Archief

Posts Tagged ‘Reinier Sonneveld’

Kom van die troon af!

Onder christenen wordt al zeker honderd jaar – en misschien nog wel langer – gediscussieerd over de verhouding tussen geloof en wetenschap. Die discussie spitst zich vooral toe op de relatie tussen geloof en natuurwetenschap. Natuurlijk worden ook in andere wetenschappen, zoals de psychologie en de sociologie, theorieën gedebiteerd waartegen vanuit een christelijke overtuiging bezwaar kan worden gemaakt. Maar die worden meestal niet universeel omarmd. Je zou hier bijvoorbeeld kunnen denken aan de neurobioloog Dick Swaab die een ‘materialistische’ en ‘deterministische’ visie op het menselijk brein heeft. “[De] natuurkundige en chemische processen in onze hersenen bepalen hoe we reageren en wie wij zijn”, zoals samengevat door Wikipedia. Dat dit gevolgen heeft voor de visie op menselijk gedrag en daarmee ook op hoe men denkt over zonde en het menselijk vermogen keuzes te maken, is duidelijk. Maar zijn visie is ook binnen het vakgebied omstreden en je hoeft geen christen te zijn om die theorie te verwerpen. In de natuurwetenschappen ligt dat in veel gevallen anders, en dat geldt zeker voor wat onder christenen het heetste hangijzer is: de evolutietheorie.

Die wordt vrijwel alleen door christenen – op grond van wat zij in de Schrift lezen – verworpen of in elk geval betwijfeld. Binnen de natuurwetenschap vertegenwoordigen degenen die kritiek leveren op de uitgangspunten van de evolutietheorie hooguit een zijstroom. De hoofdstroom bestaat uit wetenschappers die deze theorie als bewezen aanvaarden. Dat maakt de discussie over dit onderwerp bij voorbaat al gecompliceerd. Het is voor natuurwetenschappers vrij gemakkelijk kritiek af te doen als voortkomend uit een gebrek aan kennis. Natuurwetenschap wordt – in tegenstelling tot sociale wetenschappen als de psychologie – als een ‘harde’ wetenschap beschouwd. Het gaat daarin om feiten, die te controleren zijn. Theorieën als de evolutietheorie zijn gebaseerd op metingen, die herhaalbaar zijn en dus verifieerbaar. Daarmee staan vertegenwoordigers van de natuurwetenschap al bij voorbaat op voorsprong wanneer ze in discussie gaan met bijvoorbeeld theologen. Die beroepen zich immers op de Schrift, die op verschillende manieren wordt uitgelegd. Tegenover elk argument tegen de evolutietheorie dat wordt ondersteund met een beroep op de Schrift staat een tegenovergesteld argument waarvoor men zich op diezelfde Schrift beroept.

Ook op een andere manier trekken theologen aan het kortste eind. De natuurwetenschap is niet zomaar voor iedereen toegankelijk. Je moet er een grondige kennis van hebben om argumenten pro en contra de evolutietheorie te kunnen wegen. Er zullen niet veel theologen zijn die zulke kennis in huis hebben. Daar tegenover staat dat natuurwetenschappers zich zonder al te veel scrupules op het terrein van de exegese begeven. Ze menen over voldoende kennis te beschikken om op dat terrein uitspraken te doen. In zekere zin is dat nog terecht ook: de Schrift is immers aan de gemeente – de gelovigen samen dus – toevertrouwd en de exegese is niet voorbehouden aan enkele ‘deskundigen’.

