Archief

Posts Tagged ‘SP’

Het gif van het nationalisme

Wie heeft het gedaan? Dat is de vraag die politici, pers en publieke opinie bezighoudt na de ramp met MH17 boven Oost-Oekraïne op donderdag 17 juli j.l. Dat hier sprake is van een daad van terrorisme wordt niet serieus betwijfeld. Of ooit kan worden vastgesteld wie de schuldigen zijn is de grote vraag. De omstandigheden waarin het onderzoek moet plaatsvinden geven weinig reden tot optimisme. Vooral in Nederland bestaat grote woede en verontwaardiging. Het verreweg grootste aantal slachtoffers was in het bezit van een Nederlands paspoort en dat maakt het begrijpelijk dat juist hier met argusogen en met ongeduld gekeken wordt naar de afwikkeling van deze ramp.

Het is waarschijnlijk niet realistisch te verwachten dat de achtergronden anders dan vanuit een – begrijpelijk – vooringenomen standpunt worden geanalyseerd. Toch zal het uiteindelijk er wel van moeten komen dat hier van wat meer afstand naar gekeken wordt. Dan mogen we niet de ogen sluiten voor de mogelijkheid dat de verschijnselen die tot deze ramp leidden niet zover van ons vandaan staan als we wellicht denken of graag zouden willen.

De ontwikkelingen in Oekraïne maken deel uit van een groter geheel. Uiteraard zijn er specifieke omstandigheden die met het land, de cultuur en de geschiedenis van Rusland en Oekraïne te maken hebben. Maar het zou van naïviteit getuigen te denken dat wat zich daar afspeelt elders niet zou kunnen voorkomen. We moeten onder ogen zien dat we ons in een tijdperk bevinden waarin het nationalisme herleeft. We dachten misschien dat die ideologie na de Tweede Wereldoorlog voorgoed ten grave gedragen was, maar de ontwikkelingen sinds de eeuwwisseling laten een tegenovergesteld beeld zien.

Na de val van het IJzeren Gordijn aan het eind van de jaren 1980 stonden landen, die lange tijd formeel zelfstandig waren maar in feite naar het pijpen van Moskou dansten, voor de taak hun eigen identiteit te hervinden. Dat ging niet altijd even gemakkelijk en de ontwikkelingen in Oost-Europa laten een zeer gavarieerd beeld zien. Enkele landen ontwikkelden zich tot redelijk stabiele democratieën, maar in andere kregen allerlei krachten de overhand die met de democratie niet veel op hadden. In enkele heeft zich een vorm van nationaal besef ontwikkeld dat gekenmerkt wordt door het verheerlijken van één specifieke culturele identiteit die gepaard gaat met een zich afzetten tegen wat daarvan afwijkt. De positie van de Roma in verschillende landen van het voormalig Oostblok is bepaald niet rooskleurig. Ook de Hongaarse minderheid in Roemenië wordt niet voor vol aangezien. En, zoals altijd wanneer het nationalisme zich laat gelden, groeit in verschillende landen ook het antisemitisme.

Dat het nationalisme ook gewelddadige vormen kan aannemen werd niet alleen in de beide wereldoorlogen van de 20e eeuw gedemonstreerd, maar nog recenter in de oorlog op de Balkan. Wat voor beschaving doorging bleek niet meer dan een dun laagje vernis dat afbladderde toen het gif van het nationalisme er vat op kreeg. Die oorlog liet zien waartoe nationalisme kan leiden, en de huidige ontwikkelingen in met name het oostelijke, door pro-Russische krachten beheerste deel van Oekraïne bevestigen dat beeld. Mensen die met elkaar in vrede leefden, komen ineens onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Ze zijn zelfs bereid elkaar het leven onmogelijk te maken, desnoods letterlijk, met wapengeweld. Het adagium “right or wrong, my country” wordt tot in het extreme doorgevoerd. De compromisloze vaderlandsliefde smoort elke vorm van kritiek op het eigen denken en handelen. Nationalisme is per definitie ondemocratisch en autoritair: wie vraagtekens zet bij de heersende ideologie en de wijze waarop deze wordt toegepast, krijgt al snel het label ‘landverrader’ opgeplakt. Nationalisme tast het vermogen tot empathie aan: mensen worden gereduceerd tot pionnen op een schaakbord. De ontmenselijking waartoe het nationalisme leidt werd recent wel heel schrijnend gedemonstreerd in de weinig piëteitvolle omgang van Oekraïnse separatisten met de slachtoffers van de vliegtuigramp en hun bezittingen.

