Archief

Posts Tagged ‘Stroom’

Modern is ouderwets

“Verontruste kerkleden zijn eigenlijk modern”, staat als kop boven een artikel in de bijlage ‘Gulliver’ van het Nederlands Dagblad van 18 januari j.l. Dat is nog eens wat anders dan te worden weggezet als ‘ouderwets’ of ‘niet van deze tijd’. Maar dat is schijn. De auteur, Maarten J. Verkerk, bijzonder hoogleraar christelijke wijsbegeerte aan enkele universiteiten, gebruikt de term ‘modern’ in filosofische zin en zet die tegenover ‘postmodern’. Met behulp van deze begrippen wil hij de tegenstellingen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) analyseren. Hij spreekt in dit verband van een “clash tussen een ‘moderne’ en een ‘postmoderne’ kerk”. Die ziet hij geïllustreerd in de tegenstelling tussen de ‘verontrusten’ die vorig jaar in Bunschoten bijeen kwamen en de kerkplantingsgemeente ‘Stroom’ in Amsterdam, die in het kerkverband wilde worden opgenomen, ondanks afwijkende kerkelijke praktijken.

Het kan zeker zinvol zijn met behulp van filosofische begrippen verschijnselen in kerkelijke kring te analyseren. Het is dan wel van belang die begrippen goed te definiëren en na te gaan of die definities wel passen bij de beschreven verschijnselen. Verkerk geeft wel een karakterisering van de door hem gehanteerde begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’, maar wanneer hij die vervolgens gaat toepassen op de door hem genoemde ‘stromingen’, slaat hij de plank mis. Ik zal me hier niet gaan bezighouden met de vraag of, bijvoorbeeld, de ‘Stroom’-gemeente zich herkent in het beeld dat Verkerk van een ‘postmoderne’ kerk schetst. Vertegenwoordigers van die gemeente en degenen, die haar na staan, kunnen voor zichzelf spreken. Ik concentreer me op het beeld dat Verkerk van de ‘verontrusten’ schetst. Het feit dat hij die term gebruikt, doet al vermoeden dat zijn sympathie niet aan die kant ligt. De ‘verontrusten’ willen niets anders dan gewoon gereformeerd blijven. Ik zal daarom de term ‘gereformeerden’ voor hen gebruiken.

Wat moeten we, volgens Verkerk, onder ‘modern’ en ‘postmodern’ verstaan? Hij maakt dat duidelijk door drie begrippenparen, die de tegenstelling tussen beide karakteriseren: “kennis versus beleving, uniformiteit versus diversiteit en beheersing versus ontwikkeling”. De eerstgenoemde begrippen acht hij karakteristiek voor de gereformeerden.

De tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ is heel herkenbaar. We leven in een tijdperk waarin ‘beleving’ centraal staat. In een artikel op Trouw.nl van 20 januari j.l., getiteld “God boven de ikken”, schrijft de rooms-katholieke priester Antoine Bodar heel treffend: “We leven van de beleving en daardoor veelal van de sensationalisering. Een uur zonder emotie is een verloren uur.” Het heeft ook consequenties ten aanzien van de manier waarop met normen wordt omgegaan. Er bestaat een wijdverbreide allergie tegen van boven opgelegde normen. Ieder maakt zelf uit wat goed en wat fout is. Doorslaggevend is vooral wat ‘goed voelt’. De daaruit afgeleide normen staan in feite niet meer ter discussie. Ze onttrekken zich aan de categorieën ‘juist’ of ‘onjuist’. Daar tegenover staat dan ‘kennis’; gereformeerden hanteren die, volgens Verkerk, op een ‘moderne’ manier. Het is veelzeggend dat hij hieraan tussen haken ‘belijden’ toevoegt. Kennelijk ziet hij het belijden – zoals dat vooral in de gereformeerde belijdenisgeschriften tot uiting komt – als iets waarin ‘kennis’ centraal staat en dat tegenover ‘beleving’ staat. Gereformeerden die hun belijdenis lief hebben, herkennen dat in het geheel niet. De Heidelbergse Catechismus – dit jaar 450 jaar oud – werd en wordt vaak het “troostboek van de kerk” genoemd. De inzet maakt direct duidelijk dat het hier niet om een abstracte uiteenzetting van de leer van de kerk gaat, maar de gelovigen aanspreekt midden in hun leven van elke dag. Het gaat om het hart van de mens. De Catechismus verkondigt het Woord en vraagt om een antwoord. Kennis en beleving horen bij elkaar.

De manier waarop het postmodernisme met ‘kennis’ omgaat heeft alles te maken met de visie op wat ‘waarheid’ is. Ik verwijs naar een artikel dat op 17 januari j.l. verscheen in Trouw. De filosoof Sebastien Valkenberg schreef dit naar aanleiding van de bekentenissen van wielrenner Lance Armstrong, vele malen winnaar van de Tour de France. Veel wielerliefhebbers voelen zich bedrogen na zijn bekentenis dat hij jarenlang (verboden) prestatiebevorderende middelen gebruikte. Valkenberg trekt een vergelijking met de affaire-Stapel, toen veel wetenschappers zich bedrogen voelden door diens jarenlange manipulatie van onderzoeksgegevens.

