Archief

Posts Tagged ‘Stefan Paas’

John Chau en de belijdenis van Dordt

De naam John Allen Chau zou een paar maanden geleden niemand in Nederland iets gezegd hebben en ook in zijn eigen land, de Verenigde Staten, zou die niet veel herkenning opgeroepen hebben. Maar inmiddels is hij een soort beroemdheid geworden, maar dan op een andere manier dan hij gehoopt zal hebben. Wat begon als een missie, eindigde in een tragedie. In zijn pogingen de totaal geïsoleerde bevolking van North Sentinel Island bij India in aanraking te brengen met het evangelie, kwam hij in aanraking met hun afkeer van vreemdelingen. Hij moest zijn hardnekkigheid – want hij probeerde het, na een eerdere vergeefse poging, nog een keer – met de dood bekopen. Zijn lichaam kreeg een andere begrafenis dan zijn familie en vrienden voor hem in petto hadden, mocht hij komen te overlijden.

In de media heeft het incident nogal wat aandacht getrokken. Op veel sympathie hoefde het slachtoffer niet te rekenen. De algemene teneur was ‘eigen schuld, dikke bult’. Hij had gewoon de wensen van de bewoners van het eiland moeten respecteren. Op Twitter wees theoloog Stefan Paas er op dat in onze tijd weinig begrip, laat staan sympathie, bestaat voor zoiets als zending. Dat heeft uiteraard te maken met een algemene afkeer van religie – in elk geval in onze contreien – maar meer in het algemeen met onbegrip voor mensen die kennelijk zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat ze dat met iedereen willen delen en anderen daartoe willen ‘bekeren’.

Eigenlijk is dat nogal vreemd. Want er lopen in ons deel van de wereld – ‘het westen’, maar zeker ook Nederland – nogal wat lieden rond die er absoluut zeker van zijn dat hun opvattingen de (enige) juiste zijn. Ik heb nog nooit een politicus gehoord die toegaf dat mensen met tegenovergestelde opvattingen misschien wel gelijk zouden kunnen hebben. En er zijn tegenwoordig steeds meer mensen die beklemtonen dat ‘onze’ cultuur – voor de gelegenheid voorzien van de toevoeging ‘joods-christelijk’ – toch echt superieur is aan alle andere culturen. Je zou verwachten dat zulke mensen dan niets liever willen dan anderen daarvan te overtuigen. Maar dat lijkt niet het geval te zijn. Dat zou wel eens te wijten kunnen zijn aan het nationalisme dat steeds meer veld wint. Dat gaat er van uit dat elk land zijn eigen boontjes moet doppen en dat landen elkaar niet lastig moeten vallen. Ieder land staat het dan vrij zijn eigen cultuur te verdedigen, of anderen die nu appreciëren of niet. Vanuit die gedachte is het niet zo vreemd dat het concept van ‘universele mensenrechten’ in dit soort kringen niet op applaus mag rekenen.

Dat kan ook verklaren dat op sociale media sommigen bijna met jaloezie reageerden op de wijze waarop de eilandbewoners zich van een indringer ontdeden. “Dat zouden wij ook moeten doen”, schreef iemand op Twitter. Men mag dan neerkijken op ‘primitieve culturen’, als het er om gaat je eigen levenswijze te verdedigen tegen vreemdelingen, kunnen we kennelijk nog wel iets van hen leren.

Vanuit christelijk perspectief roept de hele kwestie nogal wat vragen op. Moeten we de vrij algemene kritiek op Chau bijvallen? Of zouden we hem moeten verdedigen en zelfs zijn moed en doorzettingsvermogen moeten bewonderen? Iemand die zo gedreven is om heidenen met het Evangelie bekend te maken, verdient toch bewondering? Is wat hem is overkomen niet het risico dat we lopen als we het zendingsbevel serieus nemen?

Jezus draagt zijn leerlingen inderdaad op alle volken tot zijn discipelen te maken. Dat hebben de eerste christenen ook in praktijk gebracht. We lezen daarover in het boek Handelingen. En de eeuwen door hebben christelijke kerken zich geroepen gevoeld het evangelie uit te dragen tot aan de ‘uiteinden der aarde’. In de recentere kerkgeschiedenis heeft de zending ook altijd een warme plek gehad in het leven van kerkleden. Toch heb ik het idee dat ook onder orthodoxe christenen, die geloven dat iedereen zich aan God en aan Christus gewonnen moet geven, weinig sympathie voor iemand als Chau bestaat. Ik heb in de pers in elk geval nog geen verdediging van zijn optreden gelezen.