Wij in het beschaafde Westen wenden ons vol walging hiervan af en spreken met een mengeling van verontwaardiging en minachting over deze praktijken. Wij zouden ons nooit tot zo’n niveau verlagen, zijn we wellicht geneigd te denken. Maar dan kennen we de geschiedenis niet. De Tweede Wereldoorlog begon in wat wij nu als West-Europa beschouwen. Er zijn nog maar weinig mensen die de gruwelen van die oorlog bewust hebben meegemaakt. Maar er wordt op allerlei, vaak indringende, manieren aandacht aan besteed. Voor een gebrek aan kennis van wat zich toen heeft afgespeeld is geen excuus. Wie zich daarvan rekenschap geeft zal niet zo hoog van de toren blazen over onze ‘beschaving’.

Nu zou men wellicht kunnen denken dat we sindsdien wijzer en wellicht zelfs beschaafder geworden zijn. We hebben toch van de oorlog geleerd? Dat is wel te hopen, maar het is de vraag of de lessen van de oorlog beklijven. Nee, bij ons worden geen etnische groepen of andere minderheden vervolgd en er lopen geen gewapende milities door de straten. Maar dat zijn slechts uiterlijke tekenen van een mentaliteit. De neiging de eigen groep superieur te achten en zich af te zetten tegen wie daartoe niet behoort is wellicht de mens eigen en dus van alle tijden. Dat neemt niet weg dat deze neiging zich soms als een sluipend gif door de aderen van de maatschappij verbreidt en na verloop van tijd het politieke en maatschappelijke klimaat gaat beïnvloeden. Dat is sinds het begin van deze eeuw het geval in verschillende Westeuropese landen en niet het minst in Nederland.

De opkomst van populistische partijen is daarvan een duidelijke manifestatie. Zulke partijen zijn er in soorten en maten. Zonder nu te willen beweren dat linkse partijen als de SP van alle nationalistische smetten vrij zijn, moet het gevaar in dit verband toch vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum gezocht worden. Juist degenen die zich daar bevinden zijn gevoelig voor de nationalistische verleiding. De afkeer van en het verzet tegen de aanwezigheid en invloed van andere culturen wordt hier bepaald niet onder stoelen of banken gestoken. Het is geen wonder dat juist hier een onmiskenbare bewondering voor de Russische president Putin valt te constateren. Men leze het internetforum van Elsevier of een site als De Dagelijkse Standaard. Dat heeft alles te maken met zijn door nationalisme gedreven binnen- en buitenlandse beleid. Daarbij speelt ook een rol dat hij het opneemt tegen Europa, voor veel nationalistisch-rechtse Nederlanders het symbool van het kwaad. Dat is immers per definitie multicultureel. Dat Putin geen democraat is, wordt eerder als een pluspunt dan als een negatieve factor beschouwd.

Het is waar dat in Nederland aan de afkeer van andere culturen niet op gewapende manier uiting wordt gegeven, ook al zijn er nu en dan incidenten die bepaald niet vreedzaam te noemen zijn. Maar verbaal geweld is ook een vorm van geweld en kan mede de voedingsbodem vormen voor fysiek geweld. Hier kan gewezen worden op de manier waarop de PVV gewend is politiek te bedrijven en haar aanhangers tegen burgers van andere culturen opzet. Even bedenkelijk is de pretentie namens ‘het volk’ te spreken, daarmee suggererend dat ‘het volk’ een mening heeft. Het gevaar ligt op de loer dat wie een andere mening heeft dan wordt gezien als niet behorend tot ‘het volk’. Dan is het maar een kleine stap naar de kwalificatie van zo iemand als een ‘landverrader’. Overdreven? Toch niet. Die term werd al jaren geleden in internetfora gebruikt ter kwalificatie van wie een voorstander was van de multiculturele samenleving.

‘Europa’ is lange tijd beschouwd als hèt middel om het nationalisme te beteugelen. Vooralsnog lijkt het daar niet op – het wakkert het nationalisme eerder aan. Dat is dus het medicijn niet. ‘Europa’ kan zelfs in zijn tegendeel verkeren. Het project Europa kan gemakkelijk ontaarden in een nieuwe vorm van nationalisme dat het continent omvormt tot een ‘fort Europa’ dat door ophaalbruggen en hoge muren ‘buitenstaanders’ buiten de deur houdt. Daarmee komen we dan van de regen in de drup.