Valkenberg spreekt zijn verbazing uit over de algemene verontwaardiging. “Hoeveel recht heeft het publiek eigenlijk om zich bekocht te voelen? De afgelopen decennia heeft het postmodernisme ons immers ingeprent dat er niet zoiets bestaat als de waarheid. Het begrip zou een overblijfsel zijn uit de tijd van de Verlichting. Logischerwijs wordt het lastig om iemand van leugens, bedrog en frauduleus gedrag te beschuldigen. Als een begrip zijn bestaansrecht heeft verloren, is het niet langer mogelijk om dit geweld aan te doen. Zonder waarheid ook geen leugens.” Over het postmodernisme schrijft hij verder: “Deze filosofische stroming heeft vele vertegenwoordigers, maar zonder uitzondering pleiten ze ervoor het klassieke waarheidsbegrip te schrappen. Er zou slechts een veelheid aan perspectieven bestaan – zoveel als er mensen zijn. Het ene perspectief kan geen hoger waarheidsgehalte claimen dan het andere.” Als Valkenbergs analyse van het ‘postmodernisme’ juist is, hoe kan een kerk dan ‘postmodern’ zijn? Het kan in elk geval geen belijdende kerk zijn. Verkerk suggereerde dat al door ‘belijden’ met een ‘modern’ begrip als kennis te verbinden.

Is de tegenstelling tussen ‘kennis’ en ‘beleving’ al problematisch, de andere begrippenparen zijn dat al evenzeer. Verkerk stelt de ‘uniformiteit’ van de ‘moderne’ kerk tegenover de ‘diversiteit’ van de ‘postmoderne’. Daar komen we in het onderhavige geval niet veel verder mee. Gereformeerden herkennen zich niet in de suggestie dat zij naar ‘uniformiteit’ streven. De Gereformeerde Kerken hebben altijd diversiteit gekend. Over zaken waarover de belijdenisgeschriften zich niet uitlaten en waarover geen kerkelijke uitspraken zijn gedaan, bestaat in beginsel vrijheid van meningsuiting, ook onder predikanten. De vrijheid van de exegese heeft bij gereformeerden altijd hoog in het vaandel gestaan. Verkerk typeert ‘diversiteit’ met “laat veel bloemen bloeien”. Dat willen gereformeerden ook. Maar er is geen ruimte voor onkruid. Daarom is de vrijheid van exegese niet onbegrensd. Er gaat een dogmatisch vooroordeel aan vooraf: de overtuiging dat de Schrift het Woord van God is. Zonder dat vooroordeel verwordt de vrijheid van exegese tot anarchie. Daarvan zijn de gemeente en haar leden de slachtoffers. In een ‘postmoderne’ kerk kunnen geen grenzen aan die vrijheid worden gesteld. Want wie heeft het recht te claimen dat hij de waarheid kent, laat staan die op papier te zetten en voor iedereen bindend te verklaren?

Het laatste begrippenpaar betreft ‘beheersing’ en ‘ontwikkeling’. Het eerste ziet Verkerk als kenmerkend voor een ‘moderne’ kerk. Hij ziet het, net als de hiervoor genoemde zaken, als “wapen” om het kerkelijk leven te “sturen”. In dit verband gebruikt hij het begrip ‘top-down’, in tegenstelling tot ‘bottom-up’, dat karakteristiek zou zijn voor de ‘postmoderne’ kerk. Maar is dat wel zo? Hoe ‘bottom-up’ is een ‘postmoderne’ kerk eigenlijk? Komen nieuwe ideeën wel echt van onderop? Hebben veel mensen – met alle respect gesproken – toch vaak niet dezelfde opvattingen als degene van wie ze het laatste iets hebben gelezen? In de kerkelijke wereld van vandaag circuleren veel ideeën die vaak niet of nauwelijks verenigbaar zijn met de gereformeerde leer. Die komen toch meestal echt uit boekjes of van websites die zijn geproduceerd door theologen of door mensen die zich als ‘geestelijke leiders’ met een ‘bediening’ opwerpen. En juist waar een gereformeerde kerkstructuur ontbreekt, wordt de gemeente vatbaar voor wat vanaf kansel of katheder als waarheid wordt gepresenteerd. Want het mag dan ‘postmodern’ zijn een vraagteken te zetten achter de kenbaarheid of zelfs het bestaan van ‘waarheid’, aan het aplomb waarmee nieuwe ideeën worden gepropageerd zou je dat niet aflezen.

Zet daar de gereformeerde belijdenis eens tegenover. Komt die van bovenaf? De belijdenisgeschriften zijn producten van de strijd van de kerk om de waarheid. Ze zijn kerkelijk geijkt, niet omdat ze in een hiërarchische kerkstructuur aan de gemeenten werden opgelegd, maar omdat de kerk die in haar meeste vergaderingen – waar alle kerken vertegenwoordigd zijn – als waarheid hebben aanvaard. En nog altijd hebben kerken de volle vrijheid zich te onttrekken aan een kerkverband waarin die belijdenis als toetssteen wordt gehanteerd. Wanneer gereformeerden ernaar streven dat de kerk gereformeerd blijft, is dat geen poging het kerkelijk leven te sturen. Het is geen theologenbeweging, maar een beweging van ‘gewone’ gereformeerden die hun belijdenis lief hebben en geloven dat die in overeenstemming is met de leer van apostelen en profeten. Voor een gereformeerde is de belijdenis die hij wil hooghouden niet alleen de belijdenis van de kerk, maar vooral zijn belijdenis.

Tegenover ‘beheersing’ of ‘sturing’ stelt Verkerk ‘ontwikkeling’ als kenmerk van de ‘postmoderne’ kerk. Daarmee suggereert hij dat in gereformeerde kring van ‘ontwikkeling’ geen sprake is. Maar ‘ontwikkeling’ is nu juist typisch gereformeerd. Het is de bereidheid zich steeds te reformeren. Zelfs de belijdenis is geen dichtgetimmerd bouwwerk. Ze staat niet naast, maar onder de Schrift. Wie meent dat de belijdenis afwijkt van de Schrift of meer zegt dan schriftuurlijk verantwoord is, heeft recht op een open oor en een eerlijke toetsing van zijn bezwaren. Die toetsing vindt dan wel plaats op basis van wat uiteindelijk de doorslag geeft: de Schrift als Woord van God. Alleen dat Woord is ‘top-down’.