Er is alle reden kritisch te kijken naar de geschiedenis van zending en missie (om gelijk ook even de rooms-katholieke variant er bij te betrekken). Voor veel mensen van onze tijd – christen of seculier – zijn zending en missie onlosmakelijk verbonden met het kolonialisme. Sommigen zullen die zelfs identificeren en zending als zodanig als een vorm van kolonialisme beschouwen. Het gaat te ver in dit verband daarop verder in te gaan. Maar de wat mildere variant, waarin kolonialisme en zending met elkaar verbonden worden, verdient wel serieuze aandacht. Want er kan geen twijfel over bestaan dat die connectie er is geweest. Zendelingen en missionarissen zijn in het kielzog van kolonisten in Afrika, Azië en Latijns-Amerika terecht gekomen. De kolonisatie was het voertuig waarin ze meeliftten. Weliswaar vonden de kolonisatoren de bekering van ‘inboorlingen’ heel belangrijk – of in elk geval deden ze het voorkomen of ze er belang aan hechtten – maar als puntje bij paaltje kwam gaf het economisch gewin toch de doorslag. Meestal won de koopman het van de dominee, ook in de activiteiten van bijvoorbeeld de VOC. En er kan geen twijfel over bestaan dat zending en missie vaak geen of te weinig afstand hebben gehouden van de economische en politieke activiteiten die we nu samenvatten onder de noemer ‘kolonialisme’.

Het is dan ook niet voor niets dat in onze tijd de verhoudingen veranderd zijn. Zoals niet meer gesproken wordt over ontwikkelingshulp, maar over ontwikkelingssamenwerking, wordt ook door zendingsorganisaties steeds meer en steeds sterker de ‘ontvangende’ partij als gelijkwaardig gezien en behandeld. Er wordt niet meer eenzijdig aangeboden – of opgedrongen – wat kerken in het westen belangrijk vinden, maar er wordt veel meer geprobeerd te voorzien in behoeften die door christenen en kerken in landen in de ‘derde wereld’ op tafel worden gelegd. En ook bij het ontsluiten van nieuwe gebieden kijkt men vooral naar wat gedaan kan worden vanuit de directe omgeving. Afrikaanse kerken die in Afrika zending drijven is het uitgangspunt, waarbij westerse kerken hooguit met kennis en financiën kunnen assisteren.

Er is dus alle reden kritisch te kijken naar zendingsactiviteiten zoals die van Chau. Maar laten we niet in karikaturen vervallen. Het wekt verbazing dat hij, volgens de berichten, in het Engels de eilandbewoners toegeschreeuwd zou hebben: “My name is John, I love you and Jesus loves you.” Dit suggereert dat hij impulsief te werk ging. Maar dat lijkt niet het geval te zijn geweest. Vanuit All Nations, de evangelische missie-organisatie die hem steunde, wordt meegedeeld dat Chau “thorough and meticulous in his preparation” was en zelfs in quarantaine was geweest om te voorkomen dat hij ziekten zou overdragen, waartegen de eilandbewoners, als gevolg van hun isolatie, geen afweer hebben.

Dat neemt niet weg dat we kritische vragen mogen en moeten stellen over zijn missie. In analyses is er op gewezen dat zijn activiteiten en die van anderen geworteld zijn in de evangelische zending zoals die in de 19e eeuw in de Verenigde Staten is ontstaan. William Smelvoe schrijft: “From the beginning of the 19th century, Protestants sent missionaries abroad under mission boards that required seminary education and full funding for prospective recruits. By the end of the 19th century, however, some mission leaders believed that the established missions were evangelizing the world at much too slow a pace. Evangelicals believe in a hell where the souls of those who don’t convert to Christianity will burn forever. Missionaries are motivated by Christ’s words in the “Great Commission” to “make disciples of all nations.” In these biblical verses, the risen Christ commands his disciples to go into all the world and preach the gospel. This command has motivated the missionary enterprise for centuries.”

“Evangelicals believe in a hell where the souls of those who don’t convert to Christianity will burn forever.” Als dat de motivatie voor zending is, heeft men toch de boodschap van de Schrift niet helemaal begrepen. Over de realiteit van de hel is de Schrift glashelder. Dat uiteindelijk het geloof in Christus en zijn verzoenend werk beslissend is voor de eeuwige toekomst van de mens, daarover laat ze evenmin onduidelijkheid bestaan. Maar in zijn zendingsbevel formuleert Jezus geen motief. Het is een eenvoudige opdracht. Het doel is iedereen te leren alles te onderhouden wat Hij zijn leerlingen geboden heeft. Daarmee legt Jezus de verbinding met de beden waarmee het Onze Vader begint: “Laat Uw koninkrijk komen” en “Laat Uw wil gedaan worden”. Dat gebed is gericht tot de Vader. En daarmee komen tegelijk zending en evangelisatie in een bepaald perspectief te staan. Het gaat in de zending uiteindelijk niet om de toekomst van de mens, maar om de eer en de wil van de Vader.

Chau is een typisch product van wat men geloofszending noemt, die niet kerkelijk gebonden is en niet werkt binnen een confessioneel kader. Veel Amerikaanse zendingsorganisaties wortelen in het methodisme, dat sterk arminiaans gekleurd is. Daarin wordt aan de mens een doorslaggevende rol in het aanvaarden of afwijzen van het geloof toegekend. De uitverkiezing blijft helemaal buiten beeld. Maar die heeft alles te maken met de manier waarop naar zending en evangelisatie gekeken wordt.

