Archief

Posts Tagged ‘RPF’

Politiek zonder fundament

Op haar partijcongres van 13 juni j.l. heeft de Christenunie haar grondslag gewijzigd. Dat gebeurde vrij geruisloos, zonder noemenswaardige tegenstand. Weliswaar werd in de aanloop naar het congres enige discussie gevoerd, onder andere door middel van opiniebijdragen in het Nederlands Dagblad, maar uiteindelijk leidde dat niet tot substantieel verzet. Destijds zorgde het voorstel RPF en GPV tot de Christenunie om te vormen voor heel wat meer onenigheid. Wat zegt het dat van grote onenigheid nu geen sprake is?

Wellicht moeten we concluderen dat de wijziging van de grondslag niet echt een fundamentele verandering is, maar in feite de bezegeling van een al bestaande en in de loop van de tijd gegroeide situatie. Hoewel de RPF de gereformeerde belijdenisgeschriften in haar grondslag had staan – zij het dat de binding daaraan losser was dan bij het GPV -, voegden nogal wat evangelische christenen zich bij die partij. Die maakten dan soms wel een voorbehoud ten aanzien van dat element van de grondslag. Door daarvoor ruimte te bieden werd het belang daarvan wel gerelativeerd. Deze RPF-leden zijn bij de vorming van de Christenunie gewoon meegegaan. Sindsdien is hun aandeel groter geworden, vooral ook omdat onder evangelische christenen het politiek bewustzijn is gegroeid.

Het is te begrijpen dat de meeste evangelischen zich niet verbonden voelen met belijdenisgeschriften die uit een andere traditie stammen. Toch kunnen sommigen van hen zich goed vinden in veel dat daarin naar voren wordt gebracht. Er is, voorzover ik weet, nooit een serieuze poging gedaan de belijdenissen uit de grondslag te verwijderen. Dat dit nu wel gebeurd is, heeft vooral te maken met het streven behoudende rooms-katholieken aan de partij te binden. Een aantal van hen stemt weliswaar op de Christenunie, maar ziet in de gereformeerde belijdenissen een reden zich van lidmaatschap te onthouden. Daaruit is het streven ontstaan een grondslag te formuleren die zulke belemmeringen wegneemt zonder dat daarmee het christelijk karakter van de partij verwatert. De vraag mag gesteld worden of dat zoden aan de dijk zet. Want – zoals George Harinck terecht zegt in een interview met het ND (13.6.15) – door de grondslag te veranderen wordt de Christenunie niet gelijk een andere partij. De gereformeerde belijdenis behoort tot haar geboortepapieren en heeft in hoge mate haar karakter gevormd. De gereformeerde belijdenis zit de partij als het ware in de genen. Harinck verwacht, waarschijnlijk terecht, geen grote toeloop van rooms-katholieken.

Moeten we dus het belang van de wijziging van de grondslagformule sterk relativeren en is het allemaal om het even hoe de grondslag is geformuleerd? Dat gaat mijns inziens te ver. Want een grondslag is bedoeld voor het heden en de toekomst. Wat nu nog stevig verankerd zit in degenen die de politieke koers van de partij bepalen en in vertegenwoordigende organen uitdragen, kan na verloop van tijd ook verdwijnen. Het gedachtegoed dat aan de basis ligt van concrete politieke stellingnames moet onderhouden worden. Een wijziging van de grondslag kan op termijn wel degelijk tot een verandering van het karakter van de partij leiden, wanneer jongere generaties, die andere tradities vertegenwoordigen, het stokje overnemen.

In het al genoemde interview snijdt Harinck een interessant punt aan. Hij wijst erop dat het formuleren van een grondslag als zodanig op zijn retour is. “Beginseldenken is uit”, vat hij deze tendens bondig samen. “Het gaat nu vooral om je houding, om de persoonlijke intentie van een christen”. Dat laatste is natuurlijk heel belangrijk; dat was het altijd al, ook in de tijd waarin een beginsel nog wel als een wezenlijk onderdeel van een organisatie werd beschouwd. Maar wanneer het één los komt te staan van het ander wordt het wel problematisch. Want ‘houding’ en ‘intentie’ zijn geen op zichzelf staande grootheden. Die worden ontleend aan een bron. Maar welke dan? En hoe bepalen we welke intentie en welke houding juist zijn? Een christenpoliticus heeft niet per definitie de juiste houding. Daar komt nog iets bij. Wanneer de houding van individuen zozeer in het middelpunt van de aandacht komt te staan en in feite tot ijkpunt wordt verheven, wordt een politieke partij ook heel kwetsbaar. Want ook christenpolitici kunnen een scheve schaats rijden, zowel in hun opvattingen als in hun gedragingen. Hoe sterker het individu in de schijnwerpers komt te staan, hoe groter het (negatieve) effect zal zijn wanneer dat individu van de rails raakt. Daarmee wordt de partij – en de christelijke politiek in het algemeen – nog sterker in diskrediet gebracht dan anders het geval zou zijn.