De discussie over ‘schepping of evolutie’ – om het maar even populair uit te drukken – heeft nieuwe voeding gekregen door het recent verschenen boekje Het geheime logboek van topnerd Tycho, geschreven door nanobioloog Cees Dekker, hoogleraar aan de TU Delft, en Corien Oranje, vooral bekend als auteur van kinderboeken. Dit boekje is dan ook voor kinderen bestemd en wil hun duidelijk maken dat er geen tegenstelling bestaat tussen het serieus nemen van de Schrift en de aanvaarding van de evolutietheorie. Ik heb het niet gelezen, maar het lijkt me op voorhand een ongelukkig initiatief. Kinderen kunnen immers de verschillende argumenten niet wegen en hebben geen inzicht in de consequenties die een aanvaarding van die theorie voor het lezen van de Schrift kan hebben. De geschiedenis van de schepping beperkt zich tenslotte niet tot de eerste hoofdstukken van Genesis. Op allerlei plaatsen in de bijbel wordt ernaar verwezen. Zo’n boekje zou op z’n minst onder begeleiding gelezen moeten worden, maar de meeste ouders en leerkrachten beschikken over te weinig natuurwetenschappelijke kennis om het naar voren gebrachte van ter zake doend commentaar te voorzien. Het blootstellen van kinderen aan een op z’n minst omstreden theorie gaat op deze manier wel enigszins op indoctrinatie lijken.

Het wekt ook enige verbazing wanneer Corien Oranje in een interview met het Nederlands Dagblad (18.9.15) zegt: “De uitgever vroeg ons eerst om twee opties aan te reiken, het creationisme en theïstische evolutie. Cees wilde dat niet, en hoe meer ik erover ging lezen, hoe meer ook ik dacht: de evolutietheorie klopt gewoon.” Gaat dat zo gemakkelijk? Ik betwijfel of ze over grondige natuurwetenschappelijke kennis beschikt om de argumenten die ter verdediging van de ‘theïstische evolutie’ worden aangevoerd, te toetsen. Daarmee lijkt me de conclusie dat de evolutietheorie ‘gewoon’ klopt op z’n minst voorbarig. In het slechtste geval heeft ze zich door de geleerdheid van haar medeauteur en de boekjes die haar – door hem? – zijn aangereikt, laten intimideren.

Maar wellicht moeten we dit in een breder kader plaatsen. De christelijke wereld lijkt zich in een fase te bevinden waarin monumenten van zekerheid ernstige vormen van verval beginnen te vertonen. Opinieleiders die in een niet eens zo ver verleden uitstraalden dat ze alles – of in elk geval heel veel – zeker wisten, gedragen zich nu als zoekende zielen of brengen hun overtuigingen nog slechts mompelend en met veel mitsen en maren naar voren. Ze willen vooral niet de indruk wekken dat ze overtuigd zijn van hun gelijk, laat staat van anderen te verwachten dat ze dat gelijk erkennen. Deze houding past bij het geestelijk klimaat van deze tijd, niet minder dan dat de zekerheden van vroeger en de manier waarop ze werden uitgedragen, pasten bij een tijd waarin het ideologische gelijk en de overtuiging dat er een absolute waarheid bestond het politieke en maatschappelijke debat beheersten.

Enkele weken geleden had ik het genoegen een promotie aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen bij te wonen. Dr. A.P. van Langevelde verdedigde als proefschrift een biografie van Cornelis Veenhof, vroeger hoogleraar aan deze universiteit (toen nog Theologische Hogeschool geheten). “In zijn jeugd worstelde hij met de vraag of hij wel echt bekeerd was en of hij wel tot het domineesambt geroepen was. Die twijfels verdwenen toen hij boeken van Klaas Schilder en Antheun Janse las, twee gereformeerde opinieleiders in de jaren dertig. Beiden hadden een afkeer van bevindelijke twijfels en benadrukten de zekerheid van Gods beloften in de Bijbel. Het ging hun om absolute gehoorzaamheid aan de Bijbel, die helder en slechts voor één uitleg vatbaar was. Veenhof kwam terecht in de ‘het klimaat van het absolute’, schrijft Van Langevelde. In dat klimaat werd fel gediscussieerd over bijvoorbeeld de geloofszekerheid, het genadeverbond en de pluriformiteit van de kerk. De stijl van de debatten was rationeel, consequent en absoluut. Het leidde tot verwijdering en droeg bij aan de Vrijmaking, de scheuring in de Gereformeerde Kerken in 1944”, zo vat het Nederlands Dagblad van 23 september 2015 Van Langevelde’s analyse samen.