Eén van de redenen dat het nationalisme zijn kop weer opsteekt is het verval van ideologieën die boven het nationale belang uitstijgen. In het verleden werd Nederland gekenmerkt door de verzuiling. Langs ideologische of religieuze lijnen was de maatschappij verdeeld in een aantal segmenten binnen welke een grote mate van homogeniteit bestond, die gepaard ging met een sterk saamhorigheidsgevoel. Daarvan is nog nauwelijks sprake. Als gevolg van de toegenomen mobiliteit is ook de locale of regionale samenbinding grotendeels verdwenen. Hoewel de zegeningen van het individualisme van de daken gepredikt worden, zijn de meeste mensen nog altijd op zoek naar een vorm van binding met anderen. In onze tijd blijft voor velen alleen nog het eigen volk en de eigen cultuur over. Daarmee gaat gepaard het beklemtonen van wat karakteristiek wordt geacht voor de nationale identiteit. De recente discussie over ‘Zwarte Piet’ laat zien dat dit gemakkelijk nogal ridicule vormen kan aannemen.

In veel christelijke kerken is in de afgelopen weken aandacht besteed aan de vliegtuigramp en de gevolgen. Dat is logisch en volkomen terecht. In zo’n situatie volstaat het niet kracht in onszelf of in de samenleving te zoeken. Maar hopelijk zullen de kerken – op een gepast tijdstip – ook aandacht besteden aan de context zoals die hierboven is geschetst. Ze hebben het beste medicijn tegen nationalisme in de aanbieding. Maar daarbij past dan wel een kanttekening. Want net zoals ideologieën als het socialisme niet altijd vrij geweest zijn van nationalistische smetten – zie de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog – hebben ook christelijke kerken niet altijd weerstand geboden aan de sirenenzang van de nationale zelfverheerlijking. Hier kan gewezen worden op de rol van Orthodoxe kerken in Rusland en Oekraïne en ook die van de Orthodoxe Kerk in Servië ten tijde van de Balkanoorlog. Kerken in de Verenigde Staten hebben zich niet zelden verregaand geïdentificeerd met de politieke doelen van de regering, bijvoorbeeld ten tijde van verschillende militaire conflicten in het Midden-Oosten. Het wordt voor een kerk al helemaal moeilijk een gepaste afstand te bewaren wanneer ze de positie van staatskerk heeft.

Daar is in ons land geen sprake van. Nederland heeft – ook in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – nooit zoiets als een ‘staatskerk’ gekend en ook de Nederlandse Hervormde Kerk had die positie niet, ook al was de koninklijke familie daar lid van. Maar dat wil niet zeggen dat kerken immuun zijn geweest voor de nationalistische verleiding. In de jaren ’30 zijn nogal wat predikanten daarvoor bezweken en van een sterke kerkelijke oppositie tegen het opkomende nationalisme, onder andere in de vorm van de NSB, is niet bepaald sprake geweest.

Na de oorlog werd in GPV-kring onbekommerd gesproken over ‘nationaal-gereformeerde politiek’. Daarbij was zeker geen sprake van nationalisme, zoals dat voor de oorlog bij de NSB werd aangetroffen of zoals dat nu in bepaalde rechtse kringen ingang heeft gevonden. Desondanks mogen daarbij wel kritische kanttekeningen worden gemaakt. In onze tijd zou zo’n term in ieder geval geheel ongepast zijn. Niet alleen zou die ongewenste associaties oproepen, er is ook geen enkele aanleiding het christelijk geloof specifiek met de ‘nationale’ cultuur te verbinden. In de eerste decennia na de oorlog had die cultuur nog in aanzienlijke mate een christelijke kleur. Die is inmiddels goeddeels verbleekt. Er is voor christenen weinig reden de Nederlandse cultuur op grond van hun religieuze overtuiging te verdedigen. Het is ironisch dat culturen die hun wortels buiten Nederland en zelfs voor een belangrijk deel buiten Europa hebben in een aantal opzichten die waarden hooghouden, die ooit kenmerkend waren voor de ‘Nederlands-christelijke’ cultuur. Er is daarom voor christenen bepaald geen reden zich tegen hun aanwezigheid in de Nederlandse samenleving te verzetten.

Moet de christelijke kerk dan met haar rug naar de samenleving gaan staan? Bepaald niet. Van de culturele verwantschap mag dan weinig zijn overgebleven, er is nog wel steeds een historische verbondenheid. Die brengt verantwoordelijkheid mee. De kerk moet de samenleving aanspreken op haar christelijk-historische wortels zoals die bijvoorbeeld in het Wilhelmus tot uitdrukking komen. Juist hier vinden we het tegengif tegen elke vorm van nationalisme. Het lied is ontstaan in een tijd dat het begrip ‘natie’ nog nauwelijks bestond. De wortel van het nationalisme ligt in de 19e eeuw en toen zijn ook veel volksliederen ontstaan. In Nederland hebben we het enige tijd met ‘Wien Neerlands bloed’ moeten doen. Als dat nog steeds ons volkslied was, zouden we allang hebben moeten weigeren dat aan te heffen. Door de aderen van dat lied vloeit vooral het gif van het nationalisme.