In het Nederlands Dagblad bracht oud-zendeling Jacob Kruidhof dit ooit zo onder woorden: “Het tweezijdige verbond tussen God en zijn volk is ingesteld en wordt onderhouden door de eenzijdige kracht van God. God en mens vullen elkaar niet aan, maar God doet alles alleen. En onderdeel van Gods werk is dat Hij zijn tegenpartij, zijn counterpart, ook maakt tot een echte partij die gebracht wordt tot echt en zuiver meedoen. (…) Hoe wordt de mens Gods tegenpartij? Door de verkondiging van het evangelie. Lazarus was dood en kon niets horen en kon zich niet bewegen, maar Jezus’ roepen máákte hem tot een levend mens die meewerkt. Zo maakt God mensen die niet kunnen en willen horen, door zijn evangelieverkondiging tot zijn tegenpartij die graag met Hem meegaat. Wie verkondigen dat? De mensen die Hij verkiezend zendt. Tot wie? Tot wie Hij verkiezend zendt. Wie maakt Hij daardoor levend? Hen die Hij door dat evangelie verkiezend gehoor geeft. Anders gezegd: Wij vinden onze plek door zijn verkiezing te gehoorzamen.” We horen hier de weerklank van de Dordtse Leerregels.

Kruidhof wijst dan vervolgens op de menselijke beperkingen. We moeten het Evangelie ‘tot aan de einden der aarde’ uitdragen, “maar niet aan allen tegelijk”. En, vul ik vanuit het onderwerp waaraan dit blog is gewijd, toe: niet door ruiten en roeien. Het staat nergens zo in de bijbel, maar ik denk dat het spreekwoord dat tot het onmogelijke niemand gehouden is, een heel christelijke waarheid verwoordt. Want God vraagt van niemand wat menselijk gesproken onmogelijk is. De ‘invasie’ op North Sentinel Island was volgens de Indiase wet illegaal. Dat moet ook de zending in eerste instantie respecteren. Bovendien: rekening houden met de uitverkiezing betekent respect voor het werk van de Geest. In het boek Handelingen lezen we soms dat de plannen van de apostelen door de Geest zelf worden doorkruist. En Paulus nam zich voor naar Spanje te gaan, maar er is geen enkele reden te geloven dat hij daar ook is geweest. De Geest had voor hem iets anders in petto.

Respect voor het werk van de Geest betekent ook dat we de mogelijkheid moeten incalculeren dat hij volken, die voor ons onbereikbaar zijn, wel op andere manieren, zonder menselijke inbreng, met het Evangelie kan aanraken. En zelfs zonder een bijzondere activiteit van de Geest is, zoals artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt, niemand te verontschuldigen voor zijn ongeloof: de schepping, onderhouding en regering van de wereld zijn welsprekende bewijzen van Gods “eeuwige kracht en goddelijkheid”.

Dat geeft ontspannenheid in zending en evangelisatie. Christenen en de christelijke kerk mogen hun handen in onschuld wassen, wanneer het onmogelijk blijkt bepaalde mensen of culturen met het Evangelie te confronteren.

Had Chau de Schriftuurlijke belijdenis van de uitverkiezing tot de zijne gemaakt, dan was hij nu wellicht nog in leven geweest.

Advertenties

De charismatische misleiding

We leven in een emotiecultuur. Goed is wat goed voelt. Er wordt gestemd met de onderbuik. Samenzweringstheorieën die op internet circuleren, worden grif geloofd wanneer ze aansluiten bij wat mensen toch al voelden. Over mensen en zaken wordt geoordeeld zonder kennis van zaken. Wanneer iemand emoties met feiten en cijfers te lijf gaat is toorn zijn deel.

Deze tendens gaat de christelijke wereld bepaald niet voorbij. Er zijn legio voorbeelden te noemen. Recent was het de bewering dat in Birma kinderen tijdens een bezoek van de charismatisch-evangelische organisatie TRIN waren genezen. Inmiddels heeft nader onderzoek uitgewezen dat deze beweringen niet met feiten te staven zijn (Nederlands Dagblad, 8 oktober 2011). De manier waarop de organisatie twijfels aan haar beweringen te lijf ging en op het kritische onderzoek reageerde legt veel bloot van de manier waarop sommigen hun christelijk geloof hanteren en beleven.

Het is typerend voor een bepaald soort gelovigen, vooral uit de evangelisch-charismatische hoek, veel aandacht te besteden aan wonderen. Dat heeft alles met de sterk emotioneel gekleurde omgang met het geloof te maken. Christus heeft de wereld overwonnen en christenen zijn meer dan overwinnaars, zeggen ze Paulus na. En dat moet dan ook te zien zijn. Deze tak van christendom wordt gekenmerkt door een sterk optimistisch wereldbeeld dat vaak nauw verbonden is met het welvaartsevangelie dat vooral in de Derde Wereld veel aanhangers heeft. De gebrokenheid van de wereld – ook van de christelijke wereld – komt daarbij nauwelijks uit de verf. Daarin past ook de visie dat ziekten en kwalen en zelfs handicaps door gebed te genezen zijn. Sommige aanhangers van gebedsgenezing gaan daarbij zelfs zover dat ze het uitblijven van genezing wijten aan een gebrek aan geloof.