Het probleem dat gereformeerden met veel hedendaagse opvattingen – ‘modern’ of ‘postmodern’ – hebben, is niet dat ze nieuw of ongewoon zijn. Het probleem is dat ze vaak niet beargumenteerd worden vanuit de Schrift of dat ze gebaseerd zijn op een Schriftexegese die die naam niet of nauwelijks verdient. Het is geen bezwaar wanneer inzichten veranderen, zolang die het resultaat zijn van een verdiept inzicht in de Schrift. Maar het gaat in veel gevallen eerder om hoogstpersoonlijke inzichten die aan de schriftuurlijke toetsing van de gemeente en het kerkverband worden onttrokken.

De begrippen ‘modern’ en ‘postmodern’ zijn te schematisch om daarmee kerkelijke ontwikkelingen te analyseren. Uiteindelijk is het artikel van Verkerk niet meer dan een pleidooi voor een ‘postmoderne’ kerk. Hij vraagt zich af of de strijd van de ‘verontrusten’ geen “achterhoedegevecht” is. Daarmee zijn de gereformeerden die het etiket ‘modern’ kregen opgeplakt, tenslotte toch weer ‘ouderwets’. George Orwell laat groeten.

Kerkelijk polderen

Nederland stond ooit bekend als een land van consensus. Partijen of maatschappelijke organisaties met tegengestelde opvattingen of belangen probeerden elkaar te vinden en een zodanige overeenstemming te bereiken dat ieder er in elk geval op één of meerdere punten beter van werd. Het is niet zo vreemd dat uitgerekend in Nederland het streven naar consensus kernmerkend werd voor de politiek en de samenleving. Het was altijd een land van minderheden, waarin geen enkele partij kon domineren. In de jaren ’80 kwam de term poldermodel in zwang, toen werkgevers, vakbonden en overheid met elkaar overlegden over lonen en arbeidsvoorwaarden. Zelfs in het buitenland werd dit model als voorbeeldig beschouwd.

In latere jaren werd van die term het werkwoord polderen afgeleid. Dat werd vaak in kritische of zelfs afkeurende zin gebruikt. Vooral in de maatschappelijke beweging die aan het begin van deze eeuw ontstond – waarvoor vaak de zogenaamde ‘Fortuyn-revolte’ als oorzaak wordt aangewezen – werd polderen een synoniem voor pappen en nathouden, het onder het kleed vegen van problemen en het bagatelliseren van maatschappelijke tegenstellingen. Het verzet daartegen leidde tot een verscherping van de maatschappelijke en politieke meningsverschillen. De polarisatie uit de jaren ’70 van de vorige eeuw leek helemaal terug van weggeweest, ook al liepen de scheidslijnen anders dan toen en had de polarisatie een minder uitgesproken ideologisch karakter. Teugkijkend op de geschiedenis van het laatste decennium kan moeilijk worden beweerd dat de samenleving van de toenemende polarisatie beter is geworden.

Men zegt wel eens dat de kerk achterloopt op maatschappelijke ontwikkelingen. Die bereiken haar uiteindelijk wel, maar het duurt even. Daar zit wat in. Verschijnselen die in de samenleving al decennia als heel gewoon worden beschouwd – vooral op het vlak van de persoonlijke ethiek – doen zich inmiddels ook in kerkelijke kring voor, en niet alleen onder vrijzinnigen. Hetzelfde kan gezegd worden van de manier waarop met verschillen van mening wordt omgegaan. Je zou kunnen zeggen dat, waar de samenleving afscheid heeft genomen van het poldermodel, de kerk de ‘voordelen’ van het polderen heeft ontdekt.

Niet dat het poldermodel nu pas wordt toegepast. De aloude Nederlands Hervormde Kerk en ook de PKN, waarin ze is opgegaan, zijn voorbeelden bij uitstek van een kerkelijk poldermodel. Verschillende stromingen bestaan naast elkaar en hebben een soort van ‘modus vivendi’ gevonden, waarbij ze elkaar wat gunnen en tegelijk elkaar zo min mogelijk lastig vallen. Kleinere reformatorische kerken hebben de Hervormde Kerk altijd als een afschrikwekkend voorbeeld beschouwd en hun oordeel over de PKN was in de eerste jaren na haar ontstaan niet veel anders. Maar inmiddels zijn ook die kerken aan het polderen geslagen. De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben verschillende stromingen. Eenheid met andere kerken staat weliswaar op de agenda van synoden van de CGK, maar veel vooruitgang zit er niet in, aangezien enkele stromingen binnen de kerk dat eenheidsstreven, vooral met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), niet zien zitten.

