Archief

Posts Tagged ‘sacramenten’

Wij geloven met het hart

Verstand en gevoel, kennis en beleving – velen zien in die twee begrippenparen een tegenstelling. In christelijke kring worden daarover vaak de degens gekruisd, en bepaald niet pas sinds gisteren. Het speelt ook een rol in de manier waarop bijvoorbeeld gereformeerden en evangelischen naar elkaar kijken. Gereformeerden hebben de naam nogal verstandelijk te zijn en dat is in evangelische kringen bepaald geen aanbeveling. Omgekeerd zien gereformeerden – soms met afgrijzen, soms met jaloezie – hoe evangelischen onbekommerd hun gevoel laten spreken wanneer het om geloofszaken gaat. Ook kerkdiensten of gemeentelijke samenkomsten worden vaak door de bril van het gevoel of het verstand bekeken en beleefd.

Twee recente berichten in het Nederlands Dagblad laten zien hoe het kerkelijk leven hiervan de weerslag ondervindt. In de krant van 5 mei staat een artikel waarin gesignaleerd wordt dat de bijbelkennis van jongeren in christelijke kerken sterk is afgenomen. Onder de deskundigen die gevraagd wordt hoe daarmee moet worden omgegaan, heerst vooral verwarring. Niemand heeft een recept, maar er tekent zich in de reacties wel een patroon af. Wim Verboom, oud-hoogleraar namens de Gereformeerde Bond, wordt als volgt geciteerd: “In de theologische bezinning is steeds meer gezegd: het gaat niet om feitenkennis, maar om relationele en functionele kennis.” Dat idee lijkt vrij algemeen te zijn overgenomen. Hier wordt op z’n minst gesuggereerd dat er een tegenstelling bestaat tussen feitenkennis en beleving.

Van diezelfde tegenstelling lijken ook de predikanten Burger en Schaeffer uit te gaan, die op de jaarvergadering van de Bijbelstudiebond binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) spraken over de doop. De redactie van het Nederlands Dagblad zette boven het verslag op 9 mei de kop: “Sacramenten lijden onder de preek”. Volgens Schaeffer staat de preek nog teveel centraal, waar de sacramenten van doop en avondmaal onder lijden. Burger keert zich tegen de concentratie op het woord: “Het geloof wordt op die manier een zaak van het hoofd, terwijl het net zo goed een zaak van het lichaam is.” Over de wenselijkheid dat in de kerkdiensten ook iets te zien is, kan best een zinvolle discussie gevoerd worden, ook gezien de veranderingen in de cultuur. Maar de beide predikanten maken die discussie niet eenvoudiger door een tegenstelling tussen preek en sacrament te construeren.

Er is trouwens wel enige reden zich over hun uitlatingen te verbazen. Ik heb bepaald niet de indruk dat de sacramenten te weinig aandacht krijgen. De huidige dooppraktijk wijkt sterk af van wat nog zo’n twintig jaar geleden gangbaar was. Het komt vrijwel niet meer voor dat de moeder niet bij de doop van haar kind aanwezig is. In de regel wordt gewacht tot ze voldoende is hersteld om er bij te zijn. Sterker nog, vaak wordt een datum voor de doopbediening gekozen die ook familie en vrienden in staat stelt aanwezig te zijn. Het is geen uitzondering wanneer de doop pas enkele maanden na de geboorte plaatsvindt, ook wanneer daarvoor geen medische gronden aanwezig zijn.
Rond de doopbediening hebben zich allerlei rituelen ontwikkeld die wijzen op het belang dat daaraan gehecht wordt. Kinderen uit de gemeente scharen zich rond de doopvont en worden soms nog apart toegesproken, ouders krijgen soms de gelegenheid een getuigenis af te leggen, ze mogen vaak het dooplied kiezen en wanneer de keus valt op een lied dat geen enkele kerkelijke status heeft wordt daar in de regel niet moeilijk over gedaan.

