Archief

Posts Tagged ‘rooms-katholiek’

Geloven doe je samen (2)

In het vorige artikel werd het belang van een gezamenlijke bezinning op actuele vragen binnen de gemeenschap van de kerk beklemtoond. Maar dat betekent nog niet dat er dan eensluidende antwoorden komen. Afgezien daarvan of op elke vraag wel een eenduidig antwoord mogelijk is, de uitkomst van de bezinning hangt in hoge mate af van de manier waarop die plaatsvindt.

Voor een zinvolle discussie die ook tot concrete resultaten leidt, is het van belang bepaalde regels te stellen. In de politiek en de maatschappij bestaan zulke regels niet. Wie zou die moeten vaststellen en hoe zouden ze gehandhaafd kunnen worden? In het maatschappelijk debat speelt het internet een cruciale rol. En dat is letterlijk een vrijplaats: iedereen kan er alles vrijwel ongestraft kwijt, en niemand is verplicht zijn opvattingen te verantwoorden. In combinatie met het individualisme leidt dit ertoe dat alle meningen evenveel gewicht krijgen. Overheidscampagnes kunnen met nog zoveel wetenschappelijke argumenten worden gevoerd, tegen ongefundeerde en op gevoel gebaseerde meningen, niet zelden gevoed door samenzweringstheorieën, staat de overheid uiteindelijk machteloos, zoals bijvoorbeeld recente inentingscampagnes hebben laten zien.

Volgens Efeze 2,20 is de kerk gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Daarmee wordt de gehele Schrift bedoeld. Wanneer het fundament wordt weggetrokken, stort de kerk ineen. De Schrift moet dus altijd het uitgangspunt van elke bezinning zijn en zij bepaalt ook haar grenzen. Maar daarmee zijn we er nog niet. Want ook tussen hen, die zich op de Schrift beroepen, doen zich over belangrijke kwesties meningsverschillen voor. Om aan te knopen bij een in het eerste artikel genoemd voorbeeld: voor- en tegenstanders van de aanvaarding van homosexuele relaties beroepen zich op dezelfde Schrift. Kennelijk lezen ze daarin verschillende dingen. Het is dan zaak kritisch te kijken naar de manier waarop de Schrift gelezen wordt.

In de al genoemde passage uit Efeze 2 reikt Paulus één belangrijke regel voor het lezen van de Schrift aan. Door “apostelen en profeten” naast elkaar te zetten maakt hij duidelijk dat er geen tegenstelling bestaat tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Daarin volgt hij overigens Jezus zelf, die met nadruk liet weten dat Hij niet gekomen was om de wet (het Oude Testament) te ontbinden, maar om die te vervullen. De eenheid van Oude en Nieuwe Testament is bepaald niet van ondergeschikt belang. Vooral in evangelische kring komt het Oude Testament er nogal eens bekaaid vanaf. Niet zelden worden Oude en Nieuwe Testament tegen elkaar uitgespeeld. Daar staan evangelischen trouwens niet alleen in. Ook onder rooms-katholieken bestaat de neiging het Oude Testament op het tweede plan te zetten. Geconfronteerd met geweldsteksten uit het Oude Testament merkte emeritus-kardinaal Simonis op dat deze een “primitief godsbeeld van primitieve mensen” weerspiegelt. Daaruit blijkt dat behoudende rooms-katholieken geen bondgenoten zijn wanneer het gezag en de eenheid van de Schrift moeten worden verdedigd. Ook hier gaapt een kloof tussen Rome en Reformatie.

De gereformeerde belijdenisgeschriften kunnen ons helpen te Schrift naar haar bedoeling te lezen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet enkele duidelijke uitspraken over de Schrift en haar gezag. Maar de Drie Formulieren van Eenheid wijzen de kerk ook de weg bij het lezen van de Schrift door de manier waarop ze haar hanteren bij het formuleren van de leer van de kerk. Deze zijn maatgevend bij het trekken van de grenzen binnen welke elke bezinning zich zal moeten bewegen. Het zijn immers de grenzen die de belijdenis in de Schrift zelf heeft ontdekt.