Harinck brengt één en ander in verband met het toegenomen individualisme. Dat lijkt me een ter zake doende observatie. Een grondslagformule perkt de individuele vrijheid in de meningsvorming in. Daar hebben mensen van nu problemen mee. Ieder wil zijn eigen mening vormen en zich daarbij niet conformeren aan wat als ‘groepsnorm’ wordt ervaren. Die ontwikkeling gaat aan de christelijke wereld niet voorbij. Ieder die enigszins thuis is op het kerkelijke erf zal het herkennen. Ook in reformatorische kerken waarin de gereformeerde belijdenissen op papier hoog gehouden worden blijken die in de praktijk nogal eens hooguit in de marge te functioneren. Kerkleden die minder regelmatig kerkdiensten bezoeken, beweren dat hun geloof daardoor niet is verzwakt. Maar dat geloof zou er wel eens één van de heel individuele soort kunnen zijn, dat zich niet laat corrigeren door de kerkelijke gemeenschap, laat staan door zoiets als een belijdenis.

Nu heeft de Christenunie geen afscheid genomen van elke grondslagformule. In plaats van de gereformeerde belijdenisgeschriften is de Geloofsbelijdenis van Nicea als grondslag aanvaard. Daarmee wil ze waarborgen dat de partij in elk geval trouw blijft aan Schriftuurlijke uitgangspunten. Dat lijkt me te optimistisch. De gereformeerde belijdenissen – samengevat als Drie Formulieren van Eenheid – zijn niet voor niets ontstaan. De kerkgeschiedenis leert dat op allerlei onderdelen nadere toespitsing noodzakelijk was, bijvoorbeeld ten aanzien van de kerk, de sacramenten en de manier waarop de Schrift moet worden gelezen. Dat laatste lijkt me voor een christelijke politieke partij van groot belang. Het is veelzeggend dat juist daarover in christelijke kring recent de degens worden gekruist. Eén van de principes van de reformatorische omgang met de Schrift, bekend als sola scriptura, wordt bekritiseerd en door sommigen als ondeugdelijk bij het grofvuil gezet. Wanneer ook de consensus ten aanzien daarvan teloor gaat, wordt het fundament van de kerk wel erg wankel. Tegen het voortschrijdende individualisme helpt de Geloofsbelijdenis van Nicea niet.

Moet een christelijke politieke partij daarin meegaan of zou ze zich daartegen juist moeten wapenen? Dat laatste klinkt aantrekkelijk en wie het individualisme in geloofszaken afwijst, zal wellicht die vraag bevestigend beantwoorden. Maar is dat wel de taak van een partij? En ligt dat wel binnen haar mogelijkheden? Een politieke of maatschappelijke organisatie kan niet verder springen dan haar polsstok lang is. En de lengte van de polsstok wordt bepaald door de kerken en gemeenschappen waaruit zij haar leden betrekt.

Ik heb al eerder in één van mijn weblogs opgemerkt dat de problemen waarmee zulke organisaties geconfronteerd worden hun oorsprong vinden in de kerk. Daar grijpt het individualisme om zich heen en neemt de pluriformiteit in de leer toe. Als gevolg daarvan gaan ook de ethische opvattingen steeds verder uiteen lopen. Wanneer de gereformeerde belijdenissen in kerken gemarginaliseerd worden, is het niet realistisch te verwachten dat ze in een christelijke politieke partij een substantiële rol spelen. Wie de terzijdestelling van de gereformeerde belijdenisgeschriften als grondslag van de Christenunie betreurt – en daar lijkt me alle reden toe – moet niet in de eerste plaats naar de partij wijzen, maar naar de kerken en gemeenschappen waaruit ze haar leden betrekt. In kringen van de Christenunie distantieert men zich van het CDA en wordt onderstreept dat de grondslagwijziging er niet toe zal leiden dat de partij op het CDA zal gaan lijken. Of dat waar is, zal de tijd leren. Maar men dient zich wel te realiseren dat de ontwikkeling van het CDA zijn oorsprong vond in de kerken.