Ook het avondmaal krijgt meer nadruk dan voorheen. Net als het aantal doopformulieren is ook het aantal formulieren voor de bediening van het avondmaal uitgebreid. Terwijl enkele decennia geleden in de meeste gemeenten het avondmaal eenmaal per kwartaal of per twee maanden werd gevierd, zijn er nu nogal wat gemeenten waar dit elke maand plaatsvindt. Naast de vroeger gangbare zittende viering worden nu ook andere vormen gebruikt, zoals de gaande en de staande viering. Ook de groeiende tendens de avondmaalstafel open te stellen voor leden van andere kerkgenootschappen wijst op een verandering in de manier waarop met dit sacrament wordt omgegaan.

Wat men van deze ontwikkelingen ook vindt – en bij sommige kunnen zeker wel kritische kanttekeningen worden geplaatst -, ze wijzen toch bepaald niet op een onderwaardering van de sacramenten.

De tegenstelling tussen de sacramenten en de preek is nogal discutabel. Ds. Schaeffer relativeert die trouwens, wellicht onbedoeld, wanneer hij zegt: “Ieder kind wordt gedoopt met gewoon water, maar door de woorden die God zelf aan de doop verbindt, krijgt dat vervolgens een veel diepere betekenis dan ‘gewoon een plons water’.” Daarmee geeft hij precies aan waarom preek en sacrament een eenheid zijn, die verbonden worden door het woord – of, beter gezegd, het Woord. Want de sacramenten zijn in feite plaatjes bij het verhaal dat in de prediking centraal staat. Kinderen worden niet door de doop in het verbond opgenomen: ze zijn het al. De doop stelt dat aanschouwelijk voor. De verzoening door het lijden en sterven van Christus vindt niet door brood en wijn plaats. Die zijn slechts de aanschouwelijke voorstelling van het feit van de verzoening. Preek en sacrament verkondigen dezelfde boodschap.

Bij de bediening van de sacramenten mag dan meer te beleven zijn, die beleving is wel geworteld in de feiten zoals die door de bijzondere zorg van de heilige Geest in de Schrift zijn opgetekend. Een beleving die niet op feiten is gebaseerd is als een huis dat op zand is gebouwd. Geloofsbeleving die tegen een stootje kan, moet gefundeerd zijn op de rots van in de Schrift overgeleverde feiten.

Die feiten zijn ook de basis van de preek. Het Woord van God staat daarin immers centraal. Dat impliceert dat wat de heilige Geest nodig oordeelde in de Schrift op te nemen, in de prediking een centrale plaats moet hebben. De hele Schrift moet in de volle breedte aan de orde komen, Oude èn Nieuwe Testament. De prediking wordt soms aangeduid als verkondiging of bediening van het Woord of van het evangelie. Dat suggereert al dat er meer gebeurt dan het weergeven en uitleggen van feiten. Een ouderwetse uitdrukking maakt dat nog duidelijker: ‘bediening van de verzoening’. Daaruit komt naar voren dat het maar niet gaat om een afstandelijke analyse van geopenbaarde feiten. In de Schrift openbaart God zichzelf, laat hij zichzelf kennen. Dat maakt een afstandelijke omgang met het Woord onmogelijk.

‘Naam en feit’ staan niet in tegenstelling tot ‘relationele’ of ‘functionele’ kennis. In de omgang met de Schrift is alle kennis per definitie relationeel. Maar wanneer in de Schrift God zichzelf laat kennen – in zijn zoon, maar ook in de geschiedenis – is onderzoek en kennis van de feiten essentieel. De prediking van apostelen en profeten is niet gebaseerd op ‘vernuftige verzinsels’ (2 Petr 1,16), maar op de verslagen van oor- en ooggetuigen. Lukas schreef zijn evangelie op basis van een grondig onderzoek van de feiten. Kennis van de feiten verhindert de constructie van een op maat gesneden beeld van God en van zijn wil.