Op de analyses van Van Langevelde valt wel iets af te dingen. Vooral het label ‘het klimaat van het absolute’ dat hij Schilder en zijn medestanders en de latere tegenstanders van Veenhof (in de jaren ’60 van de vorige eeuw) opplakt, lijkt me aanvechtbaar. Hij lijkt het conflict vooral vanuit sociologisch gezichtspunt te benaderen; de geestelijke dimensie – die voor de hoofdrolspelers de hoofdzaak was – blijft onderbelicht, zoals één van de opponenten ook opmerkte. Maar Van Langevelde heeft ongetwijfeld gelijk als hij een verband legt tussen de zekerheid die door Schilder en – tijdens het kerkelijk conflict binnen de GKV – door iemand als Kamphuis werd verdedigd enerzijds en het maatschappelijke klimaat van de jaren ’30 respectievelijk de jaren ’60 anderzijds. Dat is op zichzelf niet verrassend: de kerk en haar leden maken deel uit van het maatschappelijk leven en krijgen dus altijd iets – of zelfs veel – mee van het daar heersende klimaat.

Maar als dat zo is geldt dat ook voor onze tijd. Het feit dat de positie van Veenhof in de huidige GKV op nogal wat sympathie kan rekenen, is veelzeggend. Maar daarbij blijft het niet. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw vindt in Nederland iets plaats wat je ‘ontideologisering’ zou kunnen noemen. Bekend is de uitspraak van voormalig premier Kok, die als leider van de PvdA van mening was dat zijn partij haar ideologische veren moest afschudden. Ideologie staat tegenwoordig in een kwade reuk. Het riekt naar zekerheid en die is verdacht. Dat in de praktijk ideologie helemaal niet is uitgestorven en politici en opiniemakers nog steeds uitgaan van hun eigen gelijk heb ik al eens eerder betoogd. Maar dat wordt niet van de daken geschreeuwd. Het staat tegenwoordig in elk geval niet netjes er rond voor uit te komen dat je overtuigd bent van je eigen gelijk. En dat heeft ook in christelijke kring consequenties. Dan kan het zelfs gebeuren dat een predikant twijfel als iets positiefs beschouwt.

Wanneer zekerheden ‘niet meer van deze tijd’ zijn – om het meest inhoudsloze ‘argument’ van onze tijd te gebruiken – is het begrijpelijk dat ook christelijke boegbeelden hun zekerheden onder het tapijt schuiven of daarvan zelfs helemaal afstand nemen. Dat allerlei christenen nu tot de conclusie komen dat de evolutietheorie ‘gewoon klopt’ lijkt niet zozeer het gevolg van een dieper inzicht in de Schrift, laat staan in de natuurwetenschap, maar vooral van een algehele twijfel ten aanzien van de waarheid van wat we in de Schrift lezen. Als gevolg daarvan wordt het beroep op de Schrift om een bepaald standpunt te verdedigen dan wel te weerleggen, steeds problematischer. Een typerend voorbeeld is de manier waarop het argument dat Jezus in zijn gesprekken gewoon verwijst naar de schepping wordt ‘weerlegd’. Hij paste zich aan het begripsvermogen van zijn gehoor aan. Daarmee wordt in feite elk beroep op wat Hij heeft gezegd bij voorbaat ontkracht. Want Hij verwijst ook naar andere zaken die wetenschappelijk gezien op z’n minst twijfelachtig zijn, zoals het verblijf van Jona in de vis en de verandering van de vrouw van Lot in een zoutpilaar.