Twee jaar geleden schreef ik in dit weblog een stuk over het zingen van het Wilhelmus in de kerk. Ik schreef toen: “Het [Wilhelmus] is niet horizontaal gericht, alsof de samenleving haar eigen krachtbron zou zijn. Het wijst op God als haar schild en betrouwen. Door het zingen van het Wilhelmus doet de kerk een appel aan overheid en samenleving Gods soevereiniteit te erkennen. Zij spoort hen aan op hem te bouwen en hem te gehoorzamen als “de hoogste Majesteit” (vs 15).”

Laten we bij gepaste gelegenheden het Wilhelmus ook in de kerk met overtuiging zingen. Laten we dan het zesde en vooral het veertiende couplet niet vergeten. Dat laatste eindigt zo: “Tot God wilt u begeven, Zijn heilzaam Woord neemt aan. Als vrome christen leven, ’t zal hier haast zijn gedaan”. We hebben hier immers geen blijvende stad en ons vaderland heeft geen geografische grenzen, hoge muren of ophaalbruggen. Ons vaderland is elders.

Advertenties

Minder emotie

Nauwelijks waren de golven van emotie over de huisvesting van Benno L. in Leiden tot bedaren gekomen of een nieuwe golf overspoelde de samenleving. Geert Wilders zweepte zijn aanhang op om luidkeels te roepen om vermindering van het aantal Marokkanen in Nederland. Het zal wel niet lang duren voordat een andere gebeurtenis deze overschaduwt en weer een nieuwe emotionele oprisping veroorzaakt.

We zijn er inmiddels al wat aan gewend geraakt. Nederlanders stonden altijd bekend als nogal nuchter en niet snel van hun stuk te brengen. Daarin onderscheidden ze zich van de volken uit meer zuidelijke regionen: Italianen en Spanjaarden golden als nogal heetgebakerd. Er hoefde daar maar iets te gebeuren of de vlam sloeg in de pan. Inmiddels zijn die verschillen tot minieme proporties teruggebracht. Aangenomen dat die verschillen ooit bestaan hebben. Want het is maar helemaal de vraag of emotie zo’n paar decennia geleden en vele eeuwen daarvoor echt zo’n geringe rol speelden. Als gereformeerden herinneren we ons ongetwijfeld – zij het uit de geschiedenisboekjes – de beeldenstorm. Die was niet bepaald een uiting van nuchtere bezonnenheid. En om bij de kerkgeschiedenis te blijven: in de tijd van de Contrareformatie en eeuwen later rond de Afscheiding hebben zich taferelen afgespeeld die in emotionele intensiteit niet onderdoen voor wat tegenwoordig op ons televisiescherm aan ons voorbijtrekt.

Het is ook geen typisch Nederlands verschijnsel dat we meemaken. Toen in 1997 de Britse prinses Diana verongelukte leidde dat in Groot-Brittannië tot emotionele ontladingen die velen voor onmogelijk hadden gehouden. Waar was de beroemde Britse stiff upper lip gebleven? Maar ook dat was gedeeltelijk gezichtsbedrog. De ouderen herinneren zich ongetwijfeld het verzet tegen het bewind van de Conservatieve minister-president Margaret Thatcher: het felle optreden van de Engelse vakbonden onder leiding van de beruchte Arthur Scargill. Het verschil was dat het daarbij vooral om emotionele uitbarstingen ging van wat de Engelsen als de lower classes beschouwden.

In noordelijke landen geldt emotionaliteit in de publieke ruimte als een kenmerk van lager-opgeleiden en minder-verdienenden. Tegenwoordig worden die geassocieerd met partijen als de SP en de PVV. Emotionaliteit is daarmee een kenmerk geworden van het populisme. Dat klopt ten dele wel: argumenten die gebaseerd zijn op feiten en een rationele analyse daarvan vinden in die kringen meestal geen gunstig onthaal. De internetfora van de kranten bewijzen het: een auteur komt op grond van feiten en langs logische weg tot een conclusie die een deel van de lezers niet zint, en de fiolen van toorn worden over hem of haar uitgegoten. Daarbij wordt geheel afgezien van enige inhoudelijke weerlegging van de aangevoerde feiten of de gevolgde redenering.