Dan zijn binnen de kerk dus niet alle meningen gelijkwaardig. Of een opvatting legitiem is hangt uiteindelijk af van de vraag of ze recht doet aan de Schrift – de hele Schrift, niet een willekeurige selectie daaruit. Wanneer individuele kerkleden meningen uitdragen die niet aan dat criterium beantwoorden, zal de kerk die publiek moeten weerspreken. Ik geef twee voorbeelden. In het Nederlands Dagblad van 30 maart 2011 wordt een denkrichting onder christenen m.b.t. homosexuele relaties aldus getypeerd: “God wil dat ik gelukkig word. Dus als ik in een homoseksuele relatie tot mijn bestemming kom, kan dat niet anders dan Gods bedoeling zijn.” In een kerkblad gaf een kerkelijk gemengd bruidspaar aan na zijn huwelijk lid te willen worden van een kerk, die bij hen paste. Deze opvattingen doen geen recht aan de leer van de Schrift.

Zulke opvattingen mogen binnen de gemeente geen legitieme plaats krijgen. Maar de implicaties reiken verder. De kerk manifesteert zich wel in eerste instantie op het niveau van de plaatselijke gemeente, maar is daartoe niet beperkt. In ons land staan kerken met elkaar in relatie. Ze beschouwen elkaar als ‘zusterkerk’. Die relatie komt tot uitdrukking in een kerkverband, die regelmatig in vergaderingen op verschillend niveau samenkomen. De aard van hun relaties is in een kerkorde vastgelegd. Die mag dan op het eerste gezicht een zakelijk karakter dragen, ze is gegrond op en ontleent haar bestaansrecht aan het gemeenschappelijk fundament van de apostelen en de profeten. Aan de formele eenheid ligt een geestelijke eenheid ten grondslag. Dat impliceert dat een bezinning op principiële vragen waarvoor onze tijd de gelovigen stelt, niet tot de gemeente beperkt mag blijven. Zij mag zich niet van het kerkverband isoleren. En zoals niet elke mening van individuele gelovigen bestaansrecht heeft binnen de gemeente, zo heeft niet elke mening van plaatselijke kerken bestaansrecht binnen een kerkverband.

Het gereformeerd kerkrecht gaat uit van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Maar dat is geen vrijbrief voor independentisme, waarbij elke gemeente geheel zelfstandig haar beleid kan bepalen, zonder rekening te houden, laat staan zonder enige vorm van ruggespraak met het kerkverband. Om dat concreet te maken: de manier waarop met ongehuwd samenwonen wordt omgegaan, is niet uitsluitend een zaak van gemeenten. Het gaat hier om een onderwerp dat het fundament van de kerk raakt en daarom een kerkverbandelijk antwoord vraagt. Individualisme en gemeentelijk independentisme zijn uiteindelijk loten van dezelfde stam, want beide distantiëren zich van de gemeenschap waarin God mensen plaatst.

In dit verband dienen de ontwikkelingen ten aanzien van de vaststelling van een nieuwe kerkorde binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kritisch gevolgd te worden. Van diverse kanten wordt aangedrongen op minder centraal vastgestelde regels. En sommige kerkenraden nemen hierop al een voorschot door zich van kerkverbandelijke afspraken niets aan te trekken, wanneer hun dat zo uitkomt. Graag wordt de suggestie gewekt dat er meer ruimte voor verscheidenheid in praktische aangelegenheden moet zijn. Maar wat precies ‘praktische aangelegenheden’ zijn, daarover lopen de meningen uiteen. Niet zelden hangen die met principiële vragen samen en zal grotere zelfstandigheid in praktische aangelegenheden ook tot grotere differentiatie op principieel vlak leiden. Hoe de kerkdienst wordt vormgegeven is voor sommigen een praktische aangelegenheid. Maar wanneer een kerkdienst een zodanige vorm aanneemt dat deze de betiteling eredienst niet meer verdient, is dat niet maar een ‘praktische aangelegenheid’ – dan is het gereformeerde karakter van die gemeente in geding.

In een derde en laatste artikel ga ik in op de relaties met andere kerken in binnen- en buitenland en welke consequenties die hebben voor de bezinning op actuele vragen.