En wat te denken van de opstanding? “Theoloog Reinier Sonneveld stelde dat God zich in het scheppingsverhaal aanpast aan de cultuur en het bevattingsvermogen van mensen. Maar bestaat dan de kans dat we straks ook de opstanding van Jezus en zijn wonderen niet meer letterlijk nemen? ‘Ik zie het om me heen niet gebeuren’, antwoordde hij. ‘Alle evangelicale theologen die ik lees, zijn hartstikke theïstisch evolutionistisch maar houden tegelijk hartstikke vast aan de letterlijke uitleg van Jezus’ opstanding.” (ND, 25.9.15). Wellicht zegt dit vooral iets over de boeken die hij leest en over het gebrek aan logisch consistent denken van de auteurs. Je zou van geluk moeten spreken wanneer mensen de uiterste consequenties van wat ze voor waar aannemen niet altijd trekken of misschien niet eens zien. Maar erg geruststellend is dat niet. Sonneveld vervolgt: “Bovendien: tegen de opstanding zie ik geen wetenschappelijke bezwaren, omdat de wetenschap daarover helemaal niet gaat. Ook is nooit bewezen dat er geen wonderen bestaan.” Dat lijkt me nogal inconsequent: als wonderen kunnen bestaan, waarom dan het wonder van de schepping niet? Het is me ook niet duidelijk waarom er geen wetenschappelijke bezwaren tegen de opstanding zouden bestaan. Ik denk niet dat ook maar één bioloog zal durven beweren dat een mens kan opstaan uit de dood.

In deze kwestie komen twee lijnen samen. De eerste is een toenemende onzekerheid over de betrouwbaarheid van wat we in de Schrift lezen. Die heeft gevolgen voor de ethiek, zoals blijkt uit een door het Nederlands Dagblad gehouden onderzoek naar de omgang van vijftigplussers met het geloof. Het komt ook tot uiting in de verlegenheid met de tegenstelling tussen wat de Schrift als echt gebeurd presenteert en de waarheidsaanspraken van de wetenschap. Het lijkt erop dat de aanspraken van de Schrift met steeds grotere scepsis worden bejegend terwijl die van de wetenschap onkritisch worden omarmd, zelfs wanneer men daarvan hooguit oppervlakkige kennis bezit en de reikwijdte en consequenties ervan niet overziet. Daarbij kan men er op wijzen dat de Schrift op allerlei punten verschillend wordt uitgelegd. Maar dat is geen argument om vervolgens de wetenschap op de troon te zetten. Want zelfs als alle natuurwetenschappers het eens zijn over een wetenschappelijke theorie is dat nog geen reden die als waar te aanvaarden. Tenslotte is alle wetenschap – hoe ‘hard’ ook – mensenwerk en gebaseerd op menselijke waarnemingen. Dat is geen verwijt, maar gewoon het constateren van een feit. Een mens kan nu eenmaal niet verder kijken dan zijn menselijke neus lang is. Er zou veel gewonnen zijn wanneer wetenschappers zich dat meer zouden realiseren en dat ook publiek zouden erkennen. Maar dan moeten ze wel van hun troon afkomen en dat is voor vele van hen waarschijnlijk teveel gevraagd. “U hebt hem bijna een god gemaakt” en “u hebt hem toevertrouwd het werk van uw handen”. Daarmee zet David in Psalm 8 de mens – met al zijn mogelijkheden en inzichten – op zijn plaats. De troon komt hem niet toe.

Wie kunnen we geloven? Dat is niet in de eerste plaats een kwestie van kennis, maar van vertrouwen. Dat bepaalt aan wiens antwoorden je het meeste geloof hecht. Dat zou voor christenen geen vraag moeten zijn.

Advertenties

De eenheid van de kerk

De kerk van Christus is uniek. Ze is, zoals artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis het formuleert, “een heilige vergadering van de ware gelovigen”. Zij is “met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof.” Het is dus een verzameling van heel verschillende mensen die niet elkaar hebben uitgezocht, op grond van sympathie of gemeenschappelijke interesses of belangen, maar die zijn samengebracht door de Geest van God.

