het zingen van klaagliederen problematisch, want gelukkig gaat het de meeste mensen relatief goed.
Ik herinner me een brief van een gemeentelid aan haar kerkenraad. Ze maakte bezwaar tegen het zingen van een loflied aan het begin van een kerkdienst, omdat ze zelf nogal in de lappenmand zat en haar hoofd niet naar het zingen van een loflied stond. Dat is begrijpelijk, maar daarmee kan een liturg geen rekening houden. Het omgekeerde is ook voorstelbaar: heeft iemand die met een blij gemoed de kerk binnenstapt er behoefte aan een klaagpsalm aan het begin van de dienst te zingen?

Als dat de maatstaf wordt is de gemeente uit het zicht verdwenen. Het zijn geen individuele gelovigen die in de kerk psalmen en andere liederen zingen. Hun persoonlijke gevoelens kunnen en mogen geen maatstaf zijn voor de keuze van de liederen. Het is de gemeente die een lofzang zingt of een klaaglied aanheft. De inhoud daarvan hoeft geen directe relatie te hebben met de gemoedsgesteldheid van de individuele gelovige, maar weerspiegelt het leven van de gemeente. Daar horen zowel het klaaglied als de lofzang bij.

Enige tijd geleden begon een voorganger zijn gebed, na een sterfgeval, met de zin: “Uw gemeente is verdrietig”. Ongetwijfeld waren er kerkgangers die de overledene niet persoonlijk kenden en geen persoonlijk verdriet voelden. Daarover hoeven ze zich niet schuldig te voelen. Maar dat doet niets af aan de waarheid van wat de voorganger zei. ‘Blij met de blijden’ wil niet zeggen dat iedereen zich persoonlijk blij hoeft te voelen, en ‘bedroefd met de bedroefden’ verlangt geen persoonlijk gevoelde droefheid. Het betekent dat zowel de vreugde als het verdriet in de gemeente een plaats krijgen in de eredienst en ook in de keuze van de liederen tot uitdrukking komt. Bij de vreugde lukt dat wel, maar bij het verdriet veel minder.
Dat vraagt om bezinning op het wezen van gemeente-zijn. Dat is geen overbodige luxe in een cultureel klimaat waarin veel mensen zichzelf erg belangrijk vinden en er voortdurend de nadruk op wordt gelegd dat je voor jezelf moet opkomen.

Maar er is ook actie nodig op liturgisch gebied. Het beste medicijn tegen een canon binnen het boek van de Psalmen is het consequent systematisch doorzingen van het psalmboek. Laat een gemeente gewoon de morgendienst eens beginnen met Psalm 1 en dan elke zondag doorgaan waar ze de vorige zondag gebleven was. Dat moet geen keurslijf worden: op eerste Paasdag hoef je geen klaagpsalmen te zingen. Maar ze moeten wel aan de orde komen. Door een in principe vast stramien kan worden voorkomen dat een wezenlijk onderdeel van het leven van de gemeente onderbelicht blijft. Het draagt er bovendien toe bij dat het psalmboek de status houdt die het toekomt. Want de psalmen zijn naar hun aard echte kerkliederen, die het hele leven weerspiegelen en die de generaties en “stammen, talen en naties” verbinden. Daar kan geen kerkliedje tegenop.

Gereformeerd Appèl

In 1992 werd een beweging opgericht die zich Gereformeerd Appèl noemde. Ze bestaat uit leden van drie kleine reformatorische kerken: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV), de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken (NGK). Ze doet regelmatig van zich spreken, vooral aan het begin van een nieuw seizoen, in augustus/september, wanneer een openbare bijeenkomst plaatsvindt, waar leden van de diverse kerken het woord voeren. Daar wordt ook gebeden om eenheid, met name van de drie genoemde kerken.

Het streven naar kerkelijke eenheid is een nobel streven. Sterker nog, het is voluit bijbels. Want Christus wil dat allen die in Hem geloven één zijn. Dat komt nergens zo duidelijk en indringend tot uiting als in het zogenaamde ‘hogepriesterlijk gebed’, dat is opgetekend in Johannes 17. “Ik bid niet alleen voor hen [de leerlingen], maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden”. Eenheid van allen die in Christus geloven is dus een belangrijk instrument voor evangelisatie. Dan moet die eenheid wel zichtbaar zijn. De ‘oecumene van het hart’ is dat niet. En evangelisatieactiviteiten waarbij de kerkelijke verdeeldheid onder het tapijt wordt geveegd zijn tot onvruchtbaarheid gedoemd.