De tegenstelling tussen ‘hoofd’ en ‘lichaam’ is een valse. Of het Woord nu klinkt in de preek of in het sacrament – of ook in de bijbelstudie of het godsdienst- of catechetisch onderwijs -, nooit gaat het om het hoofd of het lichaam. Het gaat uiteindelijk altijd om het hart. Dat is de mens zelf, de hele mens, met zijn hoofd en zijn lichaam. Preek en sacrament zijn niet hetzelfde. Maar beide doen een beroep op de hele mens. Ze verkondigen het Woord en vragen om een antwoord.

Advertenties

Wegen naar Rome

30 oktober 2011 1 reactie

Alle wegen leiden naar Rome, zegt het spreekwoord. Dat betekent dat er verschillende methoden zijn om een bepaald doel te bereiken. Het lijkt erop dat we in de christelijke wereld dat spreekwoord letterlijk moeten nemen. De laatste decennia zijn nogal wat protestanten naar de Rooms-Katholieke Kerk overgestapt. In Nederland is het aantal overgangen nog beperkt, maar vooral in de Angelsaksische wereld komt het herhaaldelijk voor. Zelfs mensen die een leidende positie in hun kerken of gemeenschappen innamen, hebben de overstap gemaakt. Waarom deden ze dat?

Voor een belangrijk deel lijkt de overgang naar de Rooms-Katholieke Kerk gemotiveerd te worden door onvrede. Er zijn er die grote moeite hebben met de ontwikkelingen in hun eigen kerkelijke gemeenschap. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan leden van de Anglicaanse Kerk waarbij de bezwaarden vooral verwijzen naar de toelating van de vrouw in het ambt en de visie op homosexuele relaties. Er zijn er ook die in de Rooms-Katholieke Kerk vinden wat ze in hun eigen gemeenschap missen. Ze noemen dan zaken als de liturgie, de plaats van de sacramenten en de mystiek. Het zijn vooral evangelicalen die zich daartoe aangetrokken voelen. Dat is niet zo verwonderlijk, want als ergens de liturgie down to earth is, soms op het banale af, en gevoel voor stijl ontbreekt, is het daar.

Het is niet moeilijk hier een patroon te ontwaren dat de sporen van onze tijd vertoont. Stijl, mystiek, sacrament – het zijn allemaal zaken die de menselijke zintuigen aanspreken. De moderne mens wil zien en ervaren. Daaraan komt de roomse kerkelijke praktijk tegemoet. Het sacrament – dat gezien en ervaren wordt – speelt de centrale rol in de rooms-katholieke eredienst. Vanuit dit gezichtspunt is het wellicht niet eens zo vreemd dat nogal wat evangelicalen zich tot het rooms-katholicisme voelen aangetrokken. Juist in die kringen staat het gevoel hoog aangeschreven. Velen zijn voortdurend op zoek naar ervaring en willen de aanwezigheid van God en de realiteit van zijn almacht merken. Dat laatste eventueel aan den lijve, doordat ze op het gebed genezen worden van hun kwalen. Ook de recente commotie rond al dan niet werkelijke genezingen wijst op het voortdurend zoeken naar ervaring. En is het verschil tussen zaken als ‘stille tijd’ en kringgebed, die vooral in evangelicale kring worden gepropageerd, en de rooms-katholieke mystiek wel zo groot?

Maar er is meer. Ik heb in mijn tweede artikel over Kerk en politieke partij al gewezen op de overeenkomsten tussen rooms-katholieken en evangelischen ten aanzien van de omgang met de Schrift. Beide hebben de neiging het Oude Testament tegen het Nieuwe uit te spelen. Ik herinner me nog goed de uitspraken van kardinaal Simonis bij Pauw & Witteman, dat de mozaïsche wetgeving een ‘primitief godsbeeld’ weerspiegelt, waarmee impliciet werd ontkend dat die wetgeving van God zelf afkomstig was. Bij rooms-katholieken en evangelicalen is de Schrift niet de enige bron van kennis over God en zijn wil. Op z’n minst in sommige evangelische kringen wordt aan persoonlijke ingevingen en openbaringen – naast en als aanvulling op de Schrift – een legitieme plaats toegekend, terwijl in de Rooms-Katholieke Kerk de leeruitspraken van de paus en van concilies niet toetsbaar zijn aan de Schrift.

