Archief

Posts Tagged ‘SGP’

Feestdagen onder vuur?

De christelijke feestdagen liggen onder vuur. Tenminste, als je kranten als De Telegraaf en het AD moet geloven, die graag de spreekbuis willen zijn van iedereen die zich zorgen maakt over de Nederlandse identiteit. In de aanloop naar Kerst was het eerstgenoemde, die suggereerde dat op allerlei niveaus verwijzingen naar Kerst moesten plaatsmaken voor algemene aanduidingen voor de tijd van het jaar, zoals feestmaand (en, naar analogie daarvan, feeststol). In de week voor Pasen kwam het AD met een artikel waarin beweerd werd dat op christelijke scholen het Paasverhaal werd aangepast of zelfs verzwegen om islamitische leerlingen en hun ouders niet te mishagen. In beide gevallen waren het vooral VVD en PVV die daaruit politieke munt probeerden te slaan.

Zowel ten aanzien van Kerst als van Pasen werd al snel duidelijk dat de alarmistische verhalen grotelijks overdreven waren of ten dele uit de duim gezogen. Zelfs hoofdredacteur Nijenhuis van het AD leek zich van de berichtgeving in zijn eigen krant te distantiëren door in een commentaar de onrust “geroeptoeter over een vermeende aanval op Pasen” te noemen. Het is ook eigenaardig dat seculiere media zich zo druk maken om de vraag of en zo ja, op welke manier scholen aandacht besteden aan Pasen. Let wel, het gaat hier om christelijke scholen, dus om bijzonder onderwijs, waarvoor media als De Telegraaf en AD zich nooit bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat Tweede-Kamerleden van de VVD over het Paasverhaal van het AD schriftelijke vragen meenden te moeten stellen, geeft ook te denken. Zij zouden toch moeten weten dat de overheid en de politiek in het algemeen geen zeggenschap hebben over het al dan niet vieren van religieuze feesten op bijzondere scholen. Het gaat hier om intern beleid; alleen ouders van leerlingen hebben het recht te klagen.

Merkwaardig is ook dat mensen zich sterk lijken te maken voor een feest waarvan ze zelf meestal afstand nemen. Dat blijkt al daaruit dat ze als symbolen van de christelijke feesten uitgerekend die dingen noemen, die met de betekenis van die feesten niets van doen hebben, zoals in het geval van Pasen de paashaas en paaseieren. Terecht reageerde iemand op Twitter: “Bij secularisatie gaat in NL de vlag uit. Behalve als je er de mohammedaan mee om z’n kop kan slaan. Hypocriet.” Ook Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, reageerde to the point in zijn column in het Nederlands Dagblad van 15 april j.l.: “[De] verwatering van het paasfeest is al decennia gaande. Enthousiast aangemoedigd door het bedrijfsleven dat zulke tierelantijnen beter vermarkten kon dan een kruis en een leeg graf, en de ontkerkelijkte goegemeente die stellig meende dat het maar eens gedaan moest zijn met die verderfelijke christelijke invloed op onze samenleving. Maar nu hijst diezelfde goegemeente zich collectief in het driedelige maatkostuum van de heilige verontwaardiging, en gaat parmantig rondrijden op een fiets die ouder is dan zij zelf zijn, kort door alle bochten, op de racefiets van de christelijke waarden. (…) Als christenen hun geloofstaal afzwakken om autochtone seculieren te behagen, kraait er geen haan naar. Als ze hetzelfde doen om allochtone moslims te behagen, is het land (en vooral ook Twitter) te klein.”

Ook door christelijke politici werd kritisch gereageerd op de bezorgdheid van hun seculiere collega’s. Kees van der Staaij, fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, twitterde: “Uit betrouwbare bron vernomen dat maar weinig PVV- en VVD-kamerleden van plan zijn met Pasen naar de kerk te gaan. Ik overweeg kamervragen..” De ironie van deze tweet ontging de meesten die hierop reageerden. Kennelijk associeert men zoveel frivoliteit niet met een SGP-politicus. Zijn ChristenUnie-collega Gert Jan Segers reageerde iets serieuzer: “Als iedereen die dit erg vindt voortaan wekelijks naar de kerk gaat, dan zal Pasen echt gewoon Pasen blijven. It’s up to us, mensen..” Hieraan kan nog worden toegevoegd dat al gauw bleek dat nogal wat lieden die zich zo boos maken over de teloorgang van de christelijke feesten, zelf nauwelijks weten waarover die precies gaan. Hier wreekt zich dat die feesten niet meer exclusief christelijk zijn, maar tot nationale feestdagen zijn geworden – of verworden, wat in deze context een betere term lijkt. Ik heb daarover hier al eens uitvoeriger geschreven.

Diverse media controleerden de beweringen in het AD. De conclusie: er was geen reden aan te nemen dat christelijke scholen het paasverhaal helemaal verzwegen. Wel pasten sommigen het verhaal enigszins aan de leerlingenpopulatie aan of probeerden een link te leggen naar de islam, want in de regel gaat het om scholen met een substantieel aantal moslimleerlingen. Daarbij noteerde de Volkskrant (12.4.17) wel enkele uitlatingen die te denken geven. “Het is niet meer zoals vroeger, waarbij kinderen gesloten werden opgevoed tot christenen”, zegt Kees Terdu, voorzitter van de stichting Protestants-Christelijk Basis- en Orthopedagogisch Onderwijs (PCBO) in Rotterdam-Zuid. “Wat wij doen, is vanuit christelijke waarden een betere samenleving proberen vorm te geven. Juist Pasen is een feest dat een brug kan slaan naar iedereen in de samenleving.” Op traditionele christelijke scholen zal meer nadruk liggen op het eigen geloof, zegt Terdu, “maar de betekenis van de christelijke feesten is universeel”. Aan de hand van het thema ‘opstaan’ behandelen zijn scholen dit jaar Pasen. “We praten over opstaan uit de dood, maar ook opstaan tegen onderdrukking en onrecht”, zegt de stichtingvoorzitter. “Kinderen met een islamitische achtergrond herkenning zich hier net zo goed in als christelijke kinderen.” Hiermee wordt Pasen wel van zijn unieke betekenis ontdaan. Maar laten we vooral niet denken dat dit specifiek gerelateerd is aan de aanwezigheid van moslimkinderen. In feite is dit niet veel anders dan de manier waarop niet-gelovigen naar de Matthäus-Passion van Bach luisteren. Vertolkers die zelf ook niet gelovig zijn geven er niet zelden een zodanige draai aan dat het lijkt alsof dit werk iets anders – iets minder specifiek christelijks – tot uitdrukking brengt dan Bach voor ogen stond. Maar daar valt niemand over.

Mag uit het bovenstaande geconcludeerd worden dat er wel reden is tot zorg? Ik zou eerder zeggen: reden voor bezinning. Maar dan wel in een heel andere zin en in een andere richting dan door seculiere politici en media wordt bepleit. De vraag is niet of het christelijk onderwijs ‘nationale waarden’ uitdraagt, maar: hoe christelijk is het christelijk onderwijs nog?

Dat heeft in eerste instantie niets met de islam te maken. Uit de berichten wordt niet duidelijk of de ouders van moslimkinderen bezwaar maken tegen het vertellen van het paasverhaal. Wanneer ze daartegen bezwaar zouden maken, zou de eerste vraag moeten zijn: waarom stuurt u uw kind naar een christelijke school? Hadden ze niet verwacht dat die school zijn christelijk karakter serieus zou nemen? Misschien hebben ze dan niet goed opgelet bij hun oriëntatie op het karakter van de school, maar het is ook mogelijk dat de school zelf daarover niet voldoende duidelijk is geweest. Dat moet die school zich dan aantrekken.

Wanneer de school uit eigen beweging het paasverhaal verzwijgt of substantieel wijzigt zodat het christelijk karakter grotendeels verloren gaat, dringt de vraag zich op of die school nog wel gemotiveerd is om echt christelijke school te zijn. Wanneer de school en/of zijn leerkrachten zelf geen waarde aan het christelijk geloof hechten, kun je van leerlingen en hun ouders niet verwachten dat zij dat wel doen. Wanneer van het christelijk karakter van de school nooit iets blijkt, is het niet vreemd, wanneer geprotesteerd wordt, als ineens het paasverhaal wordt verteld. Dat is dan een vlag op een modderschuit.

Dat er gerede twijfel kan bestaan aan het christelijk karakter van sommige scholen vindt zijn oorsprong niet in de eerste plaats in de aanpassing van het paasverhaal. De oorzaak ligt bij het gebrek aan overtuiging van de school en de leerkrachten. Dat is het logische gevolg van een beleid waarin van leerkrachten niet verlangd wordt dat ze zelf gelovige christenen zijn en dat ze de kerk vaker van binnen zien dan alleen één keer per jaar met Kerken Kijken. Als leerkrachten zelf niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloven, kunnen ze de paasviering beter achterwege laten. Maar dat is niet de kern van de zaak. Het christelijk karakter van een school komt niet in de eerste plaats tot uiting in de aandacht voor christelijke feesten, een paar keer per jaar. Het moet het totale onderwijs en het klimaat op school doortrekken.

Wie zich zorgen maakt om het verval van de christelijke feesten, moet niet met de beschuldigende vinger naar moslims wijzen, maar aan zelfonderzoek doen. De grootste bedreiging van de christelijke feesten is niet een groeiende invloed van de islam, maar de interne secularisatie van het christendom. Het slechtste wat christenen in deze situatie kunnen doen is gemene zaak maken met politici van PVV en VVD, die de christelijke feesten – maar dan in geseculariseerde vorm – misbruiken voor hun nationalistische agenda. Met zulke ‘vrienden’ hebben christenen geen vijanden meer nodig.

Feesten zonder franje

11 april 2016 1 reactie

Hebt u ook zo genoten van uw vrije tweede Paasdag? Het zou best eens één van de laatste geweest kunnen zijn. Tenminste, als we Roelof Bisschop, Tweede-Kamerlid van de SGP, moeten geloven. Hij suggereerde het einde van de tweede christelijke feestdagen, toen hem om een reactie werd gevraagd op het besluit van minister Plasterk de zondagswet in te trekken. Op zichzelf heeft het één niets met het ander te maken. Maar Bisschop plaatste de intrekking van de zondagswet in een breder kader. Hij ziet het als onderdeel van het streven van de inmiddels seculiere meerderheid in de politiek de samenleving te ontdoen van alles wat aan haar christelijke wortels herinnert. Daarin staat hij niet alleen zoals blijkt uit enkele interviews van Gert-Jan Segers, politiek leider van de Christenunie. Frank van den Heuvel, lid van het CDA, schreef een artikel in Trouw waarin hij stelt dat liberalen alles wat naar religie riekt, willen uitbannen. Dat ze op z’n minst een gevoelige snaar raken blijkt wel uit de nogal gepikeerde reacties van vertegenwoordigers van VVD en D66.

De vrees van Bisschop lijkt me niet erg realistisch. De meeste Nederlanders hechten zeer aan hun vrije dag op tweede Paasdag en tweede Pinksterdag. Zelfs de VVD, voor wie de economie altijd op de eerste plaats komt, heeft zich er tot nu toe niet aan gewaagd deze vrije dagen ter discussie te stellen. Dat valt ook daaruit te verklaren dat die vrije dagen bepaalde sectoren van de economie veel opleveren, niet alleen de toeristenindustrie maar ook meubelboulevards en tuincentra, om maar eens wat te noemen.

Maar als die vrije dagen zouden vervallen, zou dat nu een reden voor treurnis zijn? En zouden christenen daartegen in het geweer moeten komen? In het Nieuwe Testament kunnen we geen aanwijzingen vinden dat aan de heilsfeiten bijzondere aandacht werd besteed. Daaruit valt ook te verklaren dat Calvijn een verklaard tegenstander van een aparte viering van Kerst was. Er zijn allerlei historische en religieuze oorzaken aan te wijzen waardoor in ons land Kerst, Pasen en Pinksteren en daarnaast nog enkele dagen, zoals Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag, op de kalender van de vrije dagen terecht kwamen en dat voor de drie eerstgenoemden meer dan één dag werd gereserveerd. Tot 1773 kenden we in Nederland, net als in het protestantse deel van Duitsland, zelfs drie Kerstdagen. Uiteindelijk werd in de Zondagswet van 1815 officieel vastgelegd welke dagen als vrije dagen golden*. Als aparte feestdagen voor de heilsfeiten al niet geworteld zijn in de Schrift, dan de tweede feestdagen al helemaal niet. Er is dus geen enkele reden al te dramatisch te doen over de eventuele afschaffing van deze dagen als vrije dagen. De eerste feestdagen zijn niet in gevaar. Omdat Pasen en Pinksteren op zondag vallen, heeft het overheidsbeleid daarop geen invloed. Kerst is de uitzondering, maar dat feest heeft zo’n status dat aantasting daarvan bijna als heiligschennis zal worden gezien.