Advertenties

Een roomse ketter

Pastoor Mennen uit ‘s-Hertogenbosch heeft weer van zich doen spreken. Enige tijd geleden deed hij – in zijn hoedanigheid als censor van zijn bisdom – een aantal kerkliederen in de ban. Vooral het feit dat vooral liederen van Huub Oosterhuis het moesten ontgelden, trok de aandacht. Nu heeft Mennen Oosterhuis als ‘ketter’ gebrandmerkt. Dat kwam hem, en vooral de rooms-katholieke kerk, op een uitbrander van de commentator van Trouw te staan.

Daar zal Mennen vast niet van wakker liggen. Ook de storm van kritiek die na zijn uitbanning van een aantal van Oosterhuis’ liedjes losbarstte, heeft hij kennelijk gelaten over zich heen laten gaan. De commentator van Trouw heeft op één punt wel gelijk. Hij wijst erop dat de kerk op dit moment wel wat anders aan haar hoofd heeft. Daarbij doelt hij uiteraard op de ophef over het sexueel misbruik van kinderen en jeugdigen door geestelijken in het verleden. De rooms-katholieke kerk heeft nogal wat moeite daarop adequaat te reageren. In dat licht is het begrijpelijk dat het commentaar begint met de zin: “Alsof de rooms-katholieke kerk wereldwijd nog niet genoeg in crisis verkeert, heeft de Nederlandse rk kerk er zelf nog een nieuwe kwestie bij geschapen.”

Als gereformeerd mens heb ik van nature niet veel sympathie voor roomse geestelijken die mensen voor ‘ketter’ uitmaken. Dat oordeel heeft in het verleden ook diegenen getroffen die op grond van de Schrift afstand moesten nemen van leer en leven van de roomse kerk. En we weten wat met sommigen van hen gebeurd is. Nu wordt tegenwoordig de soep niet meer zo heet gegeten. Oosterhuis komt niet op de brandstapel terecht en zelfs excommunicatie is niet erg waarschijnlijk. Niettemin, het gebruik van het woord ‘ketter’ roept onaangename associaties op.

De Reformatie heeft een meer schriftuurlijke manier ontwikkeld om de leer van de kerk te bewaken. Het publiek gebruik van de term ‘ketter’ of een equivalent daarvan is in onbruik geraakt, ook al doen sommige websites en weblogs anders vermoeden. Maar de gereformeerden hebben met het badwater niet ook het kind weggegooid.

Censuur is een wezenlijk onderdeel van de kerk van Christus. De Nederlandse Geloofsbelijdenis laat er – in navolging van de Schrift – geen misverstand over bestaan dat binnen de kerk de Schrift het eerste en het laatste woord heeft. Binnen de kerk mogen over allerlei zaken verschillende opvattingen bestaan. Maar als het om de leer gaat is er geen ruimte honderd bloemen te laten bloeien.

De Trouw-commentator spreekt van ‘persoonlijke aanvallen’ en meent dat door Oosterhuis als ‘ketter’ te brandmerken, ook al zijn liederen verdacht zijn. Dit is een teken van onze tijd. Kritiek op bepaalde opvattingen wordt vaak direct op de persoon betrokken en geïnterpreteerd als een aanval op de integriteit van degene die zulke opvattingen huldigt. Het scheiden van personen en zaken is een kunst, die in onze tijd nog maar weinigen beheersen.

Wat moeten gereformeerden hiermee? Is dit niet een interne roomse aangelegenheid? Ik denk van niet. Het commentaar in Trouw is een teken dat censuur op steeds meer onbegrip en zelfs verzet stuit, ook – misschien juist wel vooral – bij degenen die hun wortels in de kerkelijke wereld hebben. En ook al functioneert de censuur (of tucht) binnen de gereformeerde kerken nog steeds, dat wil niet zeggen dat ze immuun zijn voor de gedachten die in het commentaar in Trouw naar voren komen.

Wanneer een ambtsdrager wordt geschorst vanwege openbare zonde, kan dat meestal wel op begrip rekenen. Maar als het om de leer gaat, wordt het een ander verhaal. De huidige tendens is immers dat het belangrijker is dat je gelooft dan wat je gelooft. De leer van de kerk mag niet op grote belangstelling rekenen.