Ik heb in het bovenstaande vooral de blik gericht op de aantrekkingskracht van de Rooms-Katholieke Kerk voor evangelicalen. Maar ook in reformatorische kring zijn er die de overstap gemaakt hebben, terwijl anderen die dat nog niet hebben gedaan, zich zouden kunnen voorstellen dat ooit wel te doen. Ook hier speelt het verlangen naar ervaring een rol. Maar daar komt nog een ander motief bij. In reformatorische kring wordt grote waarde gehecht aan de eenheid van de gelovigen, ook al wordt daar in de praktijk vaak weinig mee gedaan. Maar het is wel een motief dat sommigen ertoe brengt op z’n minst te filosoferen over een ‘terugkeer naar Rome’. De Rooms-Katholieke Kerk lijkt de eenheid te demonstreren die in de protestantse wereld ontbreekt.

De grote vraag is dan welke rol de leer eigenlijk nog speelt. Bij iemand als prof. Bram van de Beek, die in het Nederlands Dagblad van 29 oktober j.l. aan het woord komt, is dat wel degelijk een kwestie die ertoe doet. Maar hij relativeert de verschillen. “Er zijn veel gebreken aan de Rooms-Katholieke Kerk, in leer en leven. Protestanten kunnen ze makkelijk aanwijzen. Maar als de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw zo geweest zou zijn als nu, zou de Reformatie er nooit zijn gekomen.” Hij noemt met name de positie van de paus als een punt van discussie. Maar ook dat is overkomelijk. “Laat de bijzondere positie die de bisschop van Rome vanaf het eind van de eerste eeuw gehad heeft, rustig blijven en laten alle christenen hem steunen om herder van het kerkvolk te zijn. Protestanten hebben ook hun feilen en naar mijn oordeel groter dan Rome. Als ik moet kiezen waar de trouw aan het christelijk erfgoed het meest is bewaard, dan komt Rome er beter af dan de protestantse kerken.”

Het zijn merkwaardige en discutabele uitspraken. Wat is de Rooms-Katholieke Kerk van nu precies? Verschilt die fundamenteel van die van de 16e eeuw? Wellicht zijn een aantal van de meest opvallende misstanden verdwenen. Maar zijn de verschillen op dogmatisch vlak uit de weg geruimd?
Het is wel ironisch dat in hetzelfde nummer van het Nederlands Dagblad twee andere artikelen staan die een bepaald licht op de relatie tussen Rome en Reformatie werpen.
In een interview komt Mariska Orbán aan het woord. Ze is hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad. Onbekommerd spreekt ze over de ‘vrije wil’ van de mens. Enkele pagina’s verder laten enkele vertegenwoordigers van de Reformatie weten dat zij met de Nederlandse Geloofsbelijdenis nog prima uit te voeten kunnen. En laat nu uitgerekend daar in artikel 14 de opvatting dat de mens een vrije wil heeft, expliciet worden verworpen. Dat heeft alles te maken met de unieke plaats en rol van Christus. Dat behoort dus bepaald niet tot de marginalia. Tussen haken: hier ligt ook een duidelijke verwantschap tussen roomsen en evangelicalen. De verwerping van de kinderdoop heeft alles te maken met de waardering van de mens en de taxatie van zijn zondige natuur.

De uniciteit van Christus wordt niet alleen ondermijnd door de ontkenning van de volledige verdorvenheid van de menselijke natuur. Dat gebeurt ook door de status die aan heiligen wordt toegekend. Rooms-katholieken ontkennen dat ze heiligen vereren. Afgezien van de vraag of ze daarin gelijk hebben, ze richten zich wel in hun gebeden tot de heiligen. Van hen verwachten ze hulp of in ieder geval dat ze voor hen bemiddelen bij God. Nergens in de bijbel lezen we dat aan mensen zo’n rol wordt toebedeeld. Alleen Christus heeft de bevoegdheid als advocaat voor mensen op te treden. Hij heeft sterke papieren, in tegenstelling tot heiligen. Volgens de Heidelbergse Catechismus hebben zelfs de allerheiligsten nog maar een begin van de gehoorzaamheid die van mensen verwacht mag worden.