Maar het verschijnsel is breder. Op alle niveaus is sprake van een emotionalisering van de samenleving en de manier waarop meningsverschillen worden uitgedragen. De oproep om vermindering van het aantal Marokkanen werd gevolgd door een regen aan aanklachten tegen Wilders – vaak geregisseerd – waarbij weinigen zich afvroegen in welke mate dit ertoe zou bijdragen dat hij daadwerkelijk vervolgd zou worden. Die aanklachten functioneerden vooral als uitlaatklep voor de emoties die Wilders met zijn actie had opgeroepen.

Het is gemakkelijk hierover de staf te breken. Maar waar sterke emoties leven is het nuttig dat daaraan uiting kan worden gegeven. In vroeger tijden waren het – in elk geval in Nederland – vaak politieke of maatschappelijke leidslieden die zulke emoties in de achterban van hun ‘zuil’ kanaliseerden en probeerden die concreet te maken in politiek handelen. Maar de zuilen zijn teloor gegaan en hooguit in de links- of rechts-populistische hoek bevinden zich politici die zich de rol van spreekbuis toeëigenen. Alleen de omzetting in een concreet politiek programma dat een kans van slagen heeft wil wat minder lukken.

De emotionalisering van de samenleving heeft veel schaduwkanten. Generalisaties – zoals het over één kam scheren van alle Nederlanders met Marokkaanse wortels – en gemakzuchtige conclusies over oorzaak en gevolg – criminaliteit van Marokkaanse jongeren is een direct uitvloeisel van hun cultuur – worden gretig verspreid en vinden even gretig aftrek. Daardoor wordt de bestrijding van de gesignaleerde – werkelijke of vermeende – problemen niet bevorderd.

Ook in de kerkelijke samenleving spelen emoties een grote rol. Ik wees al op de beeldenstorm. Zover hoeven we niet terug te gaan. Wanneer zich in kerken meningsverschillen voordoen, komen emoties al gauw bovendrijven. Een recent voorbeeld is het proces waaruit de Hersteld Hervormde Kerk is voortgekomen. Medestrijders, vooral binnen de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk, werden verbitterde tegenstanders en bij de discussies over de toekomst van de kerk is menig hard woord gevallen. Oudere leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zal dat niet onbekend voorkomen, want in de jaren ’60, toen de kerkelijke conflicten uiteindelijk leidden tot een splitsing die resulteerde in het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken, stonden broeders vaak lijnrecht tegenover elkaar en werden de meningsverschillen bepaald niet alleen met zakelijke argumenten uitgevochten.

Nu zou men kunnen beweren dat emoties een uiting zijn van een sterke betrokkenheid. Daar zit wat in. Wanneer het om zaken gaat waaraan mensen groot belang hechten, is het niet te verwachten dat men daarmee op een afstandelijke manier omgaat. In die zin is het geen slechte zaak wanneer emotie een rol speelt. Maar het is wel te betreuren dat dit vaak een echte inhoudelijke uitwisseling van meningen, waarbij de deelnemers ook elkaar recht doen en geen karikaturen scheppen, ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. De manier waarop in de politiek en de samenleving wordt omgegaan met wat ik maar kortheidshalve de ‘Marokkanenproblematiek’ noem, is daar een treffend voorbeeld van. De tegenstellingen zijn aangescherpt en de opponenten hebben zich zo diep ingegraven dat elke dialoog onmogelijk is dan wel niet verder komt dan een dialoog tussen doven. Dat kan ook bij kerkelijke conflicten gebeuren.

De ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn daar bepaald niet vrij van. Critici van de richting die deze kerken lijken te zijn ingeslagen, geven op soms emotionele wijze uiting aan hun bezorgdheid. De buitenlandse kerken die voortgekomen zijn uit emigratie naar met name Canada en Australië zijn daarvan een welsprekend voorbeeld. Zij laten er weinig twijfel over bestaan dat een eventueel besluit van de Generale Synode van de GKV, de ambten van predikant en ouderling open te stellen voor vrouwen, een breekpunt is en tot het einde van de zusterkerkrelatie zal leiden. Vertegenwoordigers van de GKV ervaren dat als “oecumene met het mes op tafel”, zoals ds. J.M. van Leeuwen, één van de Deputaten Buitenlandse Kerken, het formuleert (Nederlands Dagblad, 8.4.14). Wanneer betrokkenen de dialoog als zodanig ervaren, wordt een zakelijke – dat wil zeggen: op feiten gebaseerde – analyse van de meningsverschillen niet gemakkelijker.