Wanneer daar het fundament aan erosie onderhevig raakt, hoeft men zich over de ontwikkeling naar een christelijke politiek zonder hecht fundament niet te verbazen.

Advertenties

CU + SGP = ?

De christelijke politiek in Nederland staat er niet zo florissant bij. Althans, wanneer je kijkt naar de resultaten bij de verkiezingen van de laatste jaren. De SGP groeit misschien wel in ledenaantal en kiezers, maar dat is niet voldoende voor zetelwinst. De groei komt voor een belangrijk deel door het overlopen van stemmers van de ChristenUnie. Leuk voor de SGP, maar voor de invloed van de christelijke politiek levert het verder niets op. De ChristenUnie leek enkele jaren geleden flink in de lift te zitten. Er werd zelfs gespeculeerd dat ze het CDA als dè partij van het midden zou kunnen gaan vervangen, zeker toen laatstgenoemde steeds meer naar ‘rechts’ ging opschuiven. Maar degenen die bezwaar hadden tegen die koers weken – àls ze het CDA al ontrouw werden – eerder uit naar partijen als D66 of GroenLinks dan naar de ChristenUnie. Inmiddels hoor je niemand meer beweren dat de partij een serieuze bedreiging zou kunnen zijn voor het CDA. En de huidige score bij de verkiezingen is niet hoger dan die van de partijen waaruit ze is voortgekomen – RPF en GPV – samen. In feite is de ChristenUnie terug bij af.

Daaruit mag de conclusie getrokken worden dat een fusie politieke partijen niet per definitie voordeel oplevert. Dat is ook de les die uit de geschiedenis van het CDA kan worden getrokken. De fusie van KVP, CHU en ARP heeft – zeker op de langere termijn – niet tot een versterking van de christendemocratische invloed geleid. Zeker de laatste jaren is de partij ernstig in de versukkeling geraakt. Het is iets te eenvoudig dat geheel op het conto van de secularisatie te schrijven. Dat zou plausibeler zijn wanneer het CDA zich als christelijke partij zou profileren. Maar dat doet ze niet. Ze richt zich niet op kerkelijk meelevende christenen. Iedereen is in principe welkom. Agnosten kunnen zelfs meeschrijven aan het verkiezingsprogramma. Moslims kunnen niet alleen lid worden, maar ook de partij in politieke organen vertegenwoordigen. Het lijkt erop dat vooral de onduidelijkheid over de koers van de partij het CDA stemmen kost. Binnen de partij bestaat geen eensgezindheid over een aantal fundamentele maatschappelijke kwesties. De onduidelijkheid die daarvan het gevolg is draagt niet bepaald bij aan haar aantrekkelijkheid voor die kiezers die geen principiële band met het CDA hebben.

De ChristenUnie en de SGP zouden die les ter harte moeten nemen. Niet iedereen doet dat, zoals uit een interview van het Nederlands Dagblad met de – inmiddels voormalige – voorzitter van de ChristenUnie, Peter Blokhuis, blijkt (21 april 2012). Hij laat daarin weten dat hij zich niet kan voorstellen dat de ChristenUnie en de SGP op lange termijn zelfstandig naast elkaar blijven bestaan. Hij gebruikt een argument dat je ook hoort wanneer het over de kerkelijke verdeeldheid gaat: de secularisatie grijpt zo snel om zich heen dat we ons niet de luxe kunnen permitteren, gescheiden op te trekken. Bovendien wijst Blokhuis op de verdergaande ontzuiling van de achterbannen van de twee partijen. Daarbij blijft onduidelijk hoe een fusie van die twee daaraan een halt zou kunnen toeroepen. Blokhuis wijst er terecht op dat zich allerlei zaken voordoen die een duidelijk en eensgezind antwoord van christelijke politici noodzakelijk maken. Maar is een fusie daarvoor het meest geschikte of zelfs het aangewezen middel? Politieke partijen zijn in zekere zin te vergelijken met merknamen. Fusies in het bedrijfsleven zijn aan de orde van de dag. Maar desondanks houdt men vaak aan bestaande merknamen vast, vooral wanneer die een speciaal gevoel oproepen of met een specifieke doelgroep verbonden zijn.