Dan is er nog de kwestie van de sacramenten. Deze hebben in de Rooms-Katholieke Kerk nog altijd prioriteit over de verkondiging van het Evangelie. In Het kerklied en de kerkliedjes heb ik er al op gewezen dat een bekend lied in protestantse kring voor echte rooms-katholieken niet aanvaardbaar is vanwege deze regel: “Here Jezus, om uw woord / zijn wij hier bijeengekomen”. Eén van de kernpunten van de Reformatie was nu juist dat het Woord de status terugkreeg die het volgens de Schrift zelf heeft. Ik ben daarop enige tijd geleden ingegaan toen ik schreef over avondmaal resp. doop en kerklidmaatschap. In de rooms-katholieke eredienst speelt de Schrift nog steeds een ondergeschikte rol. Ik wees er al op dat de paus en concilies uitspraken kunnen doen die hetzelfde gezag hebben als de Schrift.

Er zouden nog meer dingen te noemen zijn, zoals het denken over de positie van overledenen en de leer van het vagevuur, de magische kracht die aan allerlei zaken wordt toegekend, zoals wijwater, en het denken en spreken over de ‘geestelijkheid’ en haar positie in de kerk. En natuurlijk ook de positie van de paus, die zich het hoofd van de kerk noemt en zelfs meent zich als ‘heilige Vader’ te mogen laten aanspreken. Prof. Van de Beek schuift dat ten onrechte onder het tapijt.

Protestanten die naar de Rooms-Katholieke Kerk overstappen doen dat vaak uit ontevredenheid met hun eigen kerk. Maar komen ze dan niet van de regen in de drup? De kerkelijke verdeeldheid in protestantse kring mag frustrerend zijn, maar hoe eensgezind is de Rooms-Katholieke Kerk eigenlijk? Er is leergezag, maar op plaatselijk niveau is de invloed daarvan beperkt. In de praktijk doen pastores nogal eens wat goed is in hun eigen ogen. En dat strookt niet altijd met de officiële leer van de kerk. En is de Rooms-Katholieke Kerk een gemeenschap van de heiligen? Formeel wellicht wel, maar op parochiaal niveau kennen de gemeenteleden elkaar soms helemaal niet. De eenheid loopt kennelijk vooral via Rome.

In het Nederlands Dagblad wordt prof. Van de Beek geciteerd met de woorden: “Als ik moet kiezen waar de trouw aan het christelijk erfgoed het meest is bewaard, dan komt Rome er beter af dan de protestantse kerken.” In het licht van wat hiervoor is gereleveerd betreffende de leer en de kerkelijke praktijk van de Rooms-Katholieke Kerk lijkt me deze uitspraak volstrekt onhoudbaar. Het zijn eerder de drie Formulieren van Eenheid als vruchten van de Reformatie die de trouw aan het christelijk erfgoed belichamen.

Ieder die dat erfgoed ter harte gaat, doet er goed aan die belijdenissen in ere te houden. En de Reformatie mag op Hervormingsdag nog altijd met dankbaarheid herdacht worden.

Doop en kerklidmaatschap

In mijn vorige artikel ging het over de consequenties van het ‘overdopen’ voor het kerklidmaatschap. Volgens de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) is het enkele feit dat iemand zich in een andere gemeente laat ‘overdopen’ nog geen reden te concluderen dat hij zich ‘metterdaad’ aan de gemeenschap van de kerk heeft onttrokken. Ik stelde de vraag of hiermee recht gedaan wordt aan de relatie tussen doop en kerklidmaatschap. Omdat ook de toegang tot het avondmaal een onderwerp van discussie is, nam ik me voor nader in te gaan op de verbinding tussen de sacramenten en het kerklidmaatschap. Na enkele algemene opmerkingen over de sacramenten ga ik in dit artikel in op de doop. In een volgende bijdrage gaat het dan over het avondmaal.