Er is wel een andere tendens voorstelbaar: dat Pasen en Pinksteren uit het publieke bewustzijn gaan verdwijnen. In de Verenigde Staten zijn verwijzingen naar Kerst al lang een flink strijdpunt. Strijdbare seculieren zijn van mening dat zulke verwijzingen – bijvoorbeeld door het plaatsen van een kerstboom op publieke plaatsen of in openbare gebouwen en vooral de benaming Christmas tree – in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat. Sommige fundamentalistische christenen betreuren het wanneer traditionele verwijzingen naar Kerst, bijvoorbeeld in de reclame, gaan verdwijnen. Dat beschouwen ze als knieval voor diegenen die alles wat naar het christelijk geloof verwijst, uit de openbare samenleving willen verbannen.

Vergelijkbare conflicten kennen we bij ons niet. Zou dat ook daarmee te maken kunnen hebben dat – zoals ook uit het recente rapport God in Nederland blijkt – christenen in Nederland een slinkende minderheid zijn? Daarmee zijn verwijzingen naar christelijke feesten onschuldig en leiden ze niet tot noemenswaardige opwinding, zelfs niet bij de meest ideologisch gedreven seculieren. Het is de vraag of dat een goed teken is.

In zekere zin maken we bij ons het omgekeerde mee. In de aanloop naar Pasen kwam de Hema met een reclamefolder die repte over ‘verstopeieren’ en ‘voorjaarsfeest’. Daaruit werd de conclusie getrokken dat de Hema niet langer naar Pasen wilde verwijzen. Dat werd direct uitgelegd als een knieval voor de islam. In de sociale media – de moderne variant van het aloude volksgericht – werd de Hema over de knie gelegd. Daarbij verdwenen – één van de kenmerken van sociale media – de nuances uit het zicht, zoals het feit dat elders in de gewraakte folder wel degelijk naar Pasen werd verwezen, door middel van de paashaas en paaseieren.

Uitgerekend Halbe Zijlstra van de VVD meende de Hema hierover te moeten kapittelen. Je zou juist van hem enig begrip mogen verwachten voor een bedrijf dat zijn reclame aanpast aan de maatschappelijke ontwikkelingen en probeert op die manier de verkoop te bevorderen en de winst te vergroten. Zijn reactie is een voorbeeld van het overspannen klimaat ten aanzien van de islam en zijn positie in de Nederlandse samenleving. Het zegt ook iets over de angst van de VVD voor de concurrentie van de PVV die zich uiteraard niet onbetuigd liet bij de openbare terechtstelling van het winkelbedrijf.

Nog verbazingwekkender is dat ze bijval kregen uit christelijke kring. Van die kant zou je iets meer nuance en een groter respect voor de feiten mogen verwachten dan van de PVV, die zich specialiseert in fact free politics. Maar het is vooral verbazingwekkend omdat men kritiek heeft op een mogelijke ontwikkeling, die men eerder zou moeten toejuichen. Want partijen als VVD en PVV geven er zelden of nooit blijk van dat ze enige interesse hebben in of waarde hechten aan de echte betekenis van de christelijke feesten. Ze beschouwen die als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Die voorzien ze van het etiket ‘joods-christelijk’, vooral in het kader van de strijd tegen de zogenaamde ‘islamisering’. De wens de christelijke feesten te handhaven is dus vooral een stok om de islamitische hond te slaan.

Al eeuwenlang maken de christelijke feestdagen deel uit van de ‘nationale kalender’. Dat was geen probleem zolang die kalender sterk door het christelijk geloof gestempeld werd. Inmiddels is de kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen goeddeels verdwenen. Dat komt ook tot uiting in de verwijzingen naar die feesten. De verwijzingen naar Pasen bestaan vooral uit paaseieren en de paashaas. En in de Kersttijd maakt steeds vaker de Kerstman zijn opwachting en wordt het geven van cadeautjes een steeds gangbaarder verschijnsel. Vanuit christelijk perspectief is dat niet iets om blij mee te zijn. De Kerstman en cadeautjes hebben niets met de geboorte van Christus te maken en de paashaas en paaseieren niets met zijn opstanding. Wanneer de Hema dit soort trivialiteiten uit haar reclameuitingen zou verbannen, zouden christenen het bedrijf daarmee moeten complimenteren. Kerstmannen, paaseieren en paashazen roepen vooral gêne op en leiden af van waar het echt over gaat.

Nu zou men kunnen beweren dat verwijzingen naar de christelijke feesten – hoe vervormd en overwoekerd door irrelevante onzin ook – een verbinding leggen tussen de christelijke minderheid en de seculiere meerderheid. Zou het feit dat Kerst en Pasen zich op allerlei manieren in de samenleving manifesteren – van een mediaspektakel als The Passion tot het kerstliedjesgekweel van draaiorgels tussen Sinterklaas en Kerst – geen aanknopingspunten kunnen bieden om ‘de wereld’ met de heilsfeiten en hun betekenis te confronteren? Het schijnt dat The Passion leidde tot een sterke toename van zoekopdrachten in Google naar het verhaal van Goede Vrijdag en Pasen. Maar wijst dat op echte belangstelling of is dat alleen maar nieuwsgierigheid naar iets dat even in het nieuws is? Te vrezen valt dat verreweg het meeste zaad in onvruchtbare aarde of op de stenen valt. De passietijd leidt ook, vooral in Nederland, tot een hausse aan uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion. Maar het is zeer twijfelachtig of dat resulteert in enig besef van de betekenis van wat daarin wordt beschreven. Een recente radiouitvoering van Bachs passie werd beloond met een ovationeel applaus. Dat wijst erop dat de luisteraars de ernst van het verhaal niet tot zich hebben laten doordringen en al helemaal niet in verband brachten met hun eigen leven. Ingetogen bijval of – beter nog – een bedremmeld zwijgen zouden meer op hun plaats geweest zijn.

Christenen hebben geen enkele reden treurzangen aan te heffen wanneer de christelijke feestdagen uit het publieke bewustzijn verdwijnen. Hoe minder reclamefolders naar Kerst en Pasen verwijzen hoe beter. Kerstmannen en paashazen onttrekken de echte betekenis van die feesten aan het zicht. Waar de franje verdwijnt kan die weer aan het licht komen.

(*) Informatie hier over vindt men in een artikel op de site van het Meertens Instituut.

Verbod zonder fundament

Op 18 april j.l. sprak de Hoge Raad uit dat de vereniging Martijn moet worden ontbonden (*). Deze vereniging draagt het standpunt uit dat sexueel contact tussen meerder- en minderjarigen moet worden gelegaliseerd. In 2012 was door de rechtbank in Assen al uitgesproken dat de vereniging ontbonden moest worden. Nadat deze in beroep was gegaan, vernietigde het gerechtshof in Leeuwarden de uitspraak. Ook tegen het oordeel van de Hoge Raad kan de vereniging in beroep gaan en wel bij het Europese Hof, maar volgens haar advocaat maakt dat geen reële kans op succes. Daarmee is dan het doek gevallen over een vereniging die veel weerstand en weerzin opriep.

De uitspraak leidde tot een discussie over de vraag of de Nederlandse samenleving met dit verbod op de goede weg is. Het komt uiterst zelden voor dat een organisatie wordt verboden. Het recht van vereniging behoort tot de fundamenten van de democratische rechtsstaat. Wanneer eenmaal een organisatie wordt verboden omdat zij opvattingen huldigt en uitdraagt die als onaanvaardbaar worden beschouwd, waar ligt dan de grens? Opent dat niet de deur naar het verbieden van organisaties wier opvattingen de – politieke of maatschappelijke – meerderheid als onaanvaardbaar aanmerkt?

Een tweede aspect dat in dit verband naar voren wordt gebracht is de vraag naar de effectiviteit van een verbod. De vereniging is ontbonden, maar welk probleem is of wordt daarmee eigenlijk opgelost? Het is tegenwoordig echt niet noodzakelijk een vereniging op te richten en die te laten registreren om als gelijkgezinden contact te onderhouden en meningen en adviezen uit te wisselen. Het ligt voor de hand dat opvattingen die tot voor kort via de website van de vereniging werden uitgedragen, nu langs andere kanalen worden verspreid. De vraag kan gesteld worden of dat een vooruitgang is.

Er is nog een derde punt: een onderdeel van de motivatie voor de uitspraak van de Hoge Raad is dat “de vereniging de gevaren van seksueel contact met jonge kinderen bagatelliseert en dergelijke contacten verheerlijkt en propageert”. Hij is van mening “dat deze werkzaamheid een daadwerkelijke en ernstige aantasting is van het wezenlijke beginsel dat de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind dient te worden beschermd.” Daartegen kan worden aangevoerd dat sexueel misbruik van kinderen voor een veel groter deel plaatsvindt in de vertrouwde omgeving van gezin, familie en vriendenkring en in sociale verbanden als verenigingen dan door mensen die zich als pedosexueel manifesteren. Een verbod van een vereniging als Martijn brengt daar geen verandering in.

In de politiek waren het vooral ChristenUnie en CDA die pleitten voor een verbod van de vereniging. Daartoe bereidden ze een initiatiefwetsvoorstel voor, dat nu uiteraard overbodig geworden is. Dat is in zoverre jammer dat nu niet duidelijk is hoe de initiatiefnemers een wettelijk verbod zouden hebben willen beargumenteren. Want dat lijkt me het kernpunt in de discussie over de vraag of de vereniging al dan niet terecht is ontbonden.

Over de juridische argumenten voor en tegen zal ik me hier niet uitlaten. Ik ben geen jurist en bovendien valt dit aspect buiten de kaders van dit weblog. Mij interesseert vooral de argumentatie die de Hoge Raad hanteert. Mijn aandacht blijft haken bij deze zinsnede: “Seksueel contact van volwassenen met jonge kinderen is naar de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen een daadwerkelijke en ernstige aantasting van de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind, waardoor het kind grote en blijvende psychische schade kan oplopen. (…) Deze maatschappelijke opvattingen worden ook buiten Nederland breed gedragen, en Nederland heeft zich internationaal verplicht in dat verband maatregelen te nemen.”

Dat laatste is een juridisch argument en zou wellicht van doorslaggevend belang kunnen zijn. Een land gaat door zijn handtekening onder internationale verdragen verplichtingen aan die hij niet zomaar naast zich neer kan leggen, wanneer die hem een keer niet goed uitkomen. Dat geldt voor de behandeling van asielzoekers en illegalen evenzeer als voor de bescherming van minderjarigen. Maar het is wel wat mager als dat de enige motivatie is. Een uitspraak die uitsluitend gebaseerd is op juridische verplichtingen zal in het maatschappelijk debat geen groot gewicht hebben. Bij diegenen die sceptisch of zelfs afwijzend staan tegenover internationale verplichtende afspraken zal zo’n motivatie in onvruchtbare aarde vallen. Maar daarnaast ontaardt een discussie over de desbetreffende uitspraak tot een debat tussen doven wanneer tegenover ethische argumenten niet meer dan juridische worden geplaatst.

Nu zou men kunnen beweren dat juridische uitspraken van een principieel andere orde zijn dan ethische. Kan een rechter een moreel oordeel vellen dat verder gaat dan of niet strikt gebaseerd is op juridische documenten, zoals wetten, verdragen en eerdere rechterlijke uitspraken? Dat kan niet alleen, het is zelfs onvermijdelijk. Het gebeurt dus ook regelmatig. Juridische documenten zoals hierboven bedoeld dekken nooit de hele werkelijkheid. Wetten moeten worden toegepast. Dat gebeurt door de rechter, maar die heeft de nodige ruimte om allerlei aspecten te laten meewegen. Die zijn lang niet altijd van juridische aard. Een rechter kan besluiten iemand die de wet heeft overtreden, te ontslaan van rechtsvervolging omdat hij, bijvoorbeeld, door het openbaar maken van documenten ernstige misstanden aan het licht heeft gebracht. Hij kan ook een extra zware straf opleggen vanwege de maatschappelijke implicaties van een bepaalde wetsovertreding. In het proces dat uiteindelijk resulteert in een uitspraak spelen ook de ethische opvattingen van de rechter een rol. Bovendien zijn uiteindelijk alle wetten het uitvloeisel van bepaalde ethische opvattingen, ook al worden die niet altijd expliciet gemaakt.