Ook de politiek laat zien dat het eigen karakter van een ‘merk’ niet straffeloos kan worden genegeerd. We kunnen opnieuw het CDA als voorbeeld gebruiken. Het is al in 1980 opgericht en een tijdlang leken de ‘bloedgroepen’ geen rol van betekenis meer te spelen. Maar de laatste jaren is gebleken dat dit grotendeels schijn is. In de zuidelijke provincies – het vroegere kerngebied van de KVP – had de PVV een veel grotere aantrekkingskracht op CDA-stemmers dan in gebieden waar vroeger de ARP sterke aanhang had. Ook de steun voor de gedoogconstructie was het sterkste in vroegere KVP-regio’s. Dat is geen toeval. De oude scheidslijnen zijn echt niet helemaal verdwenen.

Blijkbaar is het samenvoegen van partijen die op het eerste gezicht veel op elkaar lijken, niet altijd verstandig. Dat geldt eens te meer wanneer bij nadere beschouwing blijkt dat die partijen toch meer van elkaar verschillen dan je zou denken. Dat is ook het geval bij de ChristenUnie en de SGP. Sinds enkele decennia wordt op allerlei terrein nauw samengewerkt, vooral in gemeenteraden en in het Europees Parlement. Wanneer er geen sprake is van een gemeenschappelijke kandidatenlijst, dan toch in ieder geval van lijstverbindingen, zodat reststemmen van de ene partij aan de andere ten goede komen. Er zijn onmiskenbaar veel raakvlakken: over een aantal thema’s die traditioneel een belangrijk onderdeel zijn van het profiel van christelijke politieke partijen zijn ze het in hoge mate eens. Maar is dat voldoende basis voor de vorming van één partij?

Ik wees er al op dat bij dit onderwerp hetzelfde argument wordt gebruikt als in de discussie over kerkelijke verdeeldheid: we kunnen het ons niet veroorloven gescheiden op te trekken. Wanneer daartegen dan wordt aangevoerd dat er toch duidelijke verschillen zijn, worden die tot de middelmatige zaken gerekend: niet te onbelangrijk om erover te praten, maar niet belangrijk genoeg als rechtvaardiging voor gescheidenheid. Datzelfde verschijnsel doet zich ook hier voor. “Blokhuis, van huis uit filosoof, erkent dat de twee partijen een verschillende politieke profilering hebben. ‘Maar als we het hebben over de echt belangrijke thema’s, zoals de onderwijsvrijheid, dan gaat het er niet om of je wat linkser of wat rechtser bent’.” Door de onderwijsvrijheid te typeren als ‘echt belangrijk’ worden andere zaken, waarover de twee partijen nogal verschillend denken, als weinig relevant terzijde geschoven.

Niemand zal ontkennen dat de onderwijsvrijheid een belangrijk thema is. Het is dus terecht dat beide partijen zich op dat vlak profileren en het is ook gewenst dat ze daarbij zoveel mogelijk samen optrekken. Maar daarmee zijn andere onderwerpen niet ineens van hooguit marginale betekenis geworden. Juist voor een christelijke politieke partij is het van wezenlijk belang te laten zien dat ze niet voor de belangen van de achterban opkomt, maar die van de hele maatschappij voor ogen heeft. De onderwijsvrijheid is niet in het belang zijn van christenen alleen, maar aangezien in de praktijk vooral het bijzonder onderwijs onder druk staat, wordt dat wel als vooral christelijk eigenbelang ervaren. Bovendien moeten christelijke partijen zoveel mogelijk de indruk vermijden dat ze zich alleen voor een beperkt aantal thema’s interesseren – de thema’s die vaak als ‘medisch-ethisch’ worden aangeduid. Die moeten niet onder het kleed verdwijnen, maar christelijke politiek gaat over meer dan het bekende rijtje: abortus, euthanasie, homohuwelijk. Ethiek heeft niet alleen met die onderwerpen te maken, maar evenzeer met zaken als natuur en milieu, immigratie en integratie, sociale rechtvaardigheid, gezonde overheidsfinanciën, ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten in de internationale politiek. Juist op dit soort thema’s lopen de visies van de ChristenUnie en de SGP nogal eens uiteen.

“Als ik kijk naar de partijrede van Kees van der Staaij op de afgelopen SGP-jaarvergadering, dan was dat een behoorlijk christelijk-sociaal verhaal”, zegt Blokhuis in het Nederlands Dagblad. Dat kan wel zo zijn, maar in de praktijk komt dat niet erg uit de verf. Het is niet zonder reden dat de SGP in de publieke opinie en ook bij politieke analisten als ‘rechts’ geldt, terwijl men de ChristenUnie eerder in het midden of zelfs ‘links’ daarvan situeert. Wie kijkt naar de houding van de SGP in de recente debatten over bezuiningen en hervormingen moet constateren dat haar visie zich in veel opzichten niet fundamenteel van die van de VVD onderscheidt. De SGP kan het met de liberalen uitstekend vinden in het streven naar een kleine overheid. De egards waarmee minister-president Rutte kortgeleden op een jongerenbijeenkomst van de SGP werd ontvangen wijst ook op een sterke mate van verwantschap.