In de bijbel wordt nergens beweerd dat gelovigen ziekten kunnen overwinnen wanneer hun geloof maar sterk genoeg is. Sinds enkele maanden presenteert zich zelfs een groepering die beweert doden te kunnen opwekken. Elk Schriftbewijs dat christenen die bevoegdheid bezitten, ontbreekt. Dat het gelovigen materieel goed zal gaan, zoals vertegenwoordigers van het welvaartsevangelie beweren, vindt evenmin ergens steun in de Schrift. Het boek van de Psalmen is vol van klachten over de voorspoed van de goddelozen en de moeiten van de kinderen van God. Dat is in de nieuwtestamentische tijd niet veranderd, zoals Paulus in zijn brieven laat zien. Gebrek, ziekte en dood blijven deel van ons bestaan.

Natuurlijk, wonderen kunnen gebeuren. We moeten niet te klein denken van God. Maar als Hij wonderen doet, kunnen die de toets van kritisch onderzoek doorstaan. Degenen die claimen dat God wonderen heeft gedaan, zijn meestal wars van zulk onderzoek. Er bestaat de neiging te denken dat je goed voorgesorteerd moet staan om wonderen te kunnen zien. Wie niet gelooft, ziet ze niet. Zelfs na de kritische berichten over de ‘genezingen’ in Birma houden sommigen vol dat die wel degelijk hebben plaatsgevonden. “Maar de Birmese gids, lokaal voorganger Noah, die de Nederlanders naar het blindeninstituut begeleidde, blijft ook na het zien van televisiebeelden van de nooit genezen jongens op de blindenschool overtuigd van het wonder. ‘Misschien wil de blindenschool er niet aan, maar ik heb het met mijn eigen ogen gezien. God mag over mij oordelen als ik tegen jullie lieg'”, aldus het Nederlands Dagblad van 8 oktober.

Daarin komt het individualistische, elitaire en in wezen totalitaire karakter van het charismatische christendom tot uiting, dat wordt gedomineerd door emotie. Die is per definitie elitair: emotie is persoonlijk en onttrekt zich aan het kritisch oordeel van de gemeenschap. Emotie valt buiten categorieën als ‘waar’ en ‘onwaar’. Scepsis wordt daarom al gauw als een persoonlijke aanval ervaren. Dat wordt nog versterkt door de leiderschapscultuur die de charismatische wereld kenmerkt. Geestelijke leiders zijn ervan overtuigd door God zelf – via ‘innerlijk licht’ of een speciale ‘openbaring’ – geroepen te zijn. Scepsis ten aanzien van beweringen die geestelijke leiders doen is een aanval op hun leiderschap en hun roeping. En als die roeping van God zelf komt, is het niet zo’n grote stap kritiek op die roeping als strijd tegen God te interpreteren.

Dat verklaart ook dat de waarnemingen van wonderen vaak met goddelijk gezag bekleed worden. “Mensen die twijfelen aan deze wonderverhalen, weten het zelf misschien niet, maar ze worden gebruikt door satan, de verspreider van alle leugens”, zegt de eerder genoemde Noah. Mattheus van der Steen, oprichter en directeur van TRIN, tapt uit hetzelfde vaatje. “Het is niet als dreigement bedoeld, maar als door jullie reportage ons werk in de problemen komt, dan kleeft het bloed van onze weeskinderen aan jullie handen”, zo wordt hij in het Nederlands Dagblad geciteerd, als reactie op het onderzoek naar het waarheidsgehalte van zijn beweringen. Op de kritiek van Marten Visser, die als zendeling in Thailand werkt, reageert hij zo: “Hij heeft me ook voor alles uitgemaakt en man, wat een oordeel haalt deze man op zijn eigen leven en zijn gezin en werk”.

Willem Ouweneel, die de claims van Van der Steen lange tijd heeft gesteund, wordt zo geciteerd: “Onze taak is alleen te getuigen van alles wat God op de reis in Birma heeft gedaan. We hoeven niets te “bewijzen”, we hebben alleen getuigd. Niemand hoeft ons getuigenis aan te nemen, maar iedereen die het bestrijdt, moet zich wel afvragen of hij/zij niet met de Grote Genezer zelf strijdt. Laten wij ervoor oppassen elkaars getuigenissen als leugens af te doen en te veroordelen.” Een hoogst merkwaardige opvatting, die weinig te maken heeft met de manier waarop de Schrift over ‘getuigen’ spreekt. De meeste apostelen zijn getuigen geweest van Jezus’ werk en van zijn opstanding. Maar dat weerhoudt de heilige Geest er niet van Lucas een evangelie te laten schrijven, dat het resultaat is van nauwkeurig onderzoek naar de feiten. Het christelijk getuigenis houdt altijd stand, wanneer het door kritische beschouwers onder een vergrootglas wordt gelegd. En een getuigenis volgens Schriftuurlijke normen functioneert altijd binnen een gemeenschap en is niet het privébezit van de enkeling.