Maar juist wanneer een rechter besluit een uitzondering te maken op wat als één van de pijlers van de democratische rechtsorde geldt, zou een helder ethisch oordeel van groot gewicht kunnen zijn. Daarmee zou de maatschappelijke discussie die daarvan ongetwijfeld – en terecht – het gevolg is, aan diepgang winnen. Juist een zaak als de onderhavige zou geen speelbal van het populisme moeten zijn.

Helaas lijkt de motivatie van de Hoge Raad daaraan juist voeding te geven. Hij beroept zich immers op “de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen”. Dat roept al direct de vraag op hoe men tot die vaststelling komt. Heeft een rechter het recht vast te stellen wat de maatschappelijke opvattingen – bedoeld is: die van de (overgrote) meerderheid – zijn? En hoe komt hij tot die vaststelling? Is die op een betrouwbare manier te meten? Gaat de rechter daarvoor wellicht bij Maurice de Hond te rade?

Maar het meest problematisch is dat het oordeel daarmee wordt gebaseerd op drijfzand. Want de maatschappelijk opvattingen ten aanzien van de onderhavige zaak kunnen ook weer veranderen. Dat blijkt al daaruit dat “de in Nederland levende maatschappelijke opvattingen” met betrekking tot dit onderwerp er zo’n veertig jaar geleden heel anders uitzagen. Daarmee wordt het oordeel over de door de vereniging Martijn uitgedragen opvattingen afhankelijk gemaakt van de waan van de dag. Het oordeel van de Hoge Raad mist een vast fundament.

Juist daarom is dit een niet onbedenkelijke uitspraak. Want als het verbod van een organisatie afhankelijk wordt van de – naar hun aard wispelturige – maatschappelijke opvattingen, is er geen enkele garantie dat een vergelijkbaar verbod niet andere organisaties zou kunnen treffen. Waarom zou men de SGP niet verbieden, gezien haar opvattingen ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij? Moet men islamitische organisaties en christelijke kerken niet verbieden, gezien hun opvattingen over – bijvoorbeeld – homosexualiteit? Zulke overwegingen zouden ChristenUnie en CDA wel in hun overwegingen hebben mogen betrekken, toen ze besloten een initiatiefwetsvoorstel te gaan formuleren. Wellicht hebben ze deze aspecten wel overwogen, maar kennelijk hebben die hen niet op andere gedachten gebracht.

Enige inconsequentie is vooral de ChristenUnie in dezen niet te ontzeggen. Want wanneer een vereniging als Martijn zou moeten worden ontbonden vanwege de bedreiging van het welzijn van kinderen, waarom stelt ze dan niet ook voor organisaties die een liberale abortuspraktijk propageren, te ontbinden? Uiteindelijk zijn ongeboren kinderen nog kwetsbaarder dan de kinderen waarop Martijn zijn belangstelling richt.

Er zijn in Nederland en in de internationale samenleving tal van organisaties die opvattingen propageren die als schadelijk voor (groepen van) mensen en als weerzinwekkend kunnen en moeten worden aangemerkt. Het is begrijpelijk dat wordt aangedrongen op het verbieden van zulke organisaties. Er zijn echter goede redenen daaraan geen gevolg te geven. We kennen die praktijk vooral uit Duitsland: neonazistische partijen en organisaties zijn daar verboden, wat gezien de geschiedenis begrijpelijk is. De effectiviteit van zo’n verbod is twijfelachtig: de aantrekkingskracht van het daarbij behorende gedachtengoed is daardoor niet verminderd.

Het belangrijkste bezwaar is echter van principiële aard. Wanneer een maatschappij haar morele kompas kwijt is mist elk verbod per definitie zijn fundament. En dan wordt één van de wezenlijke bestanddelen van de rechtsstaat een speelbal van het gesundes Volksempfinden. Dat is een weinig aantrekkelijk perspectief.

(*) De tekst van de uitspraak is hier te vinden.

Een roomse oplossing

Kleine politieke partijen mogen zich niet vaak in een grote belangstelling van de media verheugen, zeker partijen met een religieus karakter niet. Dat kan veranderen wanneer ze ineens een sleutelrol in de politiek gaan spelen, zoals de ChristenUnie jaren geleden en de SGP in het meer recente verleden. Die laatste heeft ook nog om een andere reden de aandacht van de media: de opvattingen van de SGP over de rol van de vrouw in de politiek en vooral de praktische consequenties die ze daaraan altijd heeft verbonden, zijn de representanten van het emancipatiestreven een doorn in het oog. De gevolgen zijn bekend: om een eventueel verbod van de partij te voorkomen, heeft het hoofdbestuur besloten vrouwen niet langer het passief kiesrecht te ontzeggen. Dat betekent dat vrouwen zich in principe mogen aanmelden voor een plaats op de kandidatenlijsten van de SGP.

In de praktijk zijn de gevolgen te verwaarlozen. De grondbeginselen van de partij, waartoe behoort dat de vrouw het regeerambt niet toekomt, veranderen immers niet. Dat betekent dat een vrouwelijke kandidaat moet verdedigen dat de vrouw geen regeerambt mag bekleden. Aangezien de SGP van mening is dat een volksvertegenwoordiger een regeerambt bekleedt, maakt dat haar positie in feite onmogelijk. Bovendien zijn het nog altijd de partijleden die beslissen wie op de kandidatenlijsten komen. Wanneer ze ervoor kiezen alleen mannen te kandideren is dat hun goed recht. Ze hebben geen verantwoordingsplicht.

Niets aan de hand dus, zou je zeggen. Toch wringt er iets. “Een typisch roomse oplossing”, las ik op de website van een krant. Ook binnen de SGP krijgt het hoofdbestuur niet alle handen op elkaar voor deze constructie. Vooral op de rechterflank van de partij wordt stevige kritiek niet geschuwd. Een scribent is van mening dat de SGP er beter aan zou doen vast te houden aan de tot nu toe gevolgde gedragslijn en de consequenties dan maar te accepteren. Hij trekt een vergelijking met de drie vrienden van Daniël, die – op straffe van verbranding in de vuuroven – weigerden te knielen voor het beeld dat de Babylonische koning Nebukadnessar had laten oprichten. Een andere scribent vindt die vergelijking misplaatst: SGP’ers die weigeren hun houding ten aanzien van de rol van de vrouw in de politiek aan te passen, worden niet met de vuuroven bedreigd. Van geloofsvervolging is in Nederland nog altijd geen sprake.

De gekozen vergelijking is inderdaad overdreven en de desbetreffende schrijver zou er wellicht beter aan hebben gedaan een ander voorbeeld te kiezen. Nu leidt het ongelukkig gekozen voorbeeld af van waar het in feite om gaat. De vraag is of de SGP er goed aan heeft gedaan zich te corformeren aan wat de overheid van haar verlangt. SGP-voorman Van der Staaij probeerde daar een mooie en principiële lading aan te geven. De SGP is een gezagsgetrouwe partij en wil “als beginselpartij” wel handelen binnen de grenzen van onze Nederlandse rechtsorde. “Dat is ook een principiële keus. Wij zijn geen oproerkraaiers.” (Nederlands Dagblad, 14.1.13).

Hoe het ook verpakt wordt, het valt niet te ontkennen dat de SGP zwicht onder seculiere druk. Van der Staaij mag zich erover beklagen dat die externe druk de zuiverheid van de discussie vertroebelt en het interne beraad bemoeilijkt, effectief blijkt die wel te zijn. En de vraag moet gesteld worden of daarmee niet de weg is gebaand voor het opvoeren van de druk op allerlei christelijke organisaties om die aspecten van hun identiteit en beleid, die bij seculier Nederland op weerstand stuiten, bij het grofvuil te zetten.

De SGP’ers die roepen dat er wel belangrijkere zaken zijn om zich druk over te maken dan over het passieve vrouwenkiesrecht, hebben wellicht gelijk, maar zijn ook wat naïef. Want voor veel SGP’ers is dit nu juist een wezenlijk onderdeel van de identiteit van de partij. Zij verdedigen de traditionele opvatting betreffende de rol van de vrouw in de politiek met principiële argumenten en tot niet zo lang geleden deed de SGP als partij dat ook. Er waren altijd al tegengestelde of in elk geval meer genuanceerde geluiden, maar die bleven in de marge. De ‘traditionalisten’ in de SGP hebben betere papieren dan de ‘nieuwlichters’.

De SGP heeft de situatie waarin ze zich nu bevindt, geheel aan zichzelf te wijten. We zien hier het resultaat van getreuzel en aarzelingen en vooral van het streven de kool en de geit te sparen. Binnen een organisatie en dus ook een politieke partij kan men best over bepaalde zaken van mening verschillen, zonder dat daar direct bloed uit vloeit. Maar wanneer het gaat over een zaak die in elk geval voor een deel van die organisatie een sterk principieel karakter draagt, kan men er niet omheen een keuze te maken. De door de SGP gekozen constructie is in feite de voortzetting van de oude lijn in een nieuwe verpakking. Wat de SGP nu doet is wat men in het Engels “window-dressing” noemt. De etalage ziet er anders uit, maar het aanbod in de winkel is als vanouds. De vraag is of dit op de lange termijn zal werken.

Wat hier gebeurt zou wel eens de voorbode kunnen zijn van wat christelijk Nederland te wachten staat. De druk zich aan te passen aan seculiere ‘normen’ zal groeien, daar is niet veel fantasie voor nodig. Het ligt voor de hand zich af te vragen waar de grens ligt. Welke aanpassingen kunnen christelijke organisaties zich veroorloven zonder hun identiteit fundamenteel aan te tasten? Wanneer is de tijd gekomen dat men “nee” moet zeggen en de eventuele consequenties moet accepteren?

Ik denk dat we de spade wat dieper in de grond moet steken. Het gaat maar niet om de vraag hoeveel vrijheden christenen en christelijke organisaties nog hebben. De discussie moet – in elk geval vooralsnog – zeker niet gaan over de vraag of christelijke organisaties wellicht een beroep kunnen doen op een uitzonderingsclausule. Het moet er niet om gaan getolereerd te worden – tegen heug en meug – maar als volwaardige leden van de samenleving geaccepteerd te worden.

Nodig is vooral een principiële discussie over de reikwijdte van wetgeving en daarmee de pretenties van de overheid. Dat heeft alles te maken met de idee van de maakbaarheid van de samenleving. Die wordt traditioneel geassocieerd met ‘links’, maar vindt ook ‘rechts’ weerklank. ‘Links’ wil vooral christenen in het gareel dwingen, ‘rechts’ richt zijn pijlen op moslims. Het komt uiteindelijk op hetzelfde neer: het vastleggen van de ‘heersende’ moraal en die via wetgeving afdwingen van burgers en hun organisaties. Dat leidt in feite tot een monocultuur. Dat ideaal wordt vaak geassocieerd met de PVV, maar ook andere partijen zijn daar gevoelig voor, zoals D66 en GroenLinks met hun intolerantie ten aanzien van christenen.

Zo gezien zouden de critici van het ‘vrouwenbesluit’ van de SGP wel eens meer het gelijk aan hun kant kunnen hebben dan menigeen lief is. De vergelijking met de drie vrienden van Daniël mag overdreven zijn, zij kunnen wel als voorbeelden dienen. Soms is er geen andere mogelijkheid dan “nee” te zeggen, wat de consequenties ook mogen zijn. Met “roomse oplossingen” komen we er dan niet meer.

Verworvenheden op de schop

In christelijke kringen – en vooral in het ‘reformatorische’ deel daarvan – zijn de alarmbellen over de plannen van het kabinet van VVD en PvdA gaan rinkelen. De vrees voor een ‘paarse’ politieke agenda, die met name door de SGP werd uitgesproken en nog niet zo lang geleden werd gehanteerd als argument om steun te verlenen aan een coalitie die ook door de PVV werd gesteund, lijkt bewaarheid te worden. Als het gaat zoals het kabinet wil, zal voor bijzondere ambtenaren van de burgerlijke stand, die geen huwelijken tussen mensen van gelijk geslacht willen sluiten, binnenkort geen ruimte meer zijn. Er zijn serieuze plannen om het verbod op godslastering te schrappen. Een aantal kleine omroepen zonder leden, waaronder ook enkele die het christelijke volksdeel bedienen, dreigen te verdwijnen, wanneer de overheid de financiering daarvan stopzet, zoals staatssecretaris Dekker aankondigde. Het onderwijs blijft niet buiten schot: donkere wolken pakken zich samen boven christelijke scholen en ouders die hun kinderen naar zulke scholen willen sturen.