Uitgangspunt is het gegeven dat God geen individuele mensen verzamelt, maar een volk, een gemeenschap. Dat deed hij in het Oude Testament door zich aan Israel te verbinden. Dat doet hij in de nieuwtestamentische tijd door zijn kinderen bijeen te brengen in de kerk. Op zijn zendingsreizen sticht Paulus gemeenten; aan een aantal daarvan schrijft hij brieven, waarin vooral het gemeentelijk samenleven uitvoerig aan de orde komt. In de Openbaring moet Johannes op Patmos brieven schrijven aan een aantal gemeenten in Klein-Azië. Ook in brieven aan individuele personen, zoals Timotheus, gaat het vooral over de gemeente. In de gemeenten stelt Paulus oudsten aan. Deze hebben als opdracht ervoor te zorgen dat het Evangelie wordt verkondigd en dat de gemeente bij de leer van Christus wordt bewaard (zie bv. Hand. 20,28).

Het Woord is genoeg voor ons behoud. Om dit te laten zien haalt Paulus in zijn brief aan de Romeinen Mozes aan. “Maar vervolgens zegt Mozes: ‘Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart’ – en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dichtbij u. Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered” (Rom. 10,8-9). Het gepredikte Woord zou dus voldoende moeten zijn. Maar door de geschiedenis heen blijkt dat mensen een zichtbare bevestiging van het gesproken woord verlangen. Daaraan is God tegemoet gekomen: herhaaldelijk geeft hij tekenen aan mensen dat zijn woorden echt waar zijn. Toen Abraham bereid bleek zijn zoon aan God af te staan, werd dat hem tot gerechtigheid gerekend. Toen was hij nog niet besneden. “De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde.” (Rom. 4,11).
Het Pascha, ingesteld bij de uittocht uit Egypte, is de zichtbare uitdrukking van de verbondenheid tussen Jahweh en zijn volk. Dat de sacramenten uiterlijke tekenen zijn van wat in het innerlijk heeft plaatsgevonden, onderstreept Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Het gaat om een innerlijke besnijdenis, die het werk is van de Geest (Rom. 2,28-29). De Geest werkt in de eerste plaats door de verkondiging van het Evangelie. Maar God heeft besloten van die innerlijke besnijdenis een uiterlijk teken te geven.

De Heidelbergse Catechismus zegt dan ook terecht in het antwoord op vraag 66 (HC, Zondag 25): “Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen.” De Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 33) brengt dit expliciet in verband met de zwakheid van ons geloof: “Wij geloven dat onze goede God, omdat Hij met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt, voor ons de sacramenten heeft ingesteld. Zo wil Hij ons zijn beloften verzegelen en ons onderpanden van zijn goedgunstigheid en genade jegens ons in handen geven.” Omdat de sacramenten het werk zijn van de Heilige Geest, mag de gelovige die niet ongebruikt laten.

Uit het bovenstaande kan een tweezijdige conclusie getrokken worden: Woord en sacrament zijn niet los verkrijgbaar. Ze horen bij elkaar, want door beide middelen wil God ons geloof voeden en onderhouden (NGB, art. 33). Wie zich door de verkondiging van het Woord wil laten voeden, kan zich niet aan de bediening van de sacramenten onttrekken. Daarom zijn het laten dopen van kinderen en de viering van het avondmaal niet facultatief; verzuim is reden tot ambtelijk vermaan. Het omgekeerde is ook waar: wanneer men de diensten waarin het Woord verkondigd wordt zonder wettige reden verzuimt, staat het recht op het gebruik van de sacramenten op het spel.