Ook binnen de laatstgenoemde kerken wordt druk gepolderd. Daar zijn veel voorbeelden van te geven. Ik denk dat elke lezer er wel een paar kan verzinnen. Ik heb in mijn weblog herhaaldelijk op zulke verschijnselen gewezen. Het lijkt erop dat kerkenraden koste wat kost iedereen binnen boord willen houden.
De norm is nog steeds dat de kinderen van de gelovigen gedoopt behoren te zijn. Wanneer een toenemend aantal kerkleden daarmee problemen heeft, wordt dat wel betreurd, maar consequenties blijven uit. Wanneer ouders dan hun kind niet willen laten dopen, moet daar maar iets op gevonden worden.
Kerkelijke afspraken worden geschonden, omdat kerkenraden niet de moed hebben gewoon eens “nee” te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een ‘kerkelijk gemengd’ bruidspaar zijn huwelijk kerkelijk wil laten bevestigen.
Ook de ‘Werkorde’ die aan de Generale Synode wordt voorgelegd, draagt de sporen van ‘kerkelijk polderen’. De kerkenraad roept de gemeente in openbare kerkdiensten samen, “als regel twee maal per zondag”. Daarmee wordt bij voorbaat een verklaring van ‘geen bezwaar’ uitgereikt aan kerkenraden die het nodig vinden de tweede dienst af te schaffen. Ook de catechismusprediking wordt in feite facultatief gesteld door een vergelijkbare formulering. De argumentatie is een klassiek voorbeeld van ‘poldermentaliteit’. “In een toelichting schrijven de deputaten dat bij de invulling van de kerkdiensten een ‘veel grotere verscheidenheid is gegroeid dan er in de jaren 1970 bij de opstelling van de huidige kerkorde was’. De reacties van 115 kerken en 13 deputaatschappen op het vorige concept maken duidelijk dat verschillend wordt gedacht over het vastleggen van de tweede kerkdienst en de catechismusprediking in de kerkorde. Daarop hebben deputaten besloten dit opener te formuleren.” (Nederlands Dagblad, 5.7.12). Het is de mentaliteit van “u vraagt en wij draaien”.
Het kan nauwelijks verwondering wekken dat de liturgische vrijheden die voorgaande synoden aan gemeenten hebben toegestaan, hebben geleid tot een lappendeken waarin geen duidelijk gereformeerd patroon meer te ontwaren valt.
Tenslotte wijs ik nog maar eens – bijna ten overvloede – op de ontwikkelingen rond de kerkplantingsgemeente Stroom in Amsterdam, waar kerkelijke vergaderingen zich in alle mogelijke bochten wringen om het zo mogelijk iedereen naar de zin te maken.

Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat in enkele decennia een kerk zo van karakter verandert. Het heeft ongetwijfeld met de toenemende kerkverlating te maken, waardoor men alles doet om te voorkomen dat nog meer mensen – en vooral jongeren – zich onttrekken. De drempel naar andere kerken is immers veel lager dan vroeger, en sociaal heeft het vrijwel geen gevolgen wanneer iemand van kerk verandert, zoals dat vroeger wel vaak het geval was.
Maar er lijkt toch meer aan de hand. De manier waarop enkele theologen meenden te moeten bezweren dat enkele kerkplantingsgemeenten, zoals Stroom, zonder meer als gereformeerd kunnen worden beschouwd, wijst al in een bepaalde richting. Er spreekt grote onzekerheid uit over wat nu eigenlijk gereformeerd mag heten. Dat lijkt me de kwaal waaraan de Gereformeerde Kerken lijden. Er zal niet zo gauw iemand te vinden zijn die met Pilatus vraagt: “Wat is waarheid?” Wie zal ontkennen dat de waarheid bestaat? Wanneer de vraag gesteld wordt of die waarheid ook te kennen en te formuleren is, wordt het een ander verhaal. Natuurlijk, over fundamentele zaken, zoals de verzoening door Christus, bestaat geen verschil van mening. Wanneer de kerk daarover ferme uitspraken doet in haar belijdenis, kan ze op instemming rekenen. Maar wanneer die belijdenis andere zaken aan de orde stelt blijft algemene instemming uit. En wanneer ze dan ook nog pretendeert de Schrift na te spreken en daarmee impliciet (of expliciet) daarvan afwijkende opvattingen als onschriftuurlijk verwerpt, wordt de weerstand nog groter. Sommige reacties op de vraag van het Nederlands Dagblad (20.10.12) of 450 jaar Heidelbergse Catechismus iets is om te vieren leggen daar getuigenis van af.

Enkele weken geleden vond op het Malieveld in Den Haag een manifestatie plaats, waar allerlei ‘kerkelijke leiders’ schuld beleden over de kerkelijke verdeeldheid. Het is veelzeggend dat vertegenwoordigers van protestantse kerken en stromingen ‘broederlijk’ naast een rooms-katholieke bisschop stonden. Weliswaar werden de verschillen niet ontkend, maar van veel gewicht leken die uiteindelijk toch niet te zijn – in elk geval niet voldoende om kerkelijke gescheidenheid te rechtvaardigen. Enkele jaren geleden zagen we een vergelijkbaar verschijnsel, toen in Dordrecht de Nationale Synode bijeenkwam. Vertegenwoordigers van kerken, die qua geloofsleer sterk van elkaar verschilden, stelden een document op waaraan niemand zich een buil kon vallen. Dat de deelnemers aan de gebruikte formuleringen soms heel verschillende interpretaties gaven mocht de pret van de eenheid niet drukken.
Hieruit komt het beeld naar voren van een christelijke wereld waar verschillen in geloofsleer niet meer als fundamenteel en kerkscheidend worden beschouwd. Er lijkt een opvatting gegroeid dat iedereen een stukje van de waarheid heeft. De christelijke wereld, met al haar kerken en groepen, wordt dan een soort legpuzzel, die pas af is wanneer iedereen zijn eigen stukje van de waarheid bijpast.
Wie zal zich dan nog verwonderen over het kerkelijk indifferentisme, volgens welke het niet uitmaakt van welke kerk je lid bent?

En zo leidt het kerkelijk polderen tot kerkverlating – precies datgene wat het moest voorkómen.