In reformatorische kring – zeg maar de achterban van het Reformatorisch Dagblad – komen allerlei activiteiten van de grond, door middel waarvan men zich tegen deze dreigende aantasting van christelijke verworvenheden wil wapenen. Zoals Bart Jan Spruyt in zijn column in het Nederlands Dagblad van 9 november 2012 opmerkte lijkt de verontrusting in die kringen groter dan die in de achterban van laatstgenoemde krant. Van vergelijkbare activiteiten in die kringen is niets vernomen. Wel heeft Jan Westert, voorzitter van de gereformeerde scholenkoepel LVGS, een stuk geschreven voor de aangesloten scholen waarmee hij het gesprek over de identiteit op gang wil brengen. Weliswaar staat dit niet direct in relatie met de politieke ontwikkelingen op onderwijsgebied, maar het heeft er zijdelings wel mee te maken. Op de inhoud ga ik hier nu verder niet in; ik kom daarop wellicht op een later moment terug.

Christenen staan voor de vraag hoe ze op de plannen die gesmeed worden, moeten reageren. Het is waar, het zijn slechts plannen; het kabinet heeft geen meerderheid in de Eerste Kamer en dus staat nog bepaald niet vast dat ze ook allemaal uitgevoerd zullen worden. Voor paniekreacties is daarom geen reden. Anderzijds, we moeten ons wel realiseren dat veel van de voorgestelde maatregelen op brede steun kunnen rekenen. Ook oppositiepartijen zullen daaraan hun stem geven. Sterker nog, vooral D66 en GroenLinks zullen blij zijn dat er nu eindelijk vrij baan is voor maatregelen, die de laatste decennia door de sleutelposities van het CDA en de laatste vijf jaar ook ChristenUnie en SGP werden tegengehouden. De SGP realiseert zich dat de welwillendheid van de VVD tijdens de laatste fase van het kabinet-Rutte I slechts gebaseerd was op strategische overwegingen. Ze hoeft er niet op te rekenen dat de liberalen enkele plannen zullen torpederen om de SGP te danken voor bewezen diensten.

Ook al is de realisering van de plannen nog allerminst zeker en zal er zeker enige tijd overheen gaan voordat ze eventueel worden doorgevoerd, het kan geen kwaad zich al te gaan bezinnen op de manier waarop daarmee moet worden omgegaan. Dan is het allereerst van belang hier enige nuchterheid te betrachten. Wie sommige reacties beluistert, zou bijna de indruk kunnen krijgen dat een tijd van discriminatie of zelfs verdrukking nadert. Dat is rijkelijk overdreven. Het is goed ons te realiseren dat christenen en christelijke organisaties in Nederland al meer dan honderd jaar voorrechten genieten waarvan christenen in andere landen alleen maar kunnen dromen. Christelijk onderwijs – van basisschool tot hoger onderwijs – en dan ook nog eens door de overheid bekostigd, in hoeveel landen vind je dat? Wanneer christenen in andere landen zouden horen dat de overheid ook nog eens geld op tafel legt om ouders in de gelegenheid te stellen hun kinderen vele kilometers van huis het gewenste onderwijs te laten volgen, zouden ze hun ogen uitwrijven. Christelijke omroepen, uitzendingen van kerkdiensten van bijbelgetrouwe snit, christelijke kranten en tijdschriften – het zijn allemaal dingen die in veel landen helemaal niet vanzelfsprekend zijn. En dat zijn echt niet allemaal landen die door een andere godsdienst, zoals de islam, gedomineerd worden. Het zijn ook lang niet allemaal landen die geen of slechts een gebrekkige democratie kennen.

Dat betekent dat christenen zorgvuldig te werk moeten gaan wanneer ze zich verzetten tegen aantasting van hun verworvenheden. Ze moeten onderscheid maken tussen wat echt fundamenteel is en wat niet. Een groeiend aantal gemeenten wil niet langer de reiskosten vergoeden voor kinderen die soms ver weg het onderwijs van hun richting volgen. Dat is voor de desbetreffende ouders natuurlijk erg vervelend. In zulke situaties komt het er dan op aan dat een gemeenschap om hen heen staat. Onderwijs dat aansluit bij de christelijke opvoeding is tenslotte niet maar een zaak van de ouders alleen – dat raakt de hele kerkelijke of geloofsgemeenschap. Op die gemeenschap mogen ouders dan ook vrijmoedig een beroep doen, wanneer ze de kosten zelf niet kunnen opbrengen. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs is een ander verhaal. Natuurlijk, er is een tijd geweest dat daarvan geen sprake was. Christenen hebben geofferd voor hun eigen onderwijs, wat een bewijs was van hun sterke motivatie. Het is maar helemaal de vraag of christenen van nu die motivatie nog kunnen opbrengen. In zijn al genoemde column schrijft Bart Jan Spruyt: “Het gaat erom of bevindelijk-gereformeerden vanuit een innerlijk geloof weer resistent worden in een wereld waarin steeds meer oude ‘voorrechten’ wegvallen.” Dat geldt voor alle christenen die hechten aan christelijk onderwijs en christelijke organisaties. Dat zal vooral de vraag zijn wanneer de financiële gelijkstelling afhankelijk zou worden van een bepaalde vormgeving van het onderwijs. Niettemin, ook wanneer er een sterke motivatie bestaat desnoods met eigen middelen het christelijk onderwijs in stand te houden, de kosten daarvan zijn vrijwel niet uit particuliere middelen op te brengen.

De plannen met betrekking tot de omroep worden door zendgemachtigden als IKON, RKK en ZvK niet met gejuich ontvangen. Gesuggereerd wordt dat het kabinet ernaar zou streven uitingen van religie uit het openbare leven te verbannen. ‘Religie hoort achter de voordeur’, zou de motivatie zijn. Dat wordt door de staatssecretaris ontkend. Het is noodzakelijk hierover de discussie aan te gaan, maar daarbij moeten dan wel onbewezen motieven buiten spel worden gehouden; alleen dan is een zinvolle gedachtenwisseling mogelijk. Ook ten aanzien van deze zaak geldt dat hier sprake is van verworvenheden die in veel andere landen niet bestaan. Bovendien zijn er alternatieve methoden om de achterban te bereiken.

In deze kwesties – en er zijn er nog meer te noemen – moet de indruk vermeden worden dat christenen vooral hun eigen belang verdedigen. Het is de taak van met name christelijke politici de desbetreffende kwesties in een breder verband te plaatsen. Niet alleen christenen zitten in de hoek waar de slagen vallen, maar ook moslims, joden, hindoes en aanhangers van andere godsdiensten, in het geval van de omroep zelfs ook humanisten. Dat laatste is vooral interessant voor de opstelling van partijen die daarmee nauw verbonden zijn, zoals D66.

In het geding is in feite de vraag hoe pluriform de Nederlandse samenleving nog mag zijn. Dat is uiteindelijk van groter belang voor de toekomstige rol van christenen in de maatschapij dan de vraag of er nog kerkdiensten op het publieke net mogen worden uitgezonden en of christenen hun kinderen nog naar een christelijke school ver van huis kunnen sturen. Christenen moeten zich niet blindstaren op verworvenheden maar vooral de strijd aanbinden tegen de neiging de cultuur gelijk te schakelen. Er zijn christenen die zich aangetrokken voelen – of voelden – tot de PVV vanwege haar strijd tegen de islam. Maar die partij staat voor een monocultuur die niet alleen de positie van moslims bedreigt, maar ook die van joden en christenen. Hoewel andere partijen zich tegen de PVV afzetten, staan ze op dit punt niet zo ver van haar af. Dat een Tweede-Kamerlid van D66 ervoor pleit dat de overheid intolerant is voor intolerante burgers (ND, 9.11.12) is veelzeggend. Uiteraard is het seculier Nederland dat bepaalt wie tolerant en wie intolerant is. De monocultuur van de 21e eeuw zal een seculiere zijn, waarin voor afwijkende opvattingen op ethisch vlak – in de breedste zin van het woord – geen ruimte is.

Dat christelijke verworvenheden op de schop gaan is betreurenswaardig. Veel ernstiger is het wanneer de geestelijke en culturele pluriformiteit van samenleving op de schop gaat. Dan moeten echt alle alarmbellen gaan rinkelen.

Christelijke politiek in seculier jasje

Nu de stofwolken van de verkiezingscampagne zijn opgetrokken wordt het tijd het slagveld in ogenschouw te nemen. Welke uitkomst de waarnemers en de deelnemers ook hadden verwacht, niet wat uiteindelijk uit de stembus rolde. De verkiezingsuitslag heeft veel stof tot schrijven gegeven en verschillende kranten schuwden vèrgaande conclusies niet. Dit is niet de plaats hierop verder in te gaan. De geïnteresseerde lezers verwijs ik naar mijn politieke weblog Dingen van de Dag. Ik wil hier vooral de blik richten op de verkiezingsuitslag vanuit christelijk perspectief.

Het CDA verloor opnieuw flink. Dat was te verwachten; zelfs de kopstukken van de partij hielden er van tevoren al rekening mee. Ook al kan het CDA niet als ‘christelijke’ partij worden beschouwd – ze afficheert zichzelf ook nadrukkelijk niet als zodanig – wordt dit terecht als een bewijs van de onverminderde teloorgang van de christelijke politiek in Nederland beschouwd. Daar staat dan tegenover dat de SGP een zetel winst boekte en de ChristenUnie haar zeteltal wist te behouden. Daar had ze overigens wel reststemmen voor nodig; die waren het resultaat van de lijstverbinding met de SGP, waarover sommige (voormalige) ChristenUnie-stemmers hun gal spuwden. Volgens opiniepeiler Maurice de Hond had de uitslag er anders uitgezien, wanneer niet zoveel kiezers ‘strategisch’ hadden gestemd. De ChristenUnie zou dan een zetel hebben gewonnen. Daarmee was ze dan terug geweest waar ze voor de vorige verkiezingen was.

Er is bij deze verkiezingen strategisch gestemd op een schaal die zelden eerder is vertoond. Velen waren er zo op gebrand dat de VVD dan wel de PvdA de grootste zou worden en dus zou kunnen bepalen hoe bij de kabinetsformatie de hazen lopen dat ze niet hun eerste keuze aankruisten, maar de partij die ze de leiding bij de formatie wilden geven. Het resultaat van al hun strategische overwegingen is uiteindelijk dat ze mogelijk beide partijen in de regering krijgen. Uit de peiling van Maurice de Hond mag worden afgeleid dat ook christelijke kiezers strategisch hebben gestemd. Kennelijk zagen ze er geen probleem in hun stem aan een seculiere partij te geven. Dat kan nauwelijks verwondering wekken, gezien het feit dat er zelfs christenen op de kandidatenlijsten van seculiere partijen stonden. Op 23 augustus publiceerde het Nederlands Dagblad een artikel waarin drie van hen aan het woord komen. Of eigenlijk zijn het er maar twee: Linda Voortman (D66) is weliswaar van rooms-katholieken huize en draagt haar religieuze opvoeding nog steeds met zich mee, zoals ze het zelf zegt, maar is niet “praktiserend gelovig” meer.

Jacques Monasch (PvdA) verwijst naar de bekende tekst van de profeet Micha om zijn politieke inspiratie te verwoorden. De bijbel is voor hem een belangrijke drijfveer, maar hij heeft nooit overwogen zich bij een christelijke partij aan te sluiten. “Ik heb bewust gekozen voor een partij waarin allerlei overtuigingen, dus ook van niet-christenen welkom zijn. Tegelijk moest er wel ruimte zijn om aan het christelijk geloof je drijfveer te ontlenen.”
Tjitske Siderius, gereformeerd vrijgemaakt, stond op de kandidatenlijst voor de SP. “De SP staat voor gelijkwaardigheid, solidariteit, menselijke waardigheid en naar je naaste omzien. Dat zijn waarden die ook in de Bijbel centraal staan. Voor mij is het belangrijk dat je niet alleen christen bént, maar ook daarnaar handelt. Juist de SP besteedt veel aandacht aan armoedebestrijding, zorg voor gehandicapten en goed onderwijs. Dat praktische kom ik in mijn partij veel meer tegen dan in partijen als CDA en ChristenUnie.”