In de kerken van de Reformatie is daaraan concrete uitwerking gegeven door het uitgangspunt dat de grenzen tussen plaatselijke gemeenten uitsluitend geografisch van aard zijn. Gelovigen behoren tot een bepaalde gemeente op grond van de plaats waar ze wonen, niet op grond van de kleur of ligging van een gemeente. In de Protestantse Kerk in Nederland is dat uitgangspunt verlaten: ieder mag zich voegen bij een gemeente van eigen smaak. Daarin wordt de praktijk voortgezet die in de Nederlands Hervormde Kerk al vele jaren bestond.

In kleinere gereformeerde kerken wordt formeel nog aan de geografische scheiding tussen plaatselijke gemeenten vastgehouden. Maar soms vertoont die praktijk scheuren. In de Christelijke Gereformeerde Kerken bestaat het verschijnsel van de geperforeerde kerkgrenzen. Leden van die kerken kunnen zich bij een naburige kerkelijke gemeente aansluiten, wanneer haar ‘ligging’ meer met de eigen opvattingen overeenstemt. De praktijk is weliswaar niet geformaliseerd, maar wordt wel getolereerd. In de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) is daarvan – voorzover ik weet – niet op grote schaal sprake. In sommige steden met meer dan één gemeente wordt soms toegestaan dat iemand na verhuizing van zijn gemeente lid kan blijven. Bij frequente verhuizingen, vooral van studenten, valt daar vanuit pastoraal oogpunt wel wat voor te zeggen. Maar het kan niet worden uitgesloten dat ook andere motieven een rol spelen, zoals het klimaat in een bepaalde gemeente.

Wanneer gelovigen de vrije keus wordt gelaten bij welke gemeente ze zich aansluiten, wordt het unieke karakter van de christelijke kerk ondermijnd. Dat gebeurt ook wanneer de praktijk van geperforeerde grenzen wordt getolereerd. Waartoe de praktijk van een kerkkeuze op grond van persoonlijke voorkeur kan leiden is te zien aan de evangelische wereld. Opgaan, blinken en verzinken – dat is het lot van veel evangelische gemeenten. Wie steeds zoekt naar wat hem persoonlijk aanspreekt en naar mensen met wie hij door één deur kan, wordt altijd teleurgesteld. En dan kan de zoektocht opnieuw beginnen.

Maar ook op een andere manier kan de eenheid van de gemeente worden bedreigd. Al vele jaren breken kerken – en niet alleen gereformeerde – zich het hoofd over de vraag hoe jongeren bij geloof en kerk kunnen worden gehouden. In 1985 publiceerde Piet van der Ploeg zijn geruchtmakende boek Het lege testament. En na hem hebben anderen boeken en artikelen over dit onderwerp geschreven, er zijn conferenties belegd en plannen gemaakt met als inzet: hoe kunnen we voorkomen dat jongeren geloof en kerk vaarwel zeggen?

Dat dit een reëel probleem vormt zal niemand ontkennen. En er is niets tegen wanneer men zich bezint op manieren om de kerkverlating onder jongeren tegen te gaan. Maar er is hier wel sprake van een sterke mate van eenzijdigheid. Ook onder andere leeftijdsgroepen komt kerkverlating voor. Zo daaraan al aandacht wordt besteed is die niet vergelijkbaar met die voor jongeren. Hoe zit het met de ouderen, degenen die vroeger als ‘bejaard’ werden aangeduid? Het lijkt wel alsof men ervan uitgaat dat die er wel komen. Maar zou ook hun geloof niet bedreigd kunnen worden? Dat zal wel een andere bedreiging zijn dan die waaraan jongeren blootgesteld worden, maar die hoeft daarom nog niet minder reëel te zijn.

Wanneer kerken een jongerenbeleid te ontwikkelen, hoe ziet dat er dan uit? Vaak is dat gebaseerd op wat jongeren zelf willen, bijvoorbeeld ten aanzien van de liturgie. Maar dat is een hachelijke onderneming. Zoals ik in mijn vorige artikel al schreef is er nauwelijks nog sprake van een cultuur: die heeft grotendeels plaatsgemaakt voor subculturen. En dat geldt zeker voor de wereld van de jongeren. De jongeren bestaan niet: niet elke jongere wil een bandje in de kerk in plaats van een orgel en niet elke jongere zingt liever opwekkingsliederen dan Geneefse psalmen. Degenen naar wie men zich geneigd is te richten zijn degenen die zich laten horen en zien. Die vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs alle jongeren. Ik kan me ook niet helemaal aan de indruk onttrekken dat wat als wensen van jongeren wordt gepresenteerd niet zelden de wensen van de dertigers en veertigers weerspiegelt, die op jongeren geprojecteerd worden.