Stroomversnelling

1 september 2012 6 reacties

Enige tijd geleden schreef ik op deze weblog een artikel over de missiegemeente Stroom in Amsterdam, die het resultaat is van een kerkplantingsproject van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt). De gemeente heeft een verzoek ingediend bij de classis Amsterdam-Leiden als zelfstandige gemeente tot het kerkverband te worden toegelaten. Dat leverde veel onenigheid op, vooral vanwege de kerkelijke praktijk die afwijkt van wat binnen de GKV is afgesproken en gebruikelijk is. Dit najaar zullen de kerkenraden uit de regio overleggen hoe met dit verzoek moet worden omgegaan.

Dit is voor een aantal leden van de GKV aanleiding geweest een appèl op te stellen, waarin erop wordt aangedrongen aan het verzoek van de Stroomgemeente geen gehoor te geven. Het appèl is ondertekend door 43 personen, daaronder 26 (emeritus-)predikanten. Men heeft het appèl niet op een website gezet met het verzoek aan leden van de GKV het te ondertekenen. Dat is verstandig: het gaat niet om de macht van het getal maar om de kracht van het argument.

De kracht van het argument is hier dat de appellanten geen persoonlijke visie ten beste geven waarover te discussiëren valt, maar gewoon verwijzen naar wat binnen het kerkverband van de GKV is afgesproken. Daarover zou geen verschil van mening mogen bestaan. Wie van mening is dat bepaalde afspraken zouden moeten worden gewijzigd of afgeschaft, kan dat aan de orde stellen volgens de regels die daarvoor zijn afgesproken.

Voor de nauwelijks verholen verontwaardiging van ds. W. van der Schee, waarvan het Nederlands Dagblad van 31 augustus melding maakt, is dan ook geen enkele grond. Er zou eerder reden voor verontwaardiging zijn wanneer predikanten niet aan de bel zouden trekken, wanneer de binding aan de gereformeerde belijdenis ter discussie wordt gesteld. Want dat is één van de kernpunten in deze kwestie. Het pijnpunt is de opstelling van het appèl als zodanig. Volgens ds. Van der Schee is dat “niet erg fatsoenlijk”. Waarom dat het geval zou zijn maakt hij niet duidelijk. De leiding van de Stroomgemeente erkent dat de opstellers uitgaan van de juiste feiten. Dus dat kan geen reden zijn de opstelling van het appèl te bekritiseren.

Ds. Van der Schee beschouwt het appèl als een uiting van wantrouwen. Eén van de opstellers, prof. J. Douma, geeft hem gelijk. “Twintig jaar geleden, en misschien wel tien jaar geleden, hadden we dit niet gedaan. Wij staan voor het gereformeerde standpunt dat nu volkomen in discussie is. Daarom is de actie nu niet ongepast.” Voor wantrouwen is alle reden. Het probleem waarmee de classis Amsterdam-Leiden geconfronteerd wordt, is er immers één van eigen makelij. Wanneer de kerk van Amsterdam-Centrum en de classis vanaf het begin duidelijk waren geweest over de identiteit van de te stichten gemeente, was dit probleem niet ontstaan. Ik laat nu maar in het midden of hier sprake is van nalatigheid dan wel van een bewuste poging het breekijzer in de identiteit van de Gereformeerde Kerken te zetten.

Hoezeer de belijdenis over de kerk onder druk staat laat ds. Matthijs Haak in zijn artikel ‘Wie gelooft nog in de kerk?’ (ND, 1.9.12) aan de hand van sprekende voorbeelden uit de praktijk zien. In hetzelfde nummer van het Nederlands Dagblad staat een reactie op het appèl van Peter Wieringa, adviseur kerkplanting en evangelisatie, en ds. Bram Beute. Daarin wordt op z’n minst gesuggereerd dat de kerk zich zou moeten ontwikkelen tot een gemeenschap waarin de leer van de kerk en kerkverbandelijk gemaakte afspraken voor sommigen wel en voor anderen niet bindend zijn.

De besluitvorming over de Stroomgemeente kan de ontwikkelingen binnen de GKV in een stroomversnelling brengen. De beslissing die de classis Amsterdam-Leiden zal nemen en de manier waarop het kerkverband daarop zal reageren zullen een indicatie zijn van de richting waarin deze kerken zich in de nabije toekomst zullen bewegen. De opstellers van het appèl doen een beroep op alle betrokkenen ervoor te waken dat de kerken zich blijven bewegen binnen de bedding van de Schrift die door de gereformeerde belijdenis wordt gemarkeerd. Het is te hopen dat zal blijken dat dit appèl niet nodig was geweest.

Missiedrang kent grenzen (2)

23 april 2012 1 reactie

De laatste aflevering van deze weblog ging over de grenzen in de evangelisatie. De aanleiding daartoe was De Grote Jezus Quiz, die de EO op Tweede Paasdag uitzond. Deze aflevering sluit daar in zekere zin op aan. Ook hier gaat het om de vraag hoe ver christenen mogen gaan om ongelovigen voor het evangelie te winnen. De aanleiding is nu een bericht in het Nederlands Dagblad van 21 april j.l., waarin wordt gemeld dat de gemeente die uit het kerkplantingsproject Stroom is voortgekomen, een verzoek heeft ingediend als zelfstandige gemeente in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKV) te mogen worden opgenomen. Het adres van dat verzoek ligt voor de hand, want dit project is uit die kerken voortgekomen, met name de gemeente van Amsterdam (Centrum).