Het feit dat kandidaten van seculiere partijen lid zijn van een kerk is op zichzelf niets nieuws. De politiek leider van de VVD, Mark Rutte, is ook lid van een kerk en liet niet na daarop te wijzen toen hij eerder dit jaar de jongeren van de SGP met een bezoek vereerde. Maar dat staat helemaal los van zijn politieke werk. Na de Tweede Wereldoorlog werden pogingen ondernomen christenen los te weken uit christelijke partijen en hen ertoe te bewegen zich bij de Partij van de Arbeid aan te sluiten. Men sprak hierbij van doorbraak. Dit streven ging nota bene van christenen uit, die waren beïnvloed door de Zwitserse theoloog Karl Barth, die principieel bezwaar had tegen christelijke politiek. Deze doorbraaksocialisten wilden overigens wel vanuit hun christelijke overtuiging binnen de sociaal-democratie actief zijn.

In de huidige discussies over christelijke politiek speelt Barth geen rol meer, althans niet expliciet. Monasch en Siderius sluiten zich in zoverre bij de doorbraaksocialisten aan dat zij zich door hun geloof laten inspireren in hun politieke werk. Siderius brengt dat tot uitdrukking door te zeggen dat ze een “christelijke SP’er” is en geen “socialistisch christen”.
In hun verantwoording van hun beslissing zich bij de PvdA respectievelijk de SP aan te sluiten, wijzen zowel Monasch als Siderius op elementen in het verkiezingsprogramma die zij belangrijk vinden. Bij beiden speelt naastenliefde een belangrijke rol, dat praktisch wordt vertaald in bijvoorbeeld aandacht voor armoedebestrijding en zorg voor gehandicapten. Het probleem is uiteraard dat deze partijen ook standpunten hebben waarvan je mag aannemen dat christenen er moeite mee hebben. Beiden erkennen dat die er zijn. Maar ze onderstrepen dat binnen hun partijen ruimte bestaat er op bepaalde punten anders over te denken.

De vraag is hoever die vrijheid gaat. Misschien is er wel vrijheid er anders over te denken en wellicht wordt er in de fractievergaderingen ook serieus naar hun opvattingen geluisterd. Maar hebben ze ook de vrijheid er in het openbaar anders over te spreken? Of wordt dat niet op prijs gesteld, omdat daarmee de eenheid van de partij wordt doorbroken? En hebben ze ook de vrijheid eventueel tegen de partijlijn te stemmen? Het is veelzeggend dat Monasch uiteindelijk, ondanks zijn twijfel, voor het verbod op ritueel slachten heeft gestemd. Even veelzeggend is hoe Siderius reageert op de vraag naar de opvattingen van de SP over het bijzonder onderwijs. Daartoe behoort dat de partij vindt dat een christelijke school iedereen als leerling moet accepteren, ook kinderen van niet-christelijke ouders. Ze erkent dat dit een “lastige discussie” is. Maar in plaats van daartegen in het geweer te komen, geeft ze in feite halverwege toe wanneer ze opmerkt dat het goed is dat kinderen al op basisschoolleeftijd met andere godsdiensten in aanraking komen. Wie zich van dit onderwerp op zo’n oppervlakkige manier afmaakt, heeft de discussie in de partij op voorhand al verloren.

Eén van de oorzaken van de politieke instabiliteit is dat de kiezers niet meer ‘merkentrouw’ zijn. Steeds minder mensen stemmen op grond van een samenhangende levens- of wereldbeschouwing. Het gevolg is dat de politiek uiteenvalt in losse issues, tussen welke men geen verband ziet. Dat lijkt ook in christelijke kring het geval te zijn. Willem Ouweneel schreef in het Nederlands Dagblad van 31 augustus een artikel waarin hij betoogt dat christenen niet seculier kunnen stemmen. Hij erkent veel van gereformeerden geleerd te hebben: zij beklemtoonden dat “Gods Woord gezag heeft over alle levensterreinen”. Hij zegt in feite na wat de gereformeerden decennia geleden graag zeiden: het leven is één. Dat sluit een concentratie op één beleidsterrein, met verwaarlozing van andere, uit. Christenen die zich door een seculiere partij laten kandideren of op zo’n partij stemmen doen in feite niets anders dan winkelen in de bijbel. Ze halen eruit wat zij belangrijk vinden en laten liggen wat hun niet uitkomt.

Dat is een verschijnsel dat bij deze tijd hoort. Volgens opiniepeilingen zou de ChristenUnie veel meer stemmen kunnen trekken wanneer ze haar standpunten over zaken als abortus, euthanasie en homohuwelijk zou aanpassen. Veel niet-christenen – en christenen die op deze punten ‘liberalere’ opvattingen hebben – vinden in haar programma veel dat hun aanspreekt. Ze haken af bij wat als ‘typisch christelijk’ geldt. Daaruit blijkt dat ze de motivatie van de ChristenUnie niet begrijpen. Ze prijzen de partij vanwege haar standpunten op sociaal-economisch gebied of ten aanzien van het milieu en de ontwikkelingssamenwerking. Ze hebben geen oog voor de oorsprong van die standpunten. Als de ChristenUnie zich ten aanzien van de zorg voor het milieu en voor de armsten in de wereld beroept op de Schrift, dan kan ze diezelfde Schrift moeilijk dichtlaten wanneer het om de zorg voor het ongeboren of naar het einde neigende leven gaat. Wanneer de Schrift doorslaggevend is in het spreken over het recht van de armen moet ze dat ook zijn wanneer het over de definitie van het huwelijk gaat. Het omgekeerde geldt uiteraard ook: wie het ongeboren leven verdedigt met een beroep op de Schrift zal ook de zorg voor de armen hoog op de agenda zetten, want de Schrift is daarover bepaald niet onduidelijk.

Wie met de Schrift selectief omgaat en daaruit alleen dat selecteert wat hem van pas komt, capituleert voor de seculiere ideologie dat de mens de maat van alle dingen is. En juist daar ligt het fundamentele verschil tussen seculiere en christelijke politiek. Het christelijk geloof zal altijd veel weerstand oproepen, omdat de Schrift een ongemakkelijk en weerbarstig boek is en een boodschap bevat die de mens tegen de haren instrijkt. Geen wonder dat ook een echt christelijke partij, bij alle waardering, altijd veel weerstand zal oproepen.

Dat geldt ook voor elke christenpoliticus. Wanneer hij op alle terreinen van het leven de Schrift het laatste woord wil geven, wordt het lastig te functioneren in een partij waarin het christelijk geloof hooguit één van de vele inspiratiebronnen is. Het seculiere jasje past een christen niet.

De waarschuwing van Sanherib

7 augustus 2012 3 reacties

De burgeroorlog in Syrië duurt nu al maanden voort en vooralsnog lijkt er geen oplossing in zicht. Het zou overdreven zijn te beweren dat dit conflict de gemoederen in Nederland hevig bezighoudt. De Nederlandse publieke opinie is nogal in zichzelf gekeerd geworden en de wereld buiten de eigen grenzen lijkt alleen binnen de horizon te komen wanneer die de eigen portemonnee raakt. Er is nog wel een andere reden voor die terughoudendheid. Mensen kiezen graag partij en dat valt hier niet mee. Wat zich precies binnen de Syrische grenzen afspeelt is nogal moeilijk te doorgronden en, zoals de geschiedenis leert, bij een gewapend conflict is de waarheid het eerste slachtoffer.

Dat in Syrië gruweldaden worden gepleegd staat vast. Maar wie precies verantwoordelijk is voor wat, dat is veel lastiger vast te stellen. Dat hier geen sprake is van wit tegenover zwart is wel duidelijk. In Nederland wordt het conflict, wanneer er al over wordt gediscussieerd, vooral gehanteerd als een factor in de binnenlandse politieke strijd. Degenen die ten strijde trekken tegen wat zij de ‘islamisering’ van het Westen noemen, zijn geneigd wandaden zoveel mogelijk op het conto van de oppositie te schrijven, die ze in het kamp van de radicale islam plaatsen. Daarmee wekken ze in elk geval de suggestie de kant van Assad te kiezen.

Voorzover ik kan vaststellen neigen de meeste christelijke media ertoe voorzichtig positie te kiezen tegen Assad. Daarmee kiezen ze niet per definitie positie voor de oppositie. Dat heeft niet alleen te maken met het optreden van de oppositionele strijdgroepen, maar ook met de opstelling van de christenen in Syrië. Die genoten relatief veel vrijheden onder Assad en zij vrezen dat ze in de hoek zitten waar straks de slagen vallen, wanneer Assad het veld zou moeten ruimen. Daarom zijn ze geneigd hem te blijven steunen.

De steun voor iemand die zich zo duidelijk misdraagt en zich schuldig maakt aan misdaden tegen de menselijkheid is moeilijk te vatten. Gedurende de 20e eeuw hebben de westerse grote mogendheden zich van tijd tot tijd verbonden met weinig frisse regimes om de dreiging van andere grote mogendheden het hoofd te bieden. Zonder de alliantie met de Sovjetunie van Josef Stalin hadden de Verenigde Staten en Groot-Brittannië het Derde Rijk niet op de knieën gekregen. In de tijd van de Koude Oorlog moest men het kleinere kwaad door de vingers zien om het grotere kwaad te kunnen beteugelen. Soms sneden ze zich daarbij in de vingers. Maar dat is een risico dat zich niet altijd laat vermijden. Een politiek van schone handen maakt de wereld meestal niet veiliger.

Maar kunnen burgers van een land die houding – de vijand van mijn vijand is mijn vriend – zomaar overnemen? Het is gemakkelijk vanuit de luie stoel in het veilige Nederland de staf te breken over de opstelling van christenen in Syrië. Je zult maar christen zijn in het door conflicten verscheurde Midden-Oosten, waar de dreiging van de radicale islam een dagelijkse realiteit is. Er zijn bovendien genoeg redenen sceptisch te zijn over de gevolgen van de ‘Arabische lente’ voor christenen, zoals ook in Egypte blijkt. Toch mag dat geen reden zijn elke kritiek dan maar achterwege te laten. Als je over een bepaald onderwerp alleen maar iets mag zeggen wanneer je er persoonlijke ervaring mee hebt, dan kunnen predikanten voortaan beter hun mond houden. In hun verkondiging komen immers voortdurend dingen naar voren, waarmee ze – mag je hopen – geen persoonlijke ervaring hebben. Het zou wel wat vreemd zijn wanneer een voorganger niet zou mogen waarschuwen tegen bijvoorbeeld verslaving, wanneer hij die niet aan den lijve heeft ervaren.

Dan dringen zich in het geval van Syrië toch wel een paar vragen op. De christenen hebben onder Assad een relatief grote mate van vrijheid genoten. Assad hield de radicale islam in toom en aangezien hij zelf tot een religieuze minderheid behoort, kon hij de steun van een andere minderheid wel gebruiken. Zijn welwillende opstelling tegenover de christelijke minderheid is door haar beloond door steun in het conflict dat Syrië nu verscheurt. Op zichzelf is er niets tegen dat christenen in zo’n situatie zich mede door tactische overwegingen laten leiden. Het lijkt er echter op dat de Syrische christenen zich hier hebben verrekend. Volgens een bericht in het Reformatorisch Dagblad van 6 augustus werden de christenen uit het stadje Quseir verdreven “omdat de christenen het regime steunen”. De kritiekloze steun aan Assad heeft hun positie onder een eventueel toekomstig regime ook niet bepaald verbeterd. Het is van buitenaf moeilijk te doorgronden welke krachten binnen de oppositie actief zijn, wat de krachtsverhoudingen zijn en wie aan de touwtjes trekken. Het is heel goed mogelijk dat de radicale islam een flinke vinger in de pap heeft. Maar wanneer de christelijke gemeenschap zich bij de oppositie had aangesloten of in elk geval afstand had genomen van Assad, zou ze haar in elk geval één reden hebben ontnomen om straks met hun vrijheden – en wellicht zelfs met henzelf – af te rekenen.

Tactische overwegingen mogen wel een rol spelen, maar kunnen nooit doorslaggevend zijn. De vraag mag wel gesteld worden of de christenen zich onder het regime van Assad niet wat al te comfortabel hebben gevoeld. Het is natuurlijk fijn wanneer je de vrijheid hebt je eigen geloof te belijden, zeker in een wereld waar dat eerder uitzondering dan regel is, maar is dat een reden de ogen te sluiten voor het onrecht dat Assad andere burgers van zijn land aandeed? Zelfs wanneer we ervan uitgaan dat de Syrische christenen slechts beperkte kennis van de praktijken van hun president hadden – ook velen in het Westen hebben zich door Assad in de luren laten leggen -, kan het hun toch nauwelijks zijn ontgaan dat zijn regime de burgers van Syrië wel erg ongelijk behandelde en dat de mensenrechten van in elk geval een deel van de burgers in ernstige mate werden geschonden. Christenen zouden toch wel de laatsten moeten zijn om dit met de mantel van de liefde te bedekken. Op deze manier wordt op z’n minst de schijn gewekt dat de eigen vrijheid belangrijker is dan de vrijheden van anderen.