Hiermee komen we tot het eigenlijke onderwerp van dit verhaal. Als de Woordverkondiging en de sacramenten bijeen horen, hoe kan men dan in de ene gemeente deelnemen aan de verkondiging van het evangelie en voor de sacramenten zich bij een andere gemeente vervoegen? Op deze wijze wordt de eenheid tussen beide verbroken. Dat geldt des te meer wanneer de inhoud van de Woordverkondiging en de visie op de sacramenten in deze gemeenten principieel van elkaar verschillen. We hebben gezien dat de Geest zowel in de Woordverkondiging als in de bediening van de sacramenten werkzaam is. Kan Hij zichzelf tegenspreken door in de ene kerk via de prediking iets anders te verkondigen dan door middel van de sacramenten in de andere kerk?

Daar komt nog een belangrijk aspect bij: in beide gevallen is sprake van gemeenschap oftewel geestelijke eenheid. Wanneer in een kerkdienst een doop bediend wordt, is de gemeente maar niet een neutrale waarnemer, maar deelnemer. En het avondmaal is maar niet alleen een teken van eenheid met Christus, maar ook van de eenheid met elkaar. Dat wordt onderstreept doordat de gemeente, voorafgaand aan de avondmaalsviering, samen haar geloof belijdt.

Ik spits het bovenstaande nu toe op de doop.

Geconstateerd werd dat de sacramenten een toegevoegde waarde hebben. Ze staan niet los van de Woordverkondiging, ze staan er ook niet onder, maar ze staan er naast, als illustratie en bevestiging van dat Woord. Dat geldt zowel voor de doop als voor het avondmaal. In het zogenaamde ‘zendingsbevel’ in Matteus 28 draagt Jezus zijn leerlingen op de volken tot zijn leerlingen te maken en hen te dopen. Duidelijk is dat het tweede volgt op het eerste: de doop is de bevestiging van de verandering van mensen tot leerlingen van Christus. Door de apostelen wordt dit in praktijk gebracht. Op de Pinksterdag verkondigt Petrus het evangelie. Pas wanneer toehoorders vragen wat ze moeten doen, wekt hij hen op zich te laten dopen. Filippus legt eerst de Schrift uit aan de Ethiopiër; pas daarna wordt deze op zijn verzoek gedoopt (Hand. 8). Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs dat hij door Christus niet is uitgezonden om te dopen, maar om te verkondigen (1 Kor. 1). Zelfs al voordat Christus zijn werk begint heeft Johannes eerst de komst van het koninkrijk van de hemel aangekondigd alvorens mensen te dopen.

In het Oude Testament was de besnijdenis de manier waarop God zijn kinderen apart zette van de wereld. Dat zat hem niet in de besnijdenis zelf, want die kwam ook onder andere volken voor. De besnijdenis was een uiterlijk teken, een bevestiging van het feit dat God beslag op het leven van de besnedene had gelegd. Abraham werd pas op hoge leeftijd besneden. Hij werd niet toen pas een kind van God; dat was hij al. De besnijdenis was alleen het zichtbare teken dat het verbond dat God met hem had gesloten, bevestigde. Zo is het ook met de doop. Kinderen van de gelovigen zijn vanaf hun geboorte in het verbond opgenomen. De doop maakt dat voor de ouders en voor de gemeente zichtbaar. “De dienaren van hun kant geven ons alleen het sacrament, dat zichtbaar is, maar onze Here geeft wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven” (NGB, art. 34). Door de bediening van de doop in het midden van de gemeente te laten plaatsvinden, wordt de eenheid tussen Woord en sacrament onderstreept.

De doop is ook het middel waardoor Christus de kinderen van de gelovigen in zijn gemeente opneemt. “Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden” (HC, Zondag 27, antw. 74). Dat krijgt een formele vertaling in het feit dat een kind pas in het kerkelijk register wordt ingeschreven en als lid van de gemeente geldt, wanneer de doopsbediening heeft plaatsgevonden.