Eén en ander leidde echter tot onenigheid binnen de classis Amsterdam-Leiden, die hierover een beslissing moet nemen. Er zijn verschillende factoren die verklaren waarom Stroom niet zonder slag of stoot tot het kerkverband wordt toegelaten. In het bericht wordt vooral gewezen op het feit dat drie vrouwen deel uitmaken van de oudstenraad. Die is in feite wat in gereformeerde kerken de kerkenraad is. Deze vrouwen hebben daarmee de status van ambtsdrager. Maar de GKV kennen geen vrouwelijke ambtsdragers en het openstellen van het ambt voor vrouwen is tot op heden door kerkelijke vergaderingen altijd met principiële argumenten afgewezen. Overige verschilpunten komen hooguit zijdelings aan de orde. Kerkplanter Martijn Horsman wordt als volgt geciteerd: “[We] vragen aanvaard te worden zoals we nu zijn, want dit is de christelijke gemeenschap die we geworden zijn, inclusief hoe we het heilig avondmaal vieren, de doop bedienen en de leiding hebben ingevuld.” Het beleid ten aanzien van de doop kwam al eens aan de orde in een artikel in het Nederlands Dagblad op 12 november 2010 over de dooppraktijk in verschillende protestantse kerken (zie De doop onder vuur). In de Stroomgemeente worden alle kinderen gezegend en daarnaast ondergaan degenen die gedoopt worden “het complete ritueel”, zoals het werd uitgedrukt.

Het is van belang hier te noteren dat het besluit dienaangaande door de classis werd goedgekeurd. Dat werpt wel een bepaald licht op de huidige meningsverschillen op dezelfde classis. Wat is er veranderd? Ten aanzien van het besluit betreffende de doop schreef ik in bovengenoemd artikel: “De zegening is hier regel, de doop uitzondering. Op deze manier wordt de kinderdoop gereduceerd tot een spécialité de la maison voor wie daarop prijs stelt. Een Schriftuurlijke basis ontbreekt daarvoor geheel, evenals voor de praktijk van het zegenen van pasgeboren kinderen. Kerkelijke afspraken daarover bestaan ook niet. Hoe je het ook wendt of keert, ook hier wordt de kinderdoop als wezenlijk element van de leer van de Schrift ondermijnd.”

Men zou met recht kunnen beweren dat de bezwaren tegen de kerkelijke praktijk bij Stroom een beetje mosterd na de maaltijd zijn. Met betrekking tot de doop had men al een concessie gedaan aan de inmiddels gegroeide praktijk. Waarom zet men dan nu de hakken in het zand? Heeft dat te maken met de ambtelijke status van enkele vrouwen? Zou dat meer tegen de Schrift ingaan dan de dooppraktijk in deze gemeente? Het is in dit verband dienstig erop te wijzen dat de gereformeerde belijdenis zich over de vraag of vrouwen een kerkelijk ambt mogen bekleden, niet uitlaat. De doop wordt daarentegen uitvoerig behandeld. Heeft de classis, door in te stemmen met het compromis over de doop, de slag niet al verloren en wordt in feite nu geen achterhoedegevecht gevoerd?

Hoe de onderhavige kwestie moet worden opgelost is volstrekt onduidelijk. Volgens een verklaring van de classis lagen de standpunten zover uiteen dat van een besluit nog geen sprake kon zijn. In het najaar wordt de zaak opnieuw geagendeerd en in de tussentijd zal door gesprekken gepoogd worden nader tot elkaar te komen. Ik zou eigenlijk niet weten hoe men hier tot een voor alle zijden bevredigende oplossing kan komen. Daarvoor is de in de Stroomgemeente gegroeide praktijk te ver verwijderd van wat in de GKV gebruikelijk is. De oorzaak moeten deze kerken – en dan met name die in de classis – vooral bij zichzelf zoeken. Wanneer dit kerkplantingsproject vanaf het begin duidelijk kerkelijk was ingekaderd en ook naar buiten toe geen onduidelijkheid was geschapen over de (toekomstige) identiteit, zou het probleem zich niet – of niet in die mate – hebben voorgedaan. Het feit dat Horsman meldt dat pas na een “heftig intern debat” besloten is binnen de GKV te blijven is veelzeggend. Daarover had nooit onduidelijkheid mogen bestaan, gezien het feit dat dit project van de GKV uitging.

Er is vanaf het begin een grote mate van vrijblijvendheid in het project geslopen. Dat komt ook tot uitdrukking in het identiteitsdocument waarin de visie op de gemeente is vastgelegd. Die gaat vooral over het hoe van het geloven en het gemeente-zijn, maar nauwelijks over de inhoud van het geloof. Het document suggereert een grote mate van vrijblijvendheid. Die indruk wordt bevestigd door de manier waarop Horsman volgens het Nederlands Dagblad tegen de meningsverschillen binnen het kerkverband aankijkt. “Natuurlijk is het gesprek met elkaar over wat de Bijbel daarover zegt mogelijk, zegt hij. ‘Daarom heb je elkaar als kerken nodig.’ Maar dat is wat anders dan afspraken aan elkaar opleggen op een manier die geen ruimte biedt aan nieuwe missionaire gemeenschappen die nu eenmaal niet gevormd zijn naar de vrijgemaakte kerkcultuur.” Wat is de zin van gesprekken over wat de Bijbel zegt, wanneer die volstrekt vrijblijvend zijn? En behoren de manier waarop doop en avondmaal bediend worden en de wijze waarop de kerk geregeerd wordt tot de ‘vrijgemaakte kerkcultuur’ of zouden die iets met de gereformeerde religie te maken kunnen hebben, zoals die in de belijdenis wordt verwoord?