Het zijn uiteindelijk ethische overwegingen die de doorslag zouden moeten geven. In dit verband is de opstelling van de Druzen, zoals het Nederlands Dagblad daarover op 2 augustus j.l. berichtte, opvallend. De meesten van hen – die op de Golan hoogvlakte wonen – steunen Assad door dik en dun. Ook hun steun is vooral ingegeven door eigenbelang en de angst het slachtoffer te worden van de wraakzucht van de oppositie, wanneer die eenmaal aan de macht zou zijn gekomen. Maar vooral onder jongeren groeit het verzet. De manier waarop het leger van Assad zich gedraagt, speelt daarbij een belangrijke rol. Je zou hopen dat ook onder christenen in Syrië het inzicht doorbreekt dat de vijand van je vijanden nog niet automatisch je vriend is.

Door zich te laten leiden door tactische overwegingen kan men zich lelijk in de vingers snijden en dat kan ernstige gevolgen hebben. Maar dat is niet het belangrijkste. Christenen zouden zich bij hun politieke stellingnames moeten afvragen welk signaal van hun positiekeuzes uitgaat. Wat zeggen die keuzes over het christelijk geloof? Gaat het om het eigenbelang van de groep of gaat het om gerechtigheid voor de hele samenleving?

Dat is niet maar een vraag voor christenen in een land als Syrië, maar evengoed voor christenen in Nederland. Er zijn christenen die menen dat Nederland het gevaar loopt ‘geïslamiseerd’ te worden en daarom gemene zaak maken met de PVV. Kan een christen het ethisch verantwoorden te stemmen op een partij die groepen in de samenleving vanwege hun geloof wil discrimineren en die er een manier van politiek bedrijven op nahoudt die haaks staat op – bijvoorbeeld – het vijfde en het negende gebod? De SGP heeft zich een tijdlang gekoesterd in de welwillende belangstelling van de VVD. De suggestie van premier Rutte dat liberalen en staatkundig-gereformeerden veel gemeenschappelijk hebben is door de SGP bepaald niet weersproken. Is het haar vertegenwoordigers ontgaan dat de VVD een materialistische partij is die vooral de godsdienst van de mammon belijdt? En hoe is de onder liberalen overheersende mentaliteit van ‘ieder voor zich’ verenigbaar met het door de bijbel geproclameerde recht van de armen?

Wanneer christenen vriendschap sluiten met de vijanden van hun vijanden compromitteren ze de christelijke religie. Bovendien snijden ze zichzelf in de vingers. Wie vandaag een vriend lijkt, kan morgen een vijand blijken te zijn. De PVV is niet alleen anti-islamitisch, ze is ook anti-christelijk. En de VVD zal de SGP in de kwestie van het passief vrouwenkiesrecht echt niet de hand boven het hoofd houden.

De Assyrische generaal Sanherib – nota bene een heiden – waarschuwde koning Hizkia van Juda ervoor steun te zoeken bij Egypte (2 Kon. 18,21), die hij vergeleek met een rietstengel, die de hand doorboort als men erop leunt. Ezechiël gebruikt hetzelfde beeld in zijn profetie tegen Egypte (Ez. 29,6-7). De waarschuwing van Sahherib is nog steeds actueel. De vijand van je vijanden is niet je vriend. Het is een rietstengel waaraan je je ernstig kunt verwonden.

CU + SGP = ?

De christelijke politiek in Nederland staat er niet zo florissant bij. Althans, wanneer je kijkt naar de resultaten bij de verkiezingen van de laatste jaren. De SGP groeit misschien wel in ledenaantal en kiezers, maar dat is niet voldoende voor zetelwinst. De groei komt voor een belangrijk deel door het overlopen van stemmers van de ChristenUnie. Leuk voor de SGP, maar voor de invloed van de christelijke politiek levert het verder niets op. De ChristenUnie leek enkele jaren geleden flink in de lift te zitten. Er werd zelfs gespeculeerd dat ze het CDA als dè partij van het midden zou kunnen gaan vervangen, zeker toen laatstgenoemde steeds meer naar ‘rechts’ ging opschuiven. Maar degenen die bezwaar hadden tegen die koers weken – àls ze het CDA al ontrouw werden – eerder uit naar partijen als D66 of GroenLinks dan naar de ChristenUnie. Inmiddels hoor je niemand meer beweren dat de partij een serieuze bedreiging zou kunnen zijn voor het CDA. En de huidige score bij de verkiezingen is niet hoger dan die van de partijen waaruit ze is voortgekomen – RPF en GPV – samen. In feite is de ChristenUnie terug bij af.

Daaruit mag de conclusie getrokken worden dat een fusie politieke partijen niet per definitie voordeel oplevert. Dat is ook de les die uit de geschiedenis van het CDA kan worden getrokken. De fusie van KVP, CHU en ARP heeft – zeker op de langere termijn – niet tot een versterking van de christendemocratische invloed geleid. Zeker de laatste jaren is de partij ernstig in de versukkeling geraakt. Het is iets te eenvoudig dat geheel op het conto van de secularisatie te schrijven. Dat zou plausibeler zijn wanneer het CDA zich als christelijke partij zou profileren. Maar dat doet ze niet. Ze richt zich niet op kerkelijk meelevende christenen. Iedereen is in principe welkom. Agnosten kunnen zelfs meeschrijven aan het verkiezingsprogramma. Moslims kunnen niet alleen lid worden, maar ook de partij in politieke organen vertegenwoordigen. Het lijkt erop dat vooral de onduidelijkheid over de koers van de partij het CDA stemmen kost. Binnen de partij bestaat geen eensgezindheid over een aantal fundamentele maatschappelijke kwesties. De onduidelijkheid die daarvan het gevolg is draagt niet bepaald bij aan haar aantrekkelijkheid voor die kiezers die geen principiële band met het CDA hebben.

De ChristenUnie en de SGP zouden die les ter harte moeten nemen. Niet iedereen doet dat, zoals uit een interview van het Nederlands Dagblad met de – inmiddels voormalige – voorzitter van de ChristenUnie, Peter Blokhuis, blijkt (21 april 2012). Hij laat daarin weten dat hij zich niet kan voorstellen dat de ChristenUnie en de SGP op lange termijn zelfstandig naast elkaar blijven bestaan. Hij gebruikt een argument dat je ook hoort wanneer het over de kerkelijke verdeeldheid gaat: de secularisatie grijpt zo snel om zich heen dat we ons niet de luxe kunnen permitteren, gescheiden op te trekken. Bovendien wijst Blokhuis op de verdergaande ontzuiling van de achterbannen van de twee partijen. Daarbij blijft onduidelijk hoe een fusie van die twee daaraan een halt zou kunnen toeroepen. Blokhuis wijst er terecht op dat zich allerlei zaken voordoen die een duidelijk en eensgezind antwoord van christelijke politici noodzakelijk maken. Maar is een fusie daarvoor het meest geschikte of zelfs het aangewezen middel? Politieke partijen zijn in zekere zin te vergelijken met merknamen. Fusies in het bedrijfsleven zijn aan de orde van de dag. Maar desondanks houdt men vaak aan bestaande merknamen vast, vooral wanneer die een speciaal gevoel oproepen of met een specifieke doelgroep verbonden zijn.

Ook de politiek laat zien dat het eigen karakter van een ‘merk’ niet straffeloos kan worden genegeerd. We kunnen opnieuw het CDA als voorbeeld gebruiken. Het is al in 1980 opgericht en een tijdlang leken de ‘bloedgroepen’ geen rol van betekenis meer te spelen. Maar de laatste jaren is gebleken dat dit grotendeels schijn is. In de zuidelijke provincies – het vroegere kerngebied van de KVP – had de PVV een veel grotere aantrekkingskracht op CDA-stemmers dan in gebieden waar vroeger de ARP sterke aanhang had. Ook de steun voor de gedoogconstructie was het sterkste in vroegere KVP-regio’s. Dat is geen toeval. De oude scheidslijnen zijn echt niet helemaal verdwenen.

Blijkbaar is het samenvoegen van partijen die op het eerste gezicht veel op elkaar lijken, niet altijd verstandig. Dat geldt eens te meer wanneer bij nadere beschouwing blijkt dat die partijen toch meer van elkaar verschillen dan je zou denken. Dat is ook het geval bij de ChristenUnie en de SGP. Sinds enkele decennia wordt op allerlei terrein nauw samengewerkt, vooral in gemeenteraden en in het Europees Parlement. Wanneer er geen sprake is van een gemeenschappelijke kandidatenlijst, dan toch in ieder geval van lijstverbindingen, zodat reststemmen van de ene partij aan de andere ten goede komen. Er zijn onmiskenbaar veel raakvlakken: over een aantal thema’s die traditioneel een belangrijk onderdeel zijn van het profiel van christelijke politieke partijen zijn ze het in hoge mate eens. Maar is dat voldoende basis voor de vorming van één partij?

Ik wees er al op dat bij dit onderwerp hetzelfde argument wordt gebruikt als in de discussie over kerkelijke verdeeldheid: we kunnen het ons niet veroorloven gescheiden op te trekken. Wanneer daartegen dan wordt aangevoerd dat er toch duidelijke verschillen zijn, worden die tot de middelmatige zaken gerekend: niet te onbelangrijk om erover te praten, maar niet belangrijk genoeg als rechtvaardiging voor gescheidenheid. Datzelfde verschijnsel doet zich ook hier voor. “Blokhuis, van huis uit filosoof, erkent dat de twee partijen een verschillende politieke profilering hebben. ‘Maar als we het hebben over de echt belangrijke thema’s, zoals de onderwijsvrijheid, dan gaat het er niet om of je wat linkser of wat rechtser bent’.” Door de onderwijsvrijheid te typeren als ‘echt belangrijk’ worden andere zaken, waarover de twee partijen nogal verschillend denken, als weinig relevant terzijde geschoven.

Niemand zal ontkennen dat de onderwijsvrijheid een belangrijk thema is. Het is dus terecht dat beide partijen zich op dat vlak profileren en het is ook gewenst dat ze daarbij zoveel mogelijk samen optrekken. Maar daarmee zijn andere onderwerpen niet ineens van hooguit marginale betekenis geworden. Juist voor een christelijke politieke partij is het van wezenlijk belang te laten zien dat ze niet voor de belangen van de achterban opkomt, maar die van de hele maatschappij voor ogen heeft. De onderwijsvrijheid is niet in het belang zijn van christenen alleen, maar aangezien in de praktijk vooral het bijzonder onderwijs onder druk staat, wordt dat wel als vooral christelijk eigenbelang ervaren. Bovendien moeten christelijke partijen zoveel mogelijk de indruk vermijden dat ze zich alleen voor een beperkt aantal thema’s interesseren – de thema’s die vaak als ‘medisch-ethisch’ worden aangeduid. Die moeten niet onder het kleed verdwijnen, maar christelijke politiek gaat over meer dan het bekende rijtje: abortus, euthanasie, homohuwelijk. Ethiek heeft niet alleen met die onderwerpen te maken, maar evenzeer met zaken als natuur en milieu, immigratie en integratie, sociale rechtvaardigheid, gezonde overheidsfinanciën, ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten in de internationale politiek. Juist op dit soort thema’s lopen de visies van de ChristenUnie en de SGP nogal eens uiteen.

“Als ik kijk naar de partijrede van Kees van der Staaij op de afgelopen SGP-jaarvergadering, dan was dat een behoorlijk christelijk-sociaal verhaal”, zegt Blokhuis in het Nederlands Dagblad. Dat kan wel zo zijn, maar in de praktijk komt dat niet erg uit de verf. Het is niet zonder reden dat de SGP in de publieke opinie en ook bij politieke analisten als ‘rechts’ geldt, terwijl men de ChristenUnie eerder in het midden of zelfs ‘links’ daarvan situeert. Wie kijkt naar de houding van de SGP in de recente debatten over bezuiningen en hervormingen moet constateren dat haar visie zich in veel opzichten niet fundamenteel van die van de VVD onderscheidt. De SGP kan het met de liberalen uitstekend vinden in het streven naar een kleine overheid. De egards waarmee minister-president Rutte kortgeleden op een jongerenbijeenkomst van de SGP werd ontvangen wijst ook op een sterke mate van verwantschap.