De ChristenUnie heeft een andere visie op de overheid en kent haar een belangrijkere rol toe. Evenals de SGP hecht ze veel belang aan wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Maar ze houdt meer rekening met de realiteit. Veel zaken zijn veel te ingewikkeld om te worden waargenomen door wat in CDA-kringen graag als het maatschappelijk middenveld wordt aangeduid. Bovendien is het individualisme in de maatschappij zover doorgedrongen dat veel mensen niet tot enige gemeenschap behoren waarop ze kunnen terugvallen. Voeg daarbij dat volgens berekeningen van het Leger des Heils honderdduizenden Nederlanders als eenzaam moeten worden aangemerkt – wat betekent dat ze geen familie, vrienden of kennissen hebben op wie ze een beroep kunnen doen – en de conclusie is onvermijdelijk dat zonder de zorg van de overheid velen het niet redden.

Het gaat hier echter niet maar alleen om een analyse van de maatschappelijke werkelijkheid. De verschillen liggen veel dieper en hebben alles te maken met de vraag wat vanuit de Schrift over de rol van de overheid kan worden gezegd. Daarbij doet zich bij de SGP een opvallende paradox voor. Aan de ene kant wil men een kleine overheid, aan de andere kant verwerpt men de idee dat de overheid neutraal zou moeten zijn. De SGP belijdt immers met het ‘onverkorte’ artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat de overheid de taak heeft de ware religie te bevorderen en de valse religie te bestrijden. Het streven naar een ‘kleine’ overheid beperkt zich dus tot het sociaal-economische terrein. In andere maatschappelijke kwesties kiest de SGP voor een sterke en bemoeizuchtige overheid.

De ChristenUnie brengt daarentegen een duidelijke scheiding aan tussen kerk en wereldlijke overheid. Beide staan onder de soevereiniteit van God, maar hebben een verschillend werkterrein. De kerk dient zich bezig te houden met de verkondiging van het evangelie, terwijl het de taak van de overheid is de normen voor de samenleving die aan de Schrift kunnen worden ontleend in de praktijk gestalte te geven. Ten aanzien van het sociaal-economisch beleid betekent dat bijvoorbeeld dat de overheid moet bijspringen wanneer mensen niet in staat zijn zichzelf te voorzien van wat nodig wordt geacht om volwaardig aan de samenleving deel te nemen.

Welke visie men er in dit opzicht ook op nahoudt, het zal duidelijk zijn dat dit vanuit principieel gezichtspunt niet als een middelmatige zaak kan worden afgedaan. Deze tegenovergestelde visies hebben zodanige consequenties voor het politieke handelen dat het voor de kiezer wel degelijk iets uitmaakt of hij zijn stem aan de ChristenUnie dan wel aan de SGP geeft.

De visie op de overheid heeft ook consequenties voor zaken als de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. In een tijd waarin veel kiezers geneigd zijn aan bepaalde inwoners van ons land die vrijheden te ontzeggen die zij voor zichzelf opeisen, is een duidelijke standpuntbepaling onontkoombaar. De opvattingen van de ChristenUnie en de SGP op dit vlak zijn onverzoenlijk. Uiteraard heeft ook de visie op de rol van vrouwen in de politiek nog niets aan actualiteit ingeboet. Hier stuiten we opnieuw op een verschil van inzicht op de relatie tussen kerk en staat. Omdat de SGP geen scheiding tussen kerk en staat erkent, wordt de norm van de kerk dat een vrouw het ambt niet toekomt zonder meer toegepast op de staat: ook het regeerambt in de staat komt de vrouw niet toe.

Wanneer twee ondernemingen worden samengevoegd is het de bedoeling dat een nieuw sterk merk ontstaat. De hier gegeven analyse van de verschillen in karakter en standpunten van de ChristenUnie en de SGP geeft geen reden aan te nemen dat met een nieuw merk de kracht van de christelijke politiek wordt vergroot. CU + SGP = onduidelijkheid. Zoals het CDA laat zien is een partij zonder helder profiel gedoemd aan invloed in te boeten.