Diegenen die zich als werktuig van de charismatische misleiding hebben laten gebruiken, hebben wel wat uit te leggen. Ouweneel trekt uit het bovengenoemde kritische onderzoek naar de beweerde wonderen de conclusie: “Als we ons vergist hebben, dan hebben we ons vergist.” Maar zo gemakkelijk kan hij zich er niet van afmaken. In plaats van sceptici op te roepen zich af te vragen of ze niet met de “Grote Genezer” zelf strijden, zouden hij en anderen die wonderbaarlijke genezingen zonder onderzoek voor waar aannemen en elke scepsis te vuur en te zwaard bestrijden, de hand in eigen boezem moeten steken. God geneest, maar wel op zijn tijd en wijze. Tot het wezen van het christelijk geloof behoort ook het erkennen en aanvaarden van zijn soevereiniteit. De wonderen die Jezus en later zijn leerlingen verrichten, staan niet op zichzelf. Sommigen worden genezen, anderen niet. Die wonderen hebben dan ook als eerste doel naar God te verwijzen en de genezenen en de toeschouwers op te roepen tot geloof. Degenen die wonderen claimen die geen wonderen blijken te zijn en degenen die zich voor hun propagandakarretje laten spannen moeten zich afvragen wat de effecten van hun acties zijn. Worden mensen daardoor tot geloof gebracht of wordt het koninkrijk van God daardoor eerder geschaad?

Recent schreef Stefan Paas: “De tegenstellingen onder protestantse christenen lopen allang niet meer langs de lijnen van orthodoxie en vrijzinnigheid. (…) De grote tegenstelling in het protestantse kamp is die tussen charismatische en ‘gewone’ christenen”. Dat lijkt me iets te absoluut geformuleerd, maar hij heeft gelijk dat er een grote kloof gaapt tussen charismatische en niet-charismatische christenen. Hoe gaan we daarmee om? Sommigen menen dat ze van elkaar iets kunnen leren. Het is de vraag of charismatische christenen wel iets willen leren van andere christenen. Zij hebben immers het licht gezien dat voor anderen verborgen blijft? Je zou wensen dat ze open staan voor de visie op de Schrift, zoals die in de gereformeerde belijdenisgeschriften tot uitdrukking komt.

Kunnen gereformeerden iets van charismatischen leren, bijvoorbeeld om niet te klein te denken van God? Daarvoor hebben ze de charismatischen echt niet nodig. Ze kunnen beter de Schrift lezen. En de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Àls gereformeerden te klein denken van God, kunnen ze zich daarvoor niet op hun belijdenis beroepen. Die leert hun groot te denken van God en klein te denken van de mens. Vooral dat laatste zou voor charismatischen – en voor gereformeerden – wel eens heel vruchtbaar kunnen zijn.

Kerk zonder drempels

10 januari 2011 1 reactie

Openbare gebouwen behoren voor iedereen toegankelijk te zijn. Daarom wordt ernaar gestreefd zoveel mogelijk drempels en andere obstakels voor rolstoelgebruikers te vermijden. Ook bij nieuwbouw en verbouw van kerken wordt daar steeds meer op gelet. En dat is mooi: ook kerken behoren voor iedereen toegankelijk te zijn.

Het vermijden van fysieke obstakels is belangrijk, maar dan blijven er nog genoeg hindernissen over. En dan doel ik op hindernissen van geestelijke aard. Vroeger kon je in discussies over evangelisatie nog wel eens horen zeggen: de deuren van de kerk staan elke zondag open. Daarmee wilde men dan zeggen dat het niet zo nodig is over allerlei specifieke methoden van evangelisatie na te denken, want iedereen die dat wil kan zomaar een kerk binnenlopen. Op zichzelf is dat een waarheid als een koe, maar daarbij ontbreekt het besef dat er voor een ‘buitenstaander’ heel wat drempels te overwinnen zijn om een kerk binnen te gaan.

Dat is zeker in onze tijd het geval. Inmiddels zijn er enkele generaties waarvan een niet onaanzienlijk deel helemaal zonder christelijk geloof is opgegroeid. Dat een niet gering deel van de Nederlandse bevolking inmiddels nauwelijks weet heeft van de betekenis van de grote christelijke feesten is veelzeggend. De kans dat zulke mensen een kerk binnenstappen is al gering, de kans dat ze, àls ze dat al doen, ook maar iets begrijpen van wat daar gebeurt en gezegd wordt, is nog kleiner. Het is dus begrijpelijk dat in christelijke kring wordt nagedacht over middelen om de drempels tussen ‘buitenstaanders’ en de kerk te slechten, zodat kerkdiensten niet uitsluitend voor ‘ingewijden’ te volgen zijn.