De ChristenUnie heeft een andere visie op de overheid en kent haar een belangrijkere rol toe. Evenals de SGP hecht ze veel belang aan wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Maar ze houdt meer rekening met de realiteit. Veel zaken zijn veel te ingewikkeld om te worden waargenomen door wat in CDA-kringen graag als het maatschappelijk middenveld wordt aangeduid. Bovendien is het individualisme in de maatschappij zover doorgedrongen dat veel mensen niet tot enige gemeenschap behoren waarop ze kunnen terugvallen. Voeg daarbij dat volgens berekeningen van het Leger des Heils honderdduizenden Nederlanders als eenzaam moeten worden aangemerkt – wat betekent dat ze geen familie, vrienden of kennissen hebben op wie ze een beroep kunnen doen – en de conclusie is onvermijdelijk dat zonder de zorg van de overheid velen het niet redden.

Het gaat hier echter niet maar alleen om een analyse van de maatschappelijke werkelijkheid. De verschillen liggen veel dieper en hebben alles te maken met de vraag wat vanuit de Schrift over de rol van de overheid kan worden gezegd. Daarbij doet zich bij de SGP een opvallende paradox voor. Aan de ene kant wil men een kleine overheid, aan de andere kant verwerpt men de idee dat de overheid neutraal zou moeten zijn. De SGP belijdt immers met het ‘onverkorte’ artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat de overheid de taak heeft de ware religie te bevorderen en de valse religie te bestrijden. Het streven naar een ‘kleine’ overheid beperkt zich dus tot het sociaal-economische terrein. In andere maatschappelijke kwesties kiest de SGP voor een sterke en bemoeizuchtige overheid.

De ChristenUnie brengt daarentegen een duidelijke scheiding aan tussen kerk en wereldlijke overheid. Beide staan onder de soevereiniteit van God, maar hebben een verschillend werkterrein. De kerk dient zich bezig te houden met de verkondiging van het evangelie, terwijl het de taak van de overheid is de normen voor de samenleving die aan de Schrift kunnen worden ontleend in de praktijk gestalte te geven. Ten aanzien van het sociaal-economisch beleid betekent dat bijvoorbeeld dat de overheid moet bijspringen wanneer mensen niet in staat zijn zichzelf te voorzien van wat nodig wordt geacht om volwaardig aan de samenleving deel te nemen.

Welke visie men er in dit opzicht ook op nahoudt, het zal duidelijk zijn dat dit vanuit principieel gezichtspunt niet als een middelmatige zaak kan worden afgedaan. Deze tegenovergestelde visies hebben zodanige consequenties voor het politieke handelen dat het voor de kiezer wel degelijk iets uitmaakt of hij zijn stem aan de ChristenUnie dan wel aan de SGP geeft.

De visie op de overheid heeft ook consequenties voor zaken als de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. In een tijd waarin veel kiezers geneigd zijn aan bepaalde inwoners van ons land die vrijheden te ontzeggen die zij voor zichzelf opeisen, is een duidelijke standpuntbepaling onontkoombaar. De opvattingen van de ChristenUnie en de SGP op dit vlak zijn onverzoenlijk. Uiteraard heeft ook de visie op de rol van vrouwen in de politiek nog niets aan actualiteit ingeboet. Hier stuiten we opnieuw op een verschil van inzicht op de relatie tussen kerk en staat. Omdat de SGP geen scheiding tussen kerk en staat erkent, wordt de norm van de kerk dat een vrouw het ambt niet toekomt zonder meer toegepast op de staat: ook het regeerambt in de staat komt de vrouw niet toe.

Wanneer twee ondernemingen worden samengevoegd is het de bedoeling dat een nieuw sterk merk ontstaat. De hier gegeven analyse van de verschillen in karakter en standpunten van de ChristenUnie en de SGP geeft geen reden aan te nemen dat met een nieuw merk de kracht van de christelijke politiek wordt vergroot. CU + SGP = onduidelijkheid. Zoals het CDA laat zien is een partij zonder helder profiel gedoemd aan invloed in te boeten.

Kerk en politieke partij (1)

De relatie tussen kerk en politieke partij was vroeger een heet hangijzer onder gereformeerden. Dat had alles te maken met het feit dat het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zijn leden vrijwel exclusief betrok uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV). Alleen bij hoge uitzondering werden leden van andere kerken toegelaten, met name uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Die nauwe binding is altijd omstreden geweest, al vormden de tegenstanders waarschijnlijk een minderheid. Met de tijd nam de weerstand toe, niet alleen van de kant van hen, die aan de kerk niet al te veel gewicht toekenden. Ook iemand als prof. J. Douma begon zich steeds kritischer uit te laten en ventileerde uiteindelijk de opvatting dat het GPV zijn ‘kerkgebondenheid’ moest loslaten. Waarschijnlijk vertegenwoordigde hij inmiddels de hoofdstroom binnen de GKV. De kerkelijke binding van het GPV werd al in 1996 losgelaten, ruim voordat de partij opging in de Christenunie. Daartegen werd wel bezwaar aangetekend, maar erg krachtig was het niet.

Inmiddels is het verschijnsel van de kerkgebondenheid vrijwel verleden tijd. Er zijn nauwelijks nog organisaties overgebleven die hun leden exclusief uit de GKV betrekken. Toch duikt het begrip nu en dan op. Recent was dat bijvoorbeeld het geval toen de historicus Ewout Klei promoveerde op de geschiedenis van het GPV. In zijn beschrijving komt de kerkgebondenheid van het GPV uiteraard uitvoerig aan de orde. En ook recensenten besteden er aandacht aan. In het nummer van juli/augustus van het tijdschrift Nader Bekeken wordt dit proefschrift gerecenseerd door prof. Douma, die deze gelegenheid te baat neemt nog eens afstand te nemen van de kerkgebondenheid. In het boek van Klei ziet hij een bevestiging van zijn overtuiging dat het geen goede greep is geweest dat het GPV besloot zich uitsluitend op de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te richten.

Klei beschrijft in zijn boek – dat ik overigens nog niet gelezen heb – hoe de ontwikkeling van het GPV tot een echte politieke partij werd belemmerd door allerlei conflicten die binnen de GKV plaatsvonden. En toen het GPV eenmaal een zetel in de Tweede Kamer had bemachtigd, was dat zeker niet het einde van de onenigheden. In de jaren ’70 had de scheuring binnen de GKV, die tot het ontstaan van de Nederlands-Gereformeerde Kerken leidde, directe gevolgen voor het GPV.

Het kan niet ontkend worden dat de troebelen die het GPV gedurende zijn geschiedenis parten speelden, nauw samenhingen met de binding aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Door die binding was het niet meer dan logisch dat kerkelijke conflicten directe gevolgen hadden voor de partij. Daarnaast gaf het ook theologen de gelegenheid hun stempel op allerlei discussies te drukken, en het effect daarvan was zeker niet altijd positief. Daarbij moet met name gedacht worden aan het verzet tegen de formulering van een politiek programma. Sommigen beschouwden het GPV toch vooral als de politieke arm van de kerk, die als hoofdtaak had te laten zien wat de ware kerk in Nederland was.

Maar kunnen de genoemde verschijnselen uitsluitend op het conto van de kerkgebondenheid van het GPV worden geschreven? Zouden de gesignaleerde problemen aan het GPV voorbij zijn gegaan, wanneer al veel eerder dan in 1996 besloten was de partij open te stellen voor leden van andere kerken?

Laten we eerst eens naar een andere partij kijken, de SGP. Die betrekt haar leden vrijwel uitsluitend uit de zogenaamde ‘bevindelijke’ kerkgenootschappen en uit de ‘bevindelijke’ vleugels van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederlands Hervormde Kerk (later de PKN). Van een binding aan één kerk is nooit sprake geweest. Dat heeft haar echter niet gevrijwaard van kerkelijke invloed.
De historicus Henk Post heeft beschreven hoe de breuk die in 1953 binnen de Gereformeerde Gemeenten plaatsvond, ook binnen de SGP voor grote spanningen zorgde. Het feit dat binnen het ‘bevindelijke’ kerkelijke landschap over diverse zaken verschillend visies leven – bijvoorbeeld ten aanzien van de rol van de vrouw in politiek en maatschappij – heeft ook binnen de SGP zijn sporen nagelaten. Tot op de dag van vandaag kijken bepaalde groepen binnen de SGP de Tweede-Kamerfractie kritisch over de schouder.
In dit verband moet er ook op gewezen worden dat de SGP bij de samenstelling van kandidatenlijsten kijkt naar de kerkelijke kleur van kandidaten. Weliswaar bestaat er, voorzover mij bekend, geen formele regel die voorziet in een evenwichtige verdeling van de beschikbare plaatsen over vertegenwoordigers van verschillende kerken. Maar een kandidatenlijst waarop bijvoorbeeld de nummers 1 tot 8 alle tot de Gereformeerde Gemeenten behoren is absoluut ondenkbaar.
In het GPV mogen theologen zich vroeger duidelijk hebben laten horen, de invloed van predikanten binnen de SGP is altijd veel groter en duidelijker zichtbaar geweest dan in het GPV. Het is nog niet zo lang geleden dat de SGP in de Tweede Kamer werd vertegenwoordigd door predikanten. En nog altijd zijn hier en daar predikanten voorzitter van de plaatselijke SGP-afdelingen of zelfs gemeenteraadslid. Dat binnen de Christenunie theologen geen opvallende rol spelen heeft niet zozeer te maken met de lossere band tussen de partij en de verschillende kerken, maar met veranderingen in de visie op de positie van theologen en vooral dienstdoende predikanten. Ook in discussies over maatschappelijke vraagstukken binnen de achterban van de Christenunie spelen ze een geringere rol dan in de jaren ’50 en ’60 binnen de Gereformeerde Kerken.

Zo duidelijk is het verband tussen de troebelen binnen het GPV en zijn binding aan de Gereformeerde Kerken dus niet. Het lijkt me dat elke christelijke partij, wat haar relatie met één kerk dan wel verschillende kerken ook is, de invloed van kerkelijke conflicten ondergaat. En dan maakt het niet zoveel uit of die conflicten zich binnen één kerk afspelen dan wel de kerkelijke grenzen overschrijden. Met dat laatste heeft de Christenunie te maken. Dat blijkt met name uit de discussie over de vraag of leden van de partij die een homosexuele relatie hebben, de partij in politieke organen kunnen vertegenwoordigen. Kandidaten moeten de standpunten van de partij op een geloofwaardige en overtuigende manier uitdragen. Kunnen zij dat? In zijn bovengenoemde recensie gaat Douma daarop in.

Aan zijn proefschrift heeft Ewout Klei onder andere een stelling toegevoegd over dit onderwerp. De positie van homoseksuelen in de Christenunie lijkt op die van de niet-vrijgemaakten in het GPV: officieel is er een beetje ruimte voor ze, feitelijk is die ruimte er niet! (Douma gebruikt geen aanhalingstekens; ik weet dus niet of hij hier letterlijk citeert.) Douma wijst de parallel af. “Als ik (evenals Klei) vind dat de deuren van het GPV voor andere christenen dan vrijgemaakten al veel eerder dan in 1996 geopend hadden moeten worden, is er nog geen grond hetzelfde te zeggen als het over homoseksueel levende christenen gaat in de Christenunie. De Christenunie wil voor het gezin opkomen en keurt het homohuwelijk af. Wie kan een christelijke partij verbieden intern geen kandidaten voor te dragen voor publieke politieke functies als het over (homoseksueel) samenwonende kandidaten gaat?”

Hier maakt Douma zich er mijns inziens iets te gemakkelijk van af. De aanvaarding van kandidaten met een homosexuele relatie maakt het opkomen voor het gezin niet per definitie ongeloofwaardig. In zijn functie als minister van Jeugd en Gezin hanteerde André Rouvoet een definitie van het gezin waaronder ook een gezin met homosexuele partners viel. Zijn programmaministerie kende aan de zorg voor kinderen een centrale plaats toe. Het was voor hem een uitgemaakte zaak dat de overheid kinderen geen aandacht en zorg mag onthouden omdat die in een gezinsverband leven dat niet in overeenstemming is met wat christenen op grond van de Schrift onder ‘gezin’ verstaan.
De afwijzing van het homohuwelijk is ook geen sterk argument. Recent publiceerde het Nederlands Dagblad een interview met Monique Heger, die ooit als gemeenteraadslid voor de Christenunie moest opstappen vanwege het aangaan van een lesbische relatie en die sindsdien tevergeefs probeert weer een plek op een kandidatenlijst te krijgen. Ondanks haar relatie wijst ze het homohuwelijk resoluut van de hand. Dit is ook in overeenstemming met de argumentatie van de Christenunie tegen het homohuwelijk. Daaraan ligt niet de afwijzing van homosexuelen of van homosexuele relaties ten grondslag, maar de overtuiging dat het huwelijk exclusief bestemd is voor één man en één vrouw.