Ik durf er niet mijn hand voor in het vuur te steken dat alle ambtsdragers in de gereformeerde kerken de gereformeerde belijdenis in al haar onderdelen zonder mitsen en maren voor hun rekening nemen. Natuurlijk, het recht van de kinderdoop wordt nog wel uitgedragen. Maar als een echtpaar in de gemeente daar wat moeite mee heeft, zouden we dat dan niet op z’n minst moeten dragen? Ook over het werk van de heilige Geest waren opvattingen rond, die op z’n minst discutabel zijn in het licht van wat de kerk daarover belijdt.

En wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de kerk zegt kan naar mijn indruk op weinig sympathie rekenen. Wanneer men daarmee wel wil instemmen, wordt daaraan soms zo’n uitleg gegeven dat de angel eruit is en niemand er zich meer een buil aan kan vallen. Het bezoeken van kerkdiensten van een ander kerkverband en zelfs het daar vieren van het avondmaal hebben ook alles met de leer van de kerk te maken. Kritiek daarop stuit op onbegrip en weerstand, en de toegenomen tolerantie ten aanzien van die verschijnselen lijkt bijna vanzelfsprekend te zijn.

In dat licht is de commotie over de uitspraken van pastoor Mennen en de manier waarop binnen en buiten de rooms-katholieke kerk op zijn uitspraken wordt gereageerd, minder ver weg dan het lijkt. Ook de censuur binnen de gereformeerde kerken staat onder druk, wat in hoge mate samenhangt met de verminderde aandacht voor de leer van de kerk.

In allerlei gemeenten worden leerdiensten gehouden. Daar is niets tegen, maar daarmee heeft men een wiel uitgevonden dat al bestond. Wie vindt dat de leer meer aandacht verdient, zou eens kunnen beginnen er de hand aan te houden dat de Heidelbergse Catechismus regelmatig behandeld wordt in de erediensten. Dan is ook direct het ‘probleem’ dat de twee zondagse erediensten teveel op elkaar lijken, opgelost.

Het kerklied en de kerkliedjes

18 maart 2010 2 reacties

“De bisschoppelijke censor van het bisdom Den Bosch heeft onlangs bepaald dat een aantal kerkliederen niet meer gezongen mag worden in de rooms-katholieke liturgie”, meldde Katholiek Nederland onlangs. De censor, pastoor Mennen uit ‘s-Hertogenbosch, behoort daarvoor argumenten aan te dragen. Dat doet hij ook.

Daartoe behoren “dat een lied theologisch niet klopt, niet conform de aard van de liturgie is, niet over God gaat, of gewoonweg te banaal is. Dat laatste is volgens de censor het geval bij Wij gaan de weg van oude woorden. ‘Dit lied is te banaal om in de rk-liturgie gebruikt te kunnen worden. De gemeenschap bespreekt zichzelf; het lied mist in grote mate christelijke geloofsinhoud.'”

Ik ken dat lied niet noch de andere liederen die in de verschillende persberichten genoemd worden. Dat een aantal van die liederen gedicht is door Huub Oosterhuis heeft direct al kwaad bloed gezet en tot de verdachtmaking geleid dat het er vooral om gaat hem een hak te zetten. Zoals zo vaak bij meningsverschillen worden de zaken direct weer persoonlijk gemaakt. Dat is nogal zwak en lijkt vooral bedoeld te zijn om een inhoudelijke discussie uit de weg te gaan.

“De Kerk schrijft voor, zegt de bisschoppelijke censor in Katholiek Nederland Radio, dat liturgische gezangen in eerste instantie Bijbelteksten zijn. Vrije composities moeten theologisch juist zijn, ondubbelzinnig en liturgisch bruikbaar.” Daar lijkt me weinig op af te dingen. Juist dat eerste punt zal bij de liederen van Huub Oosterhuis een probleem zijn. Theologisch kan hij als vrijzinnig worden beschouwd en dat zal in sommige van zijn liederen wel naar voren komen.