Op het streven van het Gereformeerd Appèl is dus niets aan te merken. Integendeel, het verdient krachtige steun. Het is wel belangrijk dat daarbij de juiste toon wordt aangeslagen. Dat lijkt niet altijd het geval te zijn. Ik heb weleens de indruk gekregen dat het Gereformeerd Appèl zich soms gedroeg als een actiegroep die de kerken onder druk wilde zetten om toch vooral haast te maken.
Er is uiteraard niets op tegen wanneer leden van de desbetreffende kerken laten merken hoezeer de kerkelijke verdeeldheid hen aan het hart gaat. Maar daarbij moet vermeden worden dat men zich gaat afzetten tegen wat al gauw als ‘kerkelijke elite’ wordt aangeduid. De suggestie wordt gewekt dat die het proces van kerkelijke eenwording eerder vertraagt dan versnelt. De vergelijking met het politieke populisme, dat ‘het volk’ opzet tegen ‘de elite’, dringt zich bijna onvermijdelijk op.

Op 23 augustus meldde het Reformatorisch Dagblad dat het Gereformeerd Appèl zich wil verbreden. Ook leden van andere kerken zouden hierbij betrokken moeten worden. Klaas van Breugel, voorzitter van de werkgroep van het Gereformeerd Appèl, denkt aan “een brede gebedsbeweging, waarin broeders en zusters hun verdriet en pijn over de verdeeldheid delen, waar de schuld die wij tegenover elkaar en tegenover de Heere hebben belijden, waar wordt gebeden voor leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Welke andere kerken hij op het oog heeft, wordt duidelijk uit een bericht in het Nederlands Dagblad van 24 augustus: gedacht wordt aan de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Bond in de PKN.

Dat roept vragen op.

Van Breugel wil dat de leden van die kerken de pijn en het verdriet over de verdeeldheid delen. Wordt die ook altijd gevoeld? Daar ben ik niet zo zeker van. Er moet schuld beleden worden. Waarover dan? Kerkelijke verdeeldheid kan inderdaad zonde zijn en dan is schuldbelijdenis op haar plaats. Maar is àlle kerkelijke verdeeldheid zonde waarvoor schuld beleden moet worden?

Er is ook verdeeldheid die het gevolg is van principiële verschillen. In de NGK doen zich allerlei ontwikkelingen voor die bij de GKV en de CGK op ernstige bezwaren stuiten. Daarbij kan gedacht worden aan de toelating van de vrouw tot het bijzondere ambt, de visie op homosexualiteit, de hier en daar bestaande praktijk om kinderen tot het avondmaal toe te laten en de vrijheden ten aanzien van kerkverbandelijke regels en afspraken die sommige gemeenten zich permitteren.
Vrijgemaakt-gereformeerden en christelijke gereformeerden nemen daar terecht afstand van. Wanneer daardoor kerkelijke eenheid niet van de grond komt is dat bepaald geen reden voor schuldbelijdenis. Die zou eerder op haar plaats zijn wanneer zulke zaken terwille van de kerkelijke eenheid met de mantel van de liefde zouden worden bedekt.

Het is natuurlijk prachtig samen te bidden om kerkelijke eenheid. Maar daarbij moeten we de zin voor de realiteit niet verliezen. Als we samen met leden van de Gereformeerde Bond bidden om kerkelijke eenheid, waar bidden we dan om? Iedereen onder het dak van de PKN, waar in de praktijk volledige leervrijheid bestaat? Iets anders zit er niet in, aangezien de Gereformeerde Bond herhaaldelijk duidelijk heeft gemaakt dat afscheiding van de PKN geen optie is.
Er lijkt ook weinig reden aan te nemen dat leden van de Gereformeerde Gemeenten warmlopen voor kerkelijke eenheid met GKV, CGK en NGK. Hun geestverwanten binnen de CGK verzetten zich met kracht tegen de ‘kleine oecumene’. Van leden van de Gereformeerde Gemeenten kan nauwelijks een positievere houding verwacht worden. En dan laat ik hier nog de principiële verschillen tussen de Gereformeerde Gemeenten en de drie reformatorische kerken buiten beschouwing.

De verbreding van het Gereformeerd Appèl leidt onvermijdelijk tot verwatering. Dat blijkt ook uit de persberichten. Volgens Van Breugel moet gebeden worden voor “leiders, predikanten, deputaten en synodes die zoeken naar wegen om elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet te zijn.” Hoe waardevol dat op zich ook is, dat is toch iets anders dan kerkelijke eenheid. In het ND lezen we: “De verbreding is in deze tijd gemakkelijker omdat kerkelijke eenheid niet alleen draait om het samenvoegen van instituten. ‘Het voeren van het geloofsgesprek is belangrijk geworden. Daarom willen wij ons niet langer beperken tot bepaalde kerken.'”

Kerkelijke eenheid is een Schriftuurlijke eis, christelijke samenwerking over kerkgrenzen heen is dat niet. Door voor het laatste te kiezen beperkt het Gereformeerd Appèl zich tot pijnbestrijding, maar laat hij de kwaal onbehandeld. Met Christus’ bede “Laat hen allen één zijn” heeft dat niet veel te maken.