Het is niet zo eenvoudig een uitweg uit dit dilemma te vinden. Douma ziet als één van de grondfouten van het GPV dat de grondslag van de partij identiek was met die van de kerk. Hij wijst erop dat veel onderdelen van de confessie in de politieke praktijk helemaal niet aan de orde komen. “Als het onderwerp kinderdoop nooit aan de orde komt in de politiek, waarom kan een baptist dan niet meewerken aan een politiek program van actie, dat wel christelijk, maar daarom nog niet kerkelijk gekleurd is.” Eerder heeft hij ervan blijk gegeven dat hij ook ruimte ziet voor rooms-katholieken in de Christenunie. Dat kan uiteraard alleen wanneer de gereformeerde belijdenis uit de grondslag van de partij wordt geschrapt. Ik heb het vermoeden dat zonder de confessie de discussie over de positie van mensen met een homosexuele relatie in de Christenunie alleen maar gecompliceerder wordt en wellicht geheel zal vastlopen. Daarover ga ik een volgende keer verder doordenken.

Christelijke kruistocht of de vrede van de stad

Vrijdag 22 juli 2011 werd de wereld opgeschrikt door twee terreurdaden die – volgens de toen bekende cijfers – bijna 100 dodelijke slachtoffers opleverden. Nadat aanvankelijk algemeen werd aangenomen dat de daders in de islamitische wereld gezocht moesten worden, werd na de arrestatie van de vermoedelijke dader duidelijk dat het om een autochtone Noor ging. Opvallend was een toevoeging die in de media rondzong: hij zou zich als een conservatief christen beschouwen. Hadden we het nu eens niet met een fundamentalistische moslim, maar met een fundamentalistische christen te doen?

Inmiddels is dat beeld nogal gecorrigeerd en hoor je die verwijzingen vrijwel niet meer. Dat is vooral te danken aan de publicaties die de dader op het internet heeft gezet en gedeeltelijk ook verspreid. Daarin komt niet bepaald een beeld naar voren dat doet denken aan fundamentalistische christenen, zoals we die uit andere landen – vooral de Verenigde Staten – kennen. Duidelijk is inmiddels dat Breiviks christendom vooral van culturele aard is. Daarin lijkt hij op Geert Wilders. Die schermt wel met de christelijk-joodse cultuur, die beschermd moet worden tegen de ‘islamisering’, maar hij noemt zichzelf een atheïst. Breivik zegt van zichzelf dat hij niet bijzonder religieus is. En wie kijkt door wie hij zich heeft laten inspireren komt geen opvallende figuren uit de christelijke wereld tegen. Hij heeft scherpe kritiek geuit op de (staats)kerk van Noorwegen, maar dan vooral vanwege haar zijns inziens slappe houding ten aanzien van de islam. Over de theologische koers van die kerk – het toelaten van vrijzinnigheid bijvoorbeeld – hoor je hem niet.

Dat is een hele opluchting. Nu hoeven we ons als christenen tenminste niet voor de wandaden van Breivik te verantwoorden. Of dachten sommigen wellicht dat alleen moslims zich moeten verantwoorden wanneer één van hen zich aan terrorisme schuldig maakt?
Maar zo gemakkelijk komen we er niet vanaf. Breivik grijpt vooral terug op de middeleeuwen. Dat is de tijd van de kruistochten, van de ridders zonder vrees of blaam, die een goed werk voor God dachten te doen toen ze talloze ‘ongelovigen’ over de kling joegen in hun strijd voor de ‘bevrijding’ van het ‘Heilige Land’. Daarvan kunnen christenen zich niet zomaar distantiëren alsof het niet tot hun eigen geschiedenis behoort. De kruistochten vonden plaats met toestemming van en zelfs gestimuleerd door de nog ongedeelde christelijke kerk. De kruisvaarders gingen op weg met de zegen van de ambtsdragers van de kerk. En hun kreet “God wil het” werd door de kerk niet weersproken. Integendeel.

En dan zijn er nog de moderne kruisvaarders. Dan kan gedacht worden aan degenen die aanslagen plegen op abortusklinieken in de Verenigde Staten of abortusartsen vermoorden. Ook zij zijn ervan overtuigd een godvruchtig werk te verrichten. En ook daar zijn geestelijken te vinden die hen eerder in deze overtuiging sterken dan die weerspreken. Ver van ons bed? Dat valt te bezien. In Nederland loopt iemand rond die zich ‘joods-christelijk pastor’ noemt en geen traan laat om de doden van Oslo en Utøya.

Zowel het verleden als het heden leveren voldoende redenen voor christenen om niet al te hoog van de toren te blazen als het om de bezinning over de aanslagen in Noorwegen gaat. Want ook zij blijken tot wandaden in staat te zijn.

Terroristen die zich door een religieus of ideologisch ideaal laten leiden hebben vaak één ding gemeen: ze hebben zich overgegeven aan een utopie. Die bestaat vooral daarin dat men meent een bepaald veelomvattend ideaal – soms zelfs geproclameerd als ‘heilstaat’ – te kunnen realiseren. Wanneer dat niet lijkt te lukken, laten ze zich niet ontmoedigen. Ze komen al helemaal niet tot het inzicht dat de realisering misschien helemaal niet binnen de menselijke mogelijkheden ligt. Ze zijn er zo diep van overtuigd dat het door menselijke inspanning tot stand gebracht kan worden dat ze gaan zoeken naar factoren die obstakels vormen. En dat blijken dan niet zelden mensen of groepen van mensen te zijn. De zondebok is geboren.

Na de Russische revolutie waren het de boeren, in het nationaal-socialisme de joden, in het Cambodja van Pol Pot de intellectuelen – ze stonden de realisering van het nagestreefde ideaal in de weg. Breivik streeft naar een Europa dat vrij is van de islam. Zijn agressie richt zich echter niet in de eerste plaats tegen moslims; zij waren niet het doelwit van zijn aanslagen. Hèt obstakel voor het ontstaan van een islam-vrij Europa is de politieke en maatschappelijke elite, en die bestaat in Noorwegen voor een groot deel uit de sociaal-democraten. Daarom waren die het doelwit van zijn terreur.

Dat lijkt allemaal ver van christenen af te staan. Die geloven immers niet in een utopie. De heilstaat – in christelijke termen: het koninkrijk van God – wordt niet door mensen tot stand gebracht. Het komt van God en daalt vanuit de hemel neer. Het krijgt pas volledig gestalte na de terugkomst van Jezus Christus en de vernieuwing van de hemel en de aarde. Maar christenen geloven ook dat het koninkrijk al tijdens de geschiedenis zich begint af te tekenen en dat ze zelf een rol mogen spelen in de komst van dat koninkrijk. En daar zit een gevaar. Sommige christenen lijken wel erg goed te weten hoe dat koninkrijk er uit zal zien. En ze kunnen zomaar in de verleiding komen daar een tastbare bijdrage aan te leveren die zich niet verdraagt met de bijbelse notie dat het koninkrijk van God niet door geweld tot stand komt. De middeleeuwse kruisvaarder kan zomaar opnieuw tot leven komen.

Ik denk dat in deze tijd een ander gevaar christenen meer bedreigt. Ze zijn in de westerse wereld in toenemende mate een minderheid geworden, waarmee in het maatschappelijk leven steeds minder rekening wordt gehouden. Ook politiek worden ze steeds minder relevant. De deelname van de Christenunie aan het vorige kabinet en de spilpositie van de SGP in de huidige politieke constellatie veranderen daar niets aan. Veel Nederlanders voelen zich vreemden in eigen land en zien hun positie bedreigd door de islam of door Europa of door de globalisering. Ze vrezen dat hun de regie over hun leven uit handen wordt genomen en keren zich steeds feller tegen wat ze als de veroorzakers daarvan beschouwen.

Veel christenen zullen dat gevoel herkennen. Ze belijden wel dat ze vreemdelingen zijn op aarde, maar in de praktijk viel dat vaak nog wel mee. Er waren christelijke organisaties die ertoe deden en niet weinig sleutelposities in de maatschappij werden door mensen bekleed die in elk geval geworteld waren in de christelijke wereld. Die tijden zijn voorbij. Christenen ervaren de vreemdelingschap steeds meer aan den lijve. En dan is het gevaar niet denkbeeldig dat ze zich gaan afkeren van de maatschappij en meegaan in de wereldse trend naar zondebokken te zoeken.

Voor Breivik en voor Wilders zijn dat wat zij als de politieke en maatschappelijke elite beschouwen. En die associëren zij vooral met ‘links’, vertegenwoordigd door partijen als D66, GroenLinks en de PvdA. Deze zijn de belangrijkste obstakels op de weg naar hun ideaal, een Europa zonder moslims. Het valt te vrezen dat ook christenen dat tot hun ideaal maken. Ook onder hen voelen velen de islam als een bedreiging voor hun positie. Daarbij wordt verwezen naar de weinig benijdenswaardige situatie van christenen in islamitische landen. De dreiging van een toenemende marginalisering komt nog uit een andere hoek: de in toenemende mate als agressief ervaren ‘seculieren’. Die vinden ze grotendeels bij dezelfde partijen die Geert Wilders en zijn PVV bestrijden. En dat verklaart waarom een toenemend aantal christenen zich in het kamp van Wilders schaart.

In mijn politieke weblog Dingen van de Dag heb ik betoogd dat de terreurdaden van Breivik aanleiding zouden moeten zijn tot bezinning op het politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland. Christenen zouden hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Maar dat kan alleen wanneer ze eerst enig zelfonderzoek doen.

Wat is de taak van christenen in de maatschappij? De brief van de profeet Jeremia aan de Joodse ballingen in Babylonië is in dit verband bijzonder relevant. Zou je hun positie in de Babylonische samenleving niet met die van christenen in de westerse, grotendeels ontkerstende maatschappij kunnen vergelijken? En lijkt hun ballingschap niet op de vreemdelingschap van de westerse christenen? Dit is wat Jeremia schrijft: “Bid tot de Heer voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei” (Jer. 29,7). De ballingen worden opgeroepen deel te nemen aan het economische en maatschappelijke leven, ook al worden ze publiek vernederd (Psalm 137). En uit het boek Daniël kunnen we concluderen dat ook het nemen van verantwoordelijkheid op het politieke vlak bepaald geen taboe was.

Christenen moeten zich dus niet laten meeslepen in de populistische afkeer van de samenleving en de daarin functionerende instituties. Net als in de dagen van Daniël nemen die beslissingen die strijdig zijn met de wil van God. Maar dat is geen reden zich daarvan af te keren en die instituties zelf in de beklaagdenbank te zetten. En dat is precies wat de PVV doet, of het nu ‘de politiek’, ‘de rechterlijke macht’ of ‘de cultuur’ is. Het is juist de voortdurende voeding van de publieke afkeer van het ‘establishment’ die bijdraagt aan het ontstaan van een maatschappelijk klimaat waarin mensen naar geweld kunnen grijpen omdat ze het geloof in de politiek hebben verloren. Flirten met de anti-establishmentretoriek van Wilders is bepaald geen onschuldige bezigheid, zoals de terreur van Breivik laat zien.

Het maatschappelijke en politieke klimaat zou er mee gebaat zijn wanneer juist christenen, die zich steeds vaker vreemden in eigen huis voelen, desondanks volop blijven deelnemen aan de samenleving. Juist zij zouden ervoor moeten waken dat bepaalde instellingen of groepen mensen als zondebokken worden weggezet, of dat nu ‘de seculieren’ of ‘de moslims’ zijn. In andere vertalingen van het geciteerde vers uit Jeremia 29 wordt gesproken over de “vrede van de stad”. Die vrede ligt niet in de uitsluiting van groepen mensen op grond van hun religieuze of politieke overtuiging, maar in het zoeken naar wat verbindt en het bouwen van bruggen die de samenleving – bij alle blijvende verschillen – leefbaar houden.