Wat vanaf het begin is scheefgegroeid valt nauwelijks meer recht te zetten. Als de gemeente wordt toegelaten onder de voorwaarde dat ze de gegroeide praktijk op een aantal punten aanpast aan die van het kerkverband zal dat ongetwijfeld tot gevolg hebben dat een aantal leden van de gemeente zal afhaken. Zij zouden zich om de tuin geleid kunnen voelen omdat de gemeente uiteindelijk een andere identiteit aanneemt dan waarmee ze zich aanvankelijk had gepresenteerd. Daar hebben ze dan nog gelijk in ook. Dat had voorkomen kunnen worden wanneer er vanaf het begin duidelijkheid was geweest over de gereformeerde identiteit van de kerkplantingsgemeente en er duidelijke grenzen waren getrokken ten aanzien van de aanpassing aan de cultuur van de doelgroep.
Een toelating zonder voorwaarden is alleen mogelijk wanneer men aanvaardt dat de gereformeerde religie in verschillende smaken verkrijgbaar is en de belijdenis reduceert tot één van de mogelijke interpretaties van de Schrift. Daarmee is dan wel de principiële basis onder de binding van ambtsdragers aan de belijdenis weggevallen. Die kan men dan beter bij het grofvuil zetten.

Maar dan zijn de Gereformeerde Kerken wel opgehouden gereformeerd te zijn.

De doop onder vuur

12 november 2010 1 reactie

Eén van de meest significante verschillen tussen kerken van gereformeerde signatuur en zogenaamde ‘evangelische’ gemeenten is de kinderdoop. Gereformeerden en evangelischen mogen elkaar op allerlei punten waarderen en in allerlei zaken dezelfde lijnen trekken, hierover zijn en blijven ze het fundamenteel oneens. Maar ook binnen de kerken van de Reformatie is het altijd een strijdpunt geweest. Er zijn altijd mensen geweest die moeite hadden met de kinderdoop. Daarom hoeft het niet te verbazen dat volgens het Nederlands Dagblad van 12 november binnen die kerken sommige ouders hun kinderen niet laten dopen. Met dat soort situaties wordt verschillend omgegaan, zo blijkt uit het artikel.

In sommige gevallen is hier evident sprake van invloed van het evangelische denken. Daarnaast ziet ds. Hans Schaeffer, predikant van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt van Wageningen, nog een ander motief: het willen beleven van rituelen, zoals de sacramenten doop en avondmaal. Hij omschrijft dat zo: “Dopen hoort bij gelóven. Daar zit een subjectieve kant aan. En dat vraagt om een uiterlijk ritueel”. Het is zinvol onderscheid te maken tussen een principiële keuze voor de volwassendoop en de moeite met de kinderdoop vanuit het verlangen naar beleving. Maar tegelijk moet vastgesteld worden dat het tweede motief evenzeer als het eerste door de evangelische beweging gevoed wordt. De persoon van de gelovige en zijn beleving zijn daarin van groot en niet zelden doorslaggevend gewicht.

De gereformeerde belijdenis is volstrekt duidelijk als het om de kinderdoop gaat. De kinderen van de gelovigen behoren gedoopt te zijn, volgens het doopsformulier dat in reformatorische kerken gebruikt wordt. Zo wordt kort en bondig samengevat wat de belijdenis op grond van de Schrift over de doop aan kinderen van gelovige ouders leert. Op dit punt kan de kerk geen compromis sluiten. Dat moet ook tot uiting komen in de manier waarop ze ouders tegemoet treedt die weigeren hun kind te laten dopen.

Zoals te verwachten is loopt de praktijk op dat punt binnen de gereformeerde wereld nogal uiteen. In het artikel komt een geval ter sprake van ouders in een hervormde gemeente. Hun eerste kind werd gezegend in een huisbijeenkomst waarbij de predikant aanwezig was. Hun tweede willen ze in het midden van de gemeente laten zegenen, maar voor de kerkenraad is een huissamenkomst het hoogst haalbare. Ds. René de Reuver (PKN) komt aan het woord. Hij schreef een proefschrift over het omgaan met kerkelijke diversiteit. Hij kiest zelf voor de kinderdoop, maar zegt tegelijkertijd dat doop en geloof bij elkaar horen, “meer nog dan doop en verbond”. Hij vindt onenigheid over het tijdstip van de doop “een beetje overdreven. Het beslissende is dat je gedoopt bent of wordt”.

Met de hier beschreven handelswijzen wordt de zaak van de kinderdoop niet echt een dienst bewezen. Formeel wordt de belijdenis van de kerk ten aanzien van de doop gehandhaafd, maar in de praktijk in feite uitgehold. Dat is evenzeer het geval wanneer in nieuw gestichte gemeenten de kinderdoop tussen haken wordt geplaatst. Als voorbeeld van een ‘kerkplantingsproject’ waar de kinderdoop wordt aangemerkt als een onderwerp waarover verschillend mag worden gedacht, wordt ‘Hoop voor Noord’ in Amsterdam genoemd, dat uitgaat van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Naast ‘dopen’ staan ook onderwerpen als het duizendjarig rijk, de visie op Israel en het Joodse volk en de gaven van de Geest op de lijst van zaken waarover men verschillend mag denken, “maar elkaar niet op veroordeelt”. De vraag is: waar blijft hier de belijdenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken? Hoe geloofwaardig is een kerk die bereid is een deel van haar identiteitspapieren thuis te laten wanneer ze een nieuwe gemeente sticht?