Ook elders heeft de censor van zich laten horen. In het Nederlands Dagblad van 18 maart j.l. is te lezen dat door de censor van het aartsbisdom Utrecht Lied 328 uit het Liedboek voor de Kerken is afgekeurd. Dat begint zo: “Here Jezus, om uw woord / zijn wij hier bijeengekomen”. “Te protestants in zijn visie op de samenkomst, luidde het oordeel van de censor van het aartsbisdom.” Rome en Reformatie liggen nog steeds mijlenver uit elkaar, zo mag daaruit geconcludeerd worden.

Intussen is het wel terecht dat dit lied dan wordt afgekeurd. In reformatorische kerken worden tenslotte ook geen liederen gezongen waarin Maria wordt vereerd als ‘moeder Gods’ of het kruis wordt aangesproken. Liederen behoren “theologisch juist” te zijn, dat wil zeggen dat ze niet in strijd mogen zijn met de leer van de kerk. Dat geldt voor gereformeerde kerken en de rooms-katholieke kerk in gelijke mate. Dat er nu pas wordt opgetreden tegen de wildgroei van ‘kerkliedjes’, zoals de kop in het ND ze noemt, is wel merkwaardig. Jarenlang heeft men deze zaak laten versloffen. Dat er protest komt wanneer dan eindelijk wordt opgetreden, is begrijpelijk. Een kerk kan niet zonder censuur. Een kerk die daarmee geen ernst maakt, moet daarvan te zijner tijd de wrange vruchten plukken.

Theologische maatstaven leveren op zichzelf geen probleem op. Moeilijker wordt het als ook de stijl ter sprake komt. De berichten over de ten aanzien daarvan aangelegde criteria zijn enigszins verwarrend. Volgens het Nederlands Dagblad zegt Mennen dat de tekst niet al te dichterlijk moet zijn – “een normaal mens moet het kunnen begrijpen”. Op de site van Katholiek Nederland klinkt het toch wat anders. “‘Ze mogen wel poëtisch zijn, liefst wel.’ De poëtische beelden moeten door de gelovigen echter wel worden begrepen, zegt Mennen.”

Laten we het er maar op houden dat de liederen wel poëtisch moeten zijn, maar niet zodanig dat een ‘normaal mens’ het niet kan begrijpen. Dat roept wel wat vragen op. Wat is een ‘normaal mens’? Natuurlijk moet een lied begrijpelijk zijn. Het is tenslotte de bedoeling dat de gemeente – of gemeenschap, zoals roomsen dat noemen – het zingt en daarmee moet het een lied van de gemeente zijn. Maar mag niet verwacht worden dat de gelovigen enige moeite doen een lied te begrijpen? Eén van de kwaliteiten van de cantates van Bach – en van veel andere religieuze muziek uit zijn tijd – is dat er meerdere lagen in zitten. Dat betekent dat je er steeds weer nieuwe dingen in ontdekt. Zo zou dat eigenlijk met een kerklied ook moeten zijn. Voor veel liederen uit het Liedboek voor de Kerken geldt dat ook.

Elders heb ik enige tijd terug geschreven over het oprukken van de evangelische liedcultuur in reformatorische kerken. Het zogenaamde ‘opwekkingsrepertoire’ bestaat voor het grootste deel ook uit ‘liedjes’. Ze zijn meestal eendimensionaal en hebben slechts één laag – na drie keer lezen ontdek je er niets meer in dan de eerste keer. Ze missen elke diepgang en gaan daardoor snel vervelen. Ze leggen ook alles uit; er blijft niets te raden over. En zowel tekstueel als muzikaal zijn die liedjes meestal onder de maat.

Wat meer kritische zin bij het toelaten van liederen die in de liturgie een plaats kunnen krijgen, zou wel gewenst zijn. Wat dat betreft kunnen de reformatorische kerken aan de censoren van de rooms-katholieke kerk een voorbeeld nemen. Een beoordeling naar theologische criteria vindt daar wel plaats. Maar naar kwaliteit wordt nauwelijks gekeken. Over smaak valt te twisten, over kwaliteit niet.

En ook een toetsing op liturgische bruikbaarheid is geen overbodige luxe. Maar dat is een lastige opgave als een duidelijke en en bijbels gefundeerde visie op liturgie ontbreekt.