Vergelijkbare processen spelen zich op het niveau van plaatselijke gemeenten af. Gemeenteleden wenden zich tot hun kerkenraad met brieven waarin zij hun bezwaren tot uitdrukking brengen. Daar wordt in hun beleving op een manier mee omgegaan waaruit onbegrip ten aanzien van de ernst van de bezwaren spreekt of zelfs onwil om die bezwaren serieus te nemen. Het resultaat is soms dat de bezwaarden gefrusteerd afhaken en zich van het gemeentelijk leven isoleren of zelfs de kerk de rug toekeren.

Kan het anders? Vooropgesteld moet worden dat alle ‘partijen’ de oprechte wil moeten hebben elkaar te vinden. Daarmee bedoel ik niet een soort waterig compromis in het midden of aanvaarding van het feit dat we over bepaalde zaken nu eenmaal verschillend denken (Nederlands Dagblad, 9.4.14). Daarmee wordt geen enkel probleem opgelost. Het gaat erom dat alle betrokkenen duidelijk uitspreken dat ze ervan overtuigd zijn dat ze bij elkaar horen en dat ze elkaar niet kwijt willen. Daarmee wordt voorkomen dat de betrokken ‘partijen’ het gevoel krijgen door de andere te worden afgeschreven als ‘nieuwlichters’ die de weg kwijt zijn dan wel als eeuwige criticasters die ‘niet van deze tijd’ zijn.

Het is best te begrijpen dat leden van een kerk emotioneel reageren op (onderdelen van) het beleid van hun kerkenraad of de opvattingen die vanaf de kansel worden verkondigd. Maar het is zelden effectief wanneer die emoties schriftelijk op die kerkenraad of op voorgangers worden afgereageerd. Brieven aan de kerkenraad zouden geen vergaarbak van frustraties moeten zijn. Het is veel nuttiger en uiteindelijk voor de geadresseerde veel onaangenamer en lastiger, wanneer de scribent zich beperkt tot het opsommen van voor iedereen natrekbare feiten en een logisch samenhangende presentatie daarvan.

Het probleem met emoties is dat ze elke discussie doodslaan. Een gevoel kan immers wel goed of fout zijn, maar nooit waar of onwaar. Wat ‘goed’ of ‘fout’ is, hangt uiteindelijk af van het vertrekpunt dat men kiest. Een gevoel kun je niet weerleggen. Juist in de kerk is nuchterheid gevraagd en een zorgvuldige omgang met feiten en argumenten. Alleen op die manier kan de communicatie tussen opponenten openblijven en daarmee de mogelijkheid tot toenadering. En wanneer het daar niet van komt, kunnen alle betrokkenen in elk geval een goed geweten hebben dat ze zich daarvoor hebben ingespannen en dat ze elkaar recht gedaan hebben.

Minder emotie – dat zou een zegen zijn, niet alleen voor de samenleving, maar ook voor de kerk.

Christelijke politiek in seculier jasje

Nu de stofwolken van de verkiezingscampagne zijn opgetrokken wordt het tijd het slagveld in ogenschouw te nemen. Welke uitkomst de waarnemers en de deelnemers ook hadden verwacht, niet wat uiteindelijk uit de stembus rolde. De verkiezingsuitslag heeft veel stof tot schrijven gegeven en verschillende kranten schuwden vèrgaande conclusies niet. Dit is niet de plaats hierop verder in te gaan. De geïnteresseerde lezers verwijs ik naar mijn politieke weblog Dingen van de Dag. Ik wil hier vooral de blik richten op de verkiezingsuitslag vanuit christelijk perspectief.

Het CDA verloor opnieuw flink. Dat was te verwachten; zelfs de kopstukken van de partij hielden er van tevoren al rekening mee. Ook al kan het CDA niet als ‘christelijke’ partij worden beschouwd – ze afficheert zichzelf ook nadrukkelijk niet als zodanig – wordt dit terecht als een bewijs van de onverminderde teloorgang van de christelijke politiek in Nederland beschouwd. Daar staat dan tegenover dat de SGP een zetel winst boekte en de ChristenUnie haar zeteltal wist te behouden. Daar had ze overigens wel reststemmen voor nodig; die waren het resultaat van de lijstverbinding met de SGP, waarover sommige (voormalige) ChristenUnie-stemmers hun gal spuwden. Volgens opiniepeiler Maurice de Hond had de uitslag er anders uitgezien, wanneer niet zoveel kiezers ‘strategisch’ hadden gestemd. De ChristenUnie zou dan een zetel hebben gewonnen. Daarmee was ze dan terug geweest waar ze voor de vorige verkiezingen was.