Recent trof ik een artikel aan waarin Stefan Paas – die zich al vele jaren met evangelisatie en kerkplanting bezighoudt – aan het woord komt. Hij merkt op dat elke kerk laagdrempelig is, maar dan wel voor verschillende mensen. “Het woordje ‘laagdrempelig’ wordt vaak aan missionaire kerken toegeschreven. Maar kerken zijn altijd laagdrempelig voor bepaalde groepen mensen. Ook een heel erg naar binnen gekeerde kerk is dat: die is laagdrempelig voor doorgewinterde kerkgangers.” Uit het artikel blijkt dat hij vindt dat de kerk voor iedereen laagdrempelig moet zijn. “Als het Evangelie voor iedereen is, hoort er ook een stijl van preken bij die dat laat zien. Een preek mag niet alleen door de mensen die bij catechisatie zijn geweest begrepen worden. Als dat zo is dan maakt de kerk niet waar wat men zegt te geloven. Dat vind ik ernstig.”

Hiermee snijdt Paas een wezenlijk probleem aan. Er bestaan grote verschillen tussen mensen. Dat is in de evangelisatie al lastig genoeg. De mate van kennis van het christelijk geloof verschilt en er zijn grote verschillen in intelligentie en maatschappelijke achtergrond. De Nederlandse maatschappij is multicultureel geworden, niet maar alleen door de toestroom van mensen uit andere landen en culturen. Ook tussen mensen die in Nederland geboren zijn, worden de verschillen eerder groter dan kleiner. Je zou kunnen zeggen dat er nauwelijks nog een dominante cultuur bestaat, en dat de meeste mensen tot een bepaalde subcultuur behoren. Welke methode van evangelisatie men ook kiest, die zal altijd een beperkte reikwijdte hebben en niet in alle gevallen effectief zijn.

In de evangelisatie is daaraan in zoverre een mouw te passen dat verschillende methodieken naast elkaar kunnen worden gebruikt en dat men ervoor kan kiezen zich op een specifieke groep van de bevolking te richten. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer men zich concentreert op evangelisatie onder moslims. Maar als het om de kerkdienst gaat, is het gesignaleerde probleem niet zo gemakkelijk oplosbaar. De voorganger weet immers niet van elke toehoorder tot welke (sub)sultuur hij behoort. Wellicht heeft hij wel een beeld van de achtergrond en het niveau van zijn eigen gemeenteleden, maar als er inderdaad ‘buitenstaanders’ onder zijn gehoor zijn, kan van hem niet verwacht worden dat hij hun achtergrond en niveau kent.

Paas signaleert het probleem wel, maar een oplossing lijkt hij ook niet in de aanbieding te hebben. Dat heeft wellicht ook daarmee te maken dat hij zich onvoldoende realiseert hoe groot de culturele verschillen tussen kerkgangers zijn. Hij merkt op dat de sfeer van een kerkdienst belangrijk is en dat bezoekers zich welkom moeten voelen. Maar er zijn verschillen in beleving: het ene gevoel is het andere niet. Terwijl de ene bezoeker de sfeer als plezierig ervaart, voelt de ander zich een kat in een vreemd pakhuis. De ene toevallige bezoeker stelt het op prijs persoonlijk welkom te worden geheten, terwijl de ander er de voorkeur aan geeft onopgemerkt zich onder de kerkgangers te mengen. De manier waarop in sommige kerken alle bezoekers bij de ingang door middel van een handdruk welkom worden geheten, geeft blijk van een gebrek aan besef van zulke verschillen.

Als het om de kerkdienst zelf gaat, wordt het probleem alleen nog maar groter. Wanneer men zich in de liedkeuze aansluit bij de populaire muziek, zal dat wellicht sommige buitenstaanders aantrekken. Anderen – die een wat meer klassieke smaak hebben – zouden kunnen besluiten een deurtje verder te gaan. Paas vindt dat voorgangers een voorbeeld aan Jezus zouden moeten nemen. “Een missionaire preek is niet zo heel bijzonder. Ik zie het als een gewone preek waarin de spreker er rekening mee houdt dat er niet gelovigen aanwezig zijn. Jezus is voor mij daarin een voorbeeld. De gelijkenissen van Jezus zijn heel boeiend. Hij gebruikte daarin seculiere voorbeelden van gebeurtenissen die je destijds kon aantreffen in Israël. Zo kwam Hij heel dicht bij de mensen en legde Hij dingen bloot.”

Dat lijkt een treffend voorbeeld. Maar bij nader inzien is het wellicht niet zo gelukkig gekozen. Koos Jezus niet vooral voor de methode van de gelijkenis om de zin van wat hij bedoelde verborgen te houden? En waren zijn gelijkenissen zo doorzichtig als Paas suggereert? Zelfs zijn leerlingen begrepen lang niet altijd wat Hij wilde zeggen. Niet zelden vroegen ze Hem om uitleg.
Het is waar dat Jezus teruggreep op het dagelijks leven. Vaak gebruikt Hij beelden uit de agrarische wereld. Dat is begrijpelijk: ook al kende Israel een aantal steden en waren er ook mensen in niet agrarische beroepen werkzaam, Israel was een agrarische samenleving en dan ligt het voor de hand beelden uit het agrarische leven te gebruiken. Maar hoe moet dat dan in onze moderne maatschappij?