Het is begrijpelijk dat een nieuw geplante kerk een eigen aanpak vraagt. Het valt niet te verwachten dat iedereen die zich bij zo’n gemeente aansluit, zich direct volledig kan vinden in de leer van die kerk. Dat vraagt geduld en verdraagzaamheid. In die zin is de situatie in een kerkplantingsgemeente te vergelijken met die in zendingsgebieden. Het kost soms vele jaren van onderwijs voordat de leer van de Schrift, zoals die door de kerk wordt beleden, ook echt wortel schiet. Dat onderwijs moet dan wel volhardend gegeven worden. Maar wat mag op dat punt verwacht worden, wanneer de aan het genoemde project verbonden gemeentestichter beweert dat “van de doop toch echt een te groot issue gemaakt” is? Dan is verschil van mening over de kinderdoop geen tijdelijk probleem meer dat moet worden overwonnen, maar een aanvaard verschijnsel.

Hetzelfde probleem doet zich voor in het vrijgemaakt-gereformeerde project ‘Stroom’, eveneens in Amsterdam. Daar heeft men – na discussie binnen het kerkverband – besloten alle kinderen te zegenen en daarnaast degenen die gedoopt worden “het complete ritueel” te laten ondergaan. “Voor deze lijn is gekozen om te voorkomen dat het zegenen in praktijk als alternatief voor de doop gaat gelden”. Deze optie lijkt beter dan wat bij ‘Hoop voor Noord’ wordt gepractiseerd. Maar dat is weinig meer dan schijn. De zegening is hier regel, de doop uitzondering. Op deze manier wordt de kinderdoop gereduceerd tot een spécialité de la maison voor wie daarop prijs stelt. Een Schriftuurlijke basis ontbreekt daarvoor geheel, evenals voor de praktijk van het zegenen van pasgeboren kinderen. Kerkelijke afspraken daarover bestaan ook niet. Hoe je het ook wendt of keert, ook hier wordt de kinderdoop als wezenlijk element van de leer van de Schrift ondermijnd.

Hoe moet gehandeld worden met gemeenteleden die hun kinderen niet willen laten dopen? Dit is niet de plaats hierop een gedetailleerd antwoord te geven. Dat is de verantwoordelijkheid van een kerkenraad die alle achtergronden en specifieke omstandigheden moet meewegen. Het is opvallend dat zelfs de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken van 1914 niet uitspreekt dat censuur toegepast moet worden. In het Nederlands Dagblad wordt naar een besluit van die synode verwezen. Daarin staat dat een gereformeerde die de kinderdoop afwijst, “dwaalt te goeder trouw”. Dat vraagt tolerantie, maar wel onder voorwaarden: het desbetreffende gemeentelid moet bereid zijn zich te laten onderwijzen en hij mag geen propaganda maken voor zijn opvattingen. Ook de verkiezing tot een kerkelijk ambt is onmogelijk. Ik denk dat hier – in het algemeen gesproken – een goede lijn is uitgezet. De belijdenis van de kinderdoop wordt ten volle gehandhaafd en wie daarmee moeite heeft, dient zich te laten onderwijzen. Daarmee wordt elke suggestie dat de kinderdoop facultatief of slechts één van de mogelijkheden is, de pas afgesneden.

Een dergelijke situatie zorgt overigens wel voor allerlei praktische problemen. Er zijn kinderen in de gemeente die niet gedoopt zijn. Horen die erbij? Hoe ga je daarmee om? En welke gevolgen heeft dat voor het catechetisch onderwijs? De verplichting zijn kinderen naar de catechisatie te sturen berust op de doopbelofte. Maar wanneer ouders die belofte niet hebben afgelegd, kan van zo’n verplichting geen sprake zijn.

Er is niet veel fantasie voor nodig om te voorspellen dat gereformeerde kerken in de komende jaren vaker geconfronteerd zullen worden met kerkleden die het recht opeisen over allerlei zaken er hun eigen opvattingen op na te houden. Dat heeft niet alleen te maken met invloeden van andere kerken en stromingen. Het is ook de uitdrukking van de cultuur waarin we leven.

Enerzijds is die cultuur een gevoelscultuur, waarin de eigen beleving wordt verheven tot maatstaf voor wat wel en niet waar is en wat wel en niet aanvaardbaar is. Dat raakt niet alleen de kinderdoop, maar het wezen van de kerk. De vraag is: wie heeft het eerste en het laatste woord? Het antwoord op die vraag onderscheidt niet alleen de kerk van de wereld, maar brengt in toenemende mate ook scheiding binnen de kerk.

De cultuur van nu is ook die van het individualisme. Dat beïnvloedt de kerk in die zin dat individuele kerkleden hun eigen opvattingen niet ondergeschikt willen maken aan wat de kerk als haar belijdenis heeft geformuleerd. Het is toe te juichen wanneer gelovigen nadenken over de leer van de kerk en die steeds kritisch tegen het licht houden. Maar dat moet dan wel het licht van de Schrift zijn. Dat moet ook bij voorkeur gebeuren binnen de context van de gemeente. In Handelingen 17 wordt gezegd dat de Joden in Berea “dagelijks de Schriften [bestudeerden] om te zien of het waar was wat er werd gezegd”. Let wel, ze deden dat samen. De leer van de kerk wordt niet door individuele gelovigen vastgesteld, maar in gemeenschap met gelovigen van alle tijden en plaatsen.

De kerk zal een antwoord moeten vinden op de verbreiding van een cultuur van gevoel en individualisme. Dat moet een Schriftuurlijk antwoord zijn. Een compromis met die cultuur is dat niet. De Schrift laat er geen misverstand over bestaan dat het criterium voor de waarheid niet in het gevoel maar in Gods openbaring ligt. En ze is ook duidelijk over het feit dat die waarheid niet aan individuele mensen maar aan de gemeente is toevertrouwd.

Een ander antwoord op de cultuur is er niet.