Er is bij deze verkiezingen strategisch gestemd op een schaal die zelden eerder is vertoond. Velen waren er zo op gebrand dat de VVD dan wel de PvdA de grootste zou worden en dus zou kunnen bepalen hoe bij de kabinetsformatie de hazen lopen dat ze niet hun eerste keuze aankruisten, maar de partij die ze de leiding bij de formatie wilden geven. Het resultaat van al hun strategische overwegingen is uiteindelijk dat ze mogelijk beide partijen in de regering krijgen. Uit de peiling van Maurice de Hond mag worden afgeleid dat ook christelijke kiezers strategisch hebben gestemd. Kennelijk zagen ze er geen probleem in hun stem aan een seculiere partij te geven. Dat kan nauwelijks verwondering wekken, gezien het feit dat er zelfs christenen op de kandidatenlijsten van seculiere partijen stonden. Op 23 augustus publiceerde het Nederlands Dagblad een artikel waarin drie van hen aan het woord komen. Of eigenlijk zijn het er maar twee: Linda Voortman (D66) is weliswaar van rooms-katholieken huize en draagt haar religieuze opvoeding nog steeds met zich mee, zoals ze het zelf zegt, maar is niet “praktiserend gelovig” meer.

Jacques Monasch (PvdA) verwijst naar de bekende tekst van de profeet Micha om zijn politieke inspiratie te verwoorden. De bijbel is voor hem een belangrijke drijfveer, maar hij heeft nooit overwogen zich bij een christelijke partij aan te sluiten. “Ik heb bewust gekozen voor een partij waarin allerlei overtuigingen, dus ook van niet-christenen welkom zijn. Tegelijk moest er wel ruimte zijn om aan het christelijk geloof je drijfveer te ontlenen.”
Tjitske Siderius, gereformeerd vrijgemaakt, stond op de kandidatenlijst voor de SP. “De SP staat voor gelijkwaardigheid, solidariteit, menselijke waardigheid en naar je naaste omzien. Dat zijn waarden die ook in de Bijbel centraal staan. Voor mij is het belangrijk dat je niet alleen christen bént, maar ook daarnaar handelt. Juist de SP besteedt veel aandacht aan armoedebestrijding, zorg voor gehandicapten en goed onderwijs. Dat praktische kom ik in mijn partij veel meer tegen dan in partijen als CDA en ChristenUnie.”

Het feit dat kandidaten van seculiere partijen lid zijn van een kerk is op zichzelf niets nieuws. De politiek leider van de VVD, Mark Rutte, is ook lid van een kerk en liet niet na daarop te wijzen toen hij eerder dit jaar de jongeren van de SGP met een bezoek vereerde. Maar dat staat helemaal los van zijn politieke werk. Na de Tweede Wereldoorlog werden pogingen ondernomen christenen los te weken uit christelijke partijen en hen ertoe te bewegen zich bij de Partij van de Arbeid aan te sluiten. Men sprak hierbij van doorbraak. Dit streven ging nota bene van christenen uit, die waren beïnvloed door de Zwitserse theoloog Karl Barth, die principieel bezwaar had tegen christelijke politiek. Deze doorbraaksocialisten wilden overigens wel vanuit hun christelijke overtuiging binnen de sociaal-democratie actief zijn.

In de huidige discussies over christelijke politiek speelt Barth geen rol meer, althans niet expliciet. Monasch en Siderius sluiten zich in zoverre bij de doorbraaksocialisten aan dat zij zich door hun geloof laten inspireren in hun politieke werk. Siderius brengt dat tot uitdrukking door te zeggen dat ze een “christelijke SP’er” is en geen “socialistisch christen”.
In hun verantwoording van hun beslissing zich bij de PvdA respectievelijk de SP aan te sluiten, wijzen zowel Monasch als Siderius op elementen in het verkiezingsprogramma die zij belangrijk vinden. Bij beiden speelt naastenliefde een belangrijke rol, dat praktisch wordt vertaald in bijvoorbeeld aandacht voor armoedebestrijding en zorg voor gehandicapten. Het probleem is uiteraard dat deze partijen ook standpunten hebben waarvan je mag aannemen dat christenen er moeite mee hebben. Beiden erkennen dat die er zijn. Maar ze onderstrepen dat binnen hun partijen ruimte bestaat er op bepaalde punten anders over te denken.