De relatie tussen doop en kerklidmaatschap wordt door de doopformulieren onderstreept.
Aan de doopouders wordt gevraagd of ze belijden dat “de leer van het Oude en Nieuwe Testament, die in de Apostolische Geloofsbelijdenis is samengevat en hier in de christelijke kerk geleerd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is”. Door die vraag bevestigend te beantwoorden, geven de ouders te kennen dat ze deel willen zijn de gemeente waar ze hun kind ten doop houden. Wie zijn kind laat dopen, vormt een geestelijke eenheid met de gemeente. Die wordt in het derde doopformulier dat in de GKV in gebruik is, onderstreept door de geloofsbelijdenis, voorafgaand aan de vragen aan de ouders.

In de doopsbediening in het midden van de gemeente komt ook tot uitdrukking dat de gemeente de gedoopte in haar midden opneemt en haar verantwoordelijkheid voor hem op zich neemt. Ze bidt dat God de gedoopte mag regeren zodat hij “in de Here Jezus Christus zal opgroeien en toenemen” en “uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die U aan dit kind en aan ons allen bewezen hebt, zal erkennen en belijden” (GKV, formulier I). In het tweede formulier wordt de verbinding tussen de dopeling en de gemeente explicieter gemaakt. In het gebed voor de doop wordt gezegd: “Laat de bediening van de heilige doop voor de hele gemeente tot zegen zijn. Wij zijn in uw naam gedoopt en U hebt ons allen zoveel beloofd. Geef dat wij dit bij deze doop opnieuw mogen zien, en des te meer bidden om de vervulling van uw beloften.” In het derde formulier wordt de gemeente na de bediening van de doop apart aangesproken. “Weet u geroepen door uw voorbede en voorbeeld deze ouders te steunen. Wees ook daadwerkelijk bereid om, waar nodig en mogelijk, eraan mee te helpen, dat dit kind groeit in het geloof, in de genade en de kennis van onze Heer Jezus Christus.”

Daarmee komt ook de formele kant van de doopsbediening in beeld. De gemeente heeft immers geen ondersteunende taak ten aanzien van elke gedoopte; alleen wie tot de gemeente behoort en daar zijn kind heeft laten dopen mag daarop aanspraak maken. De gemeente heeft ook – direct of via de kerkenraad – de plicht de ouders te vermanen wanneer ze hun bij de doop gegeven beloften niet nakomen. Maar dat geldt alleen ten aanzien van ouders die lid zijn van de gemeente en onder opzicht en tucht van de kerkenraad staan. Daarom worden ook alleen de kinderen van zulke ouders gedoopt.
Wie geen lid van de gemeente is, kan er geen aanspraak op maken dat zijn kind de doop ontvangt. Ook wanneer ouders te kennen geven zich aan de gemeente te willen onttrekken, kunnen ze niet meer verlangen dat hun kind in het midden van die gemeente de doop ontvangt. Zolang hun onttrekking niet formeel is aanvaard behoren ze weliswaar nog tot de gemeente, maar materieel staan ze er al buiten. Hoeveel betekenis kan aan hun antwoorden op de gestelde vragen worden gehecht? Wat betekent het, wanneer ze uitspreken dat de leer van die gemeente de “ware en volkomen leer van de verlossing” is, en beloven hun kind in die leer te laten onderwijzen, wanneer ze bijvoorbeeld van plan zijn zich te voegen bij een kerkgemeenschap waar deze leer ongestraft kan worden geloochend?

Doop en kerklidmaatschap horen bijeen. Dat heeft ook consequenties voor leden van de gemeente die zich elders laten ‘overdopen’. Maar daarbij doet zich wel de bijzonderheid voor dat het hier om volwassenen gaat, in veel gevallen zelfs om broeders of zusters die al belijdenis van hun geloof hebben afgelegd. En daarmee zijn ze gerechtigd het avondmaal te vieren. Daarom bewaar ik dit onderwerp tot de volgende keer. Dan gaat het over het tweede sacrament, het Heilig Avondmaal. Dan komt ook de vraag aan de orde wie tot de viering van het avondmaal kunnen worden toegelaten. Ook de positie van ‘overgedoopten’ komt dan ter sprake.