Agrarische beelden zijn nauwelijks nog bruikbaar. Zelfs op het platteland is niet iedereen meer in de agrarische sector werkzaam. En doorgewinterde stadsmensen kunnen misschien nog wel een koe van een varken onderscheiden, maar daarmee houdt het waarschijnlijk wel op. Welk alternatief dient zich aan? Ik heb bij Paas geen voorbeeld aangetroffen van een beeld dat de doorsnee kerkganger – gelovig of (nog) niet gelovig – zou kunnen aanspreken. Het zal ook niet meevallen zo’n beeld te verzinnen. Dat heeft alles te maken met het gesignaleerde verschil in cultuur. En dat moet hier dan ruim worden opgevat. Daarmee hangen ook verschillen in beroep, opleiding, levensomstandigheden en sociaal-economische situatie samen.

Beelden uit de moderne netwerksamenleving mogen de meeste jongeren aanspreken, anderen kennen die hooguit van horen-zeggen. Wanneer een voorganger in een preek – bijvoorbeeld in de lijdenstijd – naar Bachs Matthäus-Passion verwijst, zal dat bij de meeste jongeren waarschijnlijk op rotsachtige bodem vallen, aangezien te vrezen valt dat ze daarmee niet zijn opgegroeid. Maar als een predikant een lied van een zanger aanhaalt, kan een deel van de kerkgangers hooguit uit de context opmaken dat het om een gospelzanger gaat. Maar de zin van zo’n verwijzing zal hun dan geheel ontgaan. En zo zou er nog veel meer te noemen zijn.

Het valt moeilijk in te zien hoe dit probleem opgelost zou kunnen worden. Binnen de gemeente van ‘ingewijden’ een manier van preken vinden die zoveel mogelijk recht doet aan de verschillen in achtergrond is al moeilijk genoeg. Het streven zowel de ‘ingewijde’ als de ‘buitenstaander’ aan te spreken is als het zoeken naar een vierkante cirkel. Dat is niet alleen vruchteloos, het is zelfs de vraag of het wenselijk en nodig is. Is de kerkdienst het meest geschikte middel voor evangelisatie? Laten we er ons geen illusies over maken: ook als de preek heel eenvoudig is blijft er voor de ‘buitenstaander’ nog heel veel over waarvan de betekenis hem geheel ontgaat.

De kerkdienst is ook niet in de eerste plaats bedoeld om mensen tot geloof te brengen. De kerkdienst is een ontmoeting tussen God en zijn huisgezin. Hij laat zich daar kennen door het Woord en de sacramenten, en Hem wordt daar de eer gebracht waarop Hij recht heeft. Dat is het wezen van de eredienst. De karakterisering van de kerk als Gods huisgezin geeft al aan dat van gasten – degenen die (nog) niet tot dat huisgezin behoren – enige inspanning mag worden verwacht om vertrouwd te raken met de eigenaardigheden, die de kerk – net als ieder gezin – aankleven. Dat leden van dat gezin daarbij hulp bieden is vanzelfsprekend. Maar van een gezin mag niet verwacht worden dat ze zich volledig aanpast aan de gast. Wie bij een gezin aan tafel zit, eet wat de pot schaft.

Kerkgroei: een normale conditie?

29 maart 2010 1 reactie

‘Randen van de kerk moeten flexibeler worden’. Dat was een kop in het Nederlands Dagblad van 19 maart. Die stond boven een verslag van de conferentie van Europese gereformeerde en presbyteriaanse kerken, die vorige week in Edinburgh werd gehouden. Zo’n kop intrigeert, want wat wordt precies bedoeld met de ‘randen van de kerk’? En in welke zin moeten die ‘flexibeler’ worden?

Het thema van de conferentie was de missionaire kracht van de gereformeerde theologie en traditie. Er werd gesproken over de mogelijkheden als kerken ‘Europa te bereiken’. Daarbij draaide men er niet omheen dat daarvan tot nu toe niet veel terecht is gekomen. In het verslag werd een impressie gegeven van een gesprek tussen de Schotse dominee David Robertson en de Nederlandse theoloog Stefan Paas. Ondanks hun verschillen van mening op bepaalde punten deelden ze de overtuiging dat “de grenzen van de kerk veel flexibeler moeten worden”. “De Bijbel en het kruis in het centrum, daar moet alles om gaan, en daarnaast ‘veel ruimte aan de grenzen’.”

Het blijft wat onduidelijk wat ze daaronder precies verstaan. Heeft men vooral het culturele aspect op het oog? Of bedoelt met een concentratie op wat tot het centrum van het christelijk geloof behoort? Zijn dat de Bijbel en het kruis? Zo ja, wat is dan precies ‘de rand’ of wat zijn ‘de grenzen’?