De vraag is hoever die vrijheid gaat. Misschien is er wel vrijheid er anders over te denken en wellicht wordt er in de fractievergaderingen ook serieus naar hun opvattingen geluisterd. Maar hebben ze ook de vrijheid er in het openbaar anders over te spreken? Of wordt dat niet op prijs gesteld, omdat daarmee de eenheid van de partij wordt doorbroken? En hebben ze ook de vrijheid eventueel tegen de partijlijn te stemmen? Het is veelzeggend dat Monasch uiteindelijk, ondanks zijn twijfel, voor het verbod op ritueel slachten heeft gestemd. Even veelzeggend is hoe Siderius reageert op de vraag naar de opvattingen van de SP over het bijzonder onderwijs. Daartoe behoort dat de partij vindt dat een christelijke school iedereen als leerling moet accepteren, ook kinderen van niet-christelijke ouders. Ze erkent dat dit een “lastige discussie” is. Maar in plaats van daartegen in het geweer te komen, geeft ze in feite halverwege toe wanneer ze opmerkt dat het goed is dat kinderen al op basisschoolleeftijd met andere godsdiensten in aanraking komen. Wie zich van dit onderwerp op zo’n oppervlakkige manier afmaakt, heeft de discussie in de partij op voorhand al verloren.

Eén van de oorzaken van de politieke instabiliteit is dat de kiezers niet meer ‘merkentrouw’ zijn. Steeds minder mensen stemmen op grond van een samenhangende levens- of wereldbeschouwing. Het gevolg is dat de politiek uiteenvalt in losse issues, tussen welke men geen verband ziet. Dat lijkt ook in christelijke kring het geval te zijn. Willem Ouweneel schreef in het Nederlands Dagblad van 31 augustus een artikel waarin hij betoogt dat christenen niet seculier kunnen stemmen. Hij erkent veel van gereformeerden geleerd te hebben: zij beklemtoonden dat “Gods Woord gezag heeft over alle levensterreinen”. Hij zegt in feite na wat de gereformeerden decennia geleden graag zeiden: het leven is één. Dat sluit een concentratie op één beleidsterrein, met verwaarlozing van andere, uit. Christenen die zich door een seculiere partij laten kandideren of op zo’n partij stemmen doen in feite niets anders dan winkelen in de bijbel. Ze halen eruit wat zij belangrijk vinden en laten liggen wat hun niet uitkomt.

Dat is een verschijnsel dat bij deze tijd hoort. Volgens opiniepeilingen zou de ChristenUnie veel meer stemmen kunnen trekken wanneer ze haar standpunten over zaken als abortus, euthanasie en homohuwelijk zou aanpassen. Veel niet-christenen – en christenen die op deze punten ‘liberalere’ opvattingen hebben – vinden in haar programma veel dat hun aanspreekt. Ze haken af bij wat als ‘typisch christelijk’ geldt. Daaruit blijkt dat ze de motivatie van de ChristenUnie niet begrijpen. Ze prijzen de partij vanwege haar standpunten op sociaal-economisch gebied of ten aanzien van het milieu en de ontwikkelingssamenwerking. Ze hebben geen oog voor de oorsprong van die standpunten. Als de ChristenUnie zich ten aanzien van de zorg voor het milieu en voor de armsten in de wereld beroept op de Schrift, dan kan ze diezelfde Schrift moeilijk dichtlaten wanneer het om de zorg voor het ongeboren of naar het einde neigende leven gaat. Wanneer de Schrift doorslaggevend is in het spreken over het recht van de armen moet ze dat ook zijn wanneer het over de definitie van het huwelijk gaat. Het omgekeerde geldt uiteraard ook: wie het ongeboren leven verdedigt met een beroep op de Schrift zal ook de zorg voor de armen hoog op de agenda zetten, want de Schrift is daarover bepaald niet onduidelijk.

Wie met de Schrift selectief omgaat en daaruit alleen dat selecteert wat hem van pas komt, capituleert voor de seculiere ideologie dat de mens de maat van alle dingen is. En juist daar ligt het fundamentele verschil tussen seculiere en christelijke politiek. Het christelijk geloof zal altijd veel weerstand oproepen, omdat de Schrift een ongemakkelijk en weerbarstig boek is en een boodschap bevat die de mens tegen de haren instrijkt. Geen wonder dat ook een echt christelijke partij, bij alle waardering, altijd veel weerstand zal oproepen.

Dat geldt ook voor elke christenpoliticus. Wanneer hij op alle terreinen van het leven de Schrift het laatste woord wil geven, wordt het lastig te functioneren in een partij waarin het christelijk geloof hooguit één van de vele inspiratiebronnen is. Het seculiere jasje past een christen niet.