In het Nederlands Dagblad van 14 januari j.l. stond een belangwekkend artikel van Ria Havinga-Brand onder de veelzeggende kop: “Jeugdbeleid slaat plank mis”. Hierin schetst ze hoe in de afgelopen decennia kerken zich hebben uitgesloofd om het de jongeren naar de zin te maken. Ze noemt voorbeelden uit de Rooms-Katholieke Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland, en wijst op de Nederlands Gereformeerde Kerk waar het gemeenteleven steeds beter op jongeren is afgestemd. Het refrein is: het heeft niets uitgehaald. Ondanks al die inspanningen blijven jongeren afhaken. En terwijl in de reformatorische wereld de neiging bestaat jaloers naar de evangelische wereld te kijken, heeft men ook daar problemen om jongeren vast te houden.

In haar artikel haalt ze de al genoemde Piet van der Ploeg aan, die de kerk tot zelfonderzoek oproept. “Het echte probleem is de afnemende gereformeerdheid onder de gereformeerden”. Ria Havinga-Brand komt tot deze overweging: “De toekomst van de kerk zou wel eens zeer gebaat kunnen zijn bij een insteek op verbondenheid met God, tussen generaties en aan de inhoud en kwaliteit van het geloof. Hiervoor is het ontwikkelen en onderhouden van een sterke geloofsidentiteit nodig. Aansluiten bij de seculiere cultuur of de jongerencultuur veroorzaakt daarentegen verlies van identiteit en werkt niet voldoende om jongeren voor de kerk te behouden. Kerken moeten investeren in de kwaliteit van het kerkelijk onderwijs, ouders ondersteunen bij de geloofsopvoeding en verbindingen leggen tussen generaties.”

Daarmee slaat ze mijns inziens de spijker op de kop. Binnen de gereformeerde wereld bestaat de neiging minder nadruk te leggen op de geloofsleer en daar de scherpe kantjes wat af te slijpen. En terwijl de gereformeerde belijdenisgeschriften de verschillen met anderen beklemtonen, zijn er predikanten die zich daartegen publiekelijk afzetten, zoals recent nog weer eens gebleken is. Maar verwatering van de identiteit maakt een organisatie niet aantrekkelijker. De geschiedenis van veel christelijke organisaties en het christelijk onderwijs sinds de Tweede Wereldoorlog laat dat duidelijk zien. Een gebouw, waarvan de fundamenten verrot zijn, blijft niet overeind staan door er een nieuwe gevel tegenaan te zetten.

In de prediking en de catechese moet dus niet minder, maar juist meer over de leer gesproken worden. Er is alle reden erop toe te zien dat de leer van de kerk, bijvoorbeeld aan de hand van de Heidelbergse Catechismus, regelmatig aan de orde komt. En wanneer iemand in het openbaar belijdenis van zijn geloof wil afleggen, mag toch wel eerst gevraagd worden wat hij of zij dan wel gelooft. Het gaat om de Heer en om de leer. Die horen bij elkaar.

De eenheid van de kerk wordt niet onderhouden door alles waarover christenen van mening verschillen tussen haken te plaatsen en als irrelevant te bestempelen, zoals Reinier Sonneveld in het Nederlands Dagblad van 29 januari j.l. doet. Dan wordt de kerk een snoepautomaat waarin iedereen iets van zijn gading kan vinden. Het gaat er in de kerk niet om het iedereen zoveel mogelijk naar de zin te maken. Het gaat om “de zin van Christus”. Daarin ligt haar eenheid.