Andere opmerkingen die volgens het verslag zijn gemaakt, helpen niet verder. Robertson wijst erop dat de kennis van het evangelie zo gering is geworden dat de kerken vragen beantwoorden die de mensen niet stellen. En Stefan Paas is kritisch over de belijdenisgeschriften, omdat ze niet ingaan op vragen die “christenen en moderne mensen nu bezighouden”. Daartoe rekent hij de vraag of God bestaat, over de verhouding tussen schepping en wetenschap en over de islam. Maar zijn dat dan wel zaken die het centrum van het christelijk geloof betreffen? Het bestaan van God uiteraard wel, maar de verhouding tussen geloof en wetenschap? Zou het feit dat de belijdenisgeschriften daarover zwijgen er op kunnen duiden dat dit niet tot het centrum van het christelijk geloof behoort?

Een belangrijk thema binnen de evangelisatie van nu is het fenomeen van de kerkplanting. Dat zou wel eens met de hier gesignaleerde problemen kunnen samenhangen. Kerkplanting is eigenlijk een poging overnieuw te beginnen en ‘historische ballast’ achter zich te laten. Wellicht kan men dan gemakkelijker aansluiten bij de moderne cultuur en ingaan op vragen die de mensen van nu stellen. Maar uit het verslag van de slotdag van de conferentie blijkt wel dat ook dit niet van een leien dakje gaat.

Heeft dat wellicht te maken met overspannen verwachtingen? Dat is een kwaal waaraan mensen die zich veel met evangelisatie bezighouden, nogal eens lijken te lijden. Ze constateren dat veel mensen onbevredigd zijn over hun leven en vaak ervaren dat het leeg is. Maar mag je daaruit de conclusie trekken dat die mensen ook op het evangelie zitten te wachten? De Schotse kerkplanter David Meredith zegt, volgens het Nederlands Dagblad van 19 maart: “Dat een kerk groeit, is een normale conditie. Zo niet, dan is er iets mis”.

Dat is een nogal boude uitspraak. Waar in de bijbel is te lezen dat groei de ‘normale conditie’ van de kerk is? De bijbel heeft het eerder over toenemende afval en zelfs de mogelijkheid dat de kerk geheel verdwijnt – niet van de aarde, maar toch wel uit een deel van de wereld. Bovendien verdwijnt op deze manier de bijbelse notie dat het de heilige Geest is die geloof geeft, uit beeld. De Geest waait waarheen hij wil: hij kan mensen het geloof geven, maar het hun ook onthouden.

Merediths uitspraak is niet alleen bijbels moeilijk te verantwoorden, ze zet ook de christelijke kerk en elke christelijke gemeente onder onaanvaardbare druk. De consequentie van deze opvatting is namelijk dat wanneer een gemeente niet groeit, de oorzaak bij haar zelf ligt.

Nu is er uiteraard geen enkel bezwaar tegen wanneer een gemeente eens kritisch naar zichzelf kijkt. Sterker nog, dat moet ze voortdurend doen, en niet alleen wanneer er geen groei is. Maar het is niet eerlijk een gemeente per definitie de schuld van een gebrek aan groei te geven. Daarmee doet men haar en haar leden onrecht.

Het kan ook leiden tot krampachtigheid. Omdat de gemeente behoort te groeien gaat men zich in allerlei bochten wringen om die groei te bewerkstelligen. En dat kan ongewenste effecten hebben. De aandacht voor ‘buitenstaanders’ kan zoveel aandacht opslokken dat de zorg voor de leden van de gemeente erbij inschiet. Men kan zover gaan in het zich aanpassen aan wat men denkt dat buitenstaanders verwachten of wensen aan te treffen dat bij de leden van de gemeente een gevoel van vervreemding optreedt.

Wanneer een gemeente groeit door toetreding van mensen die niet met het geloof zijn opgegroeid en vreemd staan tegenover kerkelijke gewoonten en tradities, zal de kerkelijke cultuur logischerwijs veranderen. Dat is niet erg, want die cultuur is voor een groot deel niet specifiek gerelateerd aan bijbelse voorschriften. Maar dat de kerk per definitie haar eigen cultuur heeft, daarvoor hoeft ze zich niet te schamen of te verontschuldigen. Een kerk is iets fundamenteel anders dan de publieke samenleving.

In de samenleving kunnen allerlei opvattingen en culturen naast elkaar bestaan. In de kerk is dat anders. Hoe verschillende ‘culturen’ – hoe ook gedefinieerd – in de kerk samen kunnen leven, daarover zou nog eens een stevig debat gevoerd moeten worden. Maar als de kerk echt wil openstaan voor wie nu nog ‘buiten’ zijn, zal ze gastvrij moeten zijn, maar tegelijk duidelijk moeten zijn over het centrum en de grenzen van de kerk. Juist de belijdenisgeschriften zijn daarbij een onmisbaar